id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.977 Rolnummer: A. 63945/X-9876 Zaak: Arrest 183977 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:11 Fiche Arrest nr 183.977 van 9 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 183.977 van 9 juni 2008 in de zaak A. 63.945/X-
- In zake : Romain WOUTERS, die woonplaats kiest bij advocaat R. BEEKEN, kantoor houdende te 3390 TIELT-WINGE, Kraasbeekstraat 41 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Romain WOUTERS op 2 juni 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 12 april 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingesteld tegen het besluit van 13 september 1994 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant waarbij aan de verzoeker de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van een loods en een veestal op percelen gelegen te Tielt-Winge, Wersbeekstraat, kadastraal bekend sectie C, nrs. 256/p en 258/m, en de vernietiging van de laatstgenoemde beslissing; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 22 november 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-9876-1/16 Gelet op de beschikking van 22 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. BEEKEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoeker is eigenaar van percelen grond gelegen, eensdeels in de gemeente Bekkevoort, aan de Meenselstraat, kadastraal bekend sectie C, nrs. 213/e en 214/f, en anderdeels in de gemeente Tielt-Winge, aan de Wersbeekstraat, kadastraal bekend sectie C, nrs. 256/p en 258/m. 1.
- Op 5 juli 1993 (datum van het bewijs van ontvangst van de aanvraag) dient de verzoeker een bouwaanvraag in voor de regularisatie van een zonder vergunning opgerichte kweekvarkensstal op de percelen gelegen te Bekkevoort. Op 10 september 1993 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bekkevoort de stedenbouwkundige vergunning af. 1.
- Eveneens op 5 juli 1993 (datum van het bewijs van ontvangst van de aanvraag) dient de verzoeker een bouwaanvraag in voor de regularisatie van een zonder vergunning opgerichte loods en veestal op de percelen gelegen te Tielt-Winge. 1.
- Deze percelen zijn niet gelegen binnen een gebied waarvoor een door de Koning -thans de Vlaamse regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen X-9876-2/16 verkaveling. Volgens het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Aarschot-Diest zijn deze percelen vooraan gelegen in een 50 m-diep woongebied met landelijk karakter en verder in het achterliggend agrarisch gebied. 1.
- Met betrekking tot de onder 1.3 bedoelde bouwaanvraag wordt een openbaar onderzoek georganiseerd tijdens welk twee bezwaarschriften worden ingediend. 1.
- De gemachtigde ambtenaar brengt een ongunstig advies uit op grond van de volgende overwegingen : “ONGUNSTIG. Het terrein ligt volgens het gewestplan Aarschot-Diest deels in het landelijk woongebied en deels in het agrarisch gebied. Het ontwerp voorziet het oprichten van een loods en veestal tot in de perceelsgrens bij een gemengd varkens- en rundveeteeltbedrijf. De Administratie milieu, Natuur- en Landinrichting bracht een gunstig advies uit. Het ontwerp brengt door zijn bestemming en vormgeving de goede ruimtelijke ordening van het omliggende landelijk woongebied in het gedrang door de inplanting te voorzien tot in de rechter perceelsgrens - door een te groot bouwprogramma ± 60 m diepte t.o.v. de perceelsbreedte ± 20 à 24 m - door het ontbreken van een groenscherm en gelet op de bezwaren van de omwonenden. Aldus besluit ik tot weigering van de bouwvergunning. Onafhankelijk van het hierboven uitgebracht stedebouwkundig advies wordt de aandacht gevestigd op het feit dat het onderzoek in verband met het bouwmisdrijf nog aan de gang is en dat de wet op de stedebouw nog dient toegepast”. 1.
- Op 25 november 1993 sluit het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tielt-Winge zich bij dit advies aan en wordt de gevraagde vergunning geweigerd. 1.
- De verzoeker gaat op 15 december 1993 tegen deze beslissing in beroep bij de bestendige deputatie van de provincieraad van de toenmalige provincie Brabant. 1.
- Op 13 september 1994 willigt de bestendige deputatie het beroep van de verzoeker in en wordt de stedenbouwkundige vergunning verleend. 1.
- Op 26 oktober 1994 stelt de gemachtigde ambtenaar beroep in tegen de beslissing van de bestendige deputatie. X-9876-3/16 1.
- Op 12 april 1995 wordt dit beroep door de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden ingewilligd en wordt de beslissing van de bestendige deputatie vernietigd. Dit is de bestreden beslissing.
- Ten gronde 2.
- Eerste middel 2.1.
- Standpunt van de partijen 2.1.1.
- In het verzoekschrift zet de verzoeker zijn eerste middel als volgt uiteen: “
- Motiveringsgebreken Aangezien de bestreden beslissing art. 97 G.W. en de Wet van 29 juli 1991 schendt; Dat, aangaande de eerste bestreden overweging, de Minister, in tegenstelling tot de gemachtigde ambtenaar, laat doorschemeren dat de inplanting van de litigieuze loods wel zou toegelaten worden zo deze verder verwijderd zou zijn van de rechter perceelsgrens; Dat daarbij volledig voorbijgegaan wordt aan de schriftelijke verdediging van verzoeker, namelijk dat uit het dossier blijkt dat de inplanting van de reeds bestaande gebouwen, ook deze die stedebouwkundig in orde zijn, eveneens zo kort op de perceelsgrens gelegen zijn; Dat, zo verzoeker meer verwijderd van de rechtergrens zou gebouwd hebben, onmiddellijk problemen te verwachten zijn van de gemachtigde ambtenaar die stelt dat het gebouw onmogelijk op het perceel kan worden ingeplant; Dat in voorkomend geval de goede ruimtelijke ordening door de verspringing van de bebouwde ruimte pas werkelijk in het gedrang zou komen; Dat de bestreden beslissing hierop niet ingaat; Dat, aangaande de tweede bestreden overweging, de Minister voorbij gaat aan de werkelijke aard van het advies van de betrokken administratie; Dat als volgt werd geadviseerd: ‘(...)uit het oogpunt van een goede landinrichting is de uitbreiding van dit bestaand landbouwbedrijf naar meer volwaardigheid verantwoord.’; Dat zodoende in het advies de totale configuratie wel benaderd werd vanuit de visie van een goede ruimtelijke ordening, terwijl de Minister ongemotiveerd tot het tegenovergestelde besluit; Dat de Minister besluit tot de stedebouwkundige onaanvaardbaarheid van het bouwwerk omwille van de praktische hinder voor de aangelanden; Dat uit de stukken van verzoeker evenwel blijkt dat de aangelanden zich schriftelijk akkoord verklaren met de huidige inplanting; Dat in het dossier zich twee bezwaren bevinden die niet van stedebouw- kundige aard zijn; Dat zodoende de enige persoon die stedebouwkundige bezwaren maakt de Minister is, daarin zijn ambtenaar volgende, en niet de aangelanden zoals gesteld in de motivering; X-9876-4/16 Dat de Minister daarenboven het akkoord van de aangelanden van tafel schuift omwille van het algemeen stedebouwkundige belang, en verderop in de motivering aanhaalt dat de inwilliging van het beroep ingegeven is door de stedebouwkundige bezwaren van de omwonenden; Dat de Bestendige Deputatie na grondig onderzoek besloten heeft tot de wettigheid van het beroep van verzoeker; Dat de Minister dit teniet doet, zonder de onwettigheid aan te tonen en zonder de provincie te wijzen op haar eventuele vergissing; Dat verder de Minister in zijn motivering niet aangeeft waarom eenzelfde dossier aangaande eenzelfde gebouw half vergund wordt en half onvergund, al naargelang de gemeentegrens, terwijl zulks aangehaald werd in de schriftelijke verdediging van verzoeker en in de vernietigde provinciale beslissing; Dat de bestreden beslissing bijgevolg duidelijk met ernstige motiveringsgebreken behept is, met name tegenstrijdigheden, onduidelijkheden en niet-antwoorden op schriftelijke bezwaren vanwege verzoeker, zodat de vernietiging ervan zich opdringt”. 2.1.1.
- De verwerende partij repliceert hierop wat volgt: “Middel 1 : In haar eerste middel stelt de verzoekende partij een schending van art. 97 van de Grondwet en de wet van 29 juli 1991, bedoeld wordt een schending van de motiveringsplicht, waarbij er volgens verzoekende partij tegenstrijdigheid zou zijn tussen de bestreden beslissing enerzijds en het advies van de gemachtigde ambtenaar anderzijds naar welk advies in de bestreden beslissing wordt verwezen. Voor zover het middel ontvankelijk zou zijn gelet op de onduidelijke formuleringen ervan, zodat de rechten van de verdediging van verwerende partij geschonden zijn, dient het als ongegrond te worden verklaard. Van enige tegenstrijdigheid in het advies van de gemachtigde ambtenaar enerzijds en de bestreden beslissing anderzijds is er geen sprake. Uiteraard mag en moet de beslissende overheid zich steunende op haar eigen overwegingen een eigen beslissing vormen. De gemachtigde ambtenaar was van oordeel ongunstig te moeten adviseren om de hoger aangehaalde redenen. Ook de beslissende overheid heeft deze overweging tot de hare gemaakt en uitdrukkelijk gespecifiëerd om welke redenen zij het beroep van de gemachtigde ambtenaar inwilligde. Over het akkoord van de nabije bewoners heeft de beslissende overheid terecht geoordeeld dat dit akkoord niet vermag een uit ordenend oogpunt onaanvaardbare inplantingstoestand te regulariseren. De overwegingen van de verzoekende partij, dat de beslissende overheid de beslissing van de Bestendige Deputatie niet op haar onwettigheid zou hebben getoetst en de provincie er niet zou hebben op gewezen is irrelevant. Het is aan de beslissende overheid binnen de beroepsprocedure een besluit te vormen over de aangevraagde vergunning rekening houdende met de wettelijke voorschriften en in concreto nagaande of de aangevraagde vergunning de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang brengt. Uiteraard is de beslissende overheid daarbij ook niet gebonden door wat in een andere gemeente m.b.t. een andere aanvraag over hetzelfde perceel zou zijn beslist, zoals verzoekende partij ten onrechte voorhoudt. De beslissing bevat alsdan geen tegenstrijdigheden, geen onduidelijkheden en antwoord voldoende en afdoende op de bezwaren van de partij zodat het eerste middel moet worden ongegrond verklaard. Overigens vermeldt verzoekende partij ten onrechte een schending van art. 97 van de grondwet”. X-9876-5/16 2.1.1.
- De verzoeker dupliceert daarop het volgende: “l. Motiveringsgebreken Aangezien de verzoeker aanhaalt dat bestreden beslissing art. 97 G.W. en de Wet van 29 juli 1991 schendt; Dat ter staving een aantal voorbeelden aangehaald worden van tegenstrijdige of onvolledige motieven; Dat de verweerster van oordeel is dat het middel ongegrond is omwille van zijn onduidelijkheid, waardoor haar rechten van verdediging geschonden worden; Dat verzoeker niet aan de basis ligt van deze onduidelijkheden, doch wel de administratie; Dat diezelfde administratie nu haar eigen onduidelijkheden inroept om te zeggen dat zij zich niet naar behoren kan verdedigen; Dat de administratie zich in feite daardoor aansluit bij dit middel van het annulatieverzoek, dat juist gegrond is op die onduidelijkheden (motiverings- gebreken); Dat verzoeker verder de opmerking van de administratie onderschrijft, waarbij deze stelt niet gebonden te zijn door een eerdere of een lagere Beslissing; Dat dit evenwel niet inhoudt dat de administratie zou ontslagen zijn van haar verplichting te motiveren waarom nu anders beslist zou moeten worden dan eerder in eenzelfde geval (cfr. gelijkheidsbeginsel & redelijkheidsbeginsel)”. In haar laatste memorie voegt zij hieraan nog het volgende toe: “Aangezien de bestreden beslissing artikel 55 §3 Gecoörd. Decr. VI. Parl. 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening en de Wet Motivering Bestuurshandelingen schendt; Dat beslissingen over bouwaanvragen als bestuurshandelingen onderworpen zijn aan de Wet Motivering Bestuurshandelingen, daar de voormelde specifieke wet op de ruimtelijke ordening geen strengere verplichtingen inhoudt dan de Wet Motivering Bestuurshandelingen (...); Dat de Minister in zijn advies volledig voorbijgaat aan de schriftelijke verdediging van verzoeker en aan de werkelijke aard van het advies van de betrokken administratie; Dat de beslissingen van de Minister met redenen omkleed moeten zijn; Dat zij pas dan naar de eis van de wet gemotiveerd zijn wanneer zij de met een degelijke ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeven welke de Minister ertoe hebben aangezet anders over de bouwaanvraag te beslissen dan de overheid het heeft gedaan die het beroepen besluit nam; Dat dit in casu niet het geval is, daar de Minister geen afdoende motivering geeft voor de afwijkingen van het advies en de beslissing van de Bestendige Deputatie; Dat indien het advies niet gevolgd wordt of tegenstrijdigheden aanwezig zijn, een loutere verwijzing naar het advies geen uitdrukkelijke motivering uitmaakt, maar dat uit de bestuurshandeling duidelijk de redenen moeten blijken waarom het advies niet gevolgd werd; Dat de Minister zijn advies aldus niet grondig motiveert, zodat de bestreden beslissing met ernstige motiveringsgebreken behept is, met name tegenstrijdig- heden, onduidelijkheden en niet-antwoorden op schriftelijke bezwaren vanwege verzoeker, zodat de vernietiging ervan zich opdringt”. X-9876-6/16 2.1.
- Beoordeling 2.1.2.
- Wanneer de Vlaamse regering in beroep uitspraak doet over een bouwaanvraag, treedt zij op als orgaan van actief bestuur en niet als rechter. De ingeroepen grondwetsbepaling is niet van toepassing. 2.1.2.
- Artikel 6 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat deze wet “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen dan die bepaald in de voorgaande artikelen”. Artikel 55, §3 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna : stedenbouwwet), zoals het gold op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, legt aan de deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting op die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Derhalve vallen deze beslissingen niet onder de toepassing van laatstgenoemde wet. Uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 55, §3 van de stedenbouwwet. 2.1.2.
- Wanneer de deputatie en de Vlaamse regering op grond van artikel 55, §3 van de stedenbouwwet in beroep uitspraak doen over een bouw- of verkavelingsaanvraag, treden zij, zoals hoger reeds vermeld, niet op als administratief rechtscollege maar als orgaan van actief bestuur. Hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de hun opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe gehouden zijn al de in het beroep aangevoerde middelen of argumenten rechtstreeks en punt na punt te beantwoorden. Het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeven door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen, deze is verantwoord. Bij zijn beoordeling van de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de bevoegde X-9876-7/16 administratieve overheid. Hij is wel bevoegd om in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht na te gaan of de bevoegde overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of die overheid die gegevens correct heeft beoordeeld en of deze op grond daarvan in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. 2.1.2.
- Het bestreden besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Aarschot-Diest, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 november 1978, vooraan gelegen is in een 50 m-diep woongebied met landelijk karakter en verder in het achterliggend agrarisch gebied; dat in laatstvermeld gebied, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen bestemd is voor de landbouw in de ruime zin en behoudens bijzonder bepalingen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen alsmede de woning van de exploitanten mag bevatten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt en ook de para-agrarische bedrijven; Overwegende dat het ontwerp de regularisatie voorstelt van een constructie met een lengte van 68,2 m, bij een breedte van 10,7 m, eenzijdig open en voorzien van een lessenaarsdak; dat over een diepte van 24 m vooraan het bouwwerk is ingericht als rundveeboxen en verder gebruikt wordt als machineloods; dat het geheel zich op 0,5 m van de zuidwestelijke perceelsgrens en op circa 38 m van de Meenselstraat situeert; Overwegende dat het terrein vooraan bezet is met een woning en bedrijfs- gebouwen; dat op de rechtsliggende percelen residentiële woningen voorkomen; dat, ongeacht de ligging in een woongebied of agrarisch gebied, voor de landbouwbedrijfsgebouwen eveneens en integraal de ordeningsopties gelden die een goede aanleg ten aanzien van de omliggende eigendommen moeten waarborgen; Overwegende dat de inplanting van een constructie met dergelijke afmetingen op 0,5 m van de laterale perceelsgrens een sterk bezwarende ruimtelijke weerslag heeft op een goede plaatselijke aanleg en het aspect van de openheid van bebouwing verlegt naar andermans eigendom; dat enig schriftelijk akkoord van de aangelanden niet vermag een uit ordenend oogpunt onaanvaardbare inplantingstoestand te regulariseren; dat het terrein voldoende groot is om op een meer verantwoorde wijze en zonder hinder voor de omliggenden bedoelde stalling/loods in te planten; Overwegende dat de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, Afdeling Landinrichting en -beheer op 9 mei 1994 over de aanvraag een gunstig advies heeft uitgebracht, weliswaar zonder de totale configuratie te benaderen vanuit de visie van een goede ruimtelijke ordening; dat het op grond van een efficiënte bedrijfsinrichting geen twijfel lijdt dat de uitbreiding verantwoord is, doch het geheel wegens de grote potentiële praktische hinder op die plaats voor de aangelanden uit ruimtelijk ordenend oogpunt niet aanvaardbaar is; dat de beslissing van de bestendige deputatie het algemeen belang schaadt en in strijd is met een degelijk bestuur inzake ruimtelijke ordening en stedebouw; dat bijgevolg het beroep van de gemachtigde ambtenaar dient ingewilligd”. X-9876-8/16 2.1.2.
- Het determinerend motief van de bestreden beslissing is de inplanting van de constructie met een lengte van 68,2m bij 10,7m op 0,5m van de rechter perceelgrens hetgeen onverenigbaar geacht wordt met de goede plaatselijke aanleg omwille van de grote potentiële praktische hinder op die plaats voor de aangelanden. 2.1.2.
- In zoverre het bestreden besluit stelt “dat het op grond van een efficiënte bedrijfsinrichting geen twijfel lijdt dat de uitbreiding verantwoord is, doch het geheel wegens de grote potentiële praktische hinder op die plaats voor de aangelanden uit ruimtelijk ordenend oogpunt niet aanvaardbaar is”, wordt in het bestreden besluit wel degelijk gemotiveerd waarom het afwijkt van het gunstig advies van AMINAL, Afdeling Landinrichting en - beheer. 2.1.2.
- Het bestreden besluit bepaalt terecht dat “enig schriftelijk akkoord van de aangelanden niet vermag een uit ordenend oogpunt onaanvaardbare inplantingstoestand te regulariseren”. Voorts wordt nergens in de bestreden beslissing gesteld dat de inwilliging van het beroep is ingegeven door de bezwaren van de omwonenden. De vraag of deze bezwaren al dan niet van stedenbouwkundige aard zijn, is niet dienend. 2.1.2.
- De verzoeker argumenteert verder dat de minister de onwettigheid van de beslissing van de deputatie niet aantoont. De minister toetst evenwel, gelet op de devolutieve kracht van het administratief beroep, de bouwaanvraag opnieuw op de wettigheid en de opportuniteit ervan, middels een eigen onderzoek. De motiveringsplicht vereist enkel dat de minister duidelijk de met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen opgeeft die zijn beslissing schragen. 2.1.2.
- Tot slot voert de verzoeker aan dat de minister in zijn motivering niet aangeeft waarom eenzelfde dossier aangaande eenzelfde gebouw half vergund wordt en half onvergund, al naargelang de gemeentegrens. De beide bouwaanvragen hebben evenwel geen betrekking op hetzelfde gebouw. De bouwvergunning verleend door de gemeente Bekkevoort betreft een kweekvarkensstal die zich bevindt op andere percelen. De thans aangevochten weigeringsbeslissing heeft betrekking op een loods en veestal gelegen op het gebied van de gemeente Tielt-Winge. Het feit dat beide constructies deel uitmaken van hetzelfde gebouwencomplex impliceert niet dat de minister de X-9876-9/16 beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bekkevoort over de andere bouwaanvraag in zijn motivering diende te betrekken. 2.1.2.
- Het middel is niet gegrond. 2.
- Tweede middel 2.2.
- Standpunt van de partijen 2.2.1.
- In zijn verzoekschrift zet de verzoeker het tweede middel als volgt uiteen: “
- Machtsoverschrijding Aangezien een administratieve rechtshandeling die op dwaling berust, door machtsoverschrijding aangetast is; Dat de bestreden motiveringen zodoende niet enkel door motiverings- gebreken, doch ook door feitelijke dwaling aangetast zijn; Dat de Minister zonder nader onderzoek besluit tot de mogelijkheid van inplanting elders op het betrokken perceel, terwijl in het ganse dossier hiervan geen sprake is; Dat de Minister een verkeerde draagwijdte toedicht aan het advies van de administratie, terwijl de wetgever dit stedebouwkundige advies specifiek voorzien heeft in geval van inplanting van een gebouw in een agrarisch gebied; Dat de Minister uitgaat van stedebouwkundige bezwaren van de omwonenden, terwijl deze hun uitdrukkelijk akkoord gaven, dan wel opmerkingen van andere aard opgaven; Dat nergens onderzocht wordt waarom de helft van hetzelfde dossier in de ene gemeente gunstig en in de andere ongunstig geadviseerd wordt door (...) dezelfde gemachtigde ambtenaar”. 2.2.1.
- De verwerende partij antwoordt hierop wat volgt: “Middel 2 : In haar tweede middel stelt verzoekende partij dat de bestreden beslissing een feitelijke dwaling zou bevatten. Uit geen enkel van de overwegingen van de bestreden beslissing noch uit het administratief dossier blijkt dat de overheid omtrent de feiten enige dwaling zou hebben gekend. De door verzoekende partijen aangehaalde dwaling omtrent de mogelijke inplanting van het gebouw op het perceel is niet te weerhouden. De beslissende overheid heeft zeer afdoende overwogen waarom volgens haar de gebouwen niet konden ingeplant worden op die plaats waarvoor een vergunning werd aangevraagd. Voor het overige is het middel, zoals uiteengezet, een herhaling van het eerste middel en verwijst verwerende partij dan ook naar wat daarover werd geargumenteerd. Het tweede middel is dan ook ongegrond”. 2.2.1.
- De verzoeker repliceert daarop het volgende: X-9876-10/16 “
- Machtsoverschrijding Aangezien een administratieve rechtshandeling die op dwaling berust, door machtsoverschrijding aangetast is; Dat de verweerster dit middel afwijst omdat nergens enige feitelijke onjuistheid vastgesteld zou kunnen worden; Dat verzoeker zich daarbij afvraagt waarom de gemachtigde ambtenaar in de loop van de procedure, en zonder wijziging van de zogezegd duidelijke en vaststaande feitelijke gegevens van het geval, het geweer van schouder veranderde en geen afbraak meer eiste (...)?”. In haar laatste memorie voegt de verzoeker het volgende toe: “Aangezien een administratieve rechtshandeling die op dwaling berust, door machtsoverschrijding aangetast is; Dat de verzoeker aanvullend wenst aan te stippen dat de gemachtigde ambtenaar in de loop van de procedure, en zonder wijziging van de zogezegd duidelijke en vaststaande feitelijke gegevens van het geval, het geweer van schouder veranderde en geen afbraak meer eiste, doch akkoord kon gaan met de betaling van een meerwaarde, hetgeen wijst op twijfels in hoofde van de betrokken bevoegde administratie”. Met betrekking tot het advies van de gemachtigde ambtenaar voert de verzoeker in de laatste memorie nog het volgende aan: “Er blijft evenwel een probleem inzake het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, die volgende overwegingen naar voren bracht: Het terrein ligt volgens het gewestplan Aarschot-Diest deels in het landelijk woongebied en deels in het agrarisch gebied. Het ontwerp voorziet het oprichten van een loods en veestal tot in de perceelsgrens bij een gemengd varkens- en rundveeteeltbedrijf. De administratie milieu, natuur- en landinrichting bracht een gunstig advies uit. Het ontwerp brengt door zijn bestemming en vormgeving de goede ruimtelijke ordening van het omliggende landelijk woongebied in het gedrang door de inplanting te voorzien tot in de rechter perceelsgrens: door een te groot bouwprogramma ongeveer 60 m diepte t.o.v. de perceelsbreedte ongeveer 20 à 24 m en door het ontbreken van een groenscherm en gelet op de bezwaren van de omwonenden. Het probleem situeert zich in de zin: ‘Door een te groot bouwprogramma ongeveer 60 m diepte t.o.v. de perceelsbreedte ongeveer 20 à 24 m’. In werkelijkheid gaat het om een perceelsbreedte van meer dan 100 m, die echter deels op het grondgebied Meensel-Kiezegem ligt en deels op het grondgebied Molenbeek-Wersbeek, waar de gemachtigde ambtenaar echter geen rekening mee heeft gehouden. De gemachtigde ambtenaar heeft zich enkel gebaseerd op de perceelsbreedte op het grondgebied Tielt-Winge, wat ongeveer 20 à 24 m bedraagt, doch hij heeft geen rekening gehouden met de perceelsbreedte van ongeveer 80 m op het grondgebied Molenbeek-Wersbeek. Het advies van de gemachtigde ambtenaar is onderworpen aan de Wet Motivering Bestuurshandelingen, zodat het advies formeel moet worden gemotiveerd (...)”. X-9876-11/16 2.2.1.
- De verwerende partij antwoordt in de laatste memorie wat volgt: “Voor zover verzoekende partij in de laatste memorie gewag maakt van de houding van de gemachtigde ambtenaar m.b.t. herstelmaatregel ten aanzien van illegaal opgerichte gebouwen, moet onmiddellijk worden opgemerkt dat het middel onontvankelijk is omdat het een nieuw middel is. Daarenboven is het ongegrond omdat het geen betrekking heeft op de legaliteit van de bestreden beslissing. In zoverre aldus machtsoverschrijding op die basis wordt voorgehouden door de verzoekende partij, is ook het tweede middel ongegrond”. 2.2.
- Beoordeling 2.2.2.
- Het tweede middel is hoofdzakelijk een herhaling van het eerste middel. Uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk en afdoende werd gemotiveerd. De verzoeker brengt in het middel geen elementen aan die deze conclusie teniet doen. 2.2.2.
- De tussengekomen herstelvordering staat los van de beoordeling van de bouwaanvraag. 2.2.2.
- Het middel bevat geen argument waaruit zou kunnen blijken waarom de adviezen van de gemachtigde ambtenaar over twee bouwaanvragen met een verschillend voorwerp en betrekking hebbend op verschillende percelen, inhoudelijk niet zouden mogen verschillen. De desbetreffende argumentatie die voor het eerst in de laatste memorie wordt ontwikkeld, is laattijdig en derhalve niet ontvankelijk. 2.2.2.
- Het middel is niet gegrond. 2.
- Derde middel 2.3.
- Standpunt van de partijen 2.3.1.
- De verzoeker zet het derde middel in zijn verzoekschrift als volgt uiteen: “
- Strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel Aangezien aangaande eenzelfde dossier van eenzelfde eigenaar van eenzelfde loods op eenzelfde plaats in de ene gemeente wel een vergunning afgeleverd wordt, terwijl in de andere gemeente dit niet het geval is; Dat zulks een specifieke motivering vereist; X-9876-12/16 Dat in casu zo’n geldige specifieke motivering een onmogelijk krachttoer is, nu het materieel gewoon onmogelijk is een half gebouw staande te houden; Dat de administratie zich dan ook niet de moeite getroost heeft om daaraan te beginnen; Dat het loutere feit van de gemeentegrens die door het gebouw loopt, geen voldoende onderscheidingsbasis is; Dat zelfs deze onderscheiding niet aangehaald wordt, zodat de tussen- gekomen beslissing evident dient vernietigd te worden”. 2.3.1.
- De verwerende partij antwoordt hierop wat volgt: “Middel 3 : In haar derde middel stelt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing een schending zou inhouden met het gelijkheidsbeginsel, doordat volgens haar voor dezelfde loods op dezelfde plaats een vergunning zou zijn afgeleverd in een andere gemeente, terwijl in huidig geval dit niet het geval is. Verzoekende partij blijft in gebreke aan te tonen in welke mate wie zich in een gelijke situatie zou bevinden ongelijk zou worden behandeld en wie in ongelijke situatie zich bevindend gelijk zou worden behandeld door de bestreden beslissing. Het feit dat voor een andere bouwaanvraag m.b.t. hetzelfde perceel een andere gemeente een vergunning zou hebben toegekend, doet uiteraard geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de bestreden beslissing. De redenering van verzoekende partijen volgende, zou dit inhouden dat de beslissing m.b.t. de bouwvergunning in de gemeente BEKKEVOORT de beslissende overheid m.b.t. de thans gevraagde en voorliggende bouw- vergunning zou binden, hetgeen niet het geval is. De redenering van verzoekende partij alsof de huidige beslissing de bestreden beslissing het materieel onmogelijk maakt een half gebouw staande te houden is evenmin te weerhouden. Het staande houden van het gebouw, al dan niet volledig is het gevolg van het illegaal handelen van verzoekende partij of zijn rechtsvoorganger. Het gevolg dat verzoekende partij voorhoudt is geenszins het gevolg van de bestreden beslissing. Wanneer het zo is dat de verzoekende partij een bouwvergunning diende aan te vragen in beide gemeente(n), diende zij uiteraard rekening te houden met een eventuele vergunning m.b.t. de beide aanvragen. Het derde middel is dan ook ongegrond”. 2.3.1.
- De verzoeker repliceert het volgende: “
- Strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel Aangezien aangaande eenzelfde dossier van eenzelfde eigenaar van eenzelfde loods op eenzelfde perceel in de ene gemeente wel een vergunning afgeleverd wordt, terwijl in de andere gemeente dit niet het geval is; Dat de verweerder stelt dat verzoeker de gelijkaardige situatie van beide gevallen onvoldoende aantoont; Dat de gemeentegrens tussen Bekkevoort en Tielt-Winge evenwel door het erf van verzoeker loopt, reden waarom in beide gemeenten eenzelfde bouwdossier op hetzelfde ogenblik ingediend werd; Dat het ene dossier wel en het andere niet vergund werd; Dat zulks effenaf onmogelijk is; Dat de Minister hieraan totaal voorbijgegaan is; X-9876-13/16 Dat de schending van het gelijkheidsbeginsel duidelijk aangetoond is; Dat ondergeschikt dienaangaande desnoods maar een prejudiciële vraag moet gesteld worden”. Hij voegt in de laatste memorie hieraan nog het volgende toe: “(...) Dat de schending van het gelijkheidsbeginsel duidelijk aangetoond is, nu uit de feitelijke uiteenzetting blijkt dat de gemachtigde ambtenaar in zijn advies wel degelijk diende rekening te houden met het andere dossier, al ware het maar dat de eigenlijke perceelsbreedte en de draagkracht van de betrokken terreinen veel groter en ruimer zouden blijken dan zoals geadviseerd”. 2.3.1.
- De verwerende partij antwoordt in de laatste memorie wat volgt: “In een derde middel stelt verzoekende partij nog steeds dat het gelijkheids- beginsel zou geschonden zijn waarbij zij ten onrechte van oordeel is dat de huidige bestreden beslissing diende rekening te houden met een andere aanvraag voor een ander gebouw in een andere gemeente maar wel op hetzelfde perceel. In het advies van het Auditoraat is uitdrukkelijk gemotiveerd dat dit middel ongegrond is en verwerende partij sluit zich aan bij dit advies van het Auditoraat, overigens in zijn geheel, waarbij besloten wordt tot de verwerping van het verzoek tot nietigverklaring”. 2.3.
- Beoordeling 2.3.2.
- Vooreerst valt niet in te zien hoe het gelijkheidsbeginsel kan betrokken worden op beslissingen getroffen t.a.v. hetzelfde rechtssubject. 2.3.2.
- Het gelijkheidsbeginsel kan bovendien slechts geschonden zijn indien onder meer wordt aangetoond dat gelijke gevallen ongelijk werden behandeld. De bouwaanvragen ingediend bij de gemeenten Bekkevoort en Tielt-Winge betreffen niet dezelfde gebouwen. Ze vertonen verschillen wat betreft inplanting, afmeting en aangelanden. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de geweigerde veestal en loods en de kweekvarkensstal noch in rechte noch in feite vergelijkbaar zijn. De argumentatie die voor het eerst in de laatste memorie wordt ontwikkeld is laattijdig en derhalve niet ontvankelijk. X-9876-14/16 2.3.2.
- In de memorie van wederantwoord vraagt de verzoeker in ondergeschikte orde “desnoods maar een prejudiciële vraag (te stellen)”. Overeenkomstig artikel 26, §2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, thans het Grondwettelijk Hof, is de Raad van State verplicht het Grondwettelijk Hof te verzoeken uitspraak te doen over een prejudiciële vraag wanneer een dergelijke vraag wordt opgeworpen, tenzij wanneer de vordering niet ontvankelijk is om procedureredenen ontleend aan normen die zelf niet het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. De verzoekende partij laat het aan de Raad van State over om uit te maken of er “desnoods” een prejudiciële vraag dient gesteld te worden aan het Grondwettelijk Hof en laat na om de prejudiciële vraag te formuleren. De Raad van State ziet geen enkele reden tot het stellen van een dergelijke vraag. 2.3.2.
- Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-9876-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-9876-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.977 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div