← België

Arrest 184112 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 12/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.112 Rolnummer: A. 143480/VII-30972 Zaak: Arrest 184112 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 12/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-24 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:12 Fiche Arrest nr 184.112 van 12 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.112 van 12 juni 2008 in de zaak A. 143.480/VII-30.972. In zake : Vincent SPRUYTTE, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6, bus 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Vincent SPRUYTTE op 3 november 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 2 september 2003 houdende weigering van verzoekers aanvraag tot verlenging van zijn erkenning als milieueffectenrapport (hierna : MER)-deskundige in de discipline geluid en trillingen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 april 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 mei 2008; VII-30.972-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Verzoeker is zaakvoerder van de BVBA AVITECH ACOUSTICS en is erkend als MER-deskundige in de discipline "geluid en trillingen". Hij is tevens erkend als milieudeskundige op grond van artikel 1.3.2.2., § 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II). Het voorliggend geschil betreft enkel de weigering van de verlenging van de erkenning als MER-deskundige. 1.2. Verzoeker verkrijgt, na in 1992 als MER-deskundige voor vijf jaar te zijn erkend, een eerste verlenging van de erkenning voor vijf jaar. In 2002, wanneer een tweede verlenging van de erkenning zich opdringt, wordt de verlenging beperkt tot één jaar. Naar aanleiding van deze aanvraag tot verlenging stelt de cel Voorbereiding en Ondersteuning van de administratie Milieu-, Natuur- , Land- en Waterbeheer (hierna : AMINAL) in haar advies dat verzoeker wel over voldoende onderlegdheid, doch niet over voldoende ervaring beschikt op het gebied van MER's vermits hij tijdens zijn vorige erkenningsperiode aan slechts enkele MER's heeft meegewerkt, zodat voorbehoud wordt gemaakt bij de verlenging van de erkenning. De cel MER van AMINAL adviseert in aansluiting hierop de verlenging te beperken tot één jaar. Deze beperking wordt als volgt toegelicht : "In deze periode zal betrokkene aantonen eigen te zijn met de mer-methodologie en werk te presteren dat naar inhoud en diepgang voldoet aan de vereisten van de m.e.r.". VII-30.972-2/7 Op 7 juni 2002 beslist de verwerende partij de verlenging effectief te beperken tot één jaar vanaf 1 juni 2002. In dit besluit wordt de motivering, na de herneming van de uitgebrachte adviezen, als volgt besloten : "Overwegende dat de aanvrager beantwoordt aan de vereiste van artikel 12, 1/, e), respectievelijk artikel 11, 1/,

  1. e)van bovenvermelde besluiten, met name: dat de aanvrager in zijn voorgelegde dossier een voldoende aanvullende ervaring en onderlegdheid heeft aangetoond met betrekking tot de beschouwde discipline". In het beschikkend gedeelte wordt geen enkele voorwaarde opgelegd. 1.3. Op 28 juni 2002 geeft verzoeker toelichting over zijn methodiek en werkwijze. 1.4. Begin maart 2003 dient verzoeker een nieuwe aanvraag tot verlenging in, vermits de erkenning vervalt op 1 juni 2003. Op 28 maart 2003 meldt de verwerende partij de goede ontvangst van de aanvraag en wordt door de cel MER advies aangevraagd. Op 29 juli 2003 bezorgt AMINAL een nota aan de minister waarin wordt voorgesteld de erkenning niet meer te verlengen. Omdat de erkenning intussen reeds is vervallen sinds 1 juni 2003 en omdat nog steeds geen beslissing is genomen over de verlenging, richt verzoeker op 27 augustus 2003 een aangetekend herinneringsschrijven met het verzoek om een spoedige beslissing. 1.5. Op 2 september 2003 beslist de verwerende partij de erkenning niet te verlengen. Dit is de bestreden beslissing. 2. Ten gronde 2.1. In het derde onderdeel van het enige middel voert verzoeker de schending aan van artikel 12 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen (hierna : hinderlijke inrichtingenbesluit), van artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende bepaling voor het Vlaamse Gewest van de categorieën van werken en handelingen, andere dan hinderlijke inrichtingen, waarvoor een milieueffectrapport is vereist voor de volledigheid van de aanvraag om bouwvergunning (hierna : andere dan hinderlijke inrichtingenbesluit), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijk motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) VII-30.972-3/7 en van het "algemeen rechtsbeginsel dat overheden verplicht hun bestuurshande- lingen te motiveren". In essentie houdt het derde onderdeel van het enige middel in dat de voormelde artikelen uit het hinderlijke inrichtingenbesluit en het andere dan hinderlijke inrichtingenbesluit enkel stellen dat een deskundige, om erkend te worden, onder meer moet voldoen aan de voorwaarde "een voldoend(
  2. e)geachte ervaring en onderlegdheid te bezitten in het domein van de beschouwde discipli- ne(s)", zonder dat wordt bepaald dat een MER-deskundige (jaarlijks) één of meerdere MER-dossiers moet behandelen, zodat het door de verwerende partij opgelegde "quotum MER-dossiers" onwettig is en de weerhouden motivering eveneens onwettig, of minstens onjuist is en de formele motiveringswet en het "algemeen rechtsbeginsel" schendt "dat overheden verplicht hun bestuurshandeling- en te motiveren". 2.2. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij daar tegenover dat het bestreden besluit niet verzoekers erkenning als MER-deskundige betreft, maar wel de procedure tot verlenging van de initiële erkenning, zodat de door verzoeker aangehaalde bepalingen uit de hierboven vermelde besluiten van de Vlaamse regering er niet op van toepassing zijn, en dat de voormelde procedure bovendien bepaalt dat de verwerende partij de erkenning "kan"' verlengen, zonder dat deze verlengingsprocedure aan enige voorwaarde is onderworpen. 2.3. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord dat het feit dat hij in het jaar voorafgaand aan de bestreden beslissing eerder toevallig geen volledig MER-dossier heeft afgewerkt, niet impliceert dat hij niet de "vereiste ervaring en onderlegdheid in het domein van de beschouwde discipline", namelijk "geluid en trillingen", zou hebben, hetgeen wettelijk wordt vereist, en dat de verwerende partij nooit heeft betwist dat verzoeker over voldoende ervaring en onderlegdheid beschikt in de disciplines "geluid en trillingen". 2.4. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij nog toe dat de eigenlijke reden van de weigering van de verlenging van verzoekers erkenning niet zozeer is gelegen in de ontstentenis van medewerking aan een MER tijdens het laatste jaar van zijn erkenning, maar wel in de vaststelling dat hij niet afdoende aantoont te voldoen aan de voorwaarde in artikel 12, eerste lid, 1/,
  3. e)van het hinderlijke inrichtingenbesluit en artikel 11, eerste lid, 1/,
  4. e)van het andere dan hinderlijke inrichtingenbesluit. Dit is, aldus de verwerende partij, de voorwaarde een VII-30.972-4/7 voldoende geachte ervaring en onderlegdheid te bezitten in het domein van de desbetreffende discipline, waarvan het vervuld zijn volgens haar reeds in het kader van de vorige erkenningsprocedure ernstig in vraag werd gesteld, en, steeds volgens de verwerende partij, door verzoeker desgevallend kon worden weerlegd door aan te tonen eigen te zijn met de MER-methodologie en werk te presteren dat naar inhoud en diepgang voldoet aan de vereisten van een MER, "hetgeen bij uitstek kon gebeuren door mee te werken aan een MER, te meer gezien werd nagelaten om deze bemerking te weerleggen middels andere argumenten". 2.5. Artikel 12 van het hinderlijke inrichtingenbesluit stelt dat elke deskundige, om erkend te worden, onder meer moet voldoen aan de voorwaarde "een voldoend(
  5. e)geachte ervaring en onderlegdheid (
  6. te)bezitten in het domein van de beschouwde discipline(s)". Artikel 11 van het andere dan hinderlijke inrichtingenbesluit bevat een gelijkluidende bepaling. Gelet op de samenlezing van de artikelen 11, §§ 4 en 5, en 12 van het hinderlijke inrichtingenbesluit enerzijds en de artikelen 10, §§ 4 en 5, en 11 van het andere dan hinderlijke inrichtingenbesluit anderzijds, zijn, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt, de door verzoeker aangehaalde bepalingen wel degelijk van toepassing op de aanvragen tot verlenging van de erkenning als MER-deskundige. Verzoeker voert in het derde onderdeel aan dat de bestreden beslissing in essentie is gesteund op de vaststelling dat hij het jaar voorafgaand aan de bestreden beslissing niet heeft meegewerkt aan een MER, zodat de verwerende partij er kennelijk van uit is gegaan dat als voorwaarde voor de verlenging een minimum aantal MER's moeten worden uitgevoerd, terwijl geen van de voormelde bepalingen een dergelijke voorwaarde voorschrijven. De bestreden beslissing is als volgt gemotiveerd: "(...) om deze reden en na u gehoord te hebben werd uw MER-erkenning op 7 juni 2002 slechts voor één jaar verlengd onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat u in deze periode zou aantonen eigen te zijn met de mer-methodologie en werk te presteren dat naar inhoud en diepgang voldoet aan de vereisten van de m.e.r. VII-30.972-5/7 Vermits u in het afgelopen jaar aan geen enkel milieueffectrapport medegewerkt heeft ligt m.i. de beslissing tot niet-verlenging van uw MER-erkenning voor de hand". Hieruit blijkt dat het motief, dat verzoeker tijdens het jaar voorafgaand aan de bestreden beslissing aan geen enkel MER heeft meegewerkt, decisief is. De opmerking in de laatste memorie van de verwerende partij "dat de eigenlijke reden van weigering van de bijkomende verlenging van de erkenning van verzoekende partij niet zozeer is gelegen in de ontstentenis van medewerking tijdens het laatste jaar van haar erkenning aan een MER, maar wel in de vaststelling dat zij niet afdoende aantoont dat zij voldoet aan de voorwaarde in respectievelijk artikel 12, 1/,
  7. e)van het BVR van 23/03/1989 MER-hinderlijke inrichtingen en artikel 11, 1/,
  8. e)van het BVR van 23/03/1989 MER-andere dan hinderlijke inrichtingen, hetzij een voldoende geachte ervaring en onderlegdheid bezitten", overtuigt niet. Uit artikel 12, eerste lid, 1/,
  9. e)van het hinderlijke inrichtingenbesluit en artikel 11, eerste lid, 1/,
  10. e)van het andere dan hinderlijke inrichtingenbesluit kan slechts worden afgeleid dat ervaring en onderlegdheid in de betrokken discipline "geluid en trillingen" moet worden aangetoond. Het komt de verwerende partij niet toe te bepalen dat deze voorwaarde moet zijn vervuld door het uitvoeren van een minimum aantal MER's. Het derde onderdeel van het enige middel is gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 2 september 2003 houdende weigering van de aanvraag van Vincent SPRUYTTE tot verlenging van zijn erkenning als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-30.972-6/7 Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-30.972-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.112 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.