id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.933 Rolnummer: A. 92121/X-9578 Zaak: Arrest 183933 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-13 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 08:11 Fiche Arrest nr 183.933 van 6 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.933 van 6 juni 2008 in de zaak A. 92.121/X-9578. In zake : 1. de n.v. VINESCO, 2. de n.v. AMSTO, 3. Alexandra WYBO, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partij : Karel VAN MARCKE, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. VINESCO, de n.v. AMSTO en Alexandra WYBO op 25 mei 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 oktober 1999 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Deinze, Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Kruishoutem, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zingem, Zulte en Zwalm; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 19 september 2003 ingediend door Karel VAN MARCKE; Gelet op de beschikking van 16 oktober 2003 die de tussenkomst van Karel VAN MARCKE toelaat; X-9578-1/26 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 28 juli 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 30 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat G. VERHELST, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.De feiten. Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. De verzoekende partijen zijn eigenaars van terreinen gelegen in de buurt van het kasteel Piers de Raveschoot te Kruishoutem. De tussenkomende partij is sedert 1976 eigenaar en bewoner van het bewuste kasteeldomein. X-9578-2/26 1.2. Bij koninklijk besluit van 10 december 1973 wordt het kasteelgebouw beschermd als monument, en worden tegelijkertijd een hele reeks percelen die het kasteel omgeven gerangschikt als landschap. Artikel 3 van voormeld koninklijk besluit bepaalt uitdrukkelijk dat binnen het landschap een verbod geldt om “gebouwen op te richten”. Ook de gronden van de verzoekende partijen maken deel uit van dit landschap. 1.3. Bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 wordt het gewestplan Oudenaarde vastgesteld. Het kasteel en bijbehorend park worden ingekleurd als parkgebied, terwijl o.m. de gronden van de verzoekende partijen in een woonuitbreidingsgebied worden ondergebracht. 1.4. Met een koninklijk besluit van 17 december 1981 wordt aan de n.v. VINESCO en aan de n.v. BELIMCO, rechtsvoorganger van de n.v. AMSTO, machtiging verleend tot het uitvoeren van werken, nodig voor de verwezenlijking van de verkaveling van de binnen het beschermde landschap gelegen gronden. Ten verzoeke van o.a. de tussenkomende partij, wordt dit besluit door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 33.367 van 9 november 1989. 1.5. Op 17 maart 1988 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen in beroep aan de verzoekende partijen n.v. VINESCO en n.v. AMSTO de vergunning om de gronden voor een oppervlakte van ruim 6 hectare te verkavelen in 38 bouwloten. Andermaal op verzoek van de tussenkomende partij, wordt ook dit besluit door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 74.452 van 24 juni 1998, gelet op de eerdere vernietiging van de machtigingsbeslissing bij arrest nr. 33.367 van 9 november 1989,om van de verbodsbepalingen af te wijken, en omdat “de bestreden beslissing het bij het rangschikkingsbesluit opgelegd verbod gebouwen op te richten en de aanleg van het park te wijzigen, schendt”. 1.6. Bij besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 1998 wordt een ontwerp-plan vastgesteld tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde. Op de bijgevoegde kaartbladen 21/8 en 29/4 blijkt de voor de gronden van de verzoekende partijen voorziene bestemming tot X-9578-3/26 woonuitbreidingsgebied te zullen worden vervangen door een bestemming tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.7. Gedurende het openbaar onderzoek omtrent deze voorgenomen gewestplanherziening dienen de eerste en de tweede verzoekende partijen een bezwaarschrift in. De gemeenteraad van Kruishoutem adviseert op 26 april 1999 met betrekking tot de geplande bestemmingswijziging negatief. Op 29 april 1999 adviseert ook de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen ongunstig, stellende dat nergens uit blijkt dat de bestemmingswijziging “dringend” zou zijn, en dat met betrekking tot de potentiële aanwendingsmogelijkheden van het woonuitbreidingsgebied geen woonbehoeftestudie voorligt. Tijdens de vergadering van 27 augustus 1999 verklaart de streekcommissie van advies voor de ruimtelijke ordening zich, onder de titel “afstemming van landschappen en stadsgezichten/dorpsgezichten met de ruimtelijke bestemming”, akkoord met de wijziging, erop wijzend dat het “bovendien gaat (...) om een deels geklasseerd landschap”. 1.8. Na advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, wordt de wijziging van het gewestplan Oudenaarde bij besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 1999 definitief vastgesteld. De bestemmingswijziging van woonuitbreidingsgebied naar landschappelijk waardevol agrarisch gebied blijft behouden. In het besluit van de Vlaamse regering wordt met betrekking tot de bewuste gronden het volgende overwogen: “Overwegende dat voor punt B110, Aaishovendries te Kruishoutem, de wijziging van woonuitbreidingsgebied naar landschappelijk waardevol agrarisch gebied inderdaad vooruitloopt op de gemeentelijke woningbehoeftestudie; dat deze wijziging in de eerste plaats een betere planologisch-juridische bescherming nastreeft van het historische waterbevoorradingssysteem in het gerangschikt landschap ter hoogte van de Aaishovendries; dat de wijziging bovendien uitvoering geeft aan de bindende bepaling uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen over de behoefteverdeling aan bijkomende woongelegenheden tussen de stedelijke gebieden en het buitengebied; dat het gebied momenteel in gebruik is door de beroepslandbouw”. Van het besluit van de Vlaamse regering wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 maart 2000, waarbij tevens het advies van de streekcommissie wordt gepubliceerd. X-9578-4/26 1.9. Bij ministerieel besluit van 27 april 2002 wordt overgegaan tot de bescherming als monument van het kasteel met omliggend domein en het waterbevoorradingssysteem voor de kasteelwallen en -vijvers dat zich bevindt in de ondergrond van de percelen, eigendom van de verzoekende partijen. 1.10. Van dit besluit wordt door de verzoekende partijen de nietigverklaring gevorderd in procedures voor de Raad van State, gekend onder G/A 124.359/X-11.061 en 124.360/X-11.062. Deze beroepen zijn hangende; 2. De ontvankelijkheid 2.1. het standpunt van de partijen. 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift tot nietigverklaring het volgende aanvoeren met betrekking tot het rechtens vereiste belang : “A. Belang De verzoekende partijen wensen vooreerst te anticiperen op een eventuele onontvankelijkheidsexceptie die zou worden opgeworpen door hetzij de verwerende partij, hetzij een eventuele tussenkomende partij. Zij zouden eventueel kunnen opwerpen dat de verzoekende partijen het rechtens vereiste belang missen om de onderhavige gewestplanwijziging te kunnen aanvechten, nu het betrokken goed gelegen is in een bij besluit van 10 december 1973 beschermd landschap. De verzoekende partijen antwoorden hierop het volgende: 1. In hoofdorde: het koninklijk besluit van 10 december 1973 is opgeheven door het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde. Zoals reeds gesteld in de feitelijke uiteenzetting werden de aan de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO toebehorende gronden bij koninklijk besluit van 10 december 1973 beschermd als landschap De bescherming als landschap heeft enerzijds betrekking op het park van het kasteel Aaishovendries, en anderzijds betrekking op het overgrote gedeelte van het blok gevormd door enerzijds de Kasteelstraat, de Aaishovedriesstraat en de Tjolleveldstraat. Het eigenlijke park vormt nog niet eens de helft van het beschermde landschap. Het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde bestemt het volledige blok tussen de Kasteelstraat, de Aaishovedriesstraat en de Tjolleveldstraat als ‘woonuitbreidingsgebied’, met uitzondering van een klein stukje dat een bestemming als woongebied krijgt. Het park van het kasteel wordt bestemd als parkgebied. Hieruit kan blijken dat voor een substantieel groot gedeelte van het beschermde landschap, er een gewestplanbestemming wordt gegeven die in het geheel niet bestaanbaar is met het beschermingsbesluit. X-9578-5/26 Een woonuitbreidingsgebied is immers ‘uitsluitend bestemd voor groepswoningbouw’, in afwachting dat de bevoegde overheid over de aanleg van de plaats heeft beslist. Nu een dergelijk gebied specifiek bestemd is als een reserve voor woningbouw, valt niet in te zien hoe een dergelijke reserve kan worden aangesneden zonder afbreuk te doen aan het bestaande landschap. Het kan dan ook bezwaarlijk betwist worden dat het beschermingsbesluit voor een substantieel gedeelte van zijn beheersingsgebied onbestaanbaar is met het later vast gestelde gewestplan. De vraag dringt zich op wat hiervan het gevolg is. Volgens vaststaande rechtspraak van uw Raad dient een beschermingsbesluit zoals iedere individuele overheidsbeslissing, te worden ingepast ‘in bestaande wetten en in bestaande regelmatig vastgestelde lagere rechtsnormen (bedoeld wordt de rechtsnormen, lager dan de wet), zijnde niet alleen de normen welke de tot beschermen bevoegde overheid zelf heeft vastgesteld, maar ook de verordenende bepalingen welke andere administratieve overheden tot stand hebben gebracht, zoals de definitief vastgestelde plannen van aanleg’. Uw Raad heeft deze rechtspraak steeds verantwoord door te verwijzen naar het legaliteitsbeginsel, en de daaruit voortvloeiende normenhiërarchie. Deze rechtspraak had echter enkel betrekking op situaties waarbij een beschermingsbesluit in strijd kwam met een eerder vastgesteld gewestplan. De vraag rijst dus of deze conclusie ook geldt indien het beschermingsbesluit strijdig is met een later vastgesteld gewestplan. De automatische opheffing van de lagere rechtsnorm door een hogere rechtsnorm werd door uw Raad bevestigd door het arrest (...) van 20 december 1983, dat zoals algemeen bekend is, betrekking had op de impliciete opheffing van een B.P.A. door een later vastgesteld gewestplan dat er mee strijdig is. Het arrest (...) heeft echter enkel betrekking op de opheffing van de ene reglementaire bepaling door een andere reglementaire bepaling van hogere rang. Door het arrest (...) van uw Raad nr. (...) - dat zoals bekend betrekking heeft op de hiërarchie van de Brusselse aanlegplannen - wordt dit beginsel van de impliciete opheffing van de lagere norm door de later aangenomen hogere norm, uitdrukkelijk vastgeknoopt aan het beginsel van de normenhiërarchie. Dit beginsel wordt door uw Raad verheven tot een ‘fundamenteel beginsel van de juridische orde’. Het beginsel van de normenhiërarchie vloeit volgens dit arrest voor uit het artikel 159 van de Grondwet, waardoor uw Raad, met toepassing van artikel 9 van de bijzondere wet van 12 januari 1989, een ordonnantie die dit beginsel schendt buiten toepassing kan laten. Het beginsel van de normenhiërarchie is dan ook een beginsel met een grondwettelijke waarde, aangezien het vervat zit in artikel 159 van de Grondwet. Welnu, artikel 159 van de Grondwet heeft een algemene strekking, en is van toepassing op zowel individuele als reglementaire akten: ‘Overwegende dat artikel 107 van de Grondwet, volgens hetwelk de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen, geen onderscheid maakt tussen de handelingen die het beoogt; dat het toepasselijk is op de zelfs niet reglementaire beslissingen van het bestuur en op de administratieve handelingen, ook al zijn ze van individuele aard.’ Aangezien de opheffing van de lagere rechtsnorm door de hogere rechtsnorm waarmee de lagere rechtsnorm in strijd is, voortvloeit uit het beginsel van de hiërarchie der normen, en aangezien dit beginsel vervat zit in artikel 159 van de Grondwet, en aangezien artikel 159 van de Grondwet geen onderscheid maakt tussen reglementaire en individuele beslissingen, is het beginsel van de opheffing van de lagere rechtsnorm door de hogere rechtsnorm X-9578-6/26 waarmee de lagere rechtsnorm in strijd is ook van toepassing in de onderlinge verhouding tussen individuele en verordenende beslissingen. Ook individuele beslissingen dienen dus te worden ingepast in de hiërarchie der normen, en ook individuele beslissingen worden opgeheven door nadien vastgestelde - individuele of reglementaire - beslissingen van een hogere rang die er mee in strijd zijn. Alleen dan ‘blijven’ zij ‘inpasbaar in bestaande wetten en bestaande regelmatig vastgestelde lagere rechtsnormen’, om het met de woorden van Uw arrest (...) te zeggen. Nu zou men zich kunnen afvragen of een beschermingsbesluit wel een lagere plaats inneemt in de hiërarchie der normen dan een gewestplan. Beide zijn immers bij Koninklijk Besluit vastgesteld. Hierop kan worden gerepliceerd dat een beschermingsbesluit in geen geval een hogere of gelijke rechtskracht kan hebben dan een gewestplan, aangezien in het tegengestelde geval een beschermingsbesluit zonder probleem in strijd zou kunnen zijn met een vroeger vastgesteld gewestplan, terwijl dit volgens de vaste rechtspraak van uw Raad niet kan. Trouwens, zelfs indien ze een gelijke rechtskracht zouden hebben, dan nog zou het latere gewestplan primeren, gelet op het beginsel ‘Iex posterior legi anteriori derogat’. Het past trouwens te verwijzen naar de volgende passage in het arrest (...): ‘Het is immers niet denkbaar dat de wetgever zou gewild hebben dat de voorschriften van een later gewestplan slechts dan zouden primeren boven de ermede strijdige voorschriften van een later gemeentelijk plan van aanleg, indien en voor zover de bevoegde minister zou besluiten tot de herziening van (het) gemeentelijk plan van aanleg. Dit standpunt zou immers leiden tot een situatie waarin het effectieve resultaat van de door de wet nauwkeurig uitgewerkte procedure van totstandkoming van het gewestplan, met de participatie niet alleen van diverse overheidsinstanties, maar ook van alle belanghebbenden, tot niets zou kunnen worden herleid door de al dan niet bewuster inertie van (het) bevoegde ministerie (dat), in de hypothese van het niet in herziening stellen van de gemeentelijke plannen van aanleg, de gewestplannen als loze voorschriften onder enige gelding voor de betrokken gemeenten zou kunnen afschrijven.’ Het past tevens te verwijzen naar de volgende passage uit het arrest (...): ‘Overwegende dat tevergeefs hiertegen zou worden ingebracht dat rangschikkingsbesluiten zoals plannen van aanleg rechtsgevolgen hebben voor onbepaalde derden en als zodanig een algemeen en abstract karakter hebben, dat hun beperkingen en verbodsbepalingen niet alleen gelden voor bepaalde actuele eigenaars maar ook voor onbepaalde toekomstige eigenaars, voor actuele en toekomstige houders van andere zakelijke rechten (zoals vruchtgebruikers, huurders, pachters, etc.), voor gebruikers in de ruime betekenis van het woord (met inbegrip van de gebruikers zonder titel); dat deze rechtsgevolgen te wijten zijn, niet aan enig verordend karakter van een rangschikkingsbesluit, maar aan de erfdienstbaarheid van openbaar nut die het vestigt en de noodzakelijk daarmee gepaard gaande tegenwerpbaarheid van (aan) een ieder; dat, precies wegens die tegenwerpbaarheid, het rangschikkingsbesluit cumulatief met de bestaande wetten en reglementen, o.m. inzake stedebouw en ruimtelijke ordening moet kunnen worden toegepast.’ Vooral de laatste zin is in interessant: omwille van de tegenwerpelijkheid aan eenieder, die voortvloeit uit de erfdienstbaarheid van openbaar nut die het rangschikkingsbesluit instelt, moet het rangschikkingsbesluit cumulatief kunnen worden toegepast met de bestaande wetten en reglementen. Uw Raad maakt hier geen onderscheid naar gelang het rangschikkingsbesluit tot stand komt voor of na de inwerkingtreding van het gewestplan. Uit dit alles volgt dat een later vastgesteld gewestplan een vroeger goedgekeurd beschermingsbesluit opheft indien het gewestplan met dit vroegere besluit in tegenspraak is. X-9578-7/26 In casu kan niet betwist worden dat het beschermingsbesluit in het geheel onbestaanbaar is met het gewestplan, althans voor het gedeelte dat in het gewestplan een bestemming kreeg als woonuitbreidingsgebied, zodat het beschermingsbesluit voor dat gedeelte impliciet is opgeheven. Het kan zelfs worden gezegd dat deze impliciete opheffing door de overheid werd beoogd toen zij het gewestplan vaststelde. Immers, in het advies van de Regionale Commissie van advies kan men het volgende lezen: ‘4. Nationale dienst voor opgravingen: De door de dienst aangeduide archeologische sites geven geen bezwaren inzake zonering behalve voor het gedeelte gelegen in woonuitbreidingsgebied te Kruishoutem (29/4) waar de werkgroep niet akkoord gaat met een blijvende bescherming en enkel een archeologische controle kan aanvaarden. Dit voorafgaandelijk onderzoek mag geen aanleiding geven tot belemmering van de werken.’ 2. Het beschermingsbesluit is onwettig vastgesteld. Zelfs indien het beschermingsbesluit niet zou opgeheven zijn door het later vastgestelde gewestplan, dan nog is het onwettig vastgesteld. Immers, het beschermingsbesluit is niet genomen op voordracht van de Koninklijke Commissie voor monumenten en landschappen, noch op voordracht van de gemeente, maar wel op vraag van de eigenaar van de betrokken gronden, hetgeen in strijd is met de op dat ogenblik van toepassing zijnde wetgeving, met name artikel 1 juncto artikel 6 van de wet van 7 augustus 1931 op de monumenten en landschappen. Bovendien gaat het om één van de vele beschermingsbesluiten van het begin van de zeventiger jaren waarvan de procedure niet werd ingezet door de minister, maar wel bij beslissing genomen door de Adviseur - hoofd van de dienst van de Rijksdienst voor monumenten en landschapszorg ‘namens de minister’. Die handelswijze maakt het beschermingsbesluit nietig. De verzoekende partijen kunnen hiervan het formele bewijs niet leveren, aangezien de toegang tot het totstandkomingsdossier geweigerd werd. Op een aangetekende aanvraag tot inzage op grond van de wetgeving op de openbaarheid van bestuur ontvingen de verzoekende partijen nog geen antwoord. Tevens moet worden vastgesteld dat het beschermingsbesluit onwettig is, gelet op de onzorgvuldige feitenvinding en een manifeste beoordelingsfout. Het maakt immers geen onderscheid tussen het park en de omgeving van het park. Artikel 2 van het beschermingsbesluit vermeld(
- t)immers een hele reeks perceelnummers, waaronder alle percelen die eigendom zijn van de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO, en stelt bovendien dat dit het ‘omgevende park van voornoemd kasteel’ is. Nu is de eigendom gelegen ten westen van de Kasteelstraat duidelijk te onderscheiden van het park van het kasteel, enerzijds omdat het geen park is, met name een gebied dat beplant is met bomen en heesters, maar een open stuk landbouwgrond en anderzijds omdat het van het park wordt gescheiden door de openbare weg. Op een perceelplan kan men het onderscheid van het eigenlijke park en de omgeving van het park moeilijk maken, maar ter plekke is dit verschil duidelijk. De door de n.v. VINESCO en de n.v. AMSTO overlegde luchtfoto's kunnen hiervan getuigen. 3. De aanwezigheid van een beschermingsbesluit heeft geen gevolg voor de aanwezigheid van het rechtens vereiste belang. Uw Raad heeft reeds meermaals gesteld dat de rechtsonderhorige een rechtens vereist belang heeft om een beschermingsbesluit aan te vechten, ook al bevinden zijn gronden zich een zone van het gewestplan die bebouwing uitsluit. In casu doet zich de omgekeerde situatie voor. Ook hier heeft de eigenaar een belang bij de vernietiging van de gewestplanvaststelling, aangezien het beschermingsbesluit zware eigendomsbeperkingen oplegt, waar evenwel van X-9578-8/26 kan worden afgeweken, terwijl dit voor de gewestplanbestemming ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ niet het geval is”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpt in verband met het belang van de verzoekende partijen bij het door hen ingediende annulatieberoep; dat zij deze exceptie als volgt adstrueert : “1. De percelen, waarvan verzoekende partijen sinds 1980 eigenaar zijn geworden, zijn volgens de planologische bepalingen van het bij K.B. van 24 februari 1977 vastgesteld gewestplan Oudenaarde gelegen in een woonuitbreidingsgebied. Voordien werden deze percelen, als onderdeel van een groter geheel bij K.B. van 10 december 1973 als landschap beschermd. Omwille van deze bescherming werd de machtiging tot verkaveling, verleend bij K.B. van 17 december 1981, en de verkavelingsvergunning van 17 maart 1988 door uw Raad vernietigd bij arrest nr. 33.367 van 9 november 1989 respectievelijk nr. 74.452 van 24 juni 1998. Ingevolge de definitieve vaststelling van het ontwerp-plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde verkregen de genoemde percelen de bestemming van een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het beschermingsbesluit van 10 december 1973 houdt niet noodzakelijk in dat de handelingen, in overeenstemming met deze nieuwe bestemmingsvoorschriften, inclusief (beperkte) bebouwing, automatisch zouden uitgesloten zijn. De nieuwe bestemming werd juist afgestemd op het klasseringsbesluit en de feitelijkheid. De wijziging van woonuitbreidingsgebied naar landschappelijk waardevol agrarisch gebied voor de genoemde percelen werd in alle adviezen beschouwd als een onderdeel van de ‘afstemming van landschappen en stadsgezichten/dorpsgezichten met de ruimtelijke bestemming’. Verzoekende partijen hebben slechts een wettig belang bij het indienen van een annulatieberoep, indien een eventuele nietigverklaring hen tot enig voordeel zou strekken. Dit lijkt op grond van hogere overwegingen helemaal niet het geval te zijn. In een landschappelijk waardevol agrarisch gebied zijn mogelijks handelingen toegelaten die ook in overeenstemming zijn met het klasseringsbesluit van 10 december 1973. 2. Verzoekende partijen ‘anticiperen’ reeds op een ‘eventuele’ onontvankelijkheidsexceptie, door in eerste instantie voor te houden dat het beschermingsbesluit van 10 december 1973 is opgeheven door het later bij K.B. van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde. Verzoekende partijen trachten dit standpunt te steunen op de rechtspraak van uw Raad dat een (later) rangschikkingsbesluit niet tegenstrijdig mag zijn met de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften van een (eerder vastgesteld) gewestplan. De redenering kan evenwel niet op de onderhavige problematiek worden doorgetrokken. De rangschikking van een grond als landschap ter uitvoering van de Wet van 7 augustus 1931 en de vastlegging van een bestemming van X-9578-9/26 dezelfde grond in een gewestplan binnen de uitvoering van de Stedenbouwwet zijn twee van elkaar onderscheiden bestuurshandelingen, die aan verschillende regels zijn onderworpen, die op verschillende wijze tot stand komen en waarvan de rechtsgevolgen ook verschillend zijn (...). De overweging dat een rangschikkingsbesluit cumulatief moet werken met de voorschriften inzake Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening doet hieraan geen afbreuk, eerder integendeel. Beide wetgevingen, ook al hebben zij een zelfde bekommernis, kennen een benadering vanuit verschillende gezichtshoeken. Beide wetgevingen hebben immers duidelijk een andere finaliteit. De voorschriften van de gewestplannen zijn daarenboven veel algemener en minder aangepast aan de concrete situatie dan de voorschriften van een rangschikkingsbesluit. Natuur- en landschapsbescherming is slechts één van de vele facetten van een stedenbouwkundige beoordeling. Er kan dan ook geen sprake zijn van een hiërarchie tussen een rangschikkingsbesluit enerzijds en een bestemmingsplan (gewestplan) anderzijds, zoals dit nadrukkelijk het geval is tussen een hoger plan (gewestplan) en een lager plan (BPA). De door verzoekende partijen verdedigde stelling, volgens welke de voorschriften van een ruimtelijk ordeningsplan voorrang hebben op een beschermingsbesluit, zou tot de conclusie moeten leiden dat alle beschermde gebouwen (of landschappen) op termijn moeten verdwijnen uit de gebieden waar, volgens latere gewestplanvoorschriften, geen of slechts bebouwing met een andere bestemming (respectievelijk wel bebouwing) mag voorkomen (cfr. VEKEMAN, R., Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw - Planologie, Verordeningen en Vergunningen, Kluwer, 1999, p. 53). Dit zou duidelijk afbreuk doen aan de eigen doelstellingen van de diverse wetgevingen en een klassering op termijn onmogelijk maken. Een parallelle werking van beide wetgevingen houdt daarentegen in dat een rangschikking een rechtvaardiging van een specifieke bestemming kan inhouden (...) of de aanleiding kan vormen om een gewestplan (gedeeltelijk) te herzien naar een aanvaardbare bestemming (DRAYE, A.-M., De bescherming van het onroerend erfgoed en de wetgeving ruimtelijke ordening en stedebouw, in K. DE KETELAERE (ed.), Recente ontwikkelingen inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw, Brugge, Die Keure, 1994, p. 74). Een later vastgesteld gewestplan kan een eerdere rangschikking als monument of als landschap niet zomaar teniet doen. Daartoe bestaat geen wettelijke of decretale grondslag. Het anticipatieve verweer van verzoekende partijen gesteund op de opheffing van het rangschikkingsbesluit dient derhalve te worden afgewezen. 3. Vervolgens houden verzoekende partijen voor dat het rangschikkingsbesluit van 10 december 1973 dan maar onwettig werd vastgesteld. Verzoekende partijen houden voor de voorgehouden beweringen niet te kunnen staven (zie verzoekschrift tot nietigverklaring p. 13). Om dezelfde reden kan verwerende partij binnen het onderhavig annulatieberoep en de memorie van antwoord deze beweringen evenmin weerleggen. Verwerende partij maakt hiervoor dan ook een passend voorbehoud. De bewering daarentegen dat het beschermingsbesluit zou zijn gesteund op een onzorgvuldige feitenvinding en een manifeste beoordelingsfout is volstrekt onjuist. X-9578-10/26 Het kasteel Piers de Raveschoot is gefundeerd op eiken houten palen. Zelfs een korte blootstelling aan de buitenlucht door een te lage waterstand in de kasteelvijver zal desastreuze gevolgen hebben voor de houten funderingspalen die zullen rotten en de stabiliteit van het beschermd kasteel in gevaar brengen. Het 19de eeuwse waterbevoorradingssysteem op de Aaishovendries is bepaald uniek te noemen: het water wordt enerzijds gekapteerd bij een bron (drinkwater) en anderzijds via percolatie in meerdere galerijen op de Dries. Andere bekende waterbevoorradings- en bevloeiingssystemen nemen hun water in hoger gelegen waterpartijen die fungeren als reservoir. De aanwezigheid van het waterbevoorradingssysteem ligt trouwens mede aan de basis van het bouwvrij blijven van grote delen van de Aaishovendries en maakt dus onverbrekelijk deel uit van het landschappelijk waardevol karakter van het gebied. 4. Volgens de termen van het verzoekschrift tot nietigverklaring zou derde verzoekende partij, mevrouw Alexandra WYBO, een deel van de betrokken gronden hebben aangekocht bij onderhandse akte van 26 april 2000. In het verzoekschrift wordt zelf benadrukt dat de authentieke akte nog niet werd verleden. Aangezien derde verzoekende partij op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring nog niet over een tegenstelbare titel (authentieke akte, overgeschreven op het Hypotheekkantoor) beschikt, is alleszins een vordering tot nietigverklaring in haar hoofde onontvankelijk”; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in verband met hun belang bij het annulatieberoep het volgende aanvoeren in hun memorie van wederantwoord : “a. Ontvankelijkheid. i. De verhouding van het gewestplan tot de bescherming als landschap. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het ingediende verzoekschrift, aangezien de bestemmingswijziging voor de verzoekende partijen geen nut met zich mee zou brengen, nu hun eigendom gelegen is in een beschermd landschap. Met betrekking tot deze onontvankelijkheidsexceptie verwijzen de verzoekende partijen in hoofdorde naar hetgeen zij hierover hebben uiteengezet in hun verzoekschrift. Zij herhalen dat het beschermingsbesluit opgeheven is, minstens onwettig is, en dat het bestaan van een bescherming op zich geen afbreuk doet aan de mogelijkheid om een beroep tot nietigverklaring in te stellen. De verwerende partij ontkent niet dat het beschermingsbesluit voor een substantieel gedeelte van zijn beheersingsgebied onbestaanbaar is met het later vast gestelde gewestplan. De verwerende partij repliceert echter dat een later gewestplan een eerder beschermingsbesluit niet opheft. Zij verwijst daarbij naar rechtspraak van uw Raad, volgens dewelke de wetgeving op de ruimtelijke ordening en die op de bescherming van monumenten en landschappen een onderscheiden finaliteit hebben. Om die reden zou er geen sprake kunnen zijn van een hiërarchie tussen een rangschikkingsbesluit en een bestemmingsplan. X-9578-11/26 De verwerende partij toont echter niet aan hoe dit gebrek aan hiërarchie te rijmen valt met de door de verzoekende partijen reeds in het inleidend verzoekschrift aangehaalde arresten (...). Zoals aangegeven door de verzoekende partijen, en niet ontkend door de verwerende partij, stelt uw Raad in deze arresten dat een beschermingsbesluit zich dient in te passen in de bestaande rechtsnormen, en dit op grond van het legaliteitsbeginsel en de daaruit voortvloeiende normenhiërarchie. In deze arresten heeft uw Raad er op gewezen dat de voorrang van een plan van aanleg op een beschermingsbesluit is ingegeven ‘niet omdat ruimtelijke ordening op de monumentenzorg primeert, maar omdat de zekerheid en de vastheid in het rechtsverkeer in een rechtstaat betekenen dat elke rechtsonderhorige, en ook iedere overheid, gehouden is door het legaliteitsbeginsel dat gebiedt te handelen binnen de wet en volgens de wet.’ (...). Het legaliteitsbeginsel houdt in dat de hogere norm voorrang heeft op de lagere norm, zodat de lagere norm niet in strijd mag zijn met de hogere norm. Dit beginsel is zowel van toepassing indien de lagere norm tot stand komt na de hogere norm (exceptie van onwettigheid), als wanneer de lagere norm tot stand kwam voor de hogere norm (beginsel van de impliciete opheffing van de lagere norm door de latere hogere norm, (...). Er is geen wettelijke of decretale bepaling die uitdrukkelijk stelt dat een rangschikkingsbesluit wordt opgeheven door een later vastgelegd gewestplan dat er mee strijdig is. Dit is ook niet nodig. Dit vloeit immers voort uit de grondwet en de in de grondwet vervat zittende beginselen. De verwerende partij stelt dan dat de stelling als zou een later gewestplan de ermee strijdige beschermingsbesluiten opheffen, tot gevolg zou hebben dat alle beschermde gebouwen op termijn moeten verdwijnen uit de gebieden waar, volgens latere gewestplanvoorschriften, geen of slechts bebouwing met een andere bestemming mag voorkomen. Hierop kan geantwoord worden dat het tot voor kort inderdaad een ernstig probleem vormde om bouwvergunningen voor de restauratie van beschermde monumenten in agrarisch gebied of natuurgebied te bekomen. De verplichting tot restauratie, vervat in het beschermingsbesluit heeft immers geen voorrang op het bouwverbod dat uit het hogere plan van aanleg voortvloeit. Het is juist dit probleem dat de decreetgever er toe heeft gebracht om een specifieke regeling te voorzien voor zonevreemde monumenten, waarmee ook weer impliciet erkend wordt dat een beschermingsbesluit geen voorrang heeft op een plan van aanleg (zie artikel 159bis van het nieuwe decreet op de ruimtelijke ordening). De verwerende partij pleit voor een parallelle werking van beide wetgevingen, waarbij een rangschikking de aanleiding kan vormen om een gewestplan gedeeltelijk te herzien. Op deze opmerking, die trouwens enkel zijn nut kan hebben voor de situatie waar een later beschermingsbesluit strijdig is met een vroeger bestemmingsvoorschrift - een situatie die nu uitdrukkelijk wordt verboden door artikel 12 van het Decreet van 16 april 1996 houdende bescherming van landschappen - kan geantwoord worden door te verwijzen naar het volgende citaat uit het arrest (...), dat reeds werd aangehaald in het verzoekschrift tot nietigverklaring. In dit arrest heeft uw Raad er op gewezen dat de voorrang van een vroeger B.P.A. op een later gewestplan zou leiden tot ‘een situatie waarin het effectieve resultaat van de door de wet nauwkeurig uitgewerkte procedure van totstandkoming van een gewestplan, met de participatie van niet alleen diverse overheidsinstanties, maar ook van alle belanghebbenden, tot niets zou kunnen worden herleid door de al dan niet bewuste inertie van de bevoegde minister.’ Dit is ook hier het geval. Met inachtneming van de ‘door de wet nauwkeurig uitgewerkte procedure van totstandkoming van een gewestplan’ komt de X-9578-12/26 overheid tot het besluit dat een bepaald stuk grond een bestemming krijgt als woonuitbreidingsgebied. Deze bestemming wordt ‘tot niets herleid’ doordat de minister geen initiatief neemt om het beschermingsbesluit op te heffen. Er moet dan ook worden besloten tot het opgeheven zijn van het beschermingsbesluit. De exceptie is dan ook ongegrond. ii. Het onwettig karakter van het rangschikkingsbesluit. De verwerende partij stelt dat zij niet in staat is om de beweringen van de verzoekende partijen te weerleggen, en dit ‘om dezelfde reden’ die de verzoekende partijen inroepen als reden waarom deze hun beweringen niet kunnen staven. De verzoekende partijen stelden in hun verzoekschrift dat zij niet konden aantonen dat de procedure van de totstandkoming van de beschermingsprocedure niet werd opgestart door de minister, maar dat dit het geval is voor alle beschermingsbesluiten van dezelfde periode. Zij voerden aan dat zij dit niet konden staven omdat de toegang tot het beschermingsdossier hen werd geweigerd (...). Dit is de door de verzoekende partijen ingeroepen reden waarom zij hun beweringen niet kunnen staven: zij hebben geen toegang tot het dossier. Het is evident dat deze reden niet opgaat voor de verwerende partij, die wel degelijk toegang heeft tot dit dossier. Zij beschikt in het kader van de procedure tot nietigverklaring over de mogelijkheid om de beweringen van de verzoekende partijen te weerleggen door de documenten in kwestie op te nemen in het administratief dossier. Zij laat dit na. Dit dient dan ook te worden uitgelegd tegen de verwerende partij. Met betrekking tot de exceptie van onwettigheid, genomen uit de manifeste beoordelingsfout en de onzorgvuldige feitenvinding, verwijst de verwerende partij naar het belang van het waterbevoorradingssysteem voor de kasteelvijver. Dit belang wordt door de verzoekende partijen ten stelligste betwist. Als het bestaan van dit systeem dan al de verantwoording zou zijn, kan hierop worden gerepliceerd dat het beschermingsbesluit met geen woord rept over het waterbevoorradingssysteem. Het totstandkomingsdossier zou uitsluitsel kunnen geven over de ware intenties voor de bescherming als landschap, maar de verwerende partij legt dit niet voor. De exceptie van onwettigheid is dan ook gegrond; de exceptie van onontvankelijkheid is ongegrond. iii. De ontvankelijkheid van de vordering in hoofde van mevrouw WYBO De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering van mevrouw WYBO aangezien haar eigendomsrecht niet tegenstelbaar zou zijn aan de verwerende partij Zij verliest daarbij uit het oog dat een verzoekende partij een belang heeft bij een verzoek tot nietigverklaring indien de nietigverklaring van een besluit deze partij tot voordeel strekt. Het wordt door de verwerende partij niet ontkend dat een persoon die een goed heeft gekocht, zonder dat de aankoop reeds notarieel verleden werd, een voordeel heeft bij de vernietiging van een besluit dat de stedenbouwkundige bestemming van dit goed wijzigt. Dat de koop niet tegenwerpelijk is aan de verwerende partij is in dat opzicht niet relevant. Van belang is enkel het voordeel dat de verzoekende partij door de vernietiging van de bestreden beslissing kan bekomen. Mevrouw WYBO legt trouwens een attest voor, volgens het welk de authentieke akte werd ondertekend op 5 juli 2000”; X-9578-13/26 2.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij een identieke exceptie van onontvankelijkheid opwerpt in verband met het belang van de verzoekende partijen en deze exceptie als volgt uitwerkt : “A. Het KB van 10 december 1973 wordt niet opgeheven bij KB van 24 februari 1977, derhalve ontberen verzoekende partijen het nodige belang 1. Verzoekende partijen ontberen het nodige belang voor het instellen van een annulatieberoep strekkende tot vernietiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 1999 tot definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijzing van het gewestplan Oudenaarde op het grondgebied van de gemeenten Brakel, Deinze, Gavere, Horebeke, Kluisbergen, Kruishouten, Maarkedal, Nazareth, Oudenaarde, Ronse, Wortegem-Petegem, Zingem, Zulte en Zwalm. Het is vaste rechtspraak van Uw Raad dat het actueel karakter van het belang voorhanden dient te zijn zowel op het ogenblik van het indienen van het beroep tot nietigverklaring als op het tijdstip dat de Raad van State uitspraak doet (...). Verzoekende partijen ontberen een dergelijk actueel karakter, daar het beschermingsbesluit dd. 13 december 1973 percelen van verzoeksters om reden van esthetische waarde als landschap rangschikt en dit op grond van de wet van 7 augustus 1931. De beschermingsvoorschriften (artikel 14) van het Decreet van de Vlaamse Regering dd. 16 april 1996 zijn derhalve hier van toepassing en stellen zeer duidelijk dat: ‘de eigenaars, erfpachthouders en vruchtgebruikers van een voorlopig of definitief beschermd landschap verplicht zijn door de nodige instandhoudings- en onderhoudswerken, het in goede staat (
- te)houden, het niet te ontsieren, te beschadigen of te vernielen.’ De bewering van verzoekende (partijen) dat zij belang hebben, omdat men van de eigendomsbeperkingen op basis van het beschermingsbesluit zou kunnen afwijken, terwijl dit niet zou kunnen bij de gewestplanbestemming ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’, gaat niet op. Dat het de intentie is van verzoekende partijen om aan groepswoningbouw te doen op de bewuste percelen; Dat dit nooit kan worden aanvaard in het kader van het beschermingsbesluit van 1973; Dat derhalve het vernietigen van bestreden beslissing geen verschil maakt voor verzoekende partijen; Dat zij ook zonder de bestemmingswijziging niet aan groepswoningbouw mogen doen op hun terreinen. 2. Verzoeksters zijn evenwel nog steeds de mening toegedaan dat dit beschermingsbesluit van 1973 niet meer actueel is, gelet op de latere bestemming in het gewestplan van 1977, zodat de overheid het besluit van 1973 in redelijkheid niet meer in stand zou kunnen houden. Verzoeksters werpen daarom altijd op dat hun gronden volgens het bij KB dd. 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde de bestemming ‘Woonuitbreidingsgebied’ hebben. Gezien deze bestemming van latere datum is dan het beschermingsbesluit van 1973, oordelen verzoekende partijen dat het beschermingsbesluit van 1973 niet meer actueel is. Nochtans heeft Uw Raad deze redenering reeds meermaals weerlegd. (...). Uw Raad stelde dat (...): ‘Overwegende dat het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 14 van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, zoals ze voor het Nederlandse taalgebied werd gewijzigd bij decreet van 13 Juli 1972, doordat het besluit dat machtiging verleent tot het verwezenlijken der infrastructuurwerken neerkomt op een verkapte vorm van declassering, zonder dat daarbij de door voormeld artikel 14 voor het X-9578-14/26 opheffen van een rangschikking voorgeschreven vormen werden in acht genomen; Overwegende dat artikel 6 van de wet van 7 maart 1931 op het behoud van monumenten en landschappen bepaalt dat de landschappen waarvan het behoud in historisch, esthetisch of wetenschappelijk opzicht van nationaal belang is, gerangschikt worden onder de voorwaarden en in de vormen bepaald bij artikel 1 en dat de bij het koninklijk besluit tot rangschikking verboden werken, op verzoek van de belanghebbenden, bij een later koninklijk besluit mogen toegelaten worden, nadat advies werd uitgebracht door de koninklijke commissie voor monumenten en landschappen en door het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente, op het grondgebied waarvan het gerangschikt Landschap zich bevindt en dat elke aldus verleende toelating kan ingetrokken worden; dat artikel 14 van dezelfde wet bepaalt dat het opheffen van de rangschikking van een landschap dient te geschieden onder de voorwaarde en in de vormen vastgesteld voor de rangschikking; Overwegende dat uit de samenlezing van evengenoemde bepalingen volgt, eensdeels dat, indien het algemeen belang het behoud van een landschap of een gedeelte ervan omwille van zijn historische, esthetische of wetenschappelijke waarde niet meer vergt, de bij artikel 14 van de wet bedoelde procedure tot opheffing van de rangschikking dient te worden ingezet, anderdeels dat, tot de rangschikking is opgeheven, de bij artikel 6 bedoelde toelating tot uitvoering van de bij het rangschikkingsbesluit verboden werken slechts kan worden verleend voor werken die, of wel bestaanbaar zijn met het behoud van het landschap, ofwel door hun aard of hun omvang de waarde van het Landschap welke aan de rangschikking ten grondslag ligt niet aantasten; Overwegende dat het koninklijk besluit van 10 december 1973 het ‘omgevend park’ van het kasteel Piers de Raveschoote als landschap rangschikt om reden van zijn esthetische waarde; dat dit koninklijk besluit verbiedt gebouwen op te richten, de aanleg van het park te wijzigen, bomen en struiken te rooien of abnormaal te snoeien, palen voor stroomleiding op te richten, publicitaire panelen te plaatsen en parkings op te richten; dat het bestreden besluit de toelating verleent op een meer dan 6 ha groot gedeelte van dit landschap een reeks villa' s op te richten, een uitgeruste wegenis aan te leggen, 750 m3 aarde te delven, 4 hoogstammige bomen te rooien, 50 meter grachten te profileren en riolering aan te leggen; dat die werken de teloorgang van een deel van het landschap betekenen; dat de beslissing waarbij die werken worden toegelaten onbestaanbaar is met het behoud van het landschap waartoe eerder werd beslist; dat het middel gegrond is;’ Deze uitspraak van uw Raad werd andermaal bevestigd in het arrest (...), naar aanleiding van de verlening van een verkavelingsvergunning, dit bij besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen dd. 17 maart 1988 aan de NV AMSTO en de NV VINESCO; Het betrof de verkaveling van de percelen, kadastraal bekend Sectie B, nrs. 143-149, 150a, 151a en 152a. Uw Raad besluit andermaal dat het rangschikkingsbesluit een verbod oplegt om gebouwen op te richten en om de aanleg van het park te wijzigen. De verkregen verkavelingsvergunning schond dit verbod en wordt derhalve vernietigd. Hieruit dient dan ook afgeleid te worden dat het beschermingsbesluit van 10 december 1973 nog steeds actueel is. Uw Raad heeft verzoeksters dus reeds meermaals duidelijk gemaakt dat het beschermingsbesluit wel degelijk actueel is en derhalve geen wegen, woningen en dergelijke geplaatst mogen worden op de betrokken percelen, en dat ook de aanleg van het omringende park niet mag worden gewijzigd. Eerste en tweede verzoeksters, twee immobiliënbedrijven, kunnen met andere woorden op de X-9578-15/26 betrokken percelen hun handelsactiviteiten niet uitoefenen gezien de bescherming als landschap. De enige manier waarop dit beschermingsbesluit overigens kan worden opgeheven of gewijzigd, is volgens de procedure van het Decreet van de Vlaamse Regering van 16 april 1996. Dit decreet stipuleert namelijk dat er enkel van een opheffing sprake kan zijn wanneer het besluit overeenkomstig het decreet wordt opgeheven. Dit is tot op vandaag niet het geval. 4. Verzoekende partijen wierpen ook op dat het beschermingsbesluit onwettig zou zijn vastgesteld, maar ook dit dient te worden tegengesproken. 4.1. Verzoekende partijen beweren dat het beschermingsbesluit van 10 december 1973 niet is genomen op voordracht van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (verder KCML), maar wel op vraag van de eigenaar van de betrokken gronden. Deze opmerking kan niet worden begrepen. De toenmalig geldige wetgeving, zijnde artikel 1 en 6 van de Wet op het behoud van Monumenten en Landschappen dd. 7 augustus 1931, stipuleert niet dat het besluit genomen moet worden op voordracht van de Koninklijke Commissie voor monumenten en landschappen. Het artikel stelt enkel dat het voorstel door de regering voor advies wordt overgemaakt aan de KCML (artikel 1) en dat voor het onderzoek van de voorstellen omtrent landschappen die behouden dienen te worden op basis van historisch, esthetische of wetenschappelijke inzichten, de KCML aangevuld wordt door een afgevaardigde van het Ministerie van Financiën. Er is dus nergens sprake van enige voordrachtplicht in hoofde van de KCML. Verzoekende partijen werpen ook op dat procedure niet werd ingezet door de minister, maar door het hoofd van de dienst van de Rijksdienst voor monumenten en landschapszorg, namens de minister. De verzoekende partijen merken echter zelf op dat zij hiervan niet het bewijs kunnen leveren. Dat verzoekende partijen derhalve loze beschuldigingen uiten. 4.2. Daarenboven stellen (verzoekende) partijen dat er sprake is van een onwettigheid, gelet op de vermeende onzorgvuldige feitenvinding en manifeste beoordelingsfout. Verzoekende partijen stellen dit, omdat het besluit geen onderscheid maakt tussen het park en de omgeving van het park, terwijl deze volgens de verzoekende partijen duidelijk onderscheiden zijn. Deze bewering van verzoekende partijen klopt hoegenaamd niet. De percelen gelegen ten westen van de Kasteelstraat, zijn essentieel voor zowel de cultuurhistorische en de esthetische waarde van het kasteeldomein, als voor het voortbestaan van het kasteel zelf. Ze zijn derhalve om diverse redenen manifest verbonden met het kasteeldomein. Zo is de cultuurhistorische waarde van de dreef gelegen op perceel 143A, en de daaromheen liggende weilanden, voor het kasteeldomein van grote waarde. De dreef verbindt namelijk de Tjollevelddreef met de kasteeltoegang. De dreef loopt namelijk loodrecht en rechtstreeks naar deze kasteeltoegang. De dreef en de weilanden maakt dan ook één geheel uit met het kasteeldomein. Dit is de logica zelf, aangezien ze in het verleden eigendom waren van de eigenaars van het kasteel. Daarenboven zijn de percelen van verzoekende partijen van essentieel belang voor het voortbestaan van de kasteeleigendom. De rol van de percelen van verzoeksters is tweeërlei. Enerzijds zit in de ondergrond van sommige percelen het captatiesysteem van het waterbevoorradingssyteem van de kasteelvijver. Anderzijds zijn de gronden van verzoeksters nodig als voedingsgebied van dit captatiesysteem. Een captatiesysteem heeft naast grachten en ondergrondse gaanderijen en dergelijke ook tal van gronden nodig als voedingsgebied. In een studie uitgevoerd door de NV Geologica dd. 11 december 1995 wordt overigens gesteld dat het voedingsgebied van het systeem in Kruishoutem reeds beperkt X-9578-16/26 is. Wanneer op deze gronden zou worden gebouwd, belet dit de werking van het waterbevoorradingssysteem. Dit werd overigens reeds door de Provinciale Commissie voor Monumenten en Landschappen (PCML) medegedeeld bij de behandeling van de bezwaren die de NV Amsto op 4 juli 2001 indiende naar aanleiding van de betekening van de ontwerplijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten dd. 27 april 2001. Toen stelde men zelfs over perceel 141A, dat aan de overzijde van de dreef (perceel 143) ligt, het volgende (eigen onderlijning): ‘Perceel 141A bezit geen ondergrondse constructies, maar is essentieel voor de captatie, evacuatie en drainering van het oppervlaktewater die via grachten, onder meer langs de populierendreef (perceel 143) naar de omgrachting en vijvers in het kasteelpark leiden. De weilanden met perceelsgrachten zijn dus van essentieel belang voor de waterbevoorrading.’ Vandaar dat de percelen van verzoekster(
- s)als een noodzakelijk deel van het gehele kasteeldomein dienen te worden beschouwd van het kasteeldomein. Er moet derhalve dan ook geen onderscheid worden gemaakt tussen het kasteeldomein en de percelen van verzoekende partijen daaromheen. Zodoende is er geen sprake van enige onwettigheid in hoofde van het beschermingsbesluit. 5. Het beschermingsbesluit is derhalve noch onwettig tot stand gekomen, noch opgeheven en dus van kracht. Dit geeft te kennen dat vandaag de dag verzoeksters geen belang hebben bij het instellen van een verzoekschrift tot vernietiging van het Besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 1999 houdende de definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Oudenaarde. Gezien het rangschikkingsbesluit nog steeds actueel is, zijn verzoeksters niet gemachtigd om te bouwen op deze gronden. Verzoeksters hebben geen actueel belang bij een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing. Het verzoek tot nietigverklaring dient derhalve onontvankelijk te worden verklaard. De exceptie is gegrond”; 2.1.5. Overwegende dat de verzoekende partijen in dit verband in hun laatste memorie nog het volgende aanvoeren : “11. IN RECHTE De auditeur adviseert de verwerping van het beroep tot nietigverklaring, stellend dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de inwilliging van het beroep. De auditeur is van mening dat de bestemming ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ geen bijkomend nadeel verschaft aan de verzoekende partijen, gelet op de bescherming van het gebied als landschap. De argumentatie die de verzoekende partijen reeds in hun verzoekschrift tot nietigverklaring hadden opgeworpen, wordt verworpen. De verzoekende partijen kunnen het met dit standpunt niet eens zijn. A. Het koninklijk besluit tot bescherming van het landschap is wel degelijk impliciet opgeheven door het latere gewestplan 1. Standpunt van de auditeur De verzoekende partijen hadden reeds in hun verzoekschrift tot nietigverklaring uitgebreid geargumenteerd dat het koninklijk besluit tot bescherming van het landschap impliciet maar zeker opgeheven is door het latere gewestplan, dat het gebied bestemd tot woonuitbreidingsgebied. De verzoekende partijen stelden dat het gewestplan in de hiërarchie der normen hoger staat dan of minstens op gelijke hoogte staat met het koninklijk X-9578-17/26 besluit tot bescherming van het landschap. Aangezien de inhoud van het gewestplan manifest onverenigbaar is met de bescherming als landschap moet de lagere, of eerdere, norm geacht worden impliciet opgeheven te zijn. In het verslag van de heer auditeur wordt dit standpunt verworpen. De auditeur stelt vast dat een individueel beschermingsbesluit niet mag afwijken van een gewestplanvoorschrift, en dit op grond van het legaliteitsbeginsel en het beginsel van de rechtszekerheid. Deze beginselen zouden evenwel enkel tot deze conclusie leiden indien het beschermingsbesluit van latere datum is dan het gewestplan, en niet indien dit van vroegere datum is. De auditeur stelt zich de vraag of het gewestplan in dat geval niet eerder onwettig moet worden geacht. De auditeur vervolgt met de stelling dat het standpunt van de verzoekende partijen geen steun vindt in de rechtspraak. De auditeur volgt de verwerende partij, waar deze stelt dat het ‘onmogelijk is aan te nemen dat met een algemeen bestemmingsvoorschrift een bestaande doelgerichte rangschikkingsmaatregel teniet zou kunnen gedaan worden, en dit dan nog op impliciete wijze’. De parallel met het Steeno-arrest gaat volgens de auditeur niet op, omdat dit arrest handelt over de hiërarchische verhouding tussen twee types van plannen van aanleg, waarbij beide plannen een onderdeel vormen van dezelfde planningsstructuur. De kaarten zouden helemaal anders liggen wanneer men te maken heeft met twee onderscheiden instrumenten die voortkomen uit verschillende reglementeringen die elk hun finaliteit hebben. Volgens de auditeur kan er dan geen sprake zijn van enig hiërarchisch verband, noch heeft het ene besluit noodzakelijk voorrang op het andere. De auditeur sluit zich tot slot aan bij de tussenkomende partij, die erop wijst dat de Raad van State in het verleden het beschermingsbesluit heeft toegepast. 2. Repliek 2.1. de arresten (..) hebben geen gezag van gewijsde op dit punt. De auditeur noch de tussenkomende partij kunnen op nuttige wijze een argument halen uit hoger vermelde arresten, waarin uw Raad inderdaad een schending heeft vastgesteld van het rangschikkingsbesluit van 10 december 1973. Immers, in geen van deze procedures is ooit de vraag aan de orde geweest of het bewuste rangschikkingsbesluit impliciet opgeheven werd door de latere gewestplanbestemming. Het is juist dat uw Raad dit probleem allicht ook ambtshalve had kunnen oproepen, maar het feit dat uw Raad dit niet heeft gedaan toont enkel aan dat ook uw Raad zich die vraag niet heeft gesteld. In elk geval heeft uw Raad deze rechtsvraag niet beslecht. 2.2. er kan niet uitgegaan worden van de onwettigheid van het gewestplan De opmerking van de auditeur, waarin deze zich afvraagt of het gewestplan niet onwettig is, is louter obiter dictum gemaakt, en kan geen gevolg hebben. Geen van de partijen in het geding heeft in deze op nuttige wijze een exceptie van onwettigheid ingeroepen tegen het gewestplan, en aangezien een dergelijke exceptie dient te worden opgeworpen in de eerst mogelijke nuttige akte, kan geen van de partijen een dergelijke exceptie nog inroepen. In het kader van deze procedure moet er dan ook worden uitgegaan van de wettigheid van de gewestplanbestemming ‘woonuitbreidingsgebied’. 2.3. de bestemming volgens het gewestplan is onverenigbaar met de bescherming als landschap In casu werden de verzoekende partijen, die eigenaar zijn van de gronden, geconfronteerd met twee verschillende voorschriften: enerzijds de verplichtingen die voortvloeiden uit de bescherming als landschap, en anderzijds de bepalingen van het gewestplan, dat de gronden bestemt tot woonuitbreidingsgebied. Het is overduidelijk, en wordt ook niet betwist, dat beide voorschriften elkaar diametraal tegenspreken. X-9578-18/26 Het beschermingsbesluit verbiedt om binnen de perimeter van het landschap te bouwen. Het gewestplan bestemt evenwel een deel van deze perimeter tot woonuitbreidingsgebied. Het gewestplan heeft een bindende en verordenende kracht, en vormt dan ook het bindende en verordenende kader van alle te nemen overheidsbeslissingen in verband met de bestemming van dit gebied. Zolang er over de verdere ordening van de plaats niet is beslist, heeft een dergelijk gebied een welbepaalde juridisch uitvoerbare bestemming, met name groepswoningbouw (...). Een gewestplanbestemming moet bovendien weze het in voorkomend geval na verloop van tijd - effectief worden gerealiseerd. Een gewestplanbestemming is dus méér dan een passief toetsingskader, zelfs al waren de instrumenten ervoor vrij beperkt. Een bouwverbod is onverzoenbaar met een juridisch uitvoerbare bestemming die een grond bestemd tot groepswoningbouw. Daarbij moet nog gewezen worden op de bijzondere aard van het beschermingsbesluit. Het gaat juridisch wel om een individuele beslissing, maar dit neemt niet weg dat het beschermingsbesluit, net zoals het gewestplan tegenwerpelijk is aan iedere gebruiker van het gebied en aan iedere overheid die beslissingen moet nemen met betrekking tot dit gebied. De tegenstrijdigheid tussen de twee bepalingen geldt dus niet enkel ten aanzien van de verzoekende partijen. Zij is algemeen. Niemand kan beide bepalingen respecteren. Er kan dan ook niet worden aangenomen, zoals de auditeur nochtans doet, dat er tussen beide geen sprake kan zijn van een hiërarchisch verband. Ofwel primeert de gewestplanbestemming, en dan kan de juridische bestemming ‘groepswoningbouw’ (of, indien over de aanleg van de plaats beslist wordt elke andere in een woongebied aanvaardbare bestemming) worden gerealiseerd, niettegenstaande het bouwverbod dat uit het beschermingsbesluit voortvloeit. Ofwel primeert het beschermingsbesluit, en dan impliceert het rangschikkingsbesluit dat de juridische bestemming woonuitbreidingsgebied niet realiseerbaar is. Eén van beide verplichtingen gaat noodzakelijk voor. Alleen al daarom kan het verslag niet worden gevolgd. Bovendien, zelfs indien beide beslissingen een gelijke rang innemen, dan nog primeert de latere norm op de vroegere norm lex posterior ... ). Voor deze impliciete opheffing bestaat geen decretale of wettelijke grondslag. Dit is ook niet nodig: de impliciete opheffing vindt haar grondslag in de grondwet zelf. 2.4. het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel gelden ook in de situatie van een later gewestplan tegenover een eerder beschermingsbesluit. Er valt niet in te zien waarom enkel indien het beschermingsbesluit zou dateren van na gewestplan het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel zouden impliceren dat het rangschikkingsbesluit niet mag afwijken van het gewestplan. In het arrest (...) stelt uw Raad dat de overheden die krachtens de wet van 7 augustus 1931 bevoegd zijn te oordelen niet voorbij kunnen gaan aan de plannen van aanleg omdat ‘de zekerheid en de vastheid in het rechtsverkeer in een rechtstaat betekenen dat elke rechtsonderhorige en ook iedere overheid, gehouden is door het legaliteitsbeginsel, dat gebied te handelen binnen de wet en volgens de wet, hieronder verstaan het geheel van de normenhiërarchie’ Het legaliteitsbeginsel op grond waarvan een hogere rechtsnorm primeert op een lagere, heeft niet enkel gevolgen voor een latere lagere rechtsnorm, die niet mag afwijken van een vroegere hogere rechtsnorm, maar ook voor een latere hogere rechtsnorm, die de vroegere lagere rechtsnorm opheft. Ook in een dergelijk geval heeft een burger recht op rechtszekerheid, in de zin dat hij in staat moet zijn zich te kunnen houden aan de wet. Zoals gezegd zijn beide beslissingen tegenstrijdig, zodat zij niet beiden kunnen gelden. Eén X-9578-19/26 van de twee moet voorgaan, en het legaliteitsbeginsel, en met name de normenhiërarchie impliceert dat dit de hoogste rechtsnorm moet zijn (en indien beide rechtsnormen in gelijke rang staan, de latere rechtsnorm). Dit geldt weerom in het bijzonder in het licht van de bijzondere aard van een beschermingsbesluit, dat immers wel een beslissing is met een individuele draagwijdte, maar dat niettemin een ten aanzien van eenieder tegenwerpelijke erfdienstbaarheid vestigt. In het arrest (...) heeft Uw Raad er op gewezen dat juist die tegenwerpelijkheid aan eenieder impliceert dat het rangschikkingsbesluit moet ingepast worden in de bestaande regelgeving: (...) ‘Overwegende dat tevergeefs hiertegen zou worden ingebracht dat rangschikkingsbesluiten, zoals plannen van aanleg rechtsgevolgen hebben voor onbepaalde derden en als zodanig een algemeen en abstract karakter hebben, dat hun beperkingen en gebodsbepalingen niet alleen gelden voor bepaalde actuele eigenaars maar ook voor onbepaalde toekomstige eigenaars, voor actuele en toekomstige houders van andere zakelijke rechten /zoals vruchtgebruikers, huurders, pachters, etc. - voor gebruikers in de brede betekenis van het woord [met inbegrip van de gebruiker zonder recht of titel] dat deze rechtsgevolgen te wijten zijn, niet aan enig verordenend karakter van een rangschikkingsbesluit, maar aan de erfdienstbaarheid van algemeen nut die het vestigt en de noodzakelijk daarmee gepaard gaande tegenstelbaarheid aan eenieder; dat precies om reden van die tegenstelbaarheid, het rangschikkingsbesluit cumulatief met de bestaande wetten en reglementen, o.m. inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening, moet kunnen worden toegepast.’ Er valt weerom niet in te zien waarom deze mogelijkheid tot cumulatieve toepassing van het rangschikkingsbesluit met de reglementen inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening enkel vereist zou zijn indien het rangschikkingsbesluit van na het gewestplan dateert. 2.5. De impliciete opheffing is een algemeen gevolg van het legaliteitsbeginsel, en geldt niet enkel binnen bepalingen inzake éénzelfde domein. De auditeur kan niet gevolgd worden waar hij stelt dat de leer van het (...)-arrest in deze aangelegenheid van geen belang zou zijn, omdat het (...)-arrest handelde over twee plannen van aanleg. Het (...)-arrest steunt immers niet op een bijzondere, door de Stedenbouwwet zelf ingestelde hiërarchie, maar wel op algemeen grondwettelijke beginselen volgens dewelke de hogere rechtsnorm primeert op de lagere. Reeds in het (...)-arrest koppelt uw Raad dit vast aan het toenmalige artikel 107 van de Grondwet. Ook in het arrest (...) wordt de impliciete opheffing van het lagere plan door het latere hogere plan uitdrukkelijk vastgeknoopt aan het artikel 159 van de Grondwet. Hierbij mag niet uit het oog verloren worden dat artikel 159 van de Grondwet niets anders is dan een grondwettelijke bevestiging van het legaliteitsbeginsel en de hiërarchie der normen, die in het algemeen inhoudt dat de overheid de hogere rechtsnormen dient te respecteren, en dat de hoven en rechtbanken hierop toezicht houden. In die zin is artikel 159 van de Grondwet eigenlijk enigszins overbodig: zelfs indien deze bepaling niet in de grondwet ingeschreven zou zijn, dan nog behoort het tot de natuurlijke taak van de rechtbanken om te verifiëren of een bepaalde handeling van de overheid in overeenstemming is met hogere normen en om deze handelingen voor onbestaande te houden indien deze handeling onwettig blijkt te zijn. Net zoals het een evidentie is dat de latere lagere rechtsnorm niet mag afwijken van de vroegere hogere rechtsnorm, is het een evidentie dat de latere hogere rechtsnorm de vroegere lagere rechtsnorm impliciet opheft: ‘c'est un principe éternel qu'une loi nouvelle fait cesser toute loi précédente ou toute disposition précédente contraire à son texte’ X-9578-20/26 In het arrest (...) beschouwt uw Raad dit als een ‘fundamenteel beginsel van de juridische orde’. Welnu, dit ‘fundamenteel beginsel van de juridische orde’, is gewoon de keerzijde van het legaliteitsbeginsel in strikte zin: een lagere norm mag niet afwijken van een vroegere hogere norm, zoniet mag de rechter de lagere norm niet toepassen. Een hogere norm heft automatisch en in voorkomend geval impliciet de lagere norm op. Beide beginselen gaan logischerwijze even ver. Het is evident dat een dergelijk fundamenteel beginsel van de juridische orde niet beperkt is tot reglementeringen en beslissingen die genomen zijn op grond van eenzelfde wetgeving. Er is dan ook geen reden om aan te nemen waarom een later rangschikkingsbesluit niet, maar een vroeger rangschikkingsbesluit wel in strijd zou mogen zijn met het gewestplan. Het beginsel van het verbod op afwijking door een later rangschikkingsbesluit van een vroeger gewestplan is, aldus het arrest (...), gesteund op de normenhiërarchie, niettegenstaande het feit dat beide administratieve beslissingen genomen zijn met toepassing van verschillende wetgevingen. Het beginsel van de impliciete opheffing van het lagere bestemmingsplan door het latere hogere bestemmingsplan is gesteund op dezelfde normhiërarchie, aldus het (...)-arrest en het arrest (...). Nergens in dit arrest valt te lezen dat deze conclusie beperkt zou moeten zijn tot die gevallen waarin de administratieve beslissingen genomen zijn in toepassing van dezelfde wetgeving. Hier valt evenmin een logische reden voor te geven. Het verslag doet dit alvast niet. B. Het Koninklijk Besluit tot bescherming van het landschap is onwettig De auditeur stelt dat dit argument niet opgaat omdat in het kader van een verzoek tot nietigverklaring de wettigheid van een individueel besluit dat zelf niet het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot nietigverklaring niet in vraag mag worden gesteld. Hij gaat evenwel voorbij aan het feit dat de exceptie van onwettigheid hier niet ingeroepen wordt ter ondersteuning van een middel, en dus niet gebruikt wordt als een argument om een op deze individuele beslissing gesteunde beslissing nietig te verklaren, maar wel ter ondersteuning van het belang van de verzoekende partijen. C. De verzoekende partijen hebben wel degelijk een belang, zelfs indien de bescherming als landschap niet opgeheven of onwettig zou zijn. De auditeur stelt dat de verzoekende partijen geen belang hebben, omdat de bestemming van het gewestplan niets toevoegt aan de beschermingsvoorschriften van het beschermingsbesluit. Deze vaststelling stelt evenwel enkel de absurditeit van het niet opheffen van het beschermingsbesluit door het gewestplan in het daglicht. Zij maakt immers duidelijk dat om het even welke bestemming in strijd is met het rangschikkingsbesluit, omdat geen enkele bestemming uit het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen een bouwverbod instelt dat even absoluut is als het bouwverbod dat ingesteld is door beschermingsbesluit. Zelfs in een natuurgebied zijn bepaalde bouwwerken nog mogelijk, zij het dat het moet gaan om jagers- of vissershutten of om bouwwerken die kaderen in het behoud, de bescherming of het herstel van het natuurlijk milieu. M.a.w., daar geen enkele bestemmingswijziging meer verregaande gevolgen kan hebben dan het rangschikkingsbesluit, zou de eigenaar in geen geval een belang hebben om op te komen tegen de gewestplanwijziging die voor het goed zou worden doorgevoerd. Of, anders beschouwd, de eigenaar van een beschermd goed blijft feitelijk verstoken van een gewestplanbestemming, nu er juridisch geen enkele gewestplanbestemming denkbaar is die enige uitwerking zou kunnen hebben t.a.v. het beschermingsbesluit. X-9578-21/26 Dit belang is nochtans evident. De gewestplanbestemming bepaalt de juridische bestemming van een goed, en dit in een verordend document. Zoals duidelijk blijkt uit het arrest (...) legt het gewestplan op zich geen verplichtingen op ten aanzien van de burger, maar vormt het gewestplan wel het reglementair kader waarbinnen alle later te nemen individuele beslissingen met betrekking tot de grond moeten worden genomen, onverminderd de verplichting voor de overheid om - al dan niet via het laten uitvoeren door de private sector - de gewestplanbestemming te verwezenlijken. Dit geldt zowel voor eventuele later te nemen wijzigingen aan het rangschikkingsbesluit, als eventuele ontheffingen of eventueel zelfs de opheffing van het rangschikkingsbesluit. Indien het beschermingsbesluit al niet impliciet opgeheven is door het gewestplan, belet niets de overheid om het beschermingsbesluit uitdrukkelijk op te heffen, en is het evident dat bij die uitdrukkelijke opheffing, bij individueel besluit, rekening moet worden gehouden met het gewestplanvoorschrift. Na die uitdrukkelijke opheffing kan de bestemming woonuitbreidingsgebied dan worden gerealiseerd. Deze opheffing is op zich niet totaal hypothetisch. Reeds in het verzoekschrift tot nietigverklaring hebben de verzoekende partijen erop gewezen dat niet alle binnen het beschermde landschap gelegen percelen herbestemd worden tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Eén deeltje krijgt de bestemming ‘gebied voor kernontwikkeling’, waarbij dit gebied bestemd is voor ‘industriële, ambachtelijke en agrarische activiteiten, kantoren, kleinhandel, dienstverlening, recreatie, wonen, verkeer en vervoer, openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen, en dit voorzover deze functies verenigbaar zijn met de onmiddellijke multifunctionele omgeving van de kern van het buitengebied’, en dit met instemming van het bestuur van Monumenten en Landschappen. Nu voor dit stuk bebouwing niet uitgesloten wordt, is het meteen ook duidelijk dat de bebouwing van het terrein van de verzoekers al evenmin definitief onmogelijk is. Maar dit doet uiteindelijk weinig ter zake. Elke burger heeft op zich een primordiaal en evident belang bij de bestemming die het gewestplan aan zijn eigendom geeft. In de meest ondergeschikte orde heeft minstens de derde verzoekende partij nog een belang bij het beroep. De eigendom van de derde verzoekende partij is immers, in tegenstelling tot de eigendom van de twee andere verzoekende partijen, wel bebouwd, met name door een vierkantshoeve. Het beschermingsbesluit verbiedt wel het bouwen van nieuwe woningen, maar niet het verbouwen van de bestaande gebouwen, noch een functiewijziging van deze gebouwen. Deze hoeve is evenwel, zowel in de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied als in de bestemming woonuitbreidingsgebied zonevreemd, zodat eventuele wijzigingen aan deze hoeve zullen moeten worden beoordeeld op grond van de artikelen 145, 145bis en 195bis van het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Voor het artikel 145bis §l, dat een uitzonderingsregeling instelt op de toepassing waarvan de eigenaar in beginsel recht heeft, heeft de wijziging van de bestemming naar agrarisch gebied geen gevolgen. Voor de artikelen 145, 145bis §2 en 195bis wel, omdat deze artikelen een afwijkingsmogelijkheid instellen, waarbij de overheid telkens van geval tot geval moet nagaan of de afwijking kan worden verleend. Bij het beoordelen van de opportuniteit van deze afwijking speelt de bestemming wel mee. De bestemming woonuitbreidingsgebied is in dat verband gunstiger dan de bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied. X-9578-22/26 Dit aspect geeft aan het belang van de derde verzoekende partij nog een bijkomende verantwoording. Het verzoekschrift is bijgevolg wet degelijk ontvankelijk”; 2.1.6. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie niets toevoegt aan wat zij reeds heeft uiteengezet in haar toelichtende memorie, wat de exceptie betreft; 2.2. Onderzoek van de opgeworpen exceptie. 2.2.1. Overwegende dat elke verzoekende partij, overeenkomstig artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient blijk te geven van een belang bij het door haar ingestelde annulatieberoep; dat dit enerzijds impliceert dat de betrokken akte voor de verzoekende partijen griefhoudend moet zijn, en dat anderzijds het verdwijnen van die akte uit het rechtsverkeer voor de verzoekende partijen een voordeel moet opleveren; 2.2.2. Overwegende dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift, om “te anticiperen” op een “eventuele” exceptie dienaangaande, onder meer aanvoeren dat “het koninklijk besluit van 10 december 1973 is opgeheven door het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde”; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in dit verband in essentie betogen dat het koninklijk besluit waarbij het kasteelgebouw beschermd wordt als monument en een reeks percelen die het kasteel omgeven worden gerangschikt als landschap, in rechte impliciet zou zijn opgeheven door het later vastgestelde gewestplan, waardoor het kasteel en het bijhorend park wordt ingekleurd als parkgebied, terwijl de gronden van de verzoekende partijen in woonuitbreidingsgebied worden ondergebracht; dat, aldus de verzoekende partijen, het “beginsel van de normenhiërarchie” terzake toepasselijk is, overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet en het vereist is dat de rangschikkingsbesluiten dienen te worden ingepast in het bestaande reglementaire kader, zoals dit ondermeer is vastgelegd in de gewestplanbestemmingen; Overwegende dat het “beginsel van de normenhiërarchie” te dezen niet kan worden toegepast aangezien rangschikkingsbesluiten, anders dan gewestplannen, geen verordenend karakter hebben; dat om dezelfde reden de X-9578-23/26 exceptie ex. art. 159 GW niet op ontvankelijke wijze tegen dergelijke besluiten kan worden ingeroepen; 2.2.4. Overwegende dat artikel 3 van voornoemd beschermingsbesluit van 10 december 1973 bepaalt: “Artikel 3. Wat betreft de rangschikking als landschap worden voor de behartiging van het nationaal belang de volgende beperkingen aan de rechten van de eigenaars gesteld : behoudens toelating verleend overeenkomstig de bepalingen van het artikel 6 der wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, is het verboden: 1. gebouwen op te richten; 2. de aanleg van het park te wijzigen; 3. bomen en struiken te rooien of abnormaal te snoeien; 4. palen voor stroomverbinding op te richten; 5. publicitaire panelen te plaatsen en parkings in te richten”; dat op grond van artikel 43, § 2, tweede lid van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg het voornoemde beschermingsbesluit zijn rechtskracht heeft behouden, en dat ten aanzien van dit beschermingsbesluit alle gevolgen gelden die dat decreet verbindt aan beschermingsbesluiten; dat de vergunningsverstrekkende instanties luidens artikel 14, § 3 van het bedoelde decreet, en luidens artikel 110, § 5, 2/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening voor vergunningsaanvragen binnen een beschermd gebied het advies moeten inwinnen van het bevoegde agentschap; dat paragraaf 5 van bedoeld artikel 14 bepaalt dat de Vlaamse regering de voorwaarden en procedure vaststelt voor het verlenen van het bedoelde advies; dat artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997 houdende algemene beschermingsvoorschriften, advies- en toestemmingsprocedure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen als volgt luidt : “Art. 3. Van de algemene en specifieke beschermingsvoorschriften kan enkel afgeweken worden mits een gunstig advies wordt uitgebracht of een toestemming verleend overeenkomstig artikel 14, § 3 en 4 van het decreet. Overeenkomstig artikel 12 van het decreet blijven werken of handelingen die met de plannen van aanleg overeenstemmen of die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften, mogelijk mits zij worden voorgelegd voor een advies of toestemming, zoals bepaald in artikel 14, § 3 en 4 van het decreet. Voormeld advies of toestemming kan enkel bijkomende voorwaarden opleggen die de bestemmingsvoorschriften aanvullen of verfijnen. De goedkeuring door de Minister bevoegd voor de Landschappen of zijn gemachtigde van een landschapsbeheersplan of van een beheersplan in het kader van het bosdecreet van 13 juni 1990, geldt tevens als gunstig advies of toestemming, zoals voorzien in artikel 14, § 3 en 4, van het decreet, voor alle X-9578-24/26 werkzaamheden die opgenomen zijn in het beheersplan. Dit geldt eveneens voor een beheersplan voor een natuurreservaat dat opgemaakt is overeen- komstig de bepalingen van artikel 72, § 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, op voorwaarde dat het agentschap een gunstig advies aan het beheersplan voor een natuurreservaat verleent”. dat dit impliceert dat bouwwerken die overeenkomstig de gewestplanbestemming kunnen worden vergund, binnen een beschermd landschap niet ipso facto verboden zijn; dat de Raad van State niet vermag binnen het kader van het voorliggend geding te anticiperen op het mogelijk gevolg dat door de bevoegde adviesverlenende instanties aan een bouwaanvraag zal worden gegeven; dat de bescherming van het landschap waarbinnen de gronden van de verzoekende partijen zijn gelegen die partijen derhalve het rechtens vereiste belang bij hun beroep niet ontneemt; dat de verzoekende partijen belang hebben bij de vernietiging van een besluit dat de bestemming van hun gronden wijzigt van woonuitbreidingsgebied tot land- schappelijk waardevol agrarisch gebied; 2.2.5. Overwegende dat niet wordt betwist dat de derde verzoekster eigenares is van een deel van de betrokken gronden; dat dit volstaat om de specifiek ten opzichte van haar door de verwerende partij geformuleerde exceptie van gebrek aan belang te verwerpen; 2.2.6. Overwegende dat de excepties ongegrond zijn; dat er derhalve aanleiding toe bestaat het onderzoek van de zaak voort te zetten, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. X-9578-25/26 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9578-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.933 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.744 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.235 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div