← België

Arrest 183805 - Milieuvergunningen - 05/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.805 Rolnummer: A. 187074/VII-37146 Zaak: Arrest 183805 - Milieuvergunningen - 05/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-16 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:10 Fiche Arrest nr 183.805 van 5 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.805 van 5 juni 2008 in de zaak A. 187.074/VII-37.

  1. In zake :
  2. Dirk RAETS,
  3. Diane JOOS,
  4. Jozef RAETS,
  5. Rosine DE BEL,
  6. Tino DE KEYZER,
  7. Eef DE KIMPE,
  8. Patrick WARGÉE,
  9. Carina PRAET,
  10. Wilfrieda VLOEBERGHS,
  11. Bruno PAUWELS, die woonplaats kiezen bij advocaat Y. LOIX, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
  12. tussenkomende partij : de NV AANNEMINGEN VAN WELLEN, die woonplaats kiest bij advocaten C. DE WOLF en K. BEKÉ, kantoor houdende te MAARKEDAL, Etikhovestraat
  13. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dirk RAETS, Diane JOOS, Jozef RAETS, Rosine DE BEL, Tino DE KEYZER, Eef DE KIMPE, Patrick WARGÉE, Carine PRAET, Wilfrieda VLOEBERGHS en Bruno PAUWELS op 15 februari 2008 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 17 december 2007 "houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing nr. MLAV1/06-314/NVD van 3 mei 2007 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende enerzijds het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de NV Aannemingen Van Wellen, Klinkaardstraat VII-37.146-1/11 198, 2950 Kapellen, om een aannemingsbedrijf, gelegen te 2950 Kapellen, Klinkaardstraat 198, te veranderen door toevoeging, uitbreiding en wijziging en anderzijds aktename van de in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting"; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 april 2008 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 22 mei 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. LOIX, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat C. DE WOLF, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  14. De rechtspleging 1.
  15. Overwegende dat de NV AANNEMINGEN VAN WELLEN op 12 maart 2008 een verzoek tot tussenkomst indient; dat de voornoemde vennoot- schap de begunstigde is van de bestreden milieuvergunning; dat zij derhalve toegelaten wordt om tussen te komen in het onderhavig kort geding; 1.
  16. Overwegende dat de tussenkomende partij met een schrijven van 19 mei 2008 een aanvullende nota en stukken overmaakt; dat een dergelijke neerlegging niet is voorzien in het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot VII-37.146-2/11 bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; dat, overigens, de tussenkomende partij reeds kon beschikken over de meeste stukken op het ogenblik waarop zij haar verzoek tot tussenkomst indiende; dat de aanvullende nota en de stukken bijgevolg niet bij de debatten worden betrokken;
  17. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
  18. De tussenkomende partij baat aan de Klinkaardstraat 198 te Kappellen een aannemersbedrijf uit. De verzoekende partijen, allen woonachtig in de Klinkaardstraat, zijn omwonenden van het bedrijf. 2.
  19. Op 6 november 2006 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in om haar aannemersbedrijf te veranderen door toevoeging, uitbreiding en wijziging. Op 3 mei 2007 verleent de deputatie van de provincie Antwerpen grotendeels de gevraagde vergunning. Voor een klein onderdeel wordt de aanvraag geweigerd, en er worden ook milieuvoorwaarden opgelegd. 2.
  20. Zowel de tussenkomende partij als een aantal buurtbewoners stellen beroep in tegen het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen. 2.
  21. In het kader van de beroepsprocedure wordt een aantal adviezen uitgebracht : - de afdeling Water van de Vlaamse Milieumaatschappij is van oordeel dat zij geen advies moet uitbrengen; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig; - de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest brengt een voorwaardelijk gunstig advies uit; - de afdeling Toezicht Volksgezondheid brengt een ongunstig advies uit ten aanzien van het beroep van de tussenkomende partij; - de afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid brengt een voorwaardelijk gunstig advies uit; - de afdeling Milieuvergunningen brengt een gedeeltelijk gunstig advies uit; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie brengt een gedeeltelijk gunstig advies uit. VII-37.146-3/11 2.
  22. De tussenkomende partij bezorgt ook nog een nota waarin zij haar zienswijze naar voor brengt. 2.
  23. Op 17 december 2007 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Het beroep van de tussenkomende partij wordt ongegrond verklaard, het beroep van een aantal buurtbewoners wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de beroepen beslissing van de deputatie van de provincie Antwerpen wordt gewijzigd;
  24. De schorsingsvoorwaarden Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.
  25. Overwegende dat de verzoekende partijen, met betrekking tot de eerste voorwaarde, in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 52, 3b, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I) en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat zij hierbij uiteenzetten dat het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid in hoofdstuk III, afdeling 1, aan iedere planologische en vergunningverlenende overheid bepaalde verplichtingen oplegt, die de "watertoets" wordt genoemd, dat die overheid bij de beoordeling van een plan, dan wel van een vergunningsaanvraag steeds moet onderzoeken of er al dan niet een betekenisvol nadelig effect op het milieu ontstaat dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan, dat, om zulks te vermijden, die overheid elk plan en elke vergunningsaanvraag dient te onderwer- pen aan een watertoets, dat de watertoets een concretisering is van het beginsel van preventief handelen zoals verwoord in artikel 6, 2/, van het voornoemde decreet, dat het begrip "schadelijk effect" centraal staat en dat hieronder wordt verstaan "ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van VII-37.146-4/11 de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen", dat, indien een aanvraag tot het verlenen van een milieuvergunning wordt beoordeeld, een watertoets uitgevoerd dient te worden indien dit noodzakelijk blijkt ingevolge het voorwerp van de aanvraag, dat zulks impliceert dat steeds een afweging gemaakt dient te worden van de noodzaak tot het doorvoeren van een watertoets, dat, indien de watertoets noodzakelijk is, uit de bestreden beslissing moet kunnen worden afgeleid dat deze ook effectief gebeurde, dat, indien de watertoets, gelet op het voorwerp van de aanvraag, niet noodzakelijk wordt geacht door de vergunningverlenende overheid, dit ook terug te vinden moet zijn in de genomen beslissing, dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat een watertoets werd doorgevoerd, dat de verzoekende partijen uit de bestreden beslissing niet kunnen afleiden of, en waarom, al dan niet een watertoets werd uitgevoerd, dat de deputatie van de provincie Antwerpen oordeelde dat wel degelijk een watertoets uitgevoerd diende te worden bij de beoordeling van de bestreden aanvraag tot milieuvergunning en dat uit de bestreden beslissing niet blijkt of de verwerende partij deze visie deelde, noch waarom dit al dan niet het geval was; dat, volgens de verzoekende partijen, wel degelijk een watertoets moest geschieden omdat de gevraagde vergunning een toevoeging van een kadastraal perceel aan de exploitatie betreft, zodat volgens hen aangenomen dient te worden dat het vergunde een impact op de waterhuishouding kan hebben; 3.1.
  26. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de percelen die het voorwerp uitmaken van de milieuvergunningsaanvraag niet gelegen zijn in overstromingsgebied, dat het aan de verzoekende partijen is om te verduide- lijken welke onderdelen van de milieuvergunningsaanvraag mogelijkerwijs een schadelijk effect zouden kunnen ressorteren, dat zij alleen kan vaststellen dat dit niet is gebeurd, wat volgens haar niet verbaast, gelet op de inhoud van de milieuvergun- ningsaanvraag, dat het immers weinig waarschijnlijk is, zelfs volstrekt onbestaand, dat enig onderdeel van de milieuvergunningsaanvraag een schadelijk effect op de waterhuishouding zou kunnen veroorzaken; dat, steeds volgens de verwerende partij, het eerste middel feitelijke en juridische grondslag mist en daarom niet ernstig is; 3.1.
  27. Overwegende dat de tussenkomende partij zich in haar verzoek- schrift tot tussenkomst vragen stelt over het belang van de verzoekende partijen met betrekking tot het eerste middel, omdat volgens haar door de verzoekende partijen VII-37.146-5/11 op generlei wijze het bestaan wordt aangetoond van enig probleem inzake wateroverlast op de site en de aanpalende percelen, en dat ook niet aannemelijk wordt gemaakt dat door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een kans op wateroverlast zou ontstaan; dat zij hierbij ook stelt dat de bestreden beslissing de milieuvergunning verleend door de deputatie van de provincie Antwerpen op een aantal punten wijzigt, zodat wat de watertoets betreft dient te worden teruggevallen op de overwegingen van de deputatie, dat, wat de watertoets betreft, in de milieuvergunning uitdrukkelijk verwezen wordt naar een overweging uit het advies van 24 april 2007 van de Provinciale Milieuvergunningscommissie, dat de bestreden beslissing bijgevolg ook de toets doorstaat van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststel- ling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, dat de vergunningsplichtige activiteit als verenigbaar met het watersysteem wordt beschouwd en dat, volgens de tussenkomende partij, geheel terecht wordt geoordeeld dat aan de doelstellingen, zoals opgesomd in artikel 5 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, is voldaan; 3.1.
  28. Overwegende dat artikel 8, §1, eerste lid, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid als volgt luidt : "De overheid die moet beslissen over een vergunning, plan of programma als vermeld in § 5, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd"; dat artikel 8, §2, tweede lid, luidt : "De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemoti- veerd, waarbij in elk geval rekening wordt gehouden met de relevante doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid"; dat artikel 8, §5, 3/, luidt : "3/ voor zover als relevant, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de milieuvergunning als vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning"; VII-37.146-6/11 dat luidens artikel 3, §2, 17/, van hetzelfde decreet onder een "schadelijk effect" moet worden verstaan "ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsge- bieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen"; dat artikel 4, §1, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstantie en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid bepaalt wat volgt : "Met behoud van de toepassing van de andere reglementaire bepalingen die ter zake van toepassing zijn, moet de motivering van de beslissing over een vergunningsaanvraag voor de toepassing van de watertoets een duidelijk aangegeven onderdeel bevatten, de waterparagraaf genoemd, waarbij, eventueel rekening houdend met het wateradvies, een uitspraak wordt gedaan over: 1/ de verenigbaarheid van de vergunningsplichtige activiteit met het watersys- teem; 2/ in voorkomend geval, de voorwaarden en maatregelen om het schadelijke effect dat kan ontstaan als gevolg van de vergunningsplichtige activiteit, te voorkomen, te verminderen, te herstellen, of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van het hemelwater of de vermindering van de ruimte voor het watersysteem, te compenseren; 3/ een toetsing van de beoordeling van de vergunningsplichtige activiteit en de opgelegde voorwaarden en maatregelen aan de doelstellingen, bepaald in artikel 5 van het decreet"; dat uit voornoemde bepalingen op het eerste gezicht lijkt te volgen dat, "voor zover als relevant", een milieuvergunningsaanvraag moet worden onderworpen aan de watertoets; dat de vraag of een watertoets relevant is op het eerste gezicht lijkt af te hangen van het "schadelijk effect" in de zin van artikel 3, §2, 17/, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid dat het inwilligen van de milieuvergunningsaanvraag zou kunnen veroorzaken; dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of een watertoets al of niet relevant is zodat zij er niet zonder meer, en bij voorbaat, kan van uitgaan dat dergelijke toets niet relevant is, tenzij als uit het voorwerp van de vergunningsaanvraag duidelijk blijkt dat er geen enkel nadelig effect te vrezen valt, of als de vergunning toch al moet worden geweigerd om andere redenen dan deze die verband houden met de waterhuishouding; dat in dezen de verwerende partij er zonder meer van uitgegaan is dat de watertoets niet VII-37.146-7/11 relevant was; dat immers uit het administratief dossier niet blijkt dat zij een onderzoek heeft gedaan naar de relevantie van deze toets; dat evenmin in de motieven van de bestreden beslissing daarover te lezen is; dat de verwerende partij redenen had om de relevantie van een watertoets te onderzoeken aangezien de Provinciale Milieuvergunningscommissie in haar advies van 17 april 2007 had gesteld "dat de gevraagde activiteiten van die aard zijn dat ze mogelijk relevant zijn voor wat betreft de invloed op het watersysteem"; dat de bestreden beslissing in een uitbreiding voorziet van de capaciteit voor de opslag en sortering van afvalstoffen met 60 ton, een uitbreiding voor het stallen van 73 voertuigen, een uitbreiding van het debiet voor het lozen van bedrijfsafvalwater tot een totaal debiet van 5,736 m3/uur, 11,2 m3/dag en 321m3/jaar, en uitbreiding met een opslag van 10 ton autobanden; dat de inrichting gelegen is binnen een beschermingszone type III in een waterwingebied en dat het bedrijfsafvalwater blijkt te worden geloosd in de Middelbeek; dat de door de vergunning verkregen uitbreiding op het eerste gezicht bijgevolg niet miniem is, zodat niet verwacht mag worden dat die uitbreiding redelijkerwijze geen enkele weerslag op de waterhuishouding zou hebben; dat, ten slotte, de devolutieve werking van het hoger beroep de verwerende partij verplicht om het dossier opnieuw in al zijn wetmatigheids- en opportuniteitsaspecten te bekijken en het derhalve niet kon volstaan dat de deputatie van de provincie Antwerpen zich reeds had uitgesproken over de watertoets; dat het eerste middel bijgevolg ernstig is; 3.2.
  29. Overwegende dat de verzoekende partijen, met betrekking tot de tweede voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een reeks foto's aanbrengen waaruit volgens hen duidelijk blijkt dat zij visuele hinder ondergaan en zij geconfronteerd worden met een uitzicht op industriële activiteiten, terwijl hun woningen conform het gewestplan gesitueerd zijn in landelijk woongebied en agrarisch gebied; dat zij verder vrezen voor veel lawaaihinder en geurhinder, dat, gelet op de aard van die nadelen, het een ernstig nadeel is dat moeilijk hersteld kan worden; dat zij er op wijzen dat door de bestreden activiteiten een perceel wordt toegevoegd aan de exploitatie en dat daardoor de reeds bestaande en hinderlijke activiteiten nog dichter bij de woningen en tuinen van de verzoekende partijen komen, dat uit de vergunning bovendien blijkt dat toestemming wordt gegeven om 60 ton steenpuin, beton en staalafval op te slaan op de site, dat ook toestemming wordt gegeven om 10 ton extra autobanden op te slaan, alsmede een verbrandingsinrichting uit te baten, dat het opslaan, verwerken en vervoeren van dit afval ongetwijfeld overlast zal doen ontstaan, niet in het minst op het vlak van geluid en stofhinder, dat door de bestreden beslissing een vergunning wordt verleend VII-37.146-8/11 voor het stallen van 60 vrachtwagens op het terrein, dat in de huidige toestand de tussenkomende partij slechts over een vergunning voor 5 vrachtwagens beschikt, dat de impact van deze uitbreiding enorm is, dat niet alleen de overlast op het vlak van lawaai en geurhinder zal toenemen, doch dat het verschil tussen de tot op heden vergunde toestand en hetgeen door de bestreden beslissing vergund wordt enorm is, dat daarnaast blijkt dat geen enkele maatregel voorzien werd om de verkeersafwik- keling in goede banen te leiden, zodat de verkeerssituatie zeer sterk zal wijzigen, ten nadele van de omwonenden; 3.2.
  30. Overwegende dat de verwerende partij, samengevat, antwoordt dat alle mogelijke maatregelen zijn genomen om de hinder veroorzaakt door de toevoeging van het perceel 493p2 voor de onmiddellijke omgeving te vermijden, of toch minstens te herleiden tot een aanvaardbaar niveau, dat er een groenscherm van 5 meter breed vereist wordt en dat lege werfcontainers niet gestapeld mogen worden, dat zij rekening heeft gehouden met de ingediende bezwaren en een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden heeft opgelegd, dat het perceel 493p2 enkel mag worden gebruikt voor de opslag van lege werfcontainers, dat de stalplaatsen voor voertuigen zich niet op het voornoemd perceel bevinden en dat het maximum aantal gestalde voertuigen enkel tijdens het verlof zal worden bereikt, dat de verzoekende partijen ook niet aangeven welke schadelijke effecten er op de waterhuishoudng zouden kunnen zijn; 3.2.
  31. Overwegende dat de tussenkomende partij opmerkt dat het in feite gaat om de regularisatie van een bestaande toestand en dat de visuele hinder reeds voortvloeit uit reeds eerder verleende stedenbouwkundige vergunningen, dat zij voorts heel wat maatregelen heeft getroffen om tegemoet te komen aan de bezwaren van de verzoekende partijen, dat alleen tijdens het bouwverlof de parkeerplaatsen volledig benut worden en dat gemiddeld slechts een 25-tal bedrijfsvoertuigen op de site aanwezig zullen zijn, dat de verzoekende partijen ook niet aannemelijk maken dat het verlenen van de vergunning een wezenlijke invloed zal hebben op het watersysteem, terwijl de NV DE SCHEEPVAART in dat verband een gunstig advies heeft gegeven; 3.2.
  32. Overwegende dat de verzoekende partijen op afdoende wijze met fotomateriaal hebben aangetoond dat zij allen zeer dicht bij de inrichting wonen; dat zij vanuit hun tuin en vanuit hun woning een rechtstreeks zicht hebben op de activiteiten van de tussenkomende partij; dat aldus blijkt dat de visuele hinder niet alleen voortspruit uit de stedenbouwkundige vergunningen doch ook uit het stapelen VII-37.146-9/11 van containers, het opslaan van bouwafval en het stallen van bedrijfsvoertuigen die niet het voorwerp uitmaken van stedenbouwkundige vergunningen; dat die activiteiten ook lawaaihinder veroorzaken omdat zij gepaard gaan met het laden, lossen en verplaatsen van materialen, en met het verkeer van zware vrachtwagens; dat de zeer grote toename van het aantal bedrijfsvoertuigen - van 5 naar 60 - ontegensprekelijk geluids- en geurhinder veroorzaakt; dat, in weerwil met wat door de verwerende en de tussenkomende partij wordt aangevoerd met betrekking tot het aantal te stallen voertuigen, gedurende het grootste gedeelte van het jaar de bestreden beslissing geen beperking oplegt; dat overigens zelfs een verhoging van 5 naar 25 bedrijfsvoertuigen, die bovendien geen personenwagens zijn, op zich reeds een aanzienlijke toename betekent tegenover de vorige toestand; dat extra opslag en sortering van 60 ton bouwafvalstoffen en 10 ton autobanden ontegensprekelijk negatieve repercussies hebben op de leefomgeving; dat, ten slotte, de omstandigheid dat het om een regularisatie van een bestaande toestand gaat, niet kan beletten dat de verzoekende partijen zich alsnog kunnen beroepen op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat, integendeel, in een dergelijke toestand geen prognoses meer hoeven te worden gemaakt, doch louter vaststellingen die wijzen op de ernst en de moeilijke herstelbaarheid van het nadeel; dat de verzoekende partijen dergelijk nadeel op afdoende wijze aantonen; 3.
  33. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering van de verzoekende partijen toe te wijzen, BESLUIT: Artikel
  34. Het verzoek tot tussenkomst van de NV AANNEMINGEN VAN WELLEN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  35. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 17 december 2007 "houdende uitspraak over de beroepen aangetekend tegen de beslissing nr. MLAV1/06-314/NVD van 3 mei 2007 van de Bestendige VII-37.146-10/11 Deputatie van de provincieraad van Antwerpen, houdende enerzijds het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan de NV Aannemingen Van Wellen, Klinkaardstraat 198, 2950 Kapellen, om een aannemingsbedrijf, gelegen te 2950 Kapellen, Klinkaardstraat 198, te veranderen door toevoeging, uitbreiding en wijziging en anderzijds aktename van de in klasse 3 ingedeelde onderdelen van de inrichting". Artikel
  36. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel
  37. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juni tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.146-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.805 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.847 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.