id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.043 Rolnummer: A. 186782/X-13631 Zaak: Arrest 184043 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:11 Fiche Arrest nr 184.043 van 10 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.043 van 10 juni 2008 in de zaak A. 186.782/X-13.631. In zake : 1. Michel SABBE, 2. Luc VERCRUYSSE, die woonplaats kiezen bij advocaten L. OCKIER en F. ROGGE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Katteputstraat 3 tegen : 1. de gemeente OOSTKAMP, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat 10. tussenkomende partij : Katrien VANHOVE, die woonplaats kiest bij advocaat P. SCHEIRLYNCK, kantoor houdende te 8630 VEURNE, Statiestraat 6. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Michel SABBE en Luc VERCRUYSSE op 21 januari 2008 hebben ingediend en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 29 oktober 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente OOSTKAMP waarbij aan SVC OOST-WEST de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het verbouwen van een woning tot wincentrum voor rundersperma, het bouwen van een stal voor KI-stieren met dekstal, het bouwen van quarantaineboxen voor KI-stieren en het bouwen van een ziekenboeg, op een terrein gelegen te Oostkamp, Lariksdreef 1, kadastraal bekend sectie B, nrs. 106/f en 107/c; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; X-13.631-1/13 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. ROGGE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat A. LUST, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat Y. FRANCOIS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat P. SCHEIRLYNCK, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging Met een verzoekschrift van 11 februari 2008 heeft Katrien VANHOVE gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. 2. Over de thans voorliggende gegevens van de zaak 2.1. Op 23 maart 2007 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een woning tot wincentrum voor rundersperma, het bouwen van een productiestal voor KI-stieren met dekstal, het bouwen van quarantaineboxen voor KI-stieren en het bouwen van een ziekenboeg op de percelen gelegen aan de Lariksdreef 1 te Oostkamp. X-13.631-2/13 2.2. De percelen zijn volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Op 30 maart 2007 verleent het departement landbouw en visserij vanuit landbouwkundig standpunt en uit oogpunt van een goede landinrichting een gunstig advies. 2.3. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek worden twee collectieve bezwaarschriften, mede door en namens de verzoekers ondertekend, ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oostkamp verwerpt de bezwaren bij besluit van 18 juni 2007, onder meer op volgende gronden: “(...) Huidig perceel ligt volgens het gewestplan in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied en omvat een verlaten landbouwsite. Door het systeem van groenschermen en specifieke functie van het nieuwe landbouwbedrijf wordt rekening gehouden met de bestaande schoonheidswaarden van het landschap. Het gebied is ecologisch niet gevoelig. De hinder voor de omwonenden wordt net door de specifieke functie van het bedrijf enorm beperkt”. Op diezelfde datum brengt het college een gunstig vooradvies uit onder meer op volgende grond: “(...) Gelet op het materiaalgebruik en de dimensies van de gebouwen, die garanderen dat de schoonheidswaarde van het gebied niet in het gedrang gebracht wordt; (...)”. 2.4. De gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar brengt op 10 oktober 2007 volgend gunstig advies uit: “(...) Ik sluit mij volledig aan bij de planologische en ruimtelijke motivering van deze aanvraag, zoals opgebouwd door het college (...). De weerlegging van de beide bezwaren door het college (...) wordt volledig bijgetreden. (...) Bovendien wordt de nodige zorg besteed aan de vormgeving en het materiaalgebruik van de gebouwen en wordt een groenomkadering voorzien. (...)”. 2.5. Het college van burgemeester en schepenen verleent bij het bestreden besluit van 29 oktober 2007 de stedenbouwkundige vergunning mits onder meer volgende voorwaarden: X-13.631-3/13 “(...) De op het plan vermelde materialen moeten veranderd worden door deze zoals voorgesteld op het later ingediende en hierbij gevoegde fotografisch voorstel. (...) - Voorgesteld groenscherm is over zijn volledige lengte breed en voldoende groot om de voorgestelde constructie in de omgeving in te kleden. De soortenstelling bestaat uit inlandse bomen en struiken. Voorwaarden: Er moet voldoende dicht aangeplant worden, maar het plantverband zelf is vrij te kiezen, mits in achtname van de volgende richtwaarden: - 3 planten op 1 meter bij haag - 1 op 1 meter voor laagstam - 5 à 10 meter voor hoogstam indien in rijverband Er dient binnen de twee plantseizoenen aangeplant te worden. (...)”. 3. De ontvankelijkheid 3.1. De tweede verwerende partij betwist het belang van de verzoekers bij het vorderen van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. 3.2. De tweede verwerende partij betwist niet dat het door de eerste verzoeker bewoond onroerend goed paalt aan de bouwpercelen en dat het door de tweede verzoeker bewoond onroerend goed zich aan de overzijde van de Lariksdreef ter hoogte van de bouwpercelen bevindt. 3.3. Het beweerde onrechtmatige karakter van de bewoning door de eerste verzoeker van het onroerend goed dat eigendom zou zijn van de n.v. WOESTINVEST waarvan hij afgevaardigd-bestuurder is, is volgens de tweede verwerende partij zelf niet “(m)eer dan waarschijnlijk”. Het is dan ook geen element van beoordeling van het belang in hoofde van deze verzoeker. 3.4. De verzoekers tonen in de gegeven omstandigheden het naar recht vereiste belang aan. De exceptie wordt verworpen. 4. Over de grondvoorwaarden tot schorsing Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de X-13.631-4/13 onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.1. Over het eerste middel 4.1.1. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het Inrichtingsbesluit), het gewestplan Brugge-Oostkust, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag en machtsoverschrijding. De verzoekers betogen dat “(w)at (...) ook de aard van de gebruikte materialen weze, de voorziene stal (...) is industrieel van concept en opzet, en zal dit karakter hoe dan ook blijven behouden”, dat de bouwwerken moeten voldoen aan het planologisch en esthetisch criterium voor landschappelijk waardevolle gebieden, dat “het bestaan van een beperkte bebouwing niet met goed gevolg (kan) worden aangevoerd om een verdere aantasting van een waardevol landschap te verrechtvaardigen”, dat “het project met nieuwe stal (...) een verstorende impact op het landschappelijk waardevol gebied en zijn onmiddellijke omgeving zal hebben”, dat de verstoring door het volume “nog eens versterkt (wordt) door de aard van de inrichting (...) en door de aard van de gebruikte materialen”, “dat zowel de (...) adviesinstanties als verwerende partij (...) niet de minste aandacht hebben besteed aan intrinsieke kwaliteiten van het landschappelijk waardevol gebied en de omliggende omgeving” zodat de “verwerende partij (...) in gebreke (
- is)gebleven de voorschriften verbonden met landschappelijk waardevol agrarisch gebied concreet toe te passen”, dat “(d)e weinigzeggende motieven terzake in de bestreden beslissing (...) van algemene en vage aard (zijn), waarbij de specifieke waarde van het waardevolle landschap niet in aanmerking wordt genomen, zodat de concrete toetsing van het esthetische criterium verbonden met de waarde van het landschappelijk waardevol gebied geheel gebrekkig en ontoereikend moet worden genoemd”, dat “(d)e stedenbouwkundige overwegingen in de bestreden vergunning (...) niet concreet tot uitdrukking (brengen) in welk opzicht de dimensies van de voorziene gebouwen, het concept en het materiaalgebruik in overeenstemming met de schoonheidswaarde van het landschap kunnen worden verklaard”, dat de verwerende partij “zich geen correct en volledig beeld van de gesteldheid en de plaats gevormd (heeft), hetgeen zij nochtans tot X-13.631-5/13 plicht had”, dat “(d)e verwijzing naar het feit dat het louter om de verhuis van een runderspermacentrum zou gaan, welke best wordt afgescheiden van de huidige landbouwactiviteiten van de aanvragers in de Bergenstraat” en dat “(d)e motivering dat het project aanvaardbaar zou zijn te noemen door het systeem van groenschermen (...) geenszins een afdoende motivering (
- is)waaruit kan blijken dat de vergunde bouwwerken de te beschermen schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”. 4.1.2. De eerste verwerende partij repliceert dat het “KI-rundspermaverdeelcentrum (...) een para-agrarisch(...) bedrijf is” zodat “geen sprake (
- is)van schending van de planologische voorschriften van het gewestplan (...) en (...) van het inrichtingsbesluit”, dat “het gebied aan weerszijden van de Lariksdreef (...) intrinsiek bezwaarlijk veel landschappelijk(
- e)waarde kan worden toegedicht” en dat “een verkaveling als deze waarin de tweede verzoekende partij woont, alvast niet behoort” tot het landschap waarvan de schoonheidswaarde niet in gevaar mag worden gebracht door het vergunde project, dat de motieven in het bestreden besluit “onmiskenbaar afdoende (zijn), acht ook slaande op de omstandigheid dat de overheid de motieven van haar motieven niet moet onder woorden brengen” en “ook in overeenstemming (
- is)met de feiten”. 4.1.3. De tweede verwerende partij repliceert dat er “talrijke grote residentiële villa’s” zijn “in de onmiddellijke omgeving” en dat “het geen open landschap betreft, maar eerder een bosrijke streek zonder vergezichten” zodat “het feit dat een bouwwerk opgericht wordt op zich de schoonheidswaarde van het landschap niet (zal) aantasten”, dat “(v)an industrieel uitziende bouwwerken (...) geen sprake (kan) zijn”, dat “de vergunde bouwwerken (niet) als uitzonderlijk groot beschouwd (kunnen) worden”, dat niet is aangetoond dat de beoordeling van de vergunningverlenende overheid kennelijk onredelijk is, dat “(h)et groenscherm (...) geen voorwaarde (
- is)opdat de schoonheidswaarde niet zou aangetast worden, maar een bestaand element dat volgens de overheid behouden dient te blijven”. 4.1.4. De tussenkomende partij gaat in haar verzoekschrift niet in op de middelen van de verzoekers. 4.1.5. Luidens artikel 11 van het Inrichtingsbesluit zijn de agrarische gebieden bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Zij mogen enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens X-13.631-6/13 verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. De landschappelijk waardevolle gebieden zijn krachtens artikel 15.4.6.1 van het Inrichtingsbesluit gebieden “waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen”, en waar “alle handelingen en werken (mogen) worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”. Krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en deze moeten afdoende zijn. Uit een en ander volgt dat het college van burgemeester en schepenen in de beslissing over de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning zelf de concrete gegevens moet vermelden waarop het zich heeft gesteund om tot het besluit te komen dat de afgifte van de gevraagde stedenbouwkundige vergunning de schoonheidswaarde van het te beschermen landschap niet in gevaar brengt, en dat met niet in die beslissing vermelde redenen geen rekening kan worden gehouden. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling van de bestaanbaarheid van de aanvraag met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is hij wel bevoegd na te gaan welke de feiten zijn waarop de overheid haar beoordeling heeft gesteund, of zij deze correct heeft vastgesteld en of zij, op grond van die feiten, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen. 4.1.6. Het door de verzoekers hoofdzakelijk geviseerde vergunde bouwwerk betreft een productiestal met dekstal en ziekenboeg met een totale lengte van 39,10 m, een breedte van 11 m over 28,10 m en van 6,50 m over 11 m, en een nokhoogte van 4,95 m. X-13.631-7/13 4.1.7. De motivering van het standpunt van het college van burgemeester en schepenen met betrekking tot de verenigbaarheid van de aanvraag met de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied stelt onder de “(e)valuatie van de bezwaren”: “Door het systeem van groenschermen en specifieke functie van het nieuwe landbouwbedrijf wordt rekening gehouden met de bestaande schoonheidswaarden van het landschap”. Verder bij de overname van het eensluidend advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar: “Bovendien wordt de nodige zorg besteed aan de vormgeving en het materiaalgebruik van de gebouwen en wordt een groenomkadering voorzien”. En verder bij de overname van het advies van de gemeentelijke milieudienst: “Voorgesteld groenscherm is over zijn volledige lengte voldoende breed en voldoende groot om de voorgestelde constructie in de omgeving in te kleden”. En tot slot bij de “beoordeling van de goede ruimtelijke ordening” : “Gelet op het materiaalgebruik en de dimensies van de gebouwen, die garanderen dat de schoonheidswaarde van het gebied niet in het gedrang gebracht wordt;”. 4.1.8. Het bestreden besluit bevat op het eerste gezicht geen enkele motivering met betrekking tot de verenigbaarheid van de aanvraag met de andere aanwijzing “landschappelijk waardevol” die het gewestplan aan het betrokken agrarisch gebied heeft gegeven. Aangenomen dat de enkele vermeldingen van de aanleg van een groenscherm, de specifieke functie van het landbouwbedrijf, de vormgeving, dimensies van en het materiaalgebruik voor de vergunde bouwwerken, motieven zijn omtrent de verenigbaarheid van de inrichting met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied, dan zijn deze op het eerste gezicht niets meer dan loutere affirmaties dat de aanvraag de schoonheidswaarde van het betrokken gebied niet in het gedrang brengt. Die loutere affirmaties kunnen geenszins als een afdoende formele motivering betreffende de verenigbaarheid van de inrichting met de schoonheidswaarde van het betrokken landschappelijk waardevol gebied worden begrepen. Het middel is in zoverre het de schending aanvoert van de formele motiveringsplicht ernstig. X-13.631-8/13 4.2. Over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 4.2.1. De verzoekers betogen dat zij “in de onmiddellijke buurt (wonen) van het perceel waarop de bouw van de stal met aanhorigheden” is vergund. De eerste verzoeker meer bepaald in “het parkdomein ‘Woestenkasteel’, en onmiddellijk palend aan het kwestieuze bouwperceel” dat “overeenkomstig het vigerend gewestplan (...) gelegen (
- is)in natuurgebied”. De eigendom van de tweede verzoeker is “schuin tegenover het kwestieuze bouwperceel” gelegen in volgens “het vigerende gewestplan (...) woonpark ‘Waaroost’”. Het bouwperceel “omvat thans de gebouwen van een vroeger landbouwhoevetje, beperkt in omvang en volume, en qua aanzicht aansluitend bij de typische hoevestijl van vroeger zoals deze nog in de omgeving voorkomt” waarop ingevolge het bestreden besluit “een compleet nieuw bedrijf kan worden ingeplant, dat hoedanook als niet-grondgebonden dient te worden beschouwd, en waarvan de op te richten stal ontegensprekelijk een industriële aanblik zal bieden, gelet op diens functie, de afmetingen (40 m op 11 m op 6 m hoogte) en de gebruikte materialen (prefabpanelen met golfplaten)” hetgeen “(d)e landschappelijke kwaliteiten van het gebied, het prachtig aanzicht en authentiek ruraal-landschappelijk karakter van het gebied (...) ten zeerste geweld” zal aandoen. De vergunde “veestal bevindt zich op ongeveer 50 meter van de woning van tweede verzoeker, welke vanuit zijn woning een constant rechtstreeks zicht op het bouwwerk zal hebben, en waarvan het bouwkundig esthetisch aspect van de constructie als onherstelbaar visueel hinderlijk moet worden beschouwd”. De inplanting van de vergunde stal “op ongeveer 6 meter van de perceelsgrens met diens eigendom (...) van dergelijke omvang en dergelijk volume (...) doet (...) afbreuk (...) aan de specifieke woonomgeving van eerste verzoekende partij”. “Het vergunde project is ongezien en geheel atypisch voor de omgeving en het gebied” waarvan niet kan worden aangenomen dat dit “zou worden goedgemaakt door het opgelegde groenscherm”. Zij argumenteren voorts dat zij “eveneens (zullen) worden geconfronteerd met het overbrengen van de uitbatingsaspecten van de inrichting op hun eigendom, zoals daar zijn reuk- en insectenhinder die de dieren met zich meebrengen, het geluid van installaties en machines voor het voederen van de dieren of mesten van de stallen, vrachtvervoer voor de aan- en afvoer van runderen en het reinigen van de mestvaalt, en met toename van gemotoriseerd verkeer in functie van de commercialisatie van het rundersperma”, dat “(d)e exploitatie van dergelijk niet grondgebonden quasi-industriële inrichting (...) een storende ingreep (vormt) die een activiteit inhoudt welke onverenigbaar te noemen is met hetgeen in een landschappelijk X-13.631-9/13 waardevol agrarisch gebied mag worden verwacht, en op negatieve wijze zal inwerken op de ecologie van het gebied” terwijl “(h)et opgelegde groenscherm (...) voornoemde nadelen onmogelijk (kan) komen op te heffen” en dat “moet worden vermeden dat het gebouw er eenmaal staat, aangezien alsdan de weg om te komen tot een eventueel herstel in de oorspronkelijke staat langzaam en moeilijk te noemen is”. 4.2.2. De eerste verwerende partij repliceert dat de verzoekers enkel wijzen op visuele en exploitatiehinder op basis van “onvolledige en zelfs onjuiste info” en zonder “afdoende en precieze gegevens”, dat de eerste verzoeker “door een weelderig en hoog bomenbestand nauwelijks zicht heeft op de bestaande hoevegebouwen” en dus “geen enkele (bijkomende) visuele hinder (zal) ondervinden”, dat voor de tweede verzoeker “de visuele toestand aanzienlijk (zal) verbeteren”, “dat er ingevolge de zeer strenge sanitiare en hygiënische voorschriften aan de exploitatie van een kleinschalig KI-centrum van slechts 8 tot 10 stieren, buiten de exploitatieplaats zelf, geen geur-, lawaai- of andere hinder verbonden is, terwijl er zelfs ter plaatse geen insectenhinder is”, dat “(t)rouwens, wie er de voorkeur aan geeft te gaan wonen in de onmiddellijke omgeving van een agrarisch gebied, (...) zich niet (kan) beklagen over de aan een agrarische exploitatie onvermijdelijk verbonden typische geuren, resp. andere hinder ten ware deze werkelijk buitensporig mochten zijn”, dat de verzoekers “wijselijk niets” zeggen “(o)mtrent het moeilijk karakter van het herstel”. 4.2.3. De tweede verwerende partij repliceert dat de verzoekers “zeer vaag (blijven) in de omschrijving van de beweerde nadelen en (...) deze niet aan(tonen) aan de hand van concrete elementen en stukken (...)”, dat de eerste verzoeker “geen zicht (heeft) op de bouwplaats door het aanwezige groenscherm”, dat de tweede verzoeker “als overbuur op de bestaande woning (kijkt) die grotendeels behouden blijft”, dat “(d)e stallingen achter de woning (...) voor hem aan het zicht onttrokken” zijn en dat “de stallingen langs de zijde waar tweede verzoekende partij mogelijks zicht op zou kunnen hebben volledig open” zijn, dat de verzoekers “reuk- en insectenhinder door de exploitatie evenals talrijke andere ongemakken met geluids- en verkeershinder tot gevolg” niet bewijzen en dat die “nadelen (...) niet uit de vergunning voort(vloeien) maar uit het gewestplan (...)”. X-13.631-10/13 4.2.4. De tussenkomende partij repliceert dat de woning van de eerste verzoeker zich op “165 meter van de dichtstbijzijnde geplande (...) constructie” bevindt en dat de constructies “niet eens zichtbaar (zijn) voor eerste verzoeker, gezien diens woning volledig is afgeschermd met bomen”, dat de woning van de tweede verzoeker “is gevestigd op 85 meter van de dichtstbijzijnde geplande optrekken” en dat de beweerde schending van het uitzicht van de tweede verzoeker “sterk (moet) gerelativeerd worden” omdat hij “thans uitkijkt op een varkensstal” en “rechtstreeks zicht heeft op” de Kortrijksestraat, dat “er niets aan de voorkant van de hoeve wordt gewijzigd”, dat “(b)ezwaarlijk kan gesteld worden dat er in casu sprake is van een stal met industrieel concept”, dat “er steeds een grondgebonden landbouwbedrijf aanwezig was”. Voorts betwist zij enige reuk- of insectenhinder alsook bijkomende verkeershinder om reden van de “zeer strenge hygiënische en sanitaire voorwaarden” voor een wincentrum voor rundersperma en stelt zij “dat het geen optie is om het (wincentrum) voor rundersperma te vestigen op (haar) landbouwbedrijf (...) alwaar thans het verdeelcentrum rundersperma zich bevindt”. 4.2.5. Het bestreden besluit vergunt de oprichting van een nieuwe productiestal voor KI-stieren met dekstal met de voormelde afmetingen benevens de bestaande bedrijfswoning die verbouwd wordt tot een wincentrum voor rundersperma, de nieuw te bouwen quarantaineboxen voor KI-stieren en een ziekenboeg met de voormelde afwerkingsmaterialen, in te planten op circa 50 tot 85 m van de woning van de tweede verzoeker. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de tweede verzoeker vanop zijn eigendom een rechtstreeks zicht heeft op de vergunde constructies, hetgeen de verwerende en de tussenkomende partijen niet betwisten doch enkel trachten te relativeren. De verzoekers voeren op goede gronden aan dat, eenmaal de vergunde constructies zijn opgericht, het herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat moeilijk te verkrijgen is. Gelet op de aard en de omvang van de vergunde constructies bevat de uiteenzetting van de tweede verzoeker voldoende concrete en precieze gegevens die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten stedenbouwkundige vergunning een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. In de huidige stand van het geding is er geen noodzaak om te onderzoeken of ook in hoofde van de eerste verzoeker aan deze voorwaarde is voldaan. X-13.631-11/13 Er is voldaan aan de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van Katrien VANHOVE in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 29 oktober 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente OOSTKAMP waarbij aan SVC OOST-WEST de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het verbouwen van een woning tot wincentrum voor rundersperma, het bouwen van een stal voor KI-stieren met dekstal, het bouwen van quarantaineboxen voor KI-stieren en het bouwen van een ziekenboeg, op een terrein gelegen te Oostkamp, Lariksdreef 1, kadastraal bekend sectie B, nrs. 106/f en 107/c. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure wordt uitgesteld. X-13.631-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juni 2008, door : de H. P. LEFRANC, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. P. LEFRANC. X-13.631-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.043 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.811 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div