id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.811 Rolnummer: A. 63773/XII-4721 Zaak: Arrest 183811 - Cultuur en schone kunsten - 05/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:10 Fiche Arrest nr 183.811 van 5 juni 2008 Onderwijs en cultuur - Cultuur en schone kunsten Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.811 van 5 juni 2008 in de zaak A. 63.773/XII-
- In zake : de VZW EUROPEES CENTRUM VOOR OPERA EN VOCALE KUNST, die woonplaats kiest bij Paul Berckx, wonende te Wemmel, Wemmel Centrum II, Markt 46, bus 1 tegen :
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,
- de NATIONALE LOTERIJ, die woonplaats kiest bij advocaat D. D’Hooghe, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat 25
- de VLAAMSE GEMEENSCHAP, die woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de vzw Europees Centrum voor Opera en Vocale Kunst (ECOV) op 22 mei 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “1/ - de beslissing van de federale Minister van Financiën dd. 27 maart 1995 [...] waarbij de Minister het ECOV mededeelt ‘dat spijtig genoeg het Beheers- comité van de Nationale Loterij geen gunstig gevolg kan geven aan het verzoek tot toekenning van de subsidie gevraagd voor het dienstjaar 1993’ [...]; 2/ - de niet gepubliceerde, noch aan het ECOV medegedeelde, beslissing van het Beheerscomité van de Nationale Loterij zelf (als bedoeld in het schrijven van de Minister hiervoor vermeld) evenals de algemene beslissing en de lijst van de begunstigden van een toelage op het winstaandeel van de Nationale Loterij voor het betrokken dienstjaar 1993 voor culturele activiteiten; 3/ - de impliciete weigering van de Gemeenschapsminister van Cultuur (= ‘stilzitten van de overheid’) door het niet beantwoorden van de talrijke aanvragen en rappelbrieven van het ECOV inzake toekenning (adviesverlening) XII-4721-1\23 van de subsidies van de Nationale Loterij (advies vereist bij de wet van 22 juli 1991 vóór elke beslissing inzake culturele subsidies van de Nationale Loterij)”; Gelet op het arrest nr. 128.939 van 8 maart 2004 waarbij de debatten worden heropend, een prejudiciële vraag wordt gesteld aan het Arbitragehof en het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak na ontvangst van de uitspraak van het Arbitragehof; Gezien het arrest nr. 63/2005 van het Arbitragehof, thans het Grondwettelijk Hof, van 23 maart 2005; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur L. Vermeire; Gelet op de beschikking van 15 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 25 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van gemachtigd voorzitter P. Berckx, die verschijnt voor de verzoekende partij, van inspecteur J. De Vleeschouwer, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat D. D’Hooghe, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de derde verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. Vermeire; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : XII-4721-2\23 De gegevens van de zaak 1.
- Verzoekster is een vereniging zonder winstoogmerk die als doel heeft “de beoefening van de vocale kunst en de operacultuur in alle opzichten te bevorderen en te revaloriseren, de vocale kunst en de operacultuur in alle aspecten pedagogisch, muziek-theatraal en technisch te stimuleren en te vernieuwen in de eerste plaats voor de eigen gemeenschap, en vervolgens voor de Europese gemeenschap”. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat zij de vorige jaren gesubsidieerd werd via een deel van de winst van de Nationale Loterij, in 1985 voor een bedrag van 3 miljoen frank, in de jaren 1986, 1987, 1988 en 1989 voor een bedrag van 2,5 miljoen frank, en in de jaren 1990 en 1991 voor een bedrag van 3 miljoen frank. 1.
- Op 4 december 1991 dient verzoekster een aanvraag in om ook in het jaar 1992 een subsidie van 3 miljoen frank te krijgen. Na diverse briefwisseling deelt de minister van Financiën met een brief van 24 maart 1993 aan verzoekster mee dat hij, gelet op het advies uitgebracht door de raad van bestuur van de Nationale Loterij, besloten heeft een werkingstoelage van 1 miljoen frank te verlenen voor het jaar
- 1.
- In een brief van 10 mei 1993 aan de minister van Financiën vraagt verzoekster een toelage aan van 3 miljoen frank voor 1993, eventueel met een extra overbruggingstoelage van 1,5 miljoen frank, wegens het wegvallen van diverse toelagen in
- In een brief van dezelfde datum aan de Vlaamse minister van Cultuur wordt gevraagd de aanvullende toelageaanvraag bij de Nationale Loterij “aan te vullen”. 1.
- Blijkens de artikelen 15 tot 18 van de wet van 22 juli 1991 betreffende de Nationale Loterij, zoals die wet destijds gold, zorgt de federale minister van Financiën voor de bestemming van de winst van de Nationale Loterij overeenkomstig het winstverdelingsplan en na het advies van de raad van bestuur van de Nationale Loterij te hebben ingewonnen. Voor zover winsten verdeeld worden voor doeleinden van openbaar nut aan de verwezenlijking waarvan andere overheden bijdragen, wordt over de bestemming ervan beslist door de minister van XII-4721-3\23 Financiën op voorstel van deze overheden volgens modaliteiten die in gezamenlijk akkoord bepaald worden. De tweede verwerende partij beschrijft het verloop van de proce- dure inzake de aanvragen tot cultuursubsidies als toekenning van een deel van haar winst als volgt : “
- Verenigingen en instellingen kunnen hun verzoeken tot toekenning van een deel van de winst van de verweerster richten tot, hetzij, de Minister van Financiën die deze doorstuurt naar de verweerster, hetzij, de verweerster zelf.
- De verweerster stelt per aanvraag een dossier samen. Desgevallend worden bijkomende inlichtingen gevraagd betreffende : - de statuten van de vzw - de jaarrekeningen - nadere toelichting over het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd - het bewijs van de complementariteit van de gevraagde subsidie
- Vervolgens worden de aanvragen gegroepeerd op lijsten. Aanvragen die niet voldoen aan de criteria gesteld in het koninklijk besluit van 20 februari 1992 worden niet in de lijsten opgenomen. Deze lijsten worden aan de Vlaamse Minister van Cultuur overgemaakt. Per lijst wordt hem tevens het beschikbare bedrag meegedeeld.
- De Vlaamse Minister stuurt diezelfde lijsten terug aan de verweerster met de vermelding van de door hem voorgestelde bedragen. Soms -doch zelden- neemt de Vlaamse Minister het initiatief om instellingen of projecten toe te voegen aan de lijst.
- De verweerster onderzoekt vervolgens, waar nodig, nogmaals de dossiers met het oog op de conformiteit met de wettelijke criteria.
- De lijsten worden nadien voorgelegd aan de Raad van Bestuur van de verweerster. Desgevallend wordt daarbij enige toelichting verstrekt.
- De Raad van Bestuur neemt vervolgens akte van de voorstellen van de Vlaamse Minister. Het proces-verbaal van de vergadering van de Raad van Bestuur wordt dan aan de Minister van Financiën ter goedkeuring voorgelegd.
- Nadat de Minister van Financiën het proces-verbaal goedgekeurd heeft, treft hij een beslissing i.v.m. de voorgestelde subsidies. Hiertoe stelt de verweerster ontwerpen van ministerieel besluit op die ter ondertekening aan de Minister van Financiën worden voorgelegd”. 1.
- Na diverse briefwisseling deelt de minister van Financiën in een brief van 22 november 1993 aan verzoekster mee dat haar dossier niet was vermeld op de lijst van de voorstellen van de Vlaamse minister van Cultuur en vraagt hij haar met het kabinet van de Vlaamse minister contact op te nemen om met hem een mogelijke herziening van de aanvraag te bespreken. In een omstandige antwoordbrief van 15 december 1993 aan de minister van Financiën wijst verzoekster onder meer op de eerder ontvangen steun, haar onbeantwoorde aanvragen om alsnog 3 miljoen frank toelage toe te kennen en de toegekende subsidie voor 1992 van 1 miljoen frank te aanzien als een voorschot, XII-4721-4\23 haar aanvraag voor 1993 en de brief van de minister van 31 augustus 1993 waaruit zij afleidde dat er nog geen definitief besluit was genomen, en vraagt zij de minister, als alleenbeslissende overheid, vóór 15 januari 1994 een overbruggings- toelage van 5 miljoen frank toe te kennen op de algemene werkingskredieten of de lottokredieten voor internationale uitstraling teneinde het ernstig en moeilijk te herstellen financieel nadeel, als gevolg van de retroactieve beslissingen tot vermindering of niet toekenning van toelagen, te kunnen overbruggen. 1.
- Met een brief van 18 maart 1994 dient verzoekster haar begroting voor 1994 bij de Nationale Loterij in “in de hoop dat wij voor 1994 opnieuw op een toelage van 3.000.000 bf van de Nationale Loterij mogen rekenen”. 1.
- Na een aantal herinneringsbrieven vanwege verzoekster schrijft de minister van Financiën, in een brief van 20 oktober 1994, aan verzoekster dat de toelagen van de Nationale Loterij in geen geval beschouwd mogen worden als een terugkerende steun, dat blijkens informatie ontvangen van de Nationale Loterij de aanvragen werden onderzocht in het kader van de culturele kredieten die bestemd zijn voor de Vlaamse verenigingen en verdeeld op advies van de Vlaamse minister die bevoegd is voor cultuur, die voor 1992 voorstelde 1 miljoen frank toe te kennen en voor 1993 geen enkel voorstel heeft gedaan inzake de toekenning van een subsidie aan verzoekster; de aanvraag voor 1994 zou aan de Vlaamse minister van Cultuur zijn toegestuurd met de lijst van de andere culturele instellingen met het oog op een subsidievoorstel. Tevens wijst de minister van Financiën er op dat het ministerieel besluit voor de toekenning van de subsidie voor 1992 werd ondertekend en de subsidie uitbetaald en dat het dossier niet herzien kan worden aangezien de kredieten die in 1992 voor cultuur bestemd waren, uitgeput zijn, terwijl de Nationale Loterij de aanvragen die in het kader van de kredieten voor cultuur 1993 werden gedaan nog niet kan afsluiten omdat nog een niet erg hoog saldo overblijft dat niet werd toegekend. 1.
- Op 2 februari 1995, dag waarop de raad van bestuur van de Nationale Loterij zijn laatste advies geeft over het nog resterende saldo van de te verdelen winst voor het dienstjaar 1993, deelt de directeur-generaal van de Nationale Loterij aan de minister van Financiën mee dat verzoeksters aanvraag door de bevoegde overheid van de Nationale Loterij is afgewezen. XII-4721-5\23 1.
- Met een brief van 27 maart 1995 brengt de minister van Financiën verzoekster ervan op de hoogte dat de raad van bestuur van de Nationale Loterij geen gunstig gevolg heeft kunnen geven aan haar verzoek. Het juiste voorwerp van het beroep
- In zijn arrest nr. 128.939 van 8 maart 2004 (hierna ook : het tussenarrest), heeft de Raad van State, “in acht genomen het wettelijk kader en wat uit de uiteenzetting van de feiten blijkt”, het voorwerp van het beroep als volgt omschreven: 1/ de beslissing medegedeeld in de brief van de minister van Financiën van 27 maart 1995 houdende de weigering om de gevraagde subsidie voor 1993 en eventueel ook 1992 uit de te bestemmen winst van de Nationale Loterij voor die jaren toe te kennen, 2/ de besluiten van de minister van Financiën houdende toe- kenning van dergelijke subsidies aan culturele organisaties en culturele activiteiten voor 1993 en eventueel voor 1992 voor zover verzoekster op de lijsten van begun- stigden niet voorkomt voor het aangevraagde subsidiebedrag van 3 miljoen frank, en 3/ de impliciete weigering van de Vlaamse minister van Cultuur aan de minister van Financiën voor te stellen een deel van de te bestemmen winst van de Nationale Loterij toe te kennen aan verzoekster als subsidie voor 1993 en eventueel voor 1992, alsmede het advies van de raad van bestuur van de Nationale Loterij ter zake. De ontvankelijkheid van het beroep
- In het tussenarrest is ook reeds een onderzoek gewijd aan de ontvankelijkheid van het beroep. Enige conclusies van dat onderzoek worden hier in herinnering gebracht. Alzo is reeds geoordeeld dat de vordering ratione materiae ontvankelijk is in zoverre zij is gericht tegen de beslissing van de eerste verwerende partij om voor 1993 te weigeren een subsidie aan het ECOV te verlenen maar dat het beroep niet meer kan worden betrokken op de subsidie voor het jaar 1992 en dat XII-4721-6\23 dit eveneens geldt voor de andere bestreden rechtshandelingen betreffende 1992, die voorafgaan aan de door de minister van Financiën genomen eindbeslissing. In de mate dat de beslissing van de raad van bestuur van de Nationale Loterij wordt aangevochten, heeft de Raad in het tussenarrest voorts vastgesteld dat het krachtens de wet van 22 juli 1991 betreffende de Nationale Loterij en het koninklijk besluit van 20 februari 1992 tot bepaling van de doeleinden van openbaar nut waarvoor een deel van de winst van de Nationale Loterij wordt bestemd, enkel gaat om een niet bindend advies en dus om een voorbereidende rechtshandeling die op zich niet voor vernietiging vatbaar is. In de mate dat de weigering van de Vlaamse minister van Cultuur wordt aangevochten om de door het ECOV aangevraagde subsidie voor te stellen aan de Nationale Loterij, oordeelde de Raad in het tussenarrest dat die weigering om een voorstel te doen als voorbeslissing griefhoudend is en aanvechtbaar voor de Raad van State. 4.
- De eerste verwerende partij stelt in haar laatste memorie volgend op het aanvullend auditoraatsverslag de vraag of haar brief van 27 maart 1995, gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof van 23 maart 2005, nog wel een aanvechtbare akte is en zij vraagt zich in datzelfde verband af of zij nog wel in de zaak betrokken moet blijven, nu haar beslissing “enkel de beslissing van de Vlaamse Minister van Cultuur herhaalt” en zij dus een louter bevestigende beslissing heeft getroffen zonder over enige discretionaire bevoegdheid te beschikken. Zij heeft met de aangevochten beslissing een beslissing “bevestigd in naam en de facto voor rekening van een andere overheid”. 4.
- Met de bestreden beslissing zorgt de federale minister van Financiën voor de verdeling van de winst van de Nationale Loterij. Dat hij daarbij ook gebonden zou zijn door voorstellen, adviezen of beslissingen van andere overheden -een kwestie die thans nog geen nader onderzoek behoeft- doet er geen afbreuk aan dat hij de uitvoerbare eindbeslissing treft zonder dewelke het tot een verdeling van die winst niet kan komen. Die vaststelling volstaat reeds om te weerleggen dat de minister van Financiën een louter declaratieve, of een louter bevestigende beslissing zou hebben genomen. Mocht de eerste verwerende partij met de geopperde vragen ook formeel beogen een exceptie op te werpen, dan is deze XII-4721-7\23 niet gegrond. Er is dan ook geen reden om de Belgische Staat buiten de zaak te laten. 5.
- In haar laatste memorie na het aanvullend verslag formuleert de derde verwerende partij een aantal excepties gesteund op de gewijzigde wetgeving inzake de verenigingen zonder winstoogmerk. Ter terechtzitting doet zij daarvan afstand. 5.
- Het belang van verzoekster bij de vordering wordt door deze verwerende partij ook ontkend, nu de winst voor het jaar 1993 op definitieve wijze is toebedeeld aan andere kandidaten en zij, zonder de definitieve rechten van die andere kandidaten te schenden, geen nieuwe kans kan krijgen om op dat voordeel aanspraak te maken. Met deze exceptie nopens het belang, herformuleert derde verwerende partij een exceptie van eerste verwerende partij die in het tussenarrest reeds werd onderzocht en verworpen in de overweging 4.4.
- van dat tussenarrest. De exceptie wordt verworpen. XII-4721-8\23 De aangevoerde grieven 6.
- In het auditoraatsverslag worden de door verzoekster in haar verzoekschrift enigszins door elkaar geschreven grieven als volgt gebundeld en samengevat. Middelen aangevoerd ten aanzien van de eerste en de tweede verwerende partij: * eerste middel : miskenning van artikel 127, § 1/, 1/, van de Grondwet, van artikel 4 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, doordat via federale middelen subsidies worden verleend voor culturele activiteiten waarvoor de gemeenschappen exclusief bevoegd zijn; * tweede middel : schending van de artikelen 10, 13 en 14 van de wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt (hierna : de cultuurpactwet), omdat dergelijke subsidiëring, indien toch mogelijk, in ieder geval slechts mogelijk is overeenkomstig de wettelijke/decretale regeling ter zake of een nominatieve inschrijving van de begunstigden op een specifieke begrotingspost, terwijl de lijst van de begunstigden van deze toelagen 1993 niet overeenkomstig deze voorschriften zijn gepubliceerd; * derde middel : schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aangezien de bestreden beslissing van 27 maart 1995 en eventueel van het bestuurscomité van de Nationale Loterij niet duidelijk gemotiveerd is; * vierde middel : schending van de wet van 22 juli 1991 betreffende de Nationale Loterij inzake de verplichting tot raadpleging van de Vlaamse minister van Cultuur inzake de toewijzing van de culturele subsidies op het winstaandeel van de Nationale Loterij; * vijfde middel : schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur om dezelfde redenen en wegens het talmen van de betrokken overheden bij het treffen van een gemotiveerde, wettelijk gegronde beslissing. Middelen aangevoerd ten aanzien van de derde verwerende partij: * zesde middel : schending van de wet van 22 juli 1991 betreffen- de de Nationale Loterij wat betreft het geven van een gemotiveerd advies aan de Nationale Loterij inzake de verdeling van het voor culturele subsidies in aanmerking komende winstaandeel van de Nationale Loterij, blijkens de toelichting blijkbaar XII-4721-9\23 niet omdat geen advies zou zijn gegeven (verzoekende partij stelt integendeel dat dit advies niet verplicht is), maar veeleer wegens de afwezigheid van wettelijke/decretale regeling (cultuurpactwet) en behoorlijke motivering; * zevende middel : schending van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten door de niet-motivering van het gunstig of ongunstig advies met betrekking tot dat winstaandeel; * achtste middel : schending van de cultuurpactwet met betrekking tot de publicatie van de lijst van de begunstigden van de culturele subsidies van de Nationale Loterij; * negende middel : schending van de beginselen van behoorlijk bestuur om dezelfde redenen en wegens het talmen van de betrokken overheden bij het treffen van een gemotiveerde, wettelijk gegronde beslissing. 6.
- In het auditoraatsverslag wordt vervolgens een uitvoerig onderzoek gewijd aan het eerste middel, aan het tweede en het achtste middel samen en aan het derde en het zevende middel samen. Verzoekster gaat in haar laatste memorie nader in op de bevindingen van het auditoraatsverslag met betrekking tot die middelen. Over het vierde middel en het zesde middel besluit het auditoraatsverslag tot de onontvankelijkheid, voor zover ze niet samenvallen met het tweede en het derde middel. Het vijfde middel en het negende middel zijn volgens het auditoraatsverslag insgelijks onontvankelijk. Tenslotte stelt de auditeur in zijn verslag vast dat de uiteenzetting van verzoekster in de memorie van wederantwoord laattijdig en dus niet ontvankelijk als nieuwe middelen het recht op verdediging en het gelijkheidsbeginsel te berde brengt. Deze bevindingen worden door verzoekster in de laatste memorie niet meer besproken, zij dringt ook op de terechtzitting niet meer aan op de behandeling ervan, laat staan dat zij de ontvankelijkheid alsnog poogt te onderbouwen. Aldus wordt aangenomen dat verzoekster zich neerlegt bij de conclusie van het auditoraatsverslag en dat zij verzaakt aan deze middelen. XII-4721-10\23 De gegrondheid van het beroep Eerste middel
- In het eerste middel “ten aanzien van de federale minister van Financiën” voert verzoekster de schending aan van artikel 127, § 1, 1/, van de Grondwet, van artikel 4 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten. Zij betoogt dat de toekenning door de federale minister van Financiën en de raad van bestuur van de Nationale Loterij, van subsidies, uit nationale middelen, aan culturele organisaties en activiteiten, strijdig is met artikel 127, § 1, 1/,van de Grondwet en met artikel 4 van de voornoemde bijzondere wet dat de bevoegdheid inzake culturele materies uitsluitend toekent aan de gemeenschappen. Volgens haar kan de door de wet van 22 juli 1991 aan de federale regering toegekende bevoegdheid om bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit een deel van de winst van de Nationale Loterij te bestemmen voor doeleinden van openbaar nut, alleen federale doeleinden betreffen en niet die waarvoor de gemeenschappen of de gewesten bevoegd zijn en zou dit hoogstens, met toepassing van de bijzondere financieringswet, met vaststelling van de vereiste verdeelsleutels kunnen gebeuren, door overdracht van deze delen aan de gemeenschappen en de gewesten die vervolgens daarover autonoom zouden kunnen beslissen. In het tussenarrest overwoog de Raad dat “de vraag rijst of de Raad van State, door het eerste middel gegrond te bevinden, geen standpunt inneemt over de grondwettigheid van de wet van 22 juli 1991 zelf” en “dat teneinde te vermijden dat de Raad van State zich onrechtstreeks uitspreekt over de grondwettig- heid van de wet van 22 juli 1991 zelf, hij de bevoegdheidsvraag dient voor te leggen aan het Arbitragehof middels een prejudiciële vraag; dat, indien het Arbitragehof de vraag beantwoordt dat de desbetreffende wetsbepalingen de door of namens de Grondwet vastgestelde bevoegdheidsregelen schenden, de Raad van State de bestreden overheidshandelingen zal moeten vernietigen”. Bij arrest nr. 63/2005 werd door het Hof op de gestelde prejudiciële vraag geantwoord : XII-4721-11\23 “Onder het voorbehoud vermeld in B.11, schenden de artikelen 15 tot 18 van de wet van 22 juli 1991 betreffende de Nationale Loterij de bevoegdheidverdelende regels niet”. In haar laatste memorie betoogt verzoekster dat de vermelding “onder het voorbehoud vermeld in B.11” impliceert dat de bestendiging van “de praktijk van voor 1991” voor de periode 1991-2001 geen enkele grondwettelijke basis meer heeft, dat het Hof over die periode geen expliciete uitspraak heeft gedaan en dat de beslissingen van de federale minister door de Raad van State zelfs ambtshalve onwettig en derhalve nietig moeten worden verklaard.
- De zienswijze van verzoekster steunt op een verkeerde lezing van het arrest van het Hof. De referentie aan het voorbehoud vermeld in B.11 betekent dat het ontkennend antwoord op de prejudiciële vraag “de specifieke elementen beschreven in B.8 tot B.10 in aanmerking neemt, zonder evenwel de beginselen vervat in B.4 tot B.6 opnieuw in het geding te brengen”. Die specifieke elementen beschreven in B.8 tot B.10 maken vervolgens duidelijk dat het Hof wel degelijk over de periode van 1991 tot 2001 uitspraak heeft gedaan. Zo stelt het Hof in B.9 dat de wet van 22 juli 1991 “die slechts van 1991 tot 2001 van kracht is geweest en die thans is opgeheven, [...] dus in die zin [moet] worden beschouwd dat zij het mogelijk heeft gemaakt een praktijk voort te zetten die de ontwikkeling van de cultuur ten goede kwam”. In B.10 besluit het Hof dat “kan worden aanvaard dat [...] die praktijk kon worden voortgezet volgens de regeling die werd bevestigd bij de wet van 22 juli 1991”. Die conclusie ligt volgens het Hof des te meer voor de hand “daar die regeling op geen enkele wijze het beleid van de gemeenschappen in culturele aangelegenheden kon dwarsbomen. De federale overheid beperkte zich ertoe voor de door de gemeenschappen aangewezen projecten of organisaties middelen voor de verwezenlijking van hun doelstellingen ter beschikking te stellen : zij maakte geenszins inbreuk op bevoegdheden die de hare niet waren, maar respecteerde de keuzes die de bevoegde overheden hadden gemaakt”. Uit dit antwoord volgt dat het eerste middel ongegrond is aangezien niet blijkt dat de federale overheid in casu is afgeweken van de keuzes die de bevoegde Vlaamse minister heeft gemaakt. Tweede middel en achtste middel XII-4721-12\23
- In het verzoekschrift beroept verzoekster zich op pagina 2 aldus op deze middelen : “I. Ten aanzien van de Federale overheden (Minister van Financiën en Beheerscomité Nationale Loterij): [...] B. - De miskenning (niet-naleving) van de Wet (van openbare orde) van 16 juli 1973 (Cultuurpactwet); [...] II.. - Ten aanzien van de Vlaamse Gemeenschap (Minister van Cultuur): [...] C. - De niet-naleving van de van openbare orde zijnde Wet van 16 juli 1973 (Cultuurpactwet) met betrekking tot de publicatie van de lijst van de begunstigden op culturele subsidies van de Nationale Loterij”. Die middelen worden in het verzoekschrift verder nog enkel toegelicht onder een punt “ten aanzien van de federale minister van Financiën”, en wel als volgt : “Indien de minister van Financiën toch wettelijk zelfstandig zou kunnen beslissen subsidies toe te kennen op de nationale gelden voor culturele aangelegenheden, dan nog zou deze toekenning dienen te gebeuren overeenkomstig de van openbare orde zijnde Cultuurpactwet van 16.7.1973 (art. 10, 13 en 14) d.i. overeenkomstig de wettelijke/decretale regeling ter zake of een nominatieve inschrijving van de begunstigden op een specifieke begrotingspost (de lijst van de voor 1993 door de Nationale Loterij gesubsidieerde organisaties en activiteiten is niet overeenkomstig deze voorschriften gepubliceerd). Elk[e] subsidietoekenning is dus in strijd met de voorschriften van de Cultuurpactwet gebeurd, en voor zover het E.C.O.V. in deze lijst niet voorkomt, dient deze algemene subsidiëringsbeslissing voor 1993 vernietigd te worden wegens overtreding van de voorschriften van de Cultuurpactwet”. Tweede verwerende partij antwoordt dat de cultuurpactwet niet van toepassing is op de bestreden handelingen, die niet zijn genomen in de uitoefening van enige culturele aangelegenheid maar in de uitoefening van de bevoegdheid om over te gaan tot de bestemming van de winst van de Nationale Loterij. Eerste verwerende partij sluit zich bij die zienswijze aan in haar memorie van antwoord. Ook derde verwerende partij oppert dat verzoekster niet aannemelijk maakt dat de cultuurpactwet van toepassing is. Zij voegt daaraan toe dat het middel neerkomt op wettigheidskritiek op de wet van 22 juli 1991 en daarom ook onontvankelijk is. In haar memories van wederantwoord stelt verzoekster dat de wettelijk voorgeschreven adviezen van de Vlaamse minister aan de Nationale Loterij en deze van de Nationale Loterij aan de minister van Financiën niet alleen moeten worden gemotiveerd (derde middel) maar ook gemotiveerd moeten worden XII-4721-13\23 op grond van vooraf door een wettelijke of decretale regeling bepaalde ontvankelijkheids- en toewijzings- of afwijzingscriteria nu het gaat om toelagen en steun voor culturele activiteiten die dus ongetwijfeld onder artikel 10 van de cultuurpactwet vallen en dat bij ontstentenis van dergelijke vooraf wettelijk of decretaal bepaalde criteria de adviezen en beslissingen in rechte niet gemotiveerd zijn en dus van rechtswege nietig. In haar laatste memorie betoogt verzoekster, dat voor zover de federale overheid wel bevoegd zou zijn om in de periode 1991-2001 in culturele aangelegenheden te beslissen, alsdan die federale overheid in plaats van de betrokken Gemeenschap de voorschriften van artikel 10 van de cultuurpactwet stipt diende na te leven. Verzoekster argumenteert dat nergens vooraf de bij genoemd artikel 10 voorgeschreven vast te stellen normen en criteria bij een wetgevende maatregel geregeld werd en dat het koninklijk besluit van 20 februari 1992 niet dienend is omdat de Koning niet het bevoegd wetgevend orgaan is als bedoeld bij artikel 10 van de cultuurpactwet. Derde verwerende partij argumenteert in haar laatste memorie dat het geschil een verdeling betreft van federale geldmiddelen waarvoor de federale overheid door het Grondwettelijk Hof bevoegd werd geacht, dat de gemeenschappen dus niet bevoegd zijn en dat de winst van de Nationale Loterij niet verdeeld kon worden volgens decretale regels in de zin van artikel 10 voormeld. Zij meent voorts dat de wet van 22 juli 1991 gelezen kan worden als een wettelijke regeling in de zin van dit artikel 10, of als een van de cultuurpactwet afwijkende “sui generis” regeling. Het verdelingsmechanisme dat is voorzien in de wet en verder uitgewerkt bij koninklijk besluit van 20 februari 1992 is het ene of het andere zodat er geen sprake kan zijn van een schending van artikel 10 van de cultuurpactwet.
- De artikelen 10, 13 en 14 van de cultuurpactwet luiden : “Art.
- - De regels inzake erkenning en subsidiëring in geld of natura van geregelde culturele activiteiten mogen, naargelang van het geval, slechts worden vastgesteld krachtens een wet, een decreet of een beraadslaging van de vertegenwoordigende vergadering van de overheid. Bij ontstentenis van dergelijke regels moeten alle toelagen en voordelen het voorwerp zijn van een speciale begrotingspost op naam. Art.
- - In de sector van de kunst, de letteren en de wetenschappen steunt elke aanmoediging of elke tegemoetkoming van de overheden uitsluitend op esthetische, wetenschappelijke en kunstcriteria. XII-4721-14\23 De rechtsgelijkheid tussen de burgers, ongeacht hun overtuiging, moet worden gewaarborgd, wat betreft onder meer de toekenning van prijzen, beurzen, leningen en om het even welke toelagen, de deelneming aan sportwedstrijden en aan culturele activiteiten en de aanmoediging van de navorsing. Art.
- - Iedere overheid die toelagen en aanmoedigingen verleent aan enkelingen, organisaties of instellingen voor hun culturele activiteiten moet ieder jaar als bijlage bij haar begroting de omstandige lijst van de beneficianten publiceren met opgave van de toegekende sommen en voordelen”.
- Zoals de Raad van State reeds heeft vastgesteld in het tussenarrest, gaat het in dezen “om het uitkeren van een deel van de winst van de Nationale Loterij, die een federale openbare instelling met rechtspersoonlijkheid is, voor culturele doeleinden” en is “de federale Staat bevoegd [...] voor de Nationale Loterij, en dus ook voor het bepalen van regels voor de verdeling van de winst ervan”. Weliswaar betwisten de tweede en derde verwerende partij dat de cultuurpactwet toepasselijk zou zijn op de winstverdeling van de Nationale Loterij. Te dezen gaat het evenwel niet in het algemeen om het winstverdelingsplan van de Nationale Loterij, dus de bepaling van het deel van de winst dat wordt gebruikt voor doeleinden van openbaar nut, maar om de toebedeling uit dat deel, wat betreft het aandeel van de Vlaamse Gemeenschap, voor “culturele activiteiten”, zijnde de ontwikkeling van kunst en letteren, het muziekleven, de musea en bibliotheken evenals de verrijking van het culturele leven in het algemeen, in de zin van artikel 1, eerste lid, 8/, van het koninklijk besluit van 20 februari 1992 tot bepaling van de doeleinden van openbaar nut waarvoor een deel van de winst van de Nationale Loterij wordt bestemd, met name om de al of niet inwilliging van aanvragen ter zake. De Raad van State oordeelt dat de ruime omschrijving van het toepassingsgebied van de cultuurpactwet in zijn artikel 2 geen twijfel toelaat en dat dergelijke beslissing over de bestemming van federale fondsen voor de subsidiëring van culturele organisaties en projecten onder de toepassing van de cultuurpactwet valt. Dat de wetgever met de wet van 22 juli 1991 heeft willen afwijken van de regels in de cultuurpactwet ter bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen wordt door derde verwerende partij louter beweerd, en met niets ondersteund. Nu uit het arrest van het Grondwettelijk Hof is gebleken dat de wet van 22 juli 1991 een praktijk heeft bestendigd zonder daarbij de bevoegdheidverdelende regels te schenden, trekt verzoekster daar in de laatste memorie de conclusie uit dat het ook die federale overheid is die bij het bepalen van XII-4721-15\23 de regels voor de winstverdeling van de Nationale Loterij aan culturele activiteiten, de beginselen moet naleven welke artikel 10 van de cultuurpactwet haar opleggen. Ook derde verwerende partij voert aan dat, indien artikel 10 van de cultuurpactwet van toepassing is, de wettelijke regeling van de subsidiëring in het licht van arrest nr. 63/2005, enkel een federale en geen decretale regeling kan zijn. Eerste verwerende partij houdt het er bij dat het vaststellen van subsidiecriteria in het licht van hetzelfde arrest een gemeenschapsbevoegdheid zou zijn. Hierna wordt echter vastgesteld dat de door artikel 10 van de cultuurpactwet vereiste regeling er niet is, zodat de Raad van State zich niet hoeft uit te spreken over de vraag wie aldus bevoegd was om de regels voor het individueel verdelen van het aan de gemeenschappen toevallend deel van de winst van de Nationale Loterij uit te werken ten einde te voldoen aan de door artikel 10 gestelde vereisten.
- Uit het aangehaalde artikel 10 van de cultuurpactwet blijkt dat de regels inzake subsidiëring “slechts [mogen] worden vastgesteld krachtens een wet, een decreet of een beraadslaging van de vertegenwoordigende vergadering van de overheid”. Bij ontstentenis ervan moeten alle toelagen het voorwerp zijn van een speciale begrotingspost op naam. Artikel 10 legt als een formele en procedurele waarborg op dat op subsidiëring van culturele activiteiten aldus controle wordt uitgeoefend door de beraadslagende vergadering. Anders dan wanneer het subsidiebeleid enkel zaak zou zijn van de uitvoerende macht, die in de regel de emanatie is van een welbepaalde meerderheid, biedt die waarborg ook aan de strekkingen die niet tot de meerderheid behoren de mogelijkheid om zich over de subsidieregeling uit te spreken en ze onder de aandacht van de publieke opinie te brengen. Het gebruik van de notie “krachtens een wet” wijst er op, eensdeels, dat niet is vereist dat al die regels bij wet worden vastgesteld en dat het de wetgevende macht dus niet verboden is om enige regelingsbevoegdheid op te dragen aan een ander orgaan maar, anderdeels, dat in de wet zelf wel de voornaamste beginselen inzake de subsidiëring vastgesteld moeten worden. Aan de uitvoerende macht mag dan de bevoegdheid worden verleend om ze meer concreet uit te werken. Een dergelijke delegatie mag evenwel niet zo ver gaan dat zij het aan XII-4721-16\23 de regering zou overlaten regels vast te stellen die voor de subsidiëring essentieel zijn.
- Luidens artikel 15 van de wet van 22 juli 1991 betreffende de Nationale Loterij zoals die toentertijd gold, wordt de winst van de Nationale Loterij bestemd voor de financiering van programma’s voor hulpverlening aan de ontwikkelingslanden en voor doeleinden van openbaar nut die worden bepaald bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Luidens artikel 16 van dezelfde wet stelt de Koning elk jaar, op voorstel van de minister van Financiën en bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit, het plan vast voor de winstverdeling. In het verdeelplan wordt een onderscheid gemaakt tussen de verschillende doeleinden van openbaar nut in kwestie. Blijkens artikel 17 van de wet zorgt de minister van Financiën voor de bestemming van de winst overeenkomstig het winstverdelingsplan en na het advies van de raad van bestuur van de Nationale Loterij te hebben ingewonnen. De raad van bestuur van de Nationale Loterij heeft geen bevoegdheid voor het verdeelplan maar adviseert de minister over de winstbestemming; de eindverantwoordelijkheid voor de bestemming van de winst ligt bij de minister van Financiën. Volgens artikel 18 van de voornoemde wet, voor zover de winsten van de Nationale Loterij verdeeld worden voor doeleinden van openbaar nut aan de verwezenlijking waarvan andere overheden bijdragen, beslist de minister van Financiën over de bestemming ervan op voorstel van deze overheden volgens de modaliteiten die in gezamenlijk akkoord zijn bepaald. Artikel 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 20 februari 1992 tot bepaling van de doeleinden van openbaar nut waarvoor een deel van de winst van de Nationale Loterij wordt bestemd, bepaalt dat, wat betreft de doeleinden van openbaar nut die vallen onder artikel 18 van de wet, de raad van bestuur van de Nationale Loterij de minister van Financiën adviseert na kennis te hebben genomen van de voorstellen van de betrokken andere overheden. Overeenkomstig artikel 1, eerste lid, 8/, van datzelfde koninklijk besluit worden “culturele activiteiten” - zijnde de ontwikkeling van kunst en letteren, het muziekleven, de musea en bibliotheken evenals de verrijking van het culturele leven in het algemeen - beschouwd als doeleinden van openbaar nut die in aanmerking komen voor subsidiëring door de Nationale Loterij op voorwaarde dat de begunstigden door een andere overheid gesubsidieerd worden. Artikel 2 van dat koninklijk besluit bepaalt verder dat het deel van de winst bestemd voor doeleinden van openbaar nut alleen mag worden toegekend aan publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen behoudens de in dat artikel vermelde uitzonderingen. XII-4721-17\23 Aldus dient vastgesteld dat wel degelijk een aantal regels inzake de subsidiëring via winstverdeling van de Nationale Loterij is bepaald, onder meer inzake de mogelijke doeleinden, inzake de aanvrager en inzake de te volgen procedure, hetzij in de wet zelf dan wel in een uitvoeringsbesluit ervan. Evenwel ontbreekt elke aanzet tot omschrijving van de inhoudelijke, kwalitatieve beoordelingscriteria op grond waarvan de winstverdeling moet gebeuren. In het licht van de sub 12 geschetste doelstelling van de cultuurpactwet moet nochtans worden aangenomen dat ook de inhoudelijke criteria aan de beraadslagende vergadering moeten worden voorgelegd en dat deze op zijn minst de voornaamste principes ervan bepaalt. Te dezen wordt door geen van de verwerende partijen aangetoond dat een vertegenwoordigende vergadering van de overheid zich heeft uitgesproken over de subsidiëringscriteria. Dat er dan een speciale begrotingspost op naam is, wordt door geen van de partijen ook maar beweerd. Door in die omstandigheden toch dergelijke subsidies toe te kennen, is artikel 10 van de cultuurpactwet geschonden. Uit artikel 13 van de cultuurpactwet vloeit dan weer voort dat “extraculturele maatstaven”, die niet steunen op esthetische, wetenschappelijke of kunstcriteria, in een algemene reglementering onwettig zijn. Aan de regeling zelf, zoals ze krachtens de wet vorm kreeg, kan bezwaarlijk worden tegengeworpen dat ze rekening houdt met andere dan uitsluitend esthetische, wetenschappelijke en kunstcriteria, nu immers is gebleken dat in strijd met artikel 10 van de cultuurpactwet elk inhoudelijk beoordelingscriterium ontbreekt. Het ontbreken van inhoudelijke criteria in de wet, op grond waarvan tot de schending van artikel 10 van de cultuurpactwet is besloten, kan weliswaar niet worden gelijk gesteld met het gebruiken van ontoelaatbare criteria bij het nemen van de individuele beslissingen. Hierna zal evenwel bij het onderzoek van het derde middel ook besloten worden tot de schending van de formele-motiveringsplicht wegens het ontbreken zelf van formele motieven. Nu de Raad van State niet in staat wordt gesteld -ook niet op grond van de administratieve dossiers- om te achterhalen op grond van welke criteria de winstverdeling uiteindelijk is gebeurd, is het de Raad ook niet mogelijk om te verifiëren of deze criteria al dan niet voldoen aan de eis van artikel 13, zodat insgelijks tot de schending van deze bepaling moet worden besloten.
- In het auditoraatsverslag wordt aangenomen dat artikel 14 van de cultuurpactwet slechts van toepassing is op geïndividualiseerde aanmoedigingen die niet het voorwerp kunnen uitmaken van een algemene reglementering en dat dit artikel te dezen niet van toepassing is. Nu verzoekster in de laatste memorie nog XII-4721-18\23 enkel ingaat op de schending van artikel 10 van de cultuurpactwet en artikel 14 van die wet niet meer ter sprake brengt, wordt aangenomen dat zij deze conclusie van het verslag niet meer wenst tegen te spreken en dat zij dus niet langer aandringt op dit middelonderdeel.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het tweede en het achtste middel in de besproken mate gegrond zijn. Derde en zevende middel
- In het verzoekschrift beroept verzoekster zich op pagina 2 aldus op deze middelen : “I. Ten aanzien van de Federale overheden (Minister van Financiën en Beheerscomité Nationale Loterij): [...] C. - De niet-naleving van de Wet van van 29 juli 1991 op de motivering van bestuurshandelingen [...] II.. - Ten aanzien van de Vlaamse Gemeenschap (Minister van Cultuur): [...] B. - De niet-naleving van de voorschriften van het Vlaams Decreet van 23 oktober 1991 (openbaarheid van bestuursdocumenten) inzake motivering van zijn gunstig of ongunstig advies met betrekking tot ingediende subsidie- aanvragen”. Die middelen worden in het verzoekschrift verder nog enkel toegelicht onder een punt “ten aanzien van de federale minister van Financiën”, en wel als volgt : “De bestreden beslissing van 27.3.1995 [...] van de minister van Financiën (en eventueel van het Bestuurscomité van de Nationale Loterij), is niet duidelijk gemotiveerd zoals voorgeschreven bij de Wet van 29.7.1991). Het ‘impliciet weigeren’ gunstig advies te verlenen over de subsidieaanvraag van het E.C.O.V. (‘stilzitten van de overheid’) is al evenmin gemotiveerd overeenkomstig de voorschriften van het Vlaams Decreet van 23.10.1991 (zie Middelen I.B en C en II, B en C). Deze niet-motivering van de bestreden beslissing en van het ‘impliciet weigeren te beslissen’ (adviseren) van de minister van Cultuur is, uit het relaas der feiten hiervoor aangehaald, overduidelijk. De bestreden beslissing en de bestreden ‘impliciete weigeringsbeslissing’ zijn dus bij gebrek aan duidelijke motivering, nietig te verklaren”. De derde verwerende partij antwoordt dat, nu voor verzoekster niets is voorgesteld, er uiteraard geen bestuursdocument ter zake bestaat en dat waar niets is enkel niets openbaar kan zijn. Dat er een motivering moet zijn voor het toekennen van een deel van de winst van de Nationale Loterij aan gegadigden, XII-4721-19\23 betekent niet dat er negatieve motivering moet zijn voor het niet toebedelen van een voordeel aan verzoekende partij.
- Ten aanzien van de bestreden handelingen van de raad van bestuur van de Nationale Loterij stelde de Raad van State reeds in het tussenarrest vast dat het ging om een niet bindend advies en dus niet om een aanvechtbare beslissing. Dit houdt tegelijk in dat de wet van 29 juli 1991 daarop niet van toepassing is. In zoverre is het middel ongegrond.
- Tegelijk werd in het tussenarrest vastgesteld dat de weigering van de Vlaamse minister van cultuur om een voorstel te doen via de winsten van de Nationale Loterij verzoekster te subsidiëren een aanvechtbare voorbeslissing is. Op het ogenblik van de bestreden beslissing bepaalde het door verzoekster aangevoerde decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering, in artikel 13, § 1, dat de in artikel 2, 1/, bedoelde bestuursbeslissing van de diensten met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer besturen of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk in het bestuursdocument dat de akte uitmaakt moeten worden gemotiveerd. In de mate dat het voorstel van de Vlaamse minister van cultuur uit zichzelf rechtsgevolgen schept moet het in die mate óók formeel gemotiveerd worden. De Vlaamse minister van cultuur heeft aan de federale overheid zijn voorstel doen toekomen van de organisaties die voor subsidiëring met een eveneens door hem voorgesteld bedrag in aanmerking komen. Dienaangaande blijkt dat de Vlaamse minister van Cultuur een reeks voorstellen deed waarbij op de eerste lijst, “Cultuur 1993”, onderdeel “muziek en dans”, voor de aanvraag van het ECOV (3 miljoen frank voor werkingskosten en 1,5 miljoen frank extra overbruggingstoelage) geen bedrag werd voorgesteld en zulks zonder nadere toelichting. Bij de wél te begunstigen organisaties staat enkel het gevraagde en het voorgestelde bedrag, maar daaruit valt evenmin af te leiden waarom deze organisaties wél voor subsidiëring in aanmerking zouden komen. De beslissingen van de Vlaamse minister bevatten dienvolgens geen enkel inhoudelijk motief waarom de ene aanvraag wel en de andere aanvraag -zoals deze van verzoekster- geen gunstig voorstel krijgt. Verzoekster heeft sedert 1985 jaarlijks subsidies kunnen genieten uit de winstverdeling van de Nationale Loterij en heeft voor het jaar 1993 een aanvraag ingediend om opnieuw in aanmerking te worden genomen XII-4721-20\23 voor subsidiëring. Al geeft subsidiëring in het verleden haar geen aanspraken op een nieuwe subsidie, dan ligt een afwijzing niet onmiddellijk voor de hand. Om die reden mag het bestuur er toch niet mee volstaan te vermelden waarom andere aanvragen worden ingewilligd, maar moet het ook verduidelijken waarom verzoekster niet meer in aanmerking komt. Maar zelfs indien met de derde verwerende partij zou worden aangenomen dat voor de afwijzing van de aanvraag van verzoekster toch geen eigen, afzonderlijke motieven vereist zouden zijn, dan nog mag verzoekster op grond van de formele-motiveringsplicht minstens verwachten uit de motieven van de begunstigende beslissingen de redenen van de beleidskeuzen van de overheid te kunnen afleiden en te kunnen achterhalen waarom anderen dan wel, in tegenstelling tot zijzelf, voor subsidiëring in aanmerking zijn genomen, ten einde te beoordelen of het zinvol is die beslissing in rechte te bestrijden. Derde verwerende partij betwist alleszins niet dat de positieve beslissingen formeel gemotiveerd moesten worden. Nu de federale minister van Financiën, zoals het Grondwettelijk Hof vaststelt, de keuzes van de bevoegde overheid respecteert, en hij dienvolgens niet mag overgaan tot een eigen opportuniteitsbeoordeling, dient hij voor de toekenning of de weigering van de aanvragen noodzakelijk te steunen op de voorstellen van de Vlaamse minister van cultuur en dient noodzakelijk aan de formele-motiveringsvereisten te zijn voldaan in die voorstellen van de Vlaamse minister van cultuur. Slechts indien de federale minister om andere dan opportuniteitsredenen een aanvraag zou verwerpen -bij voorbeeld omdat het geheel van de voorstellen het totaal van het vooraf bestemde deel van het winstverdelingsplan, zoals vastgelegd bij koninklijk besluit, zou overschrijden- zou hij zijn beslissing met eigen, niet op de voorstellen gesteunde motieven moeten omkleden. Wat voorafgaat leidt tot de conclusie dat het zevende middel gegrond is.
- Nu de federale minister zijn beslissing heeft genomen op voorstel van de Vlaamse minister, vitieert de onwettigheid van het voorstel eveneens de eindbeslissing. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- XII-4721-21\23 Vernietigd worden : 1/ de beslissing medegedeeld in de brief van de federale minister van Financiën van 27 maart 1995 houdende de weigering om de gevraagde subsidie voor 1993 uit de te bestemmen winst van de Nationale Loterij voor dat jaar toe te kennen aan de vzw Europees Centrum voor Opera en Vocale Kunst, 2/ de besluiten van de federale minister van Financiën houdende toekenning van dergelijke subsidies aan culturele organisaties en culturele activiteiten voor 1993 voor zover de vzw Europees Centrum voor Opera en Vocale Kunst op de lijsten van begunstigden niet voorkomt voor het aangevraagde subsidiebedrag van 3 miljoen frank, en XII-4721-22\23 3/ de weigering van de Vlaamse minister van Cultuur aan de federale minister van Financiën voor te stellen een deel van de te bestemmen winst van de Nationale Loterij toe te kennen aan de vzw Europees Centrum voor Opera en Vocale Kunst als subsidie voor
- Artikel
- Het beroep wordt verworpen voor het overige. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de eerste en de derde verwerende partij, elk voor de helft. Het door de verzoekende partij teveel gekweten zegelrecht van 49,58 euro, dient haar te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf juni 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4721-23\23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.811 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.128.939 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.