← België

Arrest 184042 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 10/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.042 Rolnummer: A. 188408/IX-5927 Zaak: Arrest 184042 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 10/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:11 Fiche Arrest nr 184.042 van 10 juni 2008 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.042 van 10 juni 2008 in de zaak A. 188.408/IX-

  1. In zake : Eddy SUYS, die woonplaats kiest bij advocaat P. DILLEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 475 bus 18 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale politie DGS/DSJ, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Eddy SUYS op 2 juni 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van : - de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 mei 2008 en 16 mei 2008 waarbij Daniël JAMERS aangesteld wordt in het hoger ambt van verbindingsofficier van de Belgische politiediensten te Rome, - de nota van 8 mei 2008 van de commissaris-generaal van de federale politie , - de weigering om verzoeker aan te stellen tot verbindingsofficier te Rome; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 juni 2008, om 9.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DILLEN die verschijnt voor de verzoeker en van adviseur K. PEETERS die verschijnt voor de verwerende partij; IX-5927-1/15 Gehoord het andersluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
  3. De feiten zijn uiteengezet in het arrest nr. 182.502 van 28 april
  4. Sindsdien is het dossier als volgt geëvolueerd: 1.
  5. Op 28 april 2008 schorst de Raad van State de beslissing van 12 maart 2008 van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij Daniël JAMERS in het kader van de mobiliteitsregeling met ingang van 1 mei 2008 aangesteld wordt als verbindingsofficier te Rome (LOBEIT) voor een periode van zes jaar. 1.
  6. Op 30 april 2008 wordt aan verzoeker in Italië medegedeeld dat zijn opdracht vanaf 1 mei 2008 een einde neemt. 1.
  7. Eveneens op 30 april 2008 worden de personeelsleden -tien- die kandidaat waren in de mobiliteitsprocedure aangeschreven om, rekening houdend met het schorsingsarrest van 28 april 2008, aan het bestuur vóór 5 mei 2008 mede te delen “of zij kandidaat zijn om als LOBEIT ad interim te worden aangewezen”. Verzoeker antwoordt op 5 mei 2008 bevestigend op die vraag. Nog zeven anderen zouden interesse betoond hebben. 1.
  8. Op 8 mei 2008 geeft de commissaris-generaal een advies aan de minister van Binnenlandse Zaken over de “uitoefening van een hoger ambt” bij de federale politie. Het advies bevat volgende “beknopte analyse”: “
  9. BEKNOPTE ANALYSE 4.
  10. De tenuitvoerlegging van het besluit van 12 maart 2008 van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij de heer Daniël JAMERS werd aangewezen als verbindingsofficier van de Belgische politiediensten te Rome (Italië) voor een periode van zes jaar vanaf 1 mei 2008 werd door de Raad van State bij arrest nr. 182.502 van 28 april 2008 bij uiterst dringende noodzakelijkheid geschorst. IX-5927-2/15 4.
  11. Met ingang van 1 mei 2008 werd een einde gesteld aan de uitoefening de facto door HCP Eddy SUYS van de opdracht van verbindingsofficier van de Belgische politiediensten te Rome; 4.
  12. Gelet op het feit dat een verbindingsofficier een faciliterende rol vervult op operationeel (bestuurlijk en gerechtelijk) vlak en hij/zij een doorslaggevende rol heeft bij het inwinnen en uitwisselen van informatie en het versnellen van de informatiedoorstroming in het raam van preventieve maatregelen, opsporings- en gerechtelijke onderzoeken, de uitvoering van wederzijdse rechtshulpverzoeken in strafzaken, het toezicht op de buitengrenzen van Lidstaten van de Europese Unie en incidenten die een invloed kunnen hebben op de bestuurlijke of gerechtelijke politie in België, is het noodzakelijk de continuïteit in deze dienstverlening en de goede werking van deze post in Rome te garanderen. 4.
  13. Dwingende redenen van omkadering nopen dan ook tot de aanstelling van een personeelslid in het in punt 4.
  14. bedoelde ambt. De kandidaten die deel hebben genomen aan de mobiliteitsprocedure waarin voormeld ambt vacant was verklaard, werden door CGI gepolst naar hun interesse om voormelde functie van verbindingsofficier in Rome ad interim uit te oefenen. Van de 8 begerigen acht ik commissaris eerste klasse Daniël JAMERS het meest geschikt om in deze onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien. De heer JAMERS heeft het immers als eerste verbindingsofficier in Italië (periode 1994-2000) waargemaakt in moeilijke startomstandigheden en beschikt over een geactualiseerde kennis van de politionele, gerechtelijke en administratieve organisatie, zowel nationaal als internationaal en heeft een goede theoretische en praktische kennis van de gerechtelijke, bestuurlijke en internationale politiesamenwerking. Hij heeft daarenboven een uitgebreide kennis van de taal, de politiek en de cultuur in de regio en heeft inzicht in de materies die in de politionele samenwerking met Italië belangrijk zijn. Hij beschikt bovendien over de nodige gedrevenheid, organisatorische talenten en zin voor initiatief. 4.
  15. Dat er daarenboven geen contra-indicaties van de gerechtelijke overheden zijn met betrekking tot de heer JAMERS, wat bij de heer SUYS wel het geval is. Gelet op het feit dat wat de kandidaat Eddy SUYS betreft, het college van Procureurs-generaal en de Federale Procureur een negatief advies hebben verleend op 29 maart 2007, dat dezelfde overheden in dat negatief advies hebben volhard op datum van 6 juli
  16. Dat gelet op het feit dat de Raad van State in het arrest nr. 157287 van 3 april 2006, duidelijk stelt dat de Minister van Buitenlandse Zaken ‘mettait également en évidence l’inadaptation du requérant au poste considéré’, dat in tegenstelling tot het toenmalig advies van het College van Procureurs-generaal, het college deze keer tot twee maal toe een negatief advies heeft verleend met betrekking tot de kandidatuur van de heer SUYS. Dat de overheid rekening moet houden met de gevolgen en de effecten van een vernietigingsarrest van de Raad van State. Dat de eventuele aanwijzing van de heer SUYS een nieuwe manifeste beoordelingsfout in de zin van voormeld arrest nr. 157287 van 3 april 2006 zou uitmaken.” De commissaris-generaal adviseert dan: “Gelet op het voorgaande, verleen ik dan ook een gunstig advies over de aanstelling van commissaris eerste klasse Daniël JAMERS in het hoger ambt IX-5927-3/15 van verbindingsofficier van de Belgische politiediensten in Rome (Italië) en dit vanaf 12 mei 2008.” 1.
  17. Op 12 mei 2008 stelt de minister van Binnenlandse Zaken D. JAMERS aan in het hoger ambt van verbindingsofficier van de Belgische politiediensten te Rome. Het besluit luidt: “UITOEFENING VAN EEN HOGER AMBT Verbindingsofficier van de Belgische politiediensten in Rome - ltalië Betreft: Commissaris eerste klasse Daniël JAMERS AKTE VAN AANSTELLING
  18. OMSCHRIJVING VAN DE VACANTE BETREKKING (art. VI.II.83, 1/, RPPol) Verbindingsofficier van de Belgische politiediensten in Rome - Italië, Hoofdcommissaris met opdracht in het buitenland bij de directie van de internationale politiesamenwerking.
  19. DWINGENDE REDEN VAN OMKADERING (artt. VI.II.78, eerste lid, en VI.II.83, 2/, RPPol) Gelet op de mobiliteitscyclus 2006/2 waarin de vacature van verbindingsof- ficier van de Belgische politiediensten te Rome werd bekendgemaakt en de schorsing door de Raad van State bij arrest nr. 182.502 van 28 april 2008 van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van 12 maart 2008 waarbij de heer Daniël JAMERS werd aangewezen als verbindingsofficier van de Belgische politiediensten te Rome voor een periode van zes jaar vanaf 1 mei 2008; Gelet op het uitzonderlijk belang om de continuïteit van de goede werking van deze post te garanderen, dient onmiddellijk een verbindingsofficier te worden aangewezen in afwachting dat die betrekking wordt begeven; Gelet op de beslissing van de commissaris-generaal om een einde te stellen aan de de facto toestand met betrekking tot kwestieus ambt en om, mede ingevolge voormeld arrest, te voorzien in een tijdelijke regeling conform het RPPol.
  20. VERANTWOORDING VAN DE KEUZE (art. VI.II.83, 3/, RPPol) Gelet op het gunstig advies van de commissaris-generaal van 8 mei 2008, waarvan ik de inhoud volledig bijtreed; Stel ik aan in het voormeld hoger ambt, Commissaris eerste klasse Daniël JAMERS. Die aanstelling heeft uitwerking met ingang van 12 mei 2008.” De ontvankelijkheid van de vordering
  21. Verzoeker vordert de schorsing van de sub 1.
  22. vermelde beslissing van de commissaris-generaal van 8 mei
  23. Terecht merkt de verwerende partij op dat het een niet-bindend advies aan de minister betreft, dat op IX-5927-4/15 zich geen wijzigingen aanbrengt in een rechtstoestand, zodat deze vordering niet ontvankelijk is ratione materiae.
  24. Verzoeker vordert de schorsing van een ministeriële beslissing van 16 mei
  25. Dergelijke beslissing blijkt evenwel niet te bestaan. Ter terechtzitting bevestigt de verwerende partij dat de verwijzing, in het bulletin van het personeel waarin de aanwijzing van JAMERS bekendgemaakt is, verkeerdelijk die datum vermeldt en dat ermee gedoeld wordt op het besluit van 12 mei
  26. Ook te dien aanzien is de vordering niet ontvankelijk.
  27. Verzoeker vordert de vernietiging van de in de aanstelling van D. JAMERS besloten beslissing om hem ad interim in de functie van verbindings- officier aan te wijzen. In acht genomen het wettelijk vereiste belang dat een verzoeker moet hebben bij een annulatieberoep, gaat de Raad van State met betrekking tot benoemingsbeslissingen slechts in op vorderingen om impliciete weigeringsbeslis- singen te vernietigen -en dus ook te schorsen- wanneer de verzoeker aantoont dat het bestuur een rechtsplicht heeft om hem te benoemen of aan te stellen. Verzoeker voert in zijn eerste middel aan dat volgens de regeling vervat in de artikelen VI.II.35 tot VI.II.38 RPPol hij tot verbindingsofficier moest aangewezen worden. De ontvankelijkheid van deze vordering hangt derhalve af van de uitspraak over dat middel. De voorwaarden voor de schorsing
  28. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerleg- ging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is.
  29. Wat betreft de eerste voorwaarde, voert verzoeker in het eerste middel aan dat hij volgens de mobiliteitsregeling vervat in artikel VI.II.35 tot VI.II.38 RPPol moest aangewezen worden tot verbindingsofficier. Hij stelt dat volgens die bepalingen de directeur-generaal van de federale politie de kandidaat IX-5927-5/15 voor de te begeven betrekking aanwijst, dat uit de bestreden aanstelling zelf blijkt dat er dringend een verbindingsofficier te Rome aangesteld moest worden en dat de mobiliteitsregeling “geen ruimte laat voor de aanwijzing van een andere dan de aan te wijzen persoon, in casu verzoeker”. Hij verwijst naar de overwegingen van het arrest nr. 182.502 van 28 april 2008 en betoogt dat het strijdig is “met de beginselen van behoorlijk bestuur en de interne coherentie en de motiveringsplicht” om te stellen dat er onmiddellijk een verbindingsofficier aangesteld moet worden maar dan toch hemzelf niet aan te stellen. Hij stelt ook nog dat, zo D. JAMERS wel ad interim aangesteld is, dit niet te rijmen valt met de mogelijkheid om iemand vast te benoemen en dat, in geval JAMERS nu reeds vast benoemd is, dit ingaat tegen de aangeduide rechtsgrond en tegen de verplichting om hem overeenkomstig artikel VI.II.38 RPPol aan te wijzen.
  30. De verwerende partij stelt dat de artikelen VI.II.35 tot VI.II.38 RPPol betrekking hebben op de mobiliteitsregeling en dat de betrekking van verbindingsofficier te Rome bij mobiliteit begeven werd. De desbetreffende aanstelling van D. JAMERS is door de Raad van State geschorst, maar de annulatieprocedure is nog hangend en derhalve kan op dit ogenblik geen toepassing meer gemaakt worden van de regeling inzake de mobiliteit. Er bestaat evenwel een noodzaak om spoedig iemand in de functie aan te wijzen. De schorsing van de aanstelling van D. JAMERS houdt niet in dat verzoeker moet aangesteld worden. Om aan de dwingende noodzaak tegemoet te komen, heeft de minister, gebruik makend van de regelgeving in verband met het begeven van een hoger ambt -de artikelen VI.II.77 tot VI.II.84 RPPol- D. JAMERS een tijdelijke aanstelling gegeven. Overeenkomstig artikel VI.II.80 RPPol wordt de uitoefening van een hoger ambt toevertrouwd aan het personeelslid dat het meest geschikt is om in de onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien en de minister heeft op dat vlak een discretionaire bevoegdheid. Aangezien D. JAMERS commissaris eerste klasse is en de functie van verbindingsofficier een functie is die bestemd is voor hoofdcommissarissen, zijn de voorwaarden om een hoger ambt toe te kennen vervuld en er is dienovereenkomstig gehandeld.
  31. Verzoeker is van oordeel dat de verwerende partij voor de aanstelling van een verbindingsofficier toepassing moest maken van het RPPol en dat zij verplicht was hem aan te stellen. Volgens hem is dat ook in het arrest nr. 182.502 tot uiting gebracht. IX-5927-6/15
  32. De stelling van verzoeker kan niet gevolgd worden. Enerzijds verplicht de regeling van de mobiliteit, zoals vervat in het RPPol, de directeur- generaal van het personeel niet absoluut om de beoordeling van de selectiecommis- sie -die overigens krachtens artikel VII.II.36 RPPol enkel een voorstel formuleert over de kandidaten die zij geschikt acht en welke niet- te volgen. De directeur- generaal moet, rekening houdend met het voorstel van de selectiecommissie, nagaan welke kandidaat over de beste titels en verdiensten beschikt en dus de meest geschikte kandidaat is. De discretionaire bevoegdheid waarover de directeur- generaal aldus beschikt, verhindert dat verzoeker op grond van zijn rangschikking als eerste door de selectiecommissie een recht kan doen gelden op de aanstelling. Anderzijds verwijst verzoeker naar het arrest nr. 182.502 van 28 april
  33. In dat arrest is gesteld dat de verwerende partij, bij de aanwijzing van D. JAMERS, de door het RPPol voorgeschreven procedure inzake de mobiliteit niet correct gevolgd heeft. Daaruit volgt zeker niet dat de verwerende partij verzoeker had moeten aanstellen.
  34. Daartegenover staat dat de verwerende partij de aanstelling van D. JAMERS nu plaatst in het kader van het zoeken naar een oplossing voor een probleem ontstaan door de schorsing door de Raad van State van de definitieve aanwijzing als verbindingsofficier van D. JAMERS vanaf 1 mei
  35. Zij plaatst zich op het standpunt dat de definitieve aanstelling -voor zes jaar- waartoe besloten is geen uitvoering kan krijgen en dat, gelet op de noodzaak om de functie te bezetten, een dringende oplossing gevonden moet worden voor dit tijdelijk probleem. In dat kader heeft zij, toepassing makend van de regeling inzake het begeven van een hoger ambt -regeling die volgens het RPPol per definitie tijdelijk is-, D. JAMERS aangesteld, omdat het de minister, die terzake over een discretionai- re bevoegdheid bezit, voorkwam dat hij de meest geschikte kandidaat was.
  36. De schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve beslissing door de Raad van State betekent niet dat de geschorste beslissing onmiddellijk en volledig uit het rechtsverkeer verdwijnt. Zij mag alleen geen uitwerking krijgen en moet voorlopig, met name totdat definitief over de wettigheid ervan gestatueerd is, voor niet bestaand gehouden worden. Het bestuur heeft geen rechtsplicht om op basis van een schorsingsarrest de geschorste beslissing in te trekken of onmiddellijk een nieuwe definitieve regeling uit te werken; het mag het eindarrest afwachten en daarna de nodige maatregelen van rechtsherstel nemen. Te dezen blijkt de verwerende partij na de ontvangst van het arrest nr. 182.502 de voortzetting van de procedure te hebben gevraagd. Zij legt zich niet neer bij het IX-5927-7/15 schorsingsarrest en blijft de rechtsgeldigheid van het besluit van 12 maart 2008 aanhouden. De verplichting om de aanstelling van D. JAMERS voorlopig als onbestaande te beschouwen heeft tot gevolg dat de functie niet ingenomen is en dat er een vacuüm ontstaan is waaraan de verwerende partij in afwachting van het arrest over de grond van de zaak en het herstel van de wettigheid waartoe dat arrest aanleiding zal geven, het hoofd moet bieden, nu daartoe een dringende noodzaak blijkt te bestaan. In dat kader kan aangenomen worden dat zij een voorlopige maatregel neemt. Te dezen doet zij dit door middel van de door het RPPol geschapen mogelijkheid van de aanwijzing in een hogere functie. Het middel is niet ernstig en de vordering tegen de impliciete weigering om verzoeker aan te stellen lijkt daarom niet ontvankelijk.
  37. In het tweede middel voert verzoeker aan dat de verwerende partij de procedure voorzien voor het begeven van een hoger ambt niet kon toepassen. Hij stelt daaromtrent vast dat D. JAMERS, blijkens de door de Raad van State geschorste beslissing, de graad van hoofdcommissaris bezit. Hij betoogt dat het “hoger ambt” gedefinieerd is in artikel VII.II.77 RPPol en dat de functie van verbindingsofficier “geen hoger ambt” in de zin van die bepaling is, aangezien de verbindingsofficieren aangewezen worden onder de hoofdcommissarissen zonder dat dit een wijziging met zich brengt van hun graad, niveau of klasse en zonder dat hun eigenlijke wedde verhoogt. De aanwijzing tot verbindingsofficier is ook geen aanwijzing in een mandaatfunctie. Aangenomen dat D. JAMERS wel degelijk commissaris eerste klasse was, kon hij wél aangesteld worden in het hoger ambt, maar door die procedure toe te passen zijn de bepalingen inzake de mobiliteit, die de aanwijzing aan de directeur-generaal voorbehoudt, miskend. Verzoeker stelt vervolgens dat, wat betreft de bepalingen die de aanwijzing voor een hogere functie regelen, dergelijke aanwijzing slechts mogelijk is wanneer de titularis zijn betrekking tijdelijk of definitief niet waarneemt. In dit geval bekleedde hij de betrekking te Rome; de verwerende partij heeft hem ter plaatse gelaten, hij heeft interesse betoond voor een aanstelling ad interim en zo de betrekking dan nu zonder titularis is, dan ligt dat aan het eigen optreden van de tegenpartij zelf die D. JAMERS op onregelmatige wijze aangesteld heeft en kan zij zich bezwaarlijk op de regeling van de hogere functie beroepen om een situatie te remediëren die zijzelf geschapen heeft.
  38. De verwerende partij antwoordt daarop dat D. JAMERS de graad van commissaris eerste klasse bezit en niet deze van hoofdcommissaris. Zijn aanstelling vindt haar grondslag in artikel VII.II.77, 1/, RPPol en houdt in dat de IX-5927-8/15 aangestelde de prerogatieven van de titularis bekleedt maar dat hij geen aanspraken kan maken op een definitieve aanstelling. Aangezien voor het begeven van de betrekking de procedure van de mobiliteit niet meer kon gevolgd worden -de beslissing die in dat kader genomen was is geschorst- kon zij beroep doen op de aanwijzing in een hoger ambt. Verzoeker stelt ten onrechte dat hij nog titularis is van de functie: zijn aanstelling is door de Raad van State vernietigd met het arrest nr. 157.285 van 3 april 2006 en daarna oefende verzoeker de functie “de facto” uit om tegemoet te komen aan de toestand geschapen door het vernietigingsarrest. Aan deze uitoefening “de facto” is een einde gekomen op 30 april
  39. Uit het door de auditeur gevoerde onderzoek blijkt dat D. JAMERS op het ogenblik van zijn inschaling in de personeelsformatie van de nieuwe politiestructuur bij koninklijk besluit van 25 juni 2001 de graad van commissaris van politie toegewezen gekregen heeft en vervolgens, bij koninklijk besluit van 17 september 2005, de graad van commissaris van politie eerste klasse. Hij blijkt nadien niet bevorderd te zijn tot hoofdcommissaris. Krachtens artikel XII.VI.9bis RPPol kan hij wel meedingen naar betrekkingen die openstaan voor hoofdcommissarissen van politie en komt hij derhalve met hen in aanmerking voor een aanwijzing, volgens de regeling van de mobiliteit, tot verbindingsofficier waarvoor organiek de graad van hoofdcommissaris vereist is.
  40. De verwerende partij is blijkbaar ervan uitgegaan dat artikel XII.VI.9bis RPPol niet van toepassing is voor een tijdelijke aanwijzing in een betrekking die organiek voorbehouden is voor hoofdcommissarissen. Aangenomen dat dit standpunt correct is -in het kader van de onderhavige vordering is daarover niet gedebatteerd en de Raad van State wijdt er, gezien de uitkomst van het derde middel, ook ambtshalve geen onderzoek aan- kon zij D. JAMERS, die organiek bekleed is met de graad van commissaris eerste klasse, tijdelijk aanstellen in het hoger ambt van verbindingsofficier waarvoor organiek de graad van hoofdcommis- saris vereist is. Die aanwijzing staat dan los van de mogelijkheid van D. JAMERS om op grond van de overgangsbepaling van artikel VII.II.9bis, op gelijke voet met de hoofdcommissarissen mee te dingen naar een definitieve aanstelling volgens de mobiliteitsregeling.
  41. Voor dergelijke tijdelijke aanstelling is wel vereist dat de reglementaire voorwaarden voor de toewijzing van het hoger ambt vervuld zijn. Artikel 77 definieert het hoger ambt als een betrekking op het personeelskader die van een hogere gradengroep is dan die waartoe het personeelslid behoort. Artikel IX-5927-9/15 VII.II.78 RPPol vereist voor de aanwijzing in een hogere functie ook dat “dwingen- de redenen van omkadering zulks vereisen” en dat de betrekking “tijdelijk of definitief niet wordt waargenomen door een titularis”. Dat lijkt te dezen het geval: er is op 30 april 2008 een einde gekomen aan de aanstelling “de facto” van verzoeker; de aanstelling van D. JAMERS vanaf 1 mei 2008 is door de Raad van State geschorst. De betrekking is dus sinds 1 mei 2008 niet bezet en de partijen zijn het erover eens dat die bezetting dringend was. Om, in afwachting van een definitieve uitspraak over het annulatieberoep van verzoeker, een verbindingsofficier ter plaatse te hebben, heeft de verwerende partij een tijdelijke oplossing gezocht en, wat D. JAMERS betreft, kon zij daarvoor beroep doen op de rechtsfiguur van de aanwijzing voor een hogere functie. De verwerende partij heeft daarmee de in het middel aangevoerde bepalingen niet geschonden. Het middel is niet ernstig.
  42. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van de formele en van de materiële motiveringsverplichting. Wat de formele motivering betreft stelt hij dat volgens artikel VII.II.35 RPPol voor de aanstelling van een verbindingsofficier een vergelijking gemaakt wordt op basis van een aantal criteria, waarbij ook de bevindingen van de selectiecommissie betrokken moeten worden. Hij werd door deze selectiecommissie als beste kandidaat gerangschikt. Het bestreden besluit verwijst enkel naar het advies van de commissaris-generaal en laat de bevindingen van de selectiecommissie buiten beschouwing. In ieder geval bevat het bestreden besluit, in strijd met artikel VII.II.83 RPPol, geen verantwoording van de keuze voor de aangestelde ambtenaar. Hijzelf is de facto op de post gelaten en het is tegenstrijdig om een einde te maken aan zijn betrekking om dan een beroep te doen op de rechtsfiguur van de aanstelling in een hoger ambt. In ieder geval kan hij uit de beslissing niet opmaken waarom D. JAMERS de voorkeur gekregen heeft boven hemzelf, nu er uitsluitend uiteengezet wordt welke gegevens in het voordeel van D. JAMERS pleiten. Wat de materiële motivering betreft, moet vastgesteld worden dat artikel VII.II.80 RPPol het vage criterium van “het meest geschikt ... om in de onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien” bevat. De commissaris-generaal verwijst naar de verdiensten van D. JAMERS -waarbij overigens bedenkingen te maken zijn-, maar laat na zijn eigen verdiensten te belichten. Hij stelt daar tegenover dat D. JAMERS slechts commissaris eerste klasse is en dat hijzelf als eerste uit de selectieproeven gekomen is. Daarnaast moet vastgesteld worden dat de commissaris- generaal verwijst naar het negatief advies van het college van procureurs-generaal en van de federale procureur, maar daargelaten de vaststelling dat hij dit advies nooit heeft kunnen tegenspreken, is dergelijk advies niet voorzien in enige procedure voor de aanwijzing van een verbindingsofficier en steunt het op manifeste onjuistheden, IX-5927-10/15 aangezien hij brieven kan voorleggen waarin de autoriteiten hun waardering voor zijn werk betuigen en aangezien het federaal parket in het algemeen niet altijd op de hoogte wordt gesteld van het concrete werk van de verbindingsofficieren omdat zij rechtstreeks met de betrokken magistraten of politieambtenaren handelen. Tenslotte wordt in de nota verwezen naar een arrest van de Raad van State van 3 april 2006 en naar een advies van de minister van Buitenlandse Zaken, maar dat advies, afgeleverd naar aanleiding van de vraag van verzoeker om het diplomatiek statuut te verkrijgen, is achterhaald omdat de minister nadien zijn visie bijgestuurd heeft. Hij besluit dat de afweging van zijn kandidatuur met deze van D. JAMERS niet op objectieve en onvooringenomen wijze gebeurd is, zodat de aanwijzing van D. JAMERS in strijd is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.
  43. De verwerende partij antwoordt, wat de formele motiveringsver- plichting betreft, dat het bestreden besluit verwijst naar de artikelen die de aanwijzing in een hoger ambt regelen, dat er geen melding moest gemaakt worden van de titularis van de functie omdat er -wegens de vernietiging van de aanstelling van verzoeker bij arrest van 3 april 2006- sinds 2000 geen titularis van de betrekking meer was en dat de omstandigheid dat verzoeker de facto de functie uitgeoefend heeft daaraan niets verandert. Wegens het beëindigen van de functie door verzoeker en de schorsing van de aanstelling van D. JAMERS kon zij de plaats begeven en heeft zij, binnen haar discretionaire bevoegdheid, besloten om te besluiten tot een aanstelling in een hoger ambt. Voorts kan uit de bestreden beslissing en uit de nota van de commissaris-generaal wel degelijk worden afgeleid waarom D. JAMERS boven verzoeker werd verkozen, nu zij geen rekening moest houden met de regels die de aanwijzing volgens de mobiliteit regelen. De minister wijst de kandidaat aan die volgens hem het meest geschikt is. De kandidaten hebben de gelegenheid gekregen hun interesse kenbaar te maken, zij zijn vergeleken en de redenen van de voorkeur voor D. JAMERS worden teruggevonden in de nota van 8 mei
  44. Wat de materiële motivering betreft moet opnieuw opgemerkt worden dat zij in het kader van een aanwijzing voor een hoger ambt niet verplicht was om rekening te houden met de bevindingen van de selectiecommissie en dat de omstandigheid dat hij slechts commissaris eerste klasse is niet ter zake doet, nu blijkt dat D. JAMERS meer geschikt is om de functie uit te oefenen. Voorts dient erop gewezen dat D. JAMERS de functie in moeilijke omstandigheden uitgeoefend heeft, dat zijn vraag om in 2000 zijn aanwijzing niet te verlengen door persoonlijke motieven en niet door de vrees van hoge werkdruk ingegeven was en dat de punctuele kritiek van verzoeker ten overstaan van het werk van D. JAMERS hetzij niet relevant hetzij niet correct is. IX-5927-11/15
  45. Het bestreden besluit verwijst naar de noodzaak om, in afwachting dat -wegens de schorsing van de aanstellingsbeslissing van 12 maart 2008- de betrekking definitief begeven kan worden, de betrekking onmiddellijk tijdelijk te bezetten. Als hoger sub punt 15 gesteld, wordt -binnen het bestek van de onderhavi- ge vordering bij hoogdringendheid- aangenomen dat de minister daarvoor, wat D. JAMERS betreft, een beroep kon doen op de rechtsfiguur van de tijdelijke aanwijzing in een hoger ambt dat niet bezet is.
  46. Voor de keuze van D. JAMERS verwijst het bestreden besluit naar het gunstig advies van de commissaris-generaal dat hiervoor sub 1.4 overgeschreven is. Daarin wordt uiteengezet dat alle kandidaten die deelgenomen hebben aan de mobiliteitsprocedure, gepolst zijn naar hun interesse voor een ad-interimaanstelling en dat, van de acht gegadigden, D. JAMERS, hem het meest geschikt leek om “in deze onmiddellijke dienstbehoeften” te voorzien. Om dat te verantwoorden worden de aanspraken van D. JAMERS -met name zijn degelijk werk in de periode 1994- 2000 en zijn actuele mogelijkheden- nader toegelicht en wordt verduidelijkt dat er bij hem geen contra-indicaties vanwege de gerechtelijke overheden -wat wel het geval is bij verzoeker- aanwezig zijn.
  47. Volgens artikel VII.II.80 RPPol wordt de uitoefening van het hoger ambt toevertrouwd aan het personeelslid dat het meest geschikt wordt bevonden om in de onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien. Die bepaling is slechts de neerslag van de door de rechtspraak aanvaarde praktijk binnen de openbare besturen om bij het voorlopig begeven van een tijdelijk niet-bezette betrekking ook rekening te houden met vergelijkingspunten die niet direct verband houden met de titels en de verdiensten van de gegadigden maar waarbij de continuïteit van de dienstverlening centraal staat, zoals de tewerkstelling op de dienst zelf. In dat geval gaat de voorkeur dan niet zozeer uit naar de kandidaat die objectief de beste titels en verdiensten heeft, maar naar de kandidaat die wegens zijn bekendheid met de praktische werking van de dienst de beste waarborgen biedt om de continuïteit van de dienst te verzekeren.
  48. In dit geval blijkt uit het dossier dat D. JAMERS in de periode 1994 - 2000 de functie van verbindingsofficier waargenomen heeft en dat hij dit gedaan heeft tot voldoening van zijn opdrachtgevers. Er blijkt geenszins uit, zoals verzoeker stelt, dat er klachten zouden geweest zijn over zijn werk; ook niet dat D. JAMERS op de verlenging van zijn opdracht niet zou aangestuurd hebben omdat hij de werklast niet beheerste. IX-5927-12/15 In 2000 is verzoeker dan aangesteld, maar die aanstelling is door de Raad van State bij arrest nr. 157.285 van 3 april 2006 vernietigd omdat verzoeker niet voldeed aan de -toenmalige- benoemingsvereiste van het bezit van het diplomatiek statuut, en bijkomend omdat het college van procureurs-generaal, ondanks zijn gunstig advies, toch gesteld had dat de persoonlijkheid van verzoeker hem slecht geschikt maakte voor de functie, terwijl ook de minister van Buitenlandse Zaken gewezen had op de ongeschiktheid van verzoeker ( “l’inadaptation du requérant au poste considéré”). Na deze vernietiging heeft de verwerende partij verzoeker de facto op de post gelaten. Zij toont niet aan dat zij zich ooit beklaagd heeft over het presteren van verzoeker, noch vóór het arrest van de Raad van State, noch daarna. In het kader van de nieuwe aanwijzing voor de functie volgens de mobiliteit heeft de selectiecommissie verzoeker en JAMERS beiden geschikt verklaard en verzoeker als eerste gerangschikt. Aldus blijkt uit het dossier niet dat de prestaties van verzoeker niet bevredigden. Wel heeft verzoeker in datzelfde kader -de definitieve aanwijzing op de post te Rome- een negatief advies gekregen van de federale procureur en het college van procureurs-generaal waarin opnieuw gewezen wordt op de “aspecten van de persoonlijkheid” waarop in het advies van 4 april 2000 was ingegaan -met name dat hij wegens zijn gedreven maar “eigenzinnig of onbesuisd en alleszins ondoor-dacht optreden” aanleiding zouden kunnen geven tot diplomatieke incidenten- en waarin de magistraten nu ook wijzen op de onopvallende aanwezig- heid van verzoeker in de uitoefening van zijn functie, daaraan toevoegend dat verzoeker precies wegens de vernietiging van zijn aanstelling in 2000 nog in aanmerking kan komen voor een nieuwe aanstelling, hetgeen de ethische vraag oproept of een tegen hem uitgesproken arrest wel in zijn voordeel kan spelen. Het negatief advies van de magistratuur is verleend met betrekking tot de definitieve aanwijzing van een verbindingsofficier. Het blijkt niet dat de magistraten, die blijkbaar ook niet aangedrongen hebben op de vervanging van verzoeker na het vernietigingsarrest of ooit uiting gegeven hebben aan hun onvrede met de dagdagelijkse werking van verzoeker, zich ook verzetten tegen een voorlopige aanstelling van verzoeker om in de onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien.
  49. Het aan de Raad van State voorgelegd dossier bevat aldus geen gegeven dat het bestuur toeliet, bij het onderzoek van de vraag welk personeelslid het meest geschikt was om in de onmiddellijke dienstbehoeften te voorzien, voorbij IX-5927-13/15 te gaan aan de daadwerkelijke uitoefening van de functie door verzoeker. De bestreden beslissing wordt op dat stuk niet door deugdelijke motieven verantwoord. Het middel is ernstig.
  50. In het vierde middel voert verzoeker aan dat hij door de selectiecommissie in het kader van de mobiliteit als eerste kandidaat aangewezen was voor de aanstelling, dat de Raad van State de aanwijzing van D. JAMERS geschorst heeft en dat bij het overdoen van de beslissing volgens de regels van de mobiliteit, hij een grote kans had gehad de aanwijzing te verkrijgen. Om toch D. JAMERS te kunnen aanstellen heeft de verwerende partij gebruik gemaakt van dringende procedure van de aanstelling in een hoger ambt. De verwerende partij heeft zich bezondigd aan machtsafwending, want het blijkt dat er een manifeste politieke onwil aanwezig is om verzoeker te benoemen, hoewel hij de vereiste capaciteiten en verdiensten bezit. In dat kader kan ook verwezen worden naar het feit dat het bestuur hem ook niet wil aanstellen als verbindingsofficier in Bangkok.
  51. De verwerende partij antwoordt dat zij de procedure van aanwijzing volgens de mobiliteitsregeling niet verder kon volgen omdat de verleende aanstelling geschorst is. Toch moest zij dringend handelen en daarom is beroep gedaan op de aanstelling in een hoger ambt. Noch uit zijn niet-aanstelling, noch uit de omstandigheid dat er geen verbindingsofficier voor Bangkok wordt aangesteld kan verzoeker machtsafwending afleiden. Dat voor Bangkok geen aanstelling gebeurt is louter het gevolg van de beslissing om te wachten op een evaluatie van het netwerk van politievertegenwoordigers in Azië.
  52. Om tot machtsafwending te kunnen besluiten moet een verzoeker aanwijzingen verstrekken die kunnen doen aannemen dat het bestuur de reglementai- re bevoegdheid waarover het beschikt aangewend heeft voor een ander doel. De elementen waarnaar verzoeker verwijst bevatten die overeenstemmende gegevens niet. Het middel is niet ernstig.
  53. Wat de tweede en de derde voorwaarde betreft, voert verzoeker in essentie hetzelfde nadeel aan dat aangevoerd was in de zaak waarover met het arrest nr.182.502 van 28 april 2008 uitspraak gedaan is. De Raad van State valt voor de onderhavige zaak dat arrest bij in de mate de moeilijkheden die verzoeker dreigt te ondervinden door zijn onmiddellijke terugkeer naar België en zijn reïntegratie in de dienst daarin als bron van een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel zijn aanvaard. IX-5927-14/15
  54. De voorwaarden voor de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zijn vervuld. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  55. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 mei 2008 waarbij Daniël JAMERS aangesteld wordt in het hoger ambt van verbindingsofficier van de Belgische politiediensten te Rome. Artikel
  56. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt voor het overige verworpen. Artikel
  57. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 10 juni 2008, door : de H. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5927-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.042 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.719 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.