← België

Arrest 184109 - Financiële tegemoetkomingen - 12/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.109 Rolnummer: A. 162930/XII-5042 Zaak: Arrest 184109 - Financiële tegemoetkomingen - 12/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-25 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:12 Fiche Arrest nr 184.109 van 12 juni 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Financiële tegemoetkomingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.109 van 12 juni 2008 in de zaak A. 162.930/XII-

  1. In zake : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN EVERE, dat woonplaats kiest bij advocaat F. Van Bever, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan 380 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Maatschappelijke Integratie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW) van Evere op 30 mei 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing dd. 29 maart 2005 van de P.O.D. Maatschappelijke Integratie die het O.C.M.W. van Evere als territoriaal bevoegd aangewezen heeft om ten voorlopige titel een beslissing te nemen over de steunaanvraag van de heer Jean A[...]”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 20 maart 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5042-1\7 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Troeder, die loco advocaat F. Van Bever verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  2. Jean A. is een kandidaat politiek vluchteling die op grond van artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna “de wet van 15 december 1980” genoemd), verplicht is ingeschreven in het wachtregister van de gemeente Scherpenheuvel-Zichem. Het OCMW van deze gemeente verleent hem sedert 25 juli 2002 financiële steun. Vanaf 10 mei 2004 woont Jean A. officieel samen met Bukwene N. en haar minderjarige kinderen te Evere. Bukwene N. ontvangt een leefloon van het OCMW van Evere. 1.
  3. Met een aangetekende brief van 17 maart 2005 deelt het OCMW van Scherpenheuvel-Zichem aan het OCMW van Evere mede dat het zelf niet meer bevoegd is om steun te verlenen aan Jean A., omdat Bukwene N. krachtens de gewijzigde wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (hierna “de wet van 26 mei 2002” genoemd), ten aanzien van het OCMW van Evere recht kan laten gelden op een leefloon van de categorie E, waardoor ook het recht van Jean A. wordt gedekt. Het OCMW van Evere acht zich echter evenmin bevoegd, omdat naar zijn mening Jean A. op grond van artikel 54, § 1, van de wet van 15 december 1980 is toegewezen aan het OCMW van Scherpenheuvel-Zichem en de wijziging van de wet van 26 mei 2002 niet tot gevolg heeft dat ook de bevoegdheidsregels van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door XII-5042-2\7 de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna “de wet van 2 april 1965” genoemd) worden gewijzigd. Het legt dit bevoegdheidsconflict met het OCMW van Scherpenheuvel-Zichem, met het oog op de toepassing van artikel 15, vierde lid, van de wet van 2 april 1965, op 22 maart 2005 voor aan de minister die de maatschappelijke integratie onder zijn bevoegdheid heeft. 1.
  4. Op 29 maart 2005 deelt de voorzitter van de programmatorische federale overheidsdienst Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie aan de OCMW’s van Evere en Scherpenheuvel-Zichem mee dat “het OCMW van Evere op grond van artikel 1, 1/, van de wet van 2 april 1965 [...] ten voorlopige titel aangewezen [wordt] om een beslissing te nemen over de steunaanvraag van de heer Jean A[...], onverminderd eventuele latere administratieve of rechterlijke beslissingen met betrekking tot de territoriale bevoegdheid van de betrokken OCMW’s”. Op 27 april 2005 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Evere bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring tegen deze beslissing in te stellen. De ontvankelijkheid van het beroep
  5. De bestreden beslissing werd genomen met toepassing van artikel 15, vierde lid, van de wet van 2 april 1965, dat luidt : “Onverminderd de definitieve tenlasteneming van de kosten van de dienstverlening, bepaalt de minister tot wiens bevoegdheid de maatschappelijke integratie behoort, binnen vijf werkdagen, het centrum dat voorlopig moet tussenkomen wanneer twee of meerdere O.C.M.W.’s achten niet territoriaal bevoegd te zijn om een vraag te onderzoeken”. Deze bepaling is aan artikel 15 van de wet van 2 april 1965 toegevoegd door de Programmawet (I) van 24 december
  6. In de memorie van toelichting bij het ontwerp van de laatstgenoemde wet wordt over deze bepaling het volgende gesteld (Parl. St. Kamer 2002-2003, doc 50 2124/001, blz. 181) : XII-5042-3\7 “Het gebeurt dat bevoegdheidsconflicten tussen OCMW’s tot resultaat hebben dat de noodzakelijke hulp uiteindelijk niet wordt verleend. Dergelijke conflicten doen afbreuk aan fundamentele rechten. De termijnen die de verschillende rechterlijke overheden (bestendige deputatie, Raad van State, arbeidsrechtbank en Arbeidshof) nodig hebben om een beslissing te nemen inzake de betwistingen die hun zijn voorgelegd, zijn niet verenigbaar met de noodzaak om snel te kunnen uitmaken welk centrum desgevallend de gevraagde hulp dient te verlenen. Daarom wordt artikel 15 van de wet van 2 april 1965 aangevuld teneinde de minister bevoegd voor Maatschappelijke Integratie in de mogelijkheid te stellen deze conflicten dringend te beslechten door de aanwijzing van het OCMW dat de hulpaanvraag ten voorlopige titel dient te behandelen. Deze voorlopige aanduiding geschiedt ongeacht latere administratieve en rechterlijke beslissingen met betrekking tot de territoriale bevoegdheid van de betrokken OCMW’s. Deze voorlopige aanwijzing door de bevoegde minister betreft zowel de aanvragen inzake maatschappelijke hulp als de verzoeken met betrekking tot het recht op maatschappelijke integratie”.
  7. Zowel uit de bepaling van artikel 15, vierde lid, van de wet van 2 april 1965 als uit de aangehaalde toelichting ervan blijkt dat de minister slechts een voorlopige beslissing neemt over de vraag welk OCMW bevoegd is om de steunaanvraag te behandelen, “[o]nverminderd de definitieve tenlasteneming van de kosten van de dienstverlening”. De wetgever beoogt aldus, op het vlak van de maatschappelijke dienstverlening, klaarblijkelijk geen afbreuk te doen aan het bestaande systeem van rechtsbescherming geboden door de justitiële rechter en de administratieve rechtscolleges. Krachtens artikel 580, 8/, c en d, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis van de geschillen betreffende de toepassing van de wet van 26 mei 2002 en de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn inzake betwistingen over de toekenning, de herziening, de weigering en de terugbetaling door de gerechtigde, van de maatschappelijke integratie en de maatschappelijke dienstverlening. Met betrekking tot de tenlasteneming van de steun verleend door de OCMW’s bepalen artikel 15, tweede en derde lid, van de wet van 2 april 1965 dat andere geschillen dan die betreffende de vaststelling van de verblijfplaats van de steunaanvrager, waartoe de toepassing van de voorgaande artikelen van de wet aanleiding geeft, tussen OCMW’s van eenzelfde provincie, worden beslist door de bestendige deputatie, met mogelijkheid van hoger beroep bij de Raad van State, en XII-5042-4\7 dat wanneer het geschil is gerezen tussen OCMW’s van verscheidene provincies of wanneer de Staat partij is, het wordt beslecht door de Raad van State, na advies van de bestendige deputatie van de provincies waartoe de betrokken OCMW’s behoren. Luidens artikel 16, 3/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de Raad van State uitspraak over de beroepen als bedoeld in de artikelen 15 en 19 van de wet van 2 april
  8. Het betreft een bevoegdheid van de Raad van State om met volle rechtsmacht uitspraak te doen. Dit wil zeggen dat de Raad van State het geschil in zijn geheel aan een nieuw onderzoek onderwerpt en als beroepsrechter in laatste aanleg uitspraak doet over de grond van de zaak, waarbij hij de bevoegdheid heeft de in eerste aanleg genomen beslissing te hervormen.
  9. Artikel 7 van het uitvoeringsbesluit van 20 maart 2003 preciseert nog : “Het centrum dat bij een rechterlijke beslissing die in laatste aanleg is gewezen of een administratieve beslissing waartegen geen beroep meer openstaat, definitief bevoegd wordt verklaard voor de steunverlening, moet in voorkomend geval de steun die is verleend door het voorlopig bevoegd verklaard centrum zonder mogelijkheid tot betwisting terugbetalen”.
  10. De bestreden beslissing is bijgevolg een voorlopige administratieve handeling in afwachting van de definitieve beslechting van het geschil over de toekenning van maatschappelijke steun en de tenlasteneming daarvan. Ambtshalve wordt vastgesteld dat een dergelijke handeling niet ontvankelijk met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State kan worden bestreden. Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voorziet immers niet in de mogelijkheid van nietigverklaring van voorlopige beslissingen ter zake van geschillen waarover hetzij de justitiële rechter hetzij de deputatie of, in hoger beroep, de Raad van State zelf met volle rechtsmacht, definitief uitspraak moet doen. De Raad van State is dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van het voorliggende beroep tot nietigverklaring.
  11. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker nog, ten einde de Raad van State er van te kunnen overtuigen zich bevoegd te achten, dat het verzoekschrift geen verzoekschrift is tot nietigverklaring in de zin van artikel 14 van de XII-5042-5\7 gecoördineerde wetten op de Raad van State. In het inleidend verzoekschrift heeft verzoeker immers ook gevraagd om het OCMW van Scherpenheuvel-Zichem “als territoriaal bevoegd orgaan aan te duiden”. Het beroep moet dus worden opgevat als een vraag om “het geschil in zijn geheel” aan een nieuw onderzoek te onderwerpen en om als “beroepsrechter in laatste aanleg” uitspraak te doen over de grond van de zaak.
  12. De door verzoeker in de laatste memorie gebezigde bewoordingen wijzen er op dat hij alludeert op de bevoegdheid die de Raad van State ontleent aan voormeld artikel 16, 3/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 15, tweede en derde lid, van de wet van 2 april
  13. Met zijn besluit van 27 april 2005 besloot de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Evere evenwel “[e]en beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van de POD maatschappelijke Integratie dienst bevoegdheidsconflicten van 29 maart 2005 in te stellen”. Geheel in overeenstemming met die beslissing, dient het verzoekschrift zich geenszins aan als een vraag om een geschil te beslechten dat gerezen is naar aanleiding van een terugvordering door het steunverlenend OCMW, als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet van 2 april
  14. De late poging van verzoeker om aan het voorwerp van het inleidend verzoekschrift een andere lezing te geven -die zelfs niet overeenstemt met zijn initiële beslissing- kan niet overtuigen. De kosten
  15. Verzoeker wijst er op dat onderaan de bestreden beslissing een vermelding is opgenomen die wijst op de mogelijkheid om bij de Raad van State een annulatieberoep in te stellen. Nu zij verzoeker door deze verkeerde inlichting in verwarring heeft gebracht, past het om de kosten van de procedure bij de verwerende partij te leggen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  16. Het beroep wordt verworpen. XII-5042-6\7 Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5042-7\7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.109 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.