← België

Arrest 183870 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.870 Rolnummer: A. 188314/IX-5925 Zaak: Arrest 183870 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 08:10 Fiche Arrest nr 183.870 van 5 juni 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.870 van 5 juni 2008 in de zaak A. 188.314/IX-

  1. In zake : XXXX, die woonplaats kiest bij advocaten J.-B. PETITAT en V. PETITAT, kantoor houdende te SINT-KRUIS, Sportstraat 49 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat S. BUTENAERTS, kantoor houdende te BRUSSEL, Leopold II-laan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 26 mei 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : “1/ het voorstel tot afdanking van de inspecteur-generaal en de stageleider van 14 februari 2008; 2/ het besluit van de Vlaamse Minister van Werk, Onderwijs en Vorming van 16 mei 2008, waarin met onmiddellijke inwerkingtreding wordt beslist verzoeker af te danken als inspecteur basisonderwijs; 3/ het impliciete weigeringsbesluit om het voorstel tot afdanking van 14 februari 2008 te verwerpen en om verzoeker na afloop van zijn proeftijd vast te benoemen als inspecteur basisonderwijs; 4/ de mogelijke ondertussen genomen beslissing om een ander inspecteur basisonderwijs in de plaats van verzoeker te benoemen, onder verbeurte van een dwangsom van i 25.000 per dag dat verzoeker, na betekening van het tussen te komen schorsingsarrest, afgedankt blijft en niet wordt benoemd als inspecteur basisonderwijs”. Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 27 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2008, om 11.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-5925-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. PETITAT, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat S. BUTENAERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Het onderzoek van de vordering. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  4. De uiterst dringende noodzakelijkheid. 2.
  5. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid verstoort ernstig het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij ernstig in het gedrang. Gelet op wat voorafgaat, moet de aanwending van die procedure zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoeker op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Dit laatste impliceert dat de verzoeker aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. Bijgevolg is het gegeven dat het nadeel of het risico op het nadeel langer blijft voortbestaan wanneer de gewone schorsingsprocedure wordt IX-5925-2/9 gevolgd, op zich nog geen reden om te besluiten dat de uiterst dringende nood- zakelijkheid aanwezig is. Daar anders over oordelen zou betekenen dat alle schorsingsprocedures volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijk- heid zouden kunnen worden behandeld, wat uiteraard de negatie zelve van de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid en van het zeer uitzonderlijke karakter van de schorsingsprocedures bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou betekenen. 2.
  6. De verzoeker dient de uiterst dringende noodzakelijkheid met concrete bewijskrachtige gegevens aan te tonen. Deze rechtvaardiging is tweeledig, enerzijds moet de verzoeker aantonen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen volgens de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zal komen omdat het door hem aangevoerde nadeel zich op dat ogenblik zal hebben gerealiseerd en anderzijds dat hij niet onredelijk lang met het indienen van zijn verzoekschrift heeft gewacht. Wat dit laatste aspect betreft, blijkt dat de bestreden beslissing dateert van 16 mei 2008, die op dezelfde datum per aangetekend schrijven door de verwerende partij ter kennis werd gebracht aan de verzoeker, die op 26 mei 2008 huidige procedure heeft ingesteld. Bijgevolg heeft de verzoeker diligent en alert gehandeld. 2.
  7. Om te oordelen dat de verzoeker te laat zal komen met een gewone schorsingsprocedure om het door hem ingeroepen nadeel te doen ophouden, wordt hierna ingegaan op de verschillende soorten nadeel waarop de verzoeker zich baseert om de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden. 2.3.1.
  8. De verzoeker beweert het volgende in verband met het “uiterst dringend te herstellen moreel nadeel” : “Gelet op de verspreiding van het bericht dat verzoeker ingevolge het besluit van de Minister de dienst heeft moeten verlaten, dreigen verzoekers reputatie, eer en goede naam, onherroepelijk te worden beschadigd indien zou moeten worden gewacht tot een uitspraak in het kader van een gewone schorsings- procedure. Indien de bestreden maatregel niet snel wordt geschorst dreigt verzoekers beroepsmidden nog weinig gehoor te hebben naar het eerherstel van verzoeker en zullen blijvende vragen worden gesteld over zijn autoriteit en gedrag (...)” IX-5925-3/9 2.3.1.
  9. Het bestreden besluit van 16 mei 2008 bepaalt enkel in artikel 1, dat de verzoeker, na afloop van zijn proeftijd als inspecteur basisonderwijs wordt afgedankt. De verzoeker betwist de wettigheid van de afdanking en de motieven ervan. Dit kan perfect gebeuren in een gewone schorsingsprocedure. Op dat ogenblik zal de Raad van State waarschijnlijk beschikken over het arrest van het Hof van Beroep te Gent en bijgevolg een ruimere kijk hebben op de zaak van de verzoeker. Op dit ogenblik toont de verzoeker niet aan dat hij een moreel nadeel lijdt dat een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou verantwoorden. 2.3.
  10. De verzoeker voert het volgende aan in verband met het “uiterst dringend te herstellen financieel nadeel” : “Gelet op de normale behandelingstermijn van de gewone schorsings- procedure, bestaat verder het risico dat verzoeker en diens gezin in afwachting in een uiterst precaire financiële situatie zullen moeten leven. Zoals eerder gesteld zouden verzoeker, diens vrouw en kinderen het moeten stellen met een netto-inkomen van slechts i 488,68 per maand (stuk 31) dat kan gespendeerd worden aan levensonderhoud. Bij de minste onverwachte uitgave, zoals aanhoudende procedurekosten, maar ook kosten voor medische verzorging of hospitalisatie, bestaat aldus een ernstig risico dat verzoeker en diens echtgenote bij gebrek aan inkomsten hun leningen niet meer kunnen aflossen, met mogelijke beslagbaarheid van hun gezinswoning tot gevolg. Verzoeker en diens gezin dreigen binnen de maand aldus in een meer dan precaire situatie te belanden. Verzoeker en diens gezin kunnen aldus in geen geval de normale behandelingstermijn van een gewone schorsingsprocedure financieel geenszins overbruggen. Verzoeker zou aldus genoodzaakt zijn om binnen de kortste keren een andere betrekking te zoeken, waardoor hij elk recht op benoeming als inspecteur zou verliezen of geen belang meer zou hebben om schorsing of nietigverklaring van de beslissing van 16 mei 2008 verder te zetten.” 2.3.2.
  11. Op het tijdstip van de uitspraak van huidig arrest toont de verzoeker niet aan dat het financieel nadeel zo groot is dat enkel een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een dergelijk nadeel zou kunnen verhelpen. Tot op heden, behoudens niet geleverd tegenbewijs, is de verzoeker nog directeur van de gemeentelijke basisschool “Y” te Z is en genereert hij normaliter nog inkomen uit deze functie. Hij legt desbetreffend geen stuk neer waaruit het tegendeel blijkt. Op dit ogenblik is hij in ziekteverlof en heeft hij normaliter nog een inkomen. IX-5925-4/9 2.3.2.
  12. Wat het uiterst dringend te herstellen financieel nadeel betreft heeft de verzoeker het ook herhaaldelijk over een “risico”, een “ernstig risico” en over een “dreiging” in een “meer dan precaire situatie te belanden”. De verzoeker voert aan niet de normale behandelingstermijn van een gewone schorsingsprocedure te kunnen overbruggen. Hij zou genoodzaakt zijn om een andere betrekking te zoeken, waardoor hij het door hem aangevoerde recht op benoeming, in het door hem geambieerde ambt zou verliezen of geen belang meer zou hebben bij huidige procedure. Wat dit laatste betreft, is het niet omdat de verzoeker intussen werk zou vinden, dat hij de eventuele rechten die hij uit onderhavige procedure zou kunnen putten, zou verliezen. Dit geldt tevens voor het behoud van het rechtens vereiste belang. Bovendien is de verzoeker, zoals gezegd, nog steeds verbonden aan de gemeentelijke basisschool “Y” te Z. Mocht dit niet meer zo zijn dan kan de verzoeker ander werk zoeken, van zodra zijn gezondheidstoestand dit toelaat. Op dit ogenblik verantwoordt het aangevoerde financieel nadeel geen procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 2.3.3.
  13. De verzoeker doet een beroep op het “uiterst dringend te herstellen psychisch nadeel”, dat hij als volgt uitwerkt, om de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden : “Daarenboven dreigt verzoeker psychisch volledig te bezwijken onder de bestreden maatregel. Verzoeker lijdt nu reeds onder een zware depressie die enkel maar kan verergeren en ondraaglijker wordt zolang de maatregel aanhoudt en verzoeker niet in eer wordt hersteld. Bij een aanhoudende depressie is het voor verzoeker ook onmogelijk om op zoek te gaan naar ander werk. Verzoeker en diens gezin dreigen des te meer in een vicieuze cirkel te belanden. Dit nadeel dreigt nog te verergeren indien de bestreden maatregel niet binnen de kortste keren wordt geschorst, vermits de verwerende partij het ontslag van verzoeker wellicht in het Belgisch Staatsblad zal publiceren en hierdoor de aantasting van zijn reputatie, eer en goede naam bij derden ten top zal drijven.” 2.3.3.
  14. Voor wat het uiterst dringend te herstellen psychisch nadeel betreft heeft de verzoeker het opnieuw over een “dreiging”. De verzoeker stelt dat hij lijdt aan een zware depressie, die enkel maar kan verergeren en ondraaglijker worden, zolang “de maatregel” aanhoudt en de verzoeker niet in ere wordt hersteld. De depressie is evenwel niet het gevolg van de bestreden beslissingen, maar van de wijze waarop de verzoeker op deze beslissingen reageert. IX-5925-5/9 In dit opzicht verschilt de reactie van de betrokkene van persoon tot persoon en vloeit de depressieve toestand bijgevolg niet automatisch voort uit de bestreden beslissingen, zodat dit aspect van het nadeel op dit ogenblik niet in aanmerking komt. Thans is onbekend hoe lang het verleende ziekteverlof nog zal lopen. Of de aanhoudende depressie, het voor de verzoeker onmogelijk maakt om op zoek te gaan naar ander werk is op dit ogenblik een hypothetisch gegeven dat afhangt van de evolutie van het ziektebeeld. De verzoeker toont niet aan dat zijn ontslag “wellicht” in het Belgisch Staatsblad zal worden gepubliceerd, waardoor de aantasting van zijn reputatie, eer en goede naam bij derden ten top zou worden gedreven. De verzoeker verwijst niet naar een rechtsregel in materiële zin die een dergelijke publicatie zou voorschrijven. Op dit ogenblik wordt het uiterst dringend te herstellen psychisch nadeel niet weerhouden om de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden. 2.3.4.
  15. De verzoeker poogt de procedure bij uiterst dringende nood- zakelijkheid in laatste instantie te verantwoorden door een beroep te doen op de “uiterst dringend te herstellen benoeming van verzoeker”. De verzoeker adstrueert dit als volgt : “Tenslotte zou een gewoon schorsingsarrest in elk geval te laat komen, vermits verzoekers vaste functie dra door de volgende inspecteur die de proeftijd heeft beëindigd zal worden ingenomen. Tevens dreigt verzoeker voor de nog resterende vacante betrekkingen uit de boot te vallen. Binnen de onderwijsinspectie basisonderwijs geldt immers een numerus clausus aan inspecteurs. Krachtens artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit is de personeelsformatie basisonderwijs samengesteld uit 84 inspecteurs, waarvan de helft

(42)samengesteld uit personeelsleden afkomstig uit het officieel onderwijs (gemeenschapsonderwijs, gesubsidieerd officieel onderwijs en de centra van het gemeenschapsonderwijs en de gesubsidieerde officiële centra) en de andere helft
(42)uit personeelsleden afkomstig uit het vrij onderwijs (artikel 8 van het Inspectiedecreet). Verzoeker is afkomstig uit het gesubsidieerd officieel onderwijs. Momenteel zijn er zeven openstaande vacatures voor inspecteurs basis- onderwijs uit het officieel onderwijs (stuk 33). Er werd reeds aangekondigd dat deze functies per 1 september 2008 zullen ingevuld worden door een aantal bij name genoemde inspecteurs. Er resteert nog één functie van inspecteur basisonderwijs voor een tijdelijke en dus geen vaste opdracht die niet kan ingevuld worden bij gebreke aan uitputting van de wervingsreserve. Per 1 september 2008 zullen ook de inspecteurs die toegelaten werden tot de proeftijd op 1 september 2007 in aanmerking komen om vast te worden benoemd op 1 september 2008 of om een tijdelijke opdracht waar te nemen. In casu dreigt voor verzoeker het volgende. Naast de hierboven vacant verklaarde betrekkingen kan verzoekers betrekking eveneens vacant worden verklaard. De volgende inspecteur basisonderwijs in rang kan onmiddellijk IX-5925-6/9 worden benoemd in plaats van verzoeker waardoor verzoeker in afwachting van een schorsing(s)arrest bij gewone schorsingsprocedure genoodzaakt is deze mogelijke benoemingsbeslissing aan te vechten met de bijkomende onnodige procedurekosten van dien. Per 1 september 2008 zullen de overige vacant verklaarde functies ingevuld worden door andere inspecteurs wier proeftijd beëindigd is (stuk 33). Daarna dreigen ook alle overige vacante vaste of tijdelijke betrekkingen eveneens per 1 september 2008 te worden ingevuld door de inspecteurs basisonderwijs die op 1 september 2007 hun proefperiode begonnen zijn en deze per 1 september 2008 zullen beëindigen. Aldus dreigt de vaste betrekking van verzoeker binnen de kortste keren vacant te worden verklaard en ingenomen te worden door een andere inspecteur basisonderwijs. Erger nog, verzoeker dreigt zelfs per 1 september 2008 zelf niet meer in aanmerking te komen voor een tijdelijk(
  1. e)functie vermits deze tegen die datum alle vacante betrekkingen zullen worden ingenomen. Voor verzoeker heeft het dus geen enkel nut om de afloop van de gewone schorsingsprocedure af te wachten, vermits deze onherroepelijk te laat zou komen. Aldus dreigt een onmiddellijk herstel in natura onmogelijk te worden indien de bestreden beslissingen niet onmiddellijk wordt geschorst.” 2.3.4.2. De verzoeker haalt in wezen een aantal feitelijke gegevens aan die zouden aantonen dat hij eventueel uit de boot dreigt te vallen wat de invulling van de functie van inspecteur betreft. Het gaat om hypothetische beschouwingen over gebeurtenissen die zich eventueel in de toekomst zouden kunnen voordoen, maar die thans niet aan de orde zijn, vermits uit de debatten is gebleken dat er op dit ogenblik nog niet werd beslist om een ander inspecteur basisonderwijs in de plaats van de verzoeker te benoemen. De verzoeker heeft het ook hier over “dreigingen”, die overigens door een eventueel annulatiearrest kunnen worden hersteld. De omstandigheid dat de verzoeker tegen de eventuele invulling van de “laatste” vacature opnieuw een vordering bij de Raad van State zou moeten instellen, kan de Raad niet in aanmerking nemen om de vordering ingesteld bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te willigen. Het nadeel dat voortvloeit uit een latere, op dit ogenblik, loutere hypothetische beslissing kan niet dienstig worden aangevoerd om de uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden. Ten slotte mocht de verzoeker, wegens de thans bestreden beslissingen, toch worden uitgesloten van een verdere uitbouw van zijn loopbaan in het gemeenschapsonderwijs, kan dit eventueel en op dit ogenblik hypothetisch nadeel worden hersteld, door tegen die tussen te komen beslissing de rechtsmiddelen aan te wenden die het recht aan de verzoeker verschaft. Ook dit onderdeel van het nadeel kan op dit ogenblik niet worden aangenomen. IX-5925-7/9 3. De ingestelde vordering is bijgevolg niet ontvankelijk, omdat niet is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2. 4. De gevorderde dwangsom. Gelet op wat voorafgaat is er geen aanleiding om over dit punt van de vordering uitspraak te doen. 5. Over het verzoek tot het bewaren van de anonimiteit Met een schrijven van 30 mei 2008 vraagt de verzoeker om zijn anonimiteit te garanderen. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State, kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en tot wanneer het arrest wordt uitgesproken, eisen dat bij de publicatie daarvan de identiteit van de natuurlijke personen die zij aanwijst niet zou worden opgenomen. Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van verzoekers vraag. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Artikel 3. IX-5925-8/9 Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van de verzoeker niet opgenomen. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 5 juni 2008, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-5925-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.870 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.685 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.322 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.