id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.808 Rolnummer: A. 145377/VII-37077 Zaak: Arrest 183808 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 05/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:10 Fiche Arrest nr 183.808 van 5 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.808 van 5 juni 2008 in de zaak A. 145.377/VII-37.077. In zake : 1. Jacqueline de STRYCKER-VRANCKEN, 2. Catherine de STRYCKER-VRANCKEN, 3. Jacques de STRYCKER-VRANCKEN, 4. Louis de STRYCKER-VRANCKEN, 5. Paule JADOT (overleden), die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. -------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jacqueline de STRYCKER- VRANCKEN, Catherine de STRYCKER-VRANCKEN, Jacques de STRYCKER- VRANCKEN, Louis de STRYCKER-VRANCKEN en Paule JADOT op 16 december 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 houdende definitieve vaststelling van het afbakeningsplan voor de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van de Kempense kleiputten, de Vallei van de Molenbeek en Tappelbeek, de Kindernouw-Visbeekvallei, de Schijnvallei, het Zoerselbos, het Grooten Houtbos, de Vallei van de Hollebeemdenbeek en het Bos van Ranst; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; VII-37.077-1/13 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 19 maart 2008 waarbij de terechtzit- ting initieel werd bepaald op 30 april 2008 en gelet op het feit dat de zaak op 23 april 2008 werd uitgesteld tot de terechtzitting van 15 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging De vijfde verzoekende partij is overleden. Haar rechthebbenden hebben het geding niet hervat. 2. De gegevens van de zaak 2.1. Hoofdstuk V van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : natuurbehouddecreet) heeft betrek- king op het gebiedsgericht beleid. Het decreet regelt daartoe onder meer de afbake- ning van het Vlaams Ecologisch Netwerk (hierna : VEN). Artikel 17, § 1, van het natuurbehouddecreet omschrijft het VEN als : "een samenhangend en georganiseerd geheel, van gebieden van de open ruimte waarin een specifiek beleid inzake het natuurbehoud, gebaseerd op de kenmerken en elementen van het natuurlijk milieu, de onderlinge samenhang VII-37.077-2/13 tussen de gebieden van de open ruimte en de aanwezige en potentiële natuurwaarden wordt gevoerd". Luidens artikel 17, § 2, van het natuurbehouddecreet, omvat het VEN de volgende onderdelen : "1/ Grote Eenheden Natuur (GEN) : dit zijn gebieden die hetzij natuurelemen- ten over een oppervlakte van minstens de helft van het gebied bevatten hetzij gebieden waarin een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit aanwezig is; 2/ Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling (GENO) : dit zijn gebieden die één of meer van de volgende kenmerken vertonen :
- a)aanwezigheid van natuurelementen, verspreid over de oppervlakte van het gebied, waarvan de gezamenlijke oppervlakte echter kleiner kan zijn dan de helft van het gebied;
- b)aanwezigheid van belangrijke fauna- of floraelementen waarvan het voortbe- staan moet worden ondersteund door de maatregelen inzake het grondgebruik;
- c)terreinen al dan niet door kunstmatige ingrepen tot stand gekomen, met belangrijke mogelijkheden voor natuurontwikkeling". De opname van een gebied in het VEN heeft onder meer tot gevolg dat overeenkomstig artikel 25, § 3, van het natuurbehouddecreet voor dat gebied een aantal voorschriften en verbodsbepalingen gelden, onder andere inzake het gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen, vegetatiewijzigingen, enzovoort. De overheid kan voor die gebieden maatregelen nemen om de natuur en het natuurlijk milieu te behouden, te herstellen en te ontwikkelen. In GEN gelden die maatregelen "bij voorrang ten opzichte van de andere functies in het gebied", in GENO gelden zij "rekening houdend met de overige functies in het gebied" (artikel 25, §1). Die maatregelen zijn opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbehoud (hierna : maatregelenbesluit). Voorts wordt voor elk gebied dat behoort tot het VEN een natuurrichtplan opgesteld, dat specifieke maatregelen inzake natuurbehoud kan bevatten (artikelen 48 en 50). De onroerende goederen gelegen in het VEN zijn in principe onderworpen aan een recht van voorkoop door het Vlaamse Gewest (artikel 37). De opname van een gebied in het VEN maakt het dus mogelijk om, zoals bepaald in artikel 17, §1, eerste lid, van het natuurbehouddecreet, voor dat gebied "een specifiek beleid inzake het natuurbe- houd" te voeren. De overheid kan in die gebieden eigendomsbeperkingen opleggen die niet gelden in andere gebieden. Het natuurbehouddecreet bepaalt dat de Vlaamse regering binnen vijf jaar na de inwerkingtreding ervan een effectief te realiseren oppervlakte van 125.000 ha afbakent (artikel 17, § 1, tweede lid). VII-37.077-3/13 2.2. Op 19 juli 2002 beslist de Vlaamse regering tot de voorlopige vaststelling van de ontwerpen van de afbakeningsplannen VEN - eerste fase. De beslissing omvat onder meer de voorlopige vaststelling van "het ontwerp van afbakeningsplan van de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van de Kempense kleiputten, de Vallei van de Molenbeek en Tappelbeek, de Kindernouw-Visbeekvallei, de Schijnvallei, het Zoerselbos, het Grooten Houtbos, de Vallei van de Hollebeemdenbeek en het Bos van Ranst". Naar aanleiding van deze voorlopige vaststelling wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. Dit wordt aangekondigd in het Belgisch Staatsblad van 12 september 2002. De eerste vier verzoekende partijen zijn naakte eigenaar, de vijfde verzoekende partij is vruchtgebruiker van een reeks percelen gelegen te Zandhoven die opgenomen zijn in het hierboven vermelde ontwerp van afbakenings- plan. Deze percelen zijn volgens het gewestplan gelegen in natuurgebied met wetenschappelijke waarde. 2.3. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek dient de raadsman van de verzoekende partijen op 20 november 2002 een bezwaarschrift in. Daarin wordt in essentie gevraagd de gehele eigendom, en minstens het Boutersemhof met park, dat tevens deel uitmaakt van een erkend dorpsgezicht, uit het afbakeningsge- bied te schrappen. Er wordt tevens, met verwijzing naar het bezwaar ingediend door de gemeente Zandhoven, gevraagd dat de weiden, die deel uitmaken van het Boutersemhof, worden geschrapt. 2.4. Op 19 maart 2003 brengt de Mina-raad advies uit over de bezwaarschriften die zijn ingediend naar aanleiding van het openbaar onderzoek inzake het ontwerp van afbakeningsplan van het VEN - eerste fase. Dit advies omvat enerzijds een algemeen advies over de bezwaren inzake de voorbereidende fase, het openbaar onderzoek, de gevolgen van de afbakening en de maatregelen, en anderzijds een gebiedsspecifiek advies waarbij ook per afbakeningsplan de bezwaren worden geëvalueerd. In dit advies wordt het bezwaar van de verzoekende partijen onder nummer 1599 als volgt omschreven : "Bezwaar tegen opnamen van het Boutersemhof en omliggende gronden te Zandhoven, afdeling 1, Sectie C, nrs. 267a, 267b, 269a, 270a, 271a, 272a, 279, 280, 281, 282, 283, 296, 299 en 300. De bezwaarindiener betwist de benaming natuurreservaat. De bezwaarindiener stelt ook dat andere nabije geklasseerde gebouwen niet zijn opgenomen. De familie vreest dat opname van het Boutersemhof met park de plannen om een eigen invulling te geven aan het domein in de weg staat". De Raad geeft over dit bezwaar het volgende advies : VII-37.077-4/13 "De Raad stelt vast dat het kasteel met domein - met bestemming natuurre- servaat - volledig opgenomen zijn in de VEN-afbakening. De Raad adviseert schrapping van het kasteel met bijhorend domein (kadasterpercelen 277, 278, 279, 280, 281, 282 en 283)". 2.5 Op 18 juli 2003 stelt de Vlaamse regering het afbakeningsplan voor "de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van de Kempense kleiputten, de Vallei van de Molenbeek en Tappelbeek, de Kindernouw-Visbeekvallei, de Schijnvallei, het Zoerselbos, het Grooten Houtbos, de Vallei van de Hollebeemdenbeek en het Bos van Ranst" vast. Over het bezwaar wordt in de motivering het volgende gesteld : "De Vlaamse regering schrapt de formele delen van het park in overeenstem- ming met punt 74 c2 van het Advies, maar de andere gebieden blijven behouden in het VEN. De Vlaamse regering verwijst bijkomend naar randnummer 6 in verband met de multifunctionaliteit van het bosbeheer". Over de opname van bossen in het VEN stelt de bestreden beslissing het volgende : "De MiNa-Raad nam akte van diverse bezwaren tegen de opname van bossen in het VEN: er zou tegenstrijdigheid bestaan tussen de door het bosdecreet van 13 juni 1990, zoals gewijzigd, (verder: het Bosdecreet) erkende multifunctionaliteit van het bos en de opname van bos in VEN met hoofdfunctie natuur; de verbodsbepalingen in het VEN zouden de economische functie van het bos ernstig of zelfs totaal beperken en er zou geen (...) rekening zijn gehouden met 'de criteria van Helsinki', meer in het bijzonder criterium 6. Vermoedelijk wordt met dit laatste verwezen naar een resolutie tot stand gekomen op pan-Europees niveau tijdens de tweede Ministeriële Conferentie ter Bescherming van de Bossen in Europa, gehouden te Helsinki in 1993 (resolutie 'Algemene Richtlijnen voor het Duurzaam Beheer van Bossen in Europa'). Deze bezwaren kunnen om meerdere redenen worden weerlegd. Het Bos- decreet bepaalt niet dat het beheer van elk bos de realisatie van de diverse functies, vermeld in dat decreet, moet betrachten: art. 5 van het Bosdecreet spreekt enkel van een mogelijkheid. Waar art. 41, eerste lid, van het Bosdecreet handelt over het brengen of behouden in een bestendige staat van meervoudige functie, heeft deze bepaling betrekking op het bosareaal als geheel en niet op elk afzonderlijk bos. Daarnaast moet opgemerkt worden dat het Bosdecreet zelf voorziet dat de Vlaamse regering de uitvoeringsmaatregelen die krachtens dat decreet worden genomen kan afstemmen op de door het natuurbeleid vooropge- stelde gebiedscategorieën, zoals het VEN en het IVON (art. 7 Bosdecreet). Overigens is ook de centrale doelstelling van het Bosdecreet de bescherming, het beheer en het herstel van 'de bossen en van hun natuurlijk milieu' (art. 2 Bosdecreet), ook wanneer het bossen betreft die een economische functie hebben. De ecologische functie is overigens de enige functie die steeds in het beheersplan van alle bossen dient in acht te worden genomen (cf. art. 19 van het Bosdecreet, zoals gewijzigd bij decreet van 18 mei 1999) . Tenslotte dient nog opgemerkt te worden dat waar art. 25, § 1, tweede lid, van het decreet bepaalt dat de in GEN en GENO te nemen maatregelen ten behoeve van de natuur en het natuurlijk milieu onder meer ook betrekking hebben op het bevorderen van VII-37.077-5/13 een natuurgerichte bosbouw, het daar wel het volgende aan toevoegt: 'in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet'. Wat het verbod op het wijzigen van vegetatie uit art. 25, § 3, 2/, 3) van het decreet betreft, bepaalt dit artikel tevens dat dit niet geldt wanneer die wijziging gebeurt in toepassing van o.m. een goedgekeurd bosbeheerplan. Ook kan gewezen worden op art. 56 van het decreet dat voorziet in de mogelijkheid van een afwijking van alle verbodsbepalingen van het decreet of zijn uitvoeringsbe- sluiten o.m. ter voorkoming van belangrijke schade aan bossen. De criteria uit de resolutie van Helsinki zijn net zoals heel de resolutie soft-law. Bovendien zijn de bedoelde criteria louter ontwikkeld als instrument voor beleidsevaluatie met het oog op rapportering. De bedoeling is dus enkel een beeld te krijgen over de toestand van het bos en het bosbeleid in de diverse Europese landen. De vermelde ministeriële conferentie resulteerde dus niet in een engagement tot het nastreven van welbepaalde doestellingen op vlak van het bosbeheer of -beleid. De opgeworpen bezwaren tegen opname van bossen in het VEN zijn niet van die aard dat zij een schrapping verantwoorden". Ook het bezwaar van de gemeente Zandhoven wordt vanuit het oogpunt van de landbouw door de Mina-raad en door de verwerende partij beantwoord. De bestreden beslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 17 oktober 2003 bekendgemaakt. 3. De ontvankelijkheid 3.1. De verwerende partij doet ter terechtzitting afstand van de door haar opgeworpen exceptie. 3.2. De verzoekende partijen hebben slechts belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing in de mate dat deze beslissing percelen bevat waarop de verzoekende partijen een zakelijk recht hebben. 4. Ten gronde 4.1.1. In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), en van artikel 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, "Doordat de bestreden beslissing, zo zij te beschouwen is als een rechtshan- deling met een individuele strekking, niet formeel gemotiveerd werd, behoudens voor wat betreft de weerlegging van de bezwaren (en in dat geval zelfs niet afdoende); VII-37.077-6/13 En doordat, de bestreden beslissing, zo zij te beschouwen is als een reglementaire handeling, niet onderworpen werd aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State(;) Terwijl, de bestreden beslissing ofwel een reglementair besluit is, ofwel een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking, en dus ofwel moest worden onderworpen aan het advies van de afdeling wetgeving van uw Raad, ofwel formeel diende te worden gemotiveerd". 4.1.2. Blijkens hun memorie van wederantwoord handhaven de verzoekende partijen het onderdeel inzake de schending van artikel 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, slechts voor zover de Raad van oordeel zou zijn dat de bestreden beslissing geen individuele rechtshandeling is. 4.1.3. Aangezien de bestreden beslissing geen rechtsregels bevat, kan zij niet worden gekwalificeerd als een reglementaire akte. Bijgevolg was zij niet onderworpen aan de adviesplicht van de Raad van State. Voor de toepassing van de motiveringswet wordt onder het begrip bestuurshandeling verstaan: "de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur" (artikel 1). De door deze wet opgelegde formele motiveringsplicht geldt bijgevolg alleen voor rechtshandelingen met individuele strekking, dit wil zeggen rechtshandelingen die in een concreet geval een rechtsregel toepassen op een bepaalde persoon of een bepaalde zaak. Het besluit tot definitieve vaststelling van het afbakeningsplan als VEN-gebied kan niet worden beschouwd als de toepassing in een concreet geval van een rechtsregel op een bepaalde persoon of een bepaalde zaak. De wet van 29 juli 1991 is terzake dan ook niet van toepassing. Dit neemt niet weg dat het bestreden besluit moet zijn gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn. Dit zal worden onderzocht bij de beoordeling van het tweede middel. Het middel is niet gegrond. 4.2.1. In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 21 van het natuurbehouddecreet en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, "doordat, eerste onderdeel, de verzoekende partijen in het kader van het georganiseerde openbaar onderzoek een bezwaarschrift hebben ingediend waarin gewezen werd op het feit dat het onduidelijk is waarom de opgesomde VII-37.077-7/13 percelen opgenomen worden in het VEN, waarbij getwijfeld wordt aan het feit of zij hiervoor wel in aanmerking komen, en de MINA-Raad dit bezwaarschrift beantwoordt door te stellen dat 'de Raad .... vast (stelt) dat het kasteel met domein - met bestemming natuurreservaat - volledig opgenomen zijn in de VEN afbakening. De Raad adviseert schrapping van het kasteel met bijhorend domein (kadasterpercelen 277, 278, 279, 280, 281, 282 en 283)' en dat de Vlaamse Regering hieraan toevoegt dat 'de Vlaamse Regering ... de formele delen van het park [schrapt] in overeenstemming met punt 74 c2 van het advies, maar de andere gebieden blijven behouden in het VEN. Terwijl, de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren met zich meebrengt dat de overheid ertoe gehouden is op het bezwaarschrift te antwoorden met concrete, pertinente en ter zake doende en correcte argumen- ten, die aan de bezwaarindiener toelaten te begrijpen waarom het bezwaar- schrift om redenen van natuurbehoud werd verworpen en zodoende waarom de bewuste beslissing genomen wordt. En doordat, tweede onderdeel, het bezwaarschrift uitsluitend werd onderverdeeld als een bezwaar vanuit de sector 'bosbouw' en enkel vanuit die optiek werd beantwoord, alhoewel de verzoekende partijen in het kader van het georganiseerde openbaar onderzoek een bezwaarschrift hebben ingediend waarin zij zich aansloten bij het bezwaar van de gemeente, waarin de schrapping van een aantal van hun landbouwgronden werd voorgesteld, Terwijl, de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren met zich meebrengt dat de overheid ertoe gehouden is het bezwaarschrift in zijn geheel te beoordelen; het is bovendien kennelijk onredelijk om landbouwpercelen die gelegen zijn aan de rand van de VEN afbakening binnen het VEN op te nemen. En doordat, derde onderdeel, de verzoekende partijen in het kader van het georganiseerde openbaar onderzoek een bezwaarschrift hebben ingediend waarin gewezen werd op het feit dat het gaat om een cultuurhistorisch hof met park, maar dit bezwaarschrift slechts gedeeltelijk werd ingewilligd, meer bepaald voor wat betreft het 'kasteel met bijhorend domein' (MINA-Raad) of 'formele delen van het park' (Vlaamse Regering). Terwijl, de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren met zich meebrengt dat de overheid ertoe gehouden is op het bezwaarschrift te antwoorden met concrete, pertinente en ter zake doende en correcte argumen- ten, die aan de bezwaarindiener toelaten te begrijpen waarom het bezwaar- schrift om redenen van natuurbehoud werd verworpen en zodoende waarom de bewuste beslissing genomen wordt, en de bewuste weerlegging niet toelaat uit te maken op basis waarvan de MINA-Raad of de Vlaamse Regering van mening is dat het 'domein' of de 'formele delen van het park' beperkt zijn tot de 'kadasterpercelen 277, 278, 279, 280, 281, 282 en 283'". De verzoekende partijen stellen met betrekking tot het eerste onderdeel eveneens dat de verwerende partij de bezwaren heeft onderzocht teneinde na te gaan of deze een schrapping uit het VEN verantwoorden, maar dat dit niet de correcte werkwijze is. Zij stellen dat er, ten tijde van het openbaar onderzoek omtrent het VEN, nog geen VEN bestond maar enkel een ontwerpplan, dat aan een openbaar onderzoek werd onderworpen. Volgens de verzoekende partijen zou de verwerende partij aldus het plan hebben beschouwd als een vaststaand gegeven. VII-37.077-8/13 4.2.2. De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederant- woord dat de verwerende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat er geen op zichzelf staande motiveringsplicht bestaat, los van de uitdrukkelijke motiverings- plicht van de motiveringswet, en voortvloeiend uit het recht om bezwaren in te dienen. In de toelichting van het middel werd duidelijk de schending ingeroepen van deze bijzondere motiveringsplicht. In de opvatting van de verzoekende partijen vloeit deze motiveringsplicht niet zozeer voort uit de algemene motiveringsplicht die geldt voor elke individuele beslissing, maar wel uit het specifieke recht dat de burger heeft om zijn bezwaren beantwoord te zien, zonder hetwelk het recht om bezwaren in te dienen nutteloos zou zijn. Deze motiveringsplicht vloeit in de opvatting van de verzoekende partijen impliciet voort uit artikel 21 van het natuurbehouddecreet. Zij verwezen hiervoor, zonder door de verwerende partij te worden tegengesproken, naar de rechtspraak van de Raad van State omtrent de afbakening van de gewest- plannen. De verzoekende partijen nemen er akte van dat de verwerende partij erkent dat het besluit moet motiveren waarom een bepaald gebied als VEN moet worden afgebakend. Te dezen hebben de verzoekende partijen in hun bezwaarschrift uitdrukkelijk de vraag gesteld welke bijzondere natuurwaarden de opname als VEN verantwoorden. Zij stellen vast dat de verwerende partij tot op heden het antwoord schuldig blijft. Zelfs indien op bepaalde punten de memorie van antwoord door een verwijzing naar de biologische waarderingskaart een motivering poogt te formule- ren, menen de verzoekende partijen dat deze motivering laattijdig is. Voor het overige blijven de verzoekende partijen bij hun stelling dat het bezwaarschrift van de verzoekende partijen enkel vanuit de optiek "bosbouw" werd onderzocht, en dat dus geen rekening werd gehouden met de landbouwkundige bezwaren die erin vervat zaten. Het gegeven dat percelen, die in gebruik zijn als landbouw-, maar gelegen zijn in VEN-waardige gebieden, opgenomen kunnen worden als VEN, verantwoordt volgens de verzoekende partijen nog niet waarom deze in concreto moeten worden opgenomen. De verwerende partij bewijst, steeds volgens de verzoekende partijen, niet dat de Mina-raad of de Vlaamse regering met dit deel van het bezwaar rekening heeft gehouden. De verzoekende partijen verwachten geen individueel en gedetailleerd antwoord op hun bezwaar, maar zij verwachten wel "een" antwoord, waaruit op een begrijpelijke manier blijkt waarom hun bezwaar wordt verworpen. De verzoekende partijen veronderstellen dat de Mina-raad noch de regering hun bezwaar volledig hebben gelezen. 4.2.3.1. De verwerende partij merkt terecht op dat in de mate dat in dit middel de schending van het redelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd, het niet VII-37.077-9/13 ontvankelijk is vermits het onvoldoende wordt uitgewerkt en toegelicht zodat onderzoek en repliek onmogelijk zijn. 4.2.3.2. Het natuurbehouddecreet voorziet in een openbaar onderzoek met de mogelijkheid tot het indienen van individuele bezwaarschriften. Dit impliceert dat deze bezwaarschriften moeten worden onderzocht en tevens een antwoord moeten krijgen, eventueel op algemene wijze, maar dan wel op zo'n wijze dat de burger in staat is te begrijpen waarom zijn bezwaar werd verworpen. Hier anders over oordelen zou impliceren dat de bedoeling van de decreetgever compleet wordt uitgehold. 4.2.3.3. Volgens de verzoekende partijen bevat de bestreden beslissing geen antwoord op de vraag waarom de percelen, daarin begrepen de omliggende bossen, in aanmerking kwamen voor opname in het GEN. Artikel 17, § 2 van het natuurbehouddecreet bevat de criteria die gelden als richtsnoer voor de opname in een GEN : luidens artikel 17, § 2, eerste lid van het natuurbehouddecreet, omvat een GEN gebieden die ofwel natuurelementen over een oppervlakte van minstens de helft van het gebied, ofwel een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit bevatten. Luidens artikel 17, § 2, tweede lid van het natuurbehouddecreet omvatten de GEN gebieden met een duidelijke samenhang en een voldoende aaneengesloten oppervlakte. Niet alleen de natuurelementen zijn dus van belang, maar tevens de samenhang en de voldoende aaneengesloten oppervlakte. In artikel 20, eerste lid, 1/ van het natuurbehouddecreet wordt bepaald dat onder meer de groengebieden in aanmerking komen om als GEN te worden aangeduid. In artikel 21 van het natuurbehouddecreet is de procedure voor de vaststelling van de GEN- en GENO-afbakeningen vastgelegd. In de aanhef van de motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar de artikelen 17, 20 en 21 van het natuurbehouddecreet. Door deze verwijzing wordt in rechte gemotiveerd waarop de beslissing is gesteund. Wanneer aan de voorwaarden van de artikelen 17 en 20 van het natuurbehouddecreet is voldaan, kunnen de GEN- gebieden overeenkomstig de procedure van artikel 21 van het natuurbehouddecreet worden afgebakend. Dit wordt zowel in het advies van de Mina-raad als in de motivering van de bestreden beslissing beklemtoond. De verzoekende partijen vertrekken van een ander uitgangspunt, met name dat per perceel zou moeten worden nagegaan of aan de voorwaarden tot opname in de GEN-afbakening is voldaan, terwijl uit artikel 17, § 2 van het natuurbehouddecreet volgt dat het voor de opname van percelen in een GEN volstaat dat deze gelegen zijn hetzij in gebieden VII-37.077-10/13 die over een oppervlakte van minstens de helft natuurelementen bevatten, of in gebieden waarin een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit aanwezig is. Luidens het tweede lid van artikel 17, § 2 van het natuurbehouddecreet dient een GEN ook een duidelijke samenhang en een voldoende aaneengesloten oppervlakte te hebben. De VEN-waardigheid van afzonderlijke percelen wordt beoordeeld op het niveau van het GEN-gebied, zodat de eventuele geringe natuurwaarde van de eigendommen van de verzoekende partijen op zich niet relevant is voor de beoordeling of deze eigendommen al dan niet kunnen worden opgenomen. Aldus konden de verzoekende partijen in het bestreden besluit wel degelijk een antwoord vinden op hun bezwaar dat het niet duidelijk was op welke basis de betrokken percelen in de afbakening waren opgenomen. De bestreden beslissing bevat een redengeving waarom de bossen in het VEN moesten worden opgenomen. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat deze redengeving onwettig of kennelijk onredelijk is. Wanneer de verwerende partij het woord "schrapping" gebruikt, bedoelt zij duidelijk de schrapping uit het ontwerp en bijgevolg het niet- opnemen van de betrokken percelen in het definitief plan. Uit het gebruik van dit woord kan dus geen enkel zinnig argument worden afgeleid. Noch artikel 21 van het natuurbehouddecreet, noch het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel zijn geschonden. Het eerste onderdeel is ongegrond. 4.2.3.4. Het bezwaar van de verzoekende partijen inzake de opname van de landbouwgronden horende bij het domein Boutersemhof verwijst naar het bezwaar dat de gemeente Zandhoven terzake had ingediend. In die context is het dan ook logisch en redelijk verantwoord dat voor het onderzoek en de beoordeling van dit bezwaar wordt onderzocht of de Mina-raad en de Vlaamse regering dit bezwaar hebben onderzocht en beoordeeld. Het onderdeel, zoals ontwikkeld en toegelicht, mist feitelijke grondslag, vermits noch de Mina-raad, noch de verwerende partij het bezwaar inzake de opname van de weiden "uitsluitend als bezwaar inzake bosbouw" hebben gekwalificeerd. De Mina-raad en de verwerende partij hebben het bezwaar inzake de opname van de weiden wel degelijk ontmoet als bezwaar inzake landbouwgrond. Bovendien zetten de verzoekende partijen pas in hun verzoekschrift voor de Raad van State concreet uiteen waarin hun bezwaren op dit vlak bestaan. Het zou volgens hen gaan om weiden zonder ecologisch karakter. Dit komt er op neer dat de verzoekende partijen betwisten dat deze percelen VEN-waardig zijn. Dit werd bij de bespreking van het eerste onderdeel reeds verworpen. De VEN- waardigheid van afzonderlijke percelen wordt beoordeeld op het niveau van het VII-37.077-11/13 GEN-gebied, zodat de eventuele geringe natuurwaarde van de eigendommen van de verzoekende partijen op zich niet relevant is voor de beoordeling of deze eigendommen al dan niet kunnen worden opgenomen. Het tweede onderdeel is niet gegrond. 4.2.3.5. De verzoekende partijen voeren in het derde onderdeel aan dat noch uit het advies van de Mina-raad, noch uit de bestreden beslissing kan worden afgeleid hoe de grenzen werden bepaald van het parkdomein, dat werd geschrapt, terwijl nog andere delen tot dit park behoren die niet uit de afbakening werden geschrapt, onder meer het perceel nummer 276, bekend als het "Engels Hof", een authentiek park. In hun bezwaar hebben de verzoekende partijen de schrapping van hun hele eigendom gevraagd, en minstens van het Boutersemhof met zijn park. Zij hebben zelf de kadastrale gegevens vermeld die het domein vormen. In dit derde onderdeel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing artikel 21 van het natuurbehouddecreet en het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel schendt, doordat niet duidelijk is op basis waarvan bepaalde percelen, die eveneens tot het park zouden behoren, niet werden geschrapt. De verzoekende partijen hebben echter in hun bezwaarschrift zelf de grenzen van het park beperkt tot de percelen die door de bestreden beslissing wél werden geschrapt. Er moest vanzelfsprekend niet worden geantwoord op een bezwaar dat eigenlijk zonder voorwerp was omdat werd tegemoet gekomen aan de wensen van de verzoekende partijen. Het derde onderdeel is ongegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 875 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een vijfde. VII-37.077-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juni tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-37.077-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.808 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div