id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.030 Rolnummer: A. 98470/X-9958 Zaak: Arrest 184030 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-04 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 08:11 Fiche Arrest nr 184.030 van 10 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.030 van 10 juni 2008 in de zaak A. 98.470/X-
- In zake : de n.v. SCHERRENS-CORTHALS, Rechtsgeding hervat door : de b.v.b.a. DE HOOGHE DIJCKEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. ROSELETH, kantoor houdende te 1081 KOEKELBERG, Jules Besmestraat 124 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij : de gemeente JABBEKE, die woonplaats kiest bij advocaat P. VIANE, kantoor houdende te 8490 VARSENARE, Gistelsteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SCHERRENS-CORTHALS op 18 december 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 oktober 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende inwilliging van het administratief beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke tegen de beslissing van 26 augustus 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen, waarbij haar de vergunning werd verleend voor het bouwen van twee schapenstallen en een schuilhok voor herten aan de Gistelsteenweg te Jabbeke, kadastraal bekend sectie C, nrs. 248/e en 246/z; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 13 maart 2001 ingediend door de gemeente JABBEKE; X-9958-1/7 Gelet op de beschikking van 18 april 2001 die de tussenkomst van de gemeente JABBEKE toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 15 december 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 6 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 maart 2008, datum waarop de zaak in voortzetting wordt uitgesteld tot de terechtzitting van 16 mei 2008; Gezien het ter terechtzitting van 21 maart 2008 neergelegd verzoek tot gedinghervatting vanwege de b.v.b.a. DE HOOGHE DIJCKEN; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MACALUSO, die loco advocaat J. ROSELETH verschijnt voor de gedinghervattende partij, van advocaat C. ROMMELAERE, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat A. BEELEN, die loco advocaat P. VIANE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-9958-2/7 OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De rechtspleging De b.v.b.a. DE HOOGHE DIJCKEN toont als rechtsopvolger van de oorspronkelijke verzoekende partij en als huidige eigenares van het onroerend goed dat het voorwerp is van de thans bestreden beslissing, aan dat er grond bestaat tot hervatting van het rechtsgeding.
- De feiten 2.
- De verzoekende partij dient in “februari 1999” een bouwaanvraag in om op het terrein te Jabbeke aan de Gistelsteenweg 27, twee schapenhokken en een schuilhok voor edelherten op te richten. 2.
- Met een besluit van 6 mei 1999 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke de gevraagde vergunning. 2.
- Op 26 juni 1999 tekent de verzoekende partij tegen deze weigeringsbeslissing administratief beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. Bij besluit van 26 augustus 1999 willigt het provinciebestuur dit beroep in en verleent het de gevraagde vergunning. 2.
- Met een aangetekende brief van 15 september 1999 dient het gemeentebestuur van Jabbeke tegen deze beslissing beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. Dezelfde dag wordt door het college aan de verzoekende partij een aangetekende brief gericht waarin wordt meegedeeld dat beslist werd om beroep in te stellen met opgave van de beroepsmotieven. 2.
- Op de hoorzitting, georganiseerd op 27 oktober 1999, werpt de verzoekende partij onder meer de onontvankelijkheid van het beroep van de gemeente op. 2.
- Bij besluit van 9 oktober 2000 willigt de minister het door het college van burgemeester en schepenen ingestelde administratief beroep in. X-9958-3/7
- De gegrondheid 3.1.
- Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 53, § 2 van het decreet bereffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna Coördinatiedecreet) en van het gelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij betoogt dat de voormelde decretale bepaling aan het college van burgemeester en schepenen de verplichting oplegt “het beroepschrift zelf, d.i. de integrale tekst van het aangetekend schrijven met al zijn bijlagen, ter kennis te brengen van de aanvrager” en dat “de gelijktijdige integrale mededeling van het beroepschrift met al zijn bijlagen aan de aanvrager (...) een op straffe van onontvankelijkheid substantiële vormvereiste (is), voorgeschreven met het oog op een objectieve rechtsbedeling waarbij de aanvrager op gelijke voet wordt gesteld met de Minister”. Voorts betoogt zij dat het op 15 september 1999 gedateerd schrijven daags nadien aan de verzoekende partij werd verzonden met de enkele vermelding dat “‘het College op 09.09.1999 beslist had om beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de bestendige deputatie omwille van de hierna vermelde redenen (...)’, zonder meer” en met name zonder de toevoeging van een “integraal afschrift van de beroepsakte zelf” en van geen enkel andere bijlage terwijl “vaststaat dat door de gemeente Jabbeke op 15.09.1999 een volledig gemeentelijk dossier aan de heer Minister werd overgemaakt”. Zij stelt nog dat het vaststaat dat “geen gelijktijdige verzending is geschied van enerzijds het beroep (...) en anderzijds de brief aan verzoekster (...)”. 3.1.
- De verwerende partij repliceert dat de gemeente “dezelfde brief, met telkenmale identiek dezelfde inhoud, -namelijk de beslissing beroep in te stellen en de motieven van deze beslissing-, verstuurde aan zowel (...) afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, (...) afdeling Rohm West Vlaanderen, de Gouverneur (...) en aan de nv Scherrens-Corthals”, uit de voormelde decretale bepaling “niet blijkt dat de eigenlijke beroepsakte verplicht dient te worden meebetekend aan de vergunningsaanvrager op straffe van onontvankelijkheid van het beroep”, te dezen “het doel dat de wetgever vooropstelde (...) (werd) bereikt, met name de betrokkene een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van die beslissing opdat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die hem worden verschaft”, het ‘beroepschrift’ (...) geen bijlagen” bevatte, “evenmin een verplichting (bestaat) om alle administratieve stukken die de aanvraag betreffen en die aan de Vlaamse Minister worden meegedeeld, ook aan de vergunningsaanvrager mee te delen, wat wordt bevestigd in de omzendbrief RO 96/2 van 11 maart 1996”. X-9958-4/7 3.1.
- In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij “faalt in haar verweer nu dit ingaat tegen de constante rechtspraak desbetreffend”. 3.1.
- De tussenkomende partij argumenteert dat het beroepschrift van 15 september 1999 “gelijktijdig nl. op 16.09.99 (...) aan alle betrokkenen, dus ook de aanvrager, per aangetekende zending werd overgemaakt”, dat “daarbij enkel het gemeentelijk bouwdossier werd overgemaakt aan de Minister als bijlage en
(1)daarin geen enkel motief voor het beroep staat vermeld, alsook
(2)dat de aanvrager dit bouwdossier - door hem ingediend- kent”, dat de verzoekende partij “dan ook voldoende inzicht (had) in de motieven van vrijwillig tussenkomende partij dewelke zijn opgenomen in het beroepschrift” zodat de verzoekende partij “in staat (was) zich oordeelkundig te verweren in deze”. 3.2.
- Artikel 53, § 2, eerste lid van het Coördinatiedecreet, zoals dit van toepassing was op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, luidt als volgt: “Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college”. Deze decreetsbepaling schrijft voor dat het college van burgemeester en schepenen het beroep terzelfder tijd aan de aanvrager ter kennis brengt. Hiermee is bedoeld het beroep zelf, dit is de integrale tekst van het aangetekend schrijven met al zijn bijlagen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970 tot wijziging van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, die onder meer artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 grondig heeft gewijzigd -bepaling die nadien is opgenomen als artikel 53 in het Coördinatiedecreet- blijkt dat het verhoor van de aanvrager, van het college van burgemeester en schepenen en van de gemachtigde ambtenaar bedoeld is als een middel om in de twee trappen van beroep “de gelegenheid te geven tot een behandeling van de aanvraag op tegenspraak”, waarbij de genoemde partijen “op gelijke voet worden gesteld”. De gelijke behandeling van de partijen is een onmisbaar vereiste en dit betekent dat de X-9958-5/7 aanvrager moet beschikken over het beroepschrift en de stukken -zonder enig onderscheid- waarover de minister beschikt. 3.2.
- Het college van burgemeester en schepenen heeft met een ter post aangetekende brief van 15 september 1999 beroep aangetekend bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening tegen de beslissing van 26 augustus 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij verzoeksters beroep werd ingewilligd, met vermelding van de redenen van het beroep, en de mededeling dat “het volledig gemeentelijk bouwdossier” wordt gevoegd bij dat schrijven. Het college deelt met een ter post aangetekende brief van dezelfde datum aan de verzoekende partij mee dat het beslist heeft beroep aan te tekenen tegen de voormelde beslissing van 26 augustus 1999 met vermelding van de redenen van het beroep. Aldus werd aan de aanvrager geen “kopie” van de brief aan de minister die het beroep bevat, gezonden. De wijze waarop het college van burgemeester en schepenen het beroep aan de verzoekende partij ter kennis heeft gebracht laat haar alleszins in het ongewisse over de datum waarop en de instantie waarbij het beroep is ingesteld en of de redenen waarop het beroep is gesteund overeenstemmen met de redenen die haar werden medegedeeld. Een substantiëel vormvoorschrift is geschonden. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 9 oktober 2000 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, houdende inwilliging van het administratief beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke tegen de beslissing van 26 augustus 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij aan de n.v. SCHERRENS-CORTHALS de vergunning werd verleend voor het bouwen van twee schapenstallen en een schuilhok voor herten aan de Gistelsteenweg te Jabbeke, kadastraal bekend sectie C, nrs. 248/e en 246/z. X-9958-6/7 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9958-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div