id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.113 Rolnummer: A. 145375/VII-37083 Zaak: Arrest 184113 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 12/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-23 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 08:12 Fiche Arrest nr 184.113 van 12 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.113 van 12 juni 2008 in de zaak A. 145.375/VII-37.083. In zake : 1. Guillaume D'ARSCHOT SCHOONHOVEN, 2. Gravin Jean D'ARSCHOT SCHOONHOVEN, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. -------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guillaume D'ARSCHOT SCHOONHOVEN en gravin Jean D'ARSCHOT SCHOONHOVEN op 16 december 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 houdende definitieve vaststelling van het afbakeningsplan voor de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van het Langenbos-Bruulbos-Weterbeek, de Hoegaardse valleien, de Velpevallei, de Zuurbemde, het Heibos-Schrabaardebos, het Wissebos, de Getevallei te Geetbets, het Vinne en het Klein en Groot Begijnbos; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; VII-37.083-1/11 Gelet op de beschikking van 19 maart 2008 waarbij de terechtzitting initieel werd bepaald op 30 april 2008 en gelet op het feit dat de zaak op 23 april 2008 werd uitgesteld tot de terechtzitting van 15 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De gegevens van de zaak 1.1. Hoofdstuk V van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna : natuurbehouddecreet) heeft betrek- king op het gebiedsgericht beleid. Het decreet regelt daartoe onder meer de afbake- ning van het Vlaams Ecologisch Netwerk (hierna : VEN). Artikel 17, § 1, van het natuurbehouddecreet omschrijft het VEN als : "een samenhangend en georganiseerd geheel, van gebieden van de open ruimte waarin een specifiek beleid inzake het natuurbehoud, gebaseerd op de kenmerken en elementen van het natuurlijk milieu, de onderlinge samenhang tussen de gebieden van de open ruimte en de aanwezige en potentiële natuurwaarden wordt gevoerd". Luidens artikel 17, § 2, van het natuurbehouddecreet, omvat het VEN de volgende onderdelen : "1/ Grote Eenheden Natuur (GEN) : dit zijn gebieden die hetzij natuurelemen- ten over een oppervlakte van minstens de helft van het gebied bevatten hetzij gebieden waarin een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit aanwezig is; 2/ Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling (GENO) : dit zijn gebieden die één of meer van de volgende kenmerken vertonen : VII-37.083-2/11
- a)aanwezigheid van natuurelementen, verspreid over de oppervlakte van het gebied, waarvan de gezamenlijke oppervlakte echter kleiner kan zijn dan de helft van het gebied;
- b)aanwezigheid van belangrijke fauna- of floraelementen waarvan het voortbe- staan moet worden ondersteund door de maatregelen inzake het grondgebruik;
- c)terreinen al dan niet door kunstmatige ingrepen tot stand gekomen, met belangrijke mogelijkheden voor natuurontwikkeling". De opname van een gebied in het VEN heeft onder meer tot gevolg dat overeenkomstig artikel 25, § 3, van het natuurbehouddecreet voor dat gebied een aantal voorschriften en verbodsbepalingen gelden, onder andere inzake het gebruik van meststoffen en bestrijdingsmiddelen, vegetatiewijzigingen, enzovoort. De overheid kan voor die gebieden maatregelen nemen om de natuur en het natuurlijk milieu te behouden, te herstellen en te ontwikkelen. In GEN gelden die maatregelen "bij voorrang ten opzichte van de andere functies in het gebied", in GENO gelden zij "rekening houdend met de overige functies in het gebied" (artikel 25, § 1). Die maatregelen zijn opgenomen in het besluit van de Vlaamse regering van 21 november 2003 houdende maatregelen ter uitvoering van het gebiedsgericht natuurbehoud (hierna : maatregelenbesluit). Voorts wordt voor elk gebied dat behoort tot het VEN een natuurrichtplan opgesteld, dat specifieke maatregelen inzake natuurbehoud kan bevatten (artikelen 48 en 50). De onroerende goederen gelegen in het VEN zijn in principe onderworpen aan een recht van voorkoop door het Vlaamse Gewest (artikel 37). De opname van een gebied in het VEN maakt het dus mogelijk om, zoals bepaald in artikel 17, §1, eerste lid, van het natuurbehouddecreet, voor dat gebied "een specifiek beleid inzake het natuurbehoud" te voeren. De overheid kan in die gebieden eigendomsbeperkingen opleggen die niet gelden in andere gebieden. Het natuurbehouddecreet bepaalt dat de Vlaamse regering binnen vijf jaar na de inwerkingtreding ervan een effectief te realiseren oppervlakte van 125.000 ha afbakent (artikel 17, § 1, tweede lid). 1.2. Op 19 juli 2002 beslist de Vlaamse regering tot de voorlopige vaststelling van de ontwerpen van de afbakeningsplannen VEN - eerste fase. De beslissing omvat onder meer de voorlopige vaststelling van "het ontwerp van afbakeningsplan van de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van het Langenbos-Bruulbos-Weterbeek, de Hoegaardse valleien, de Velpevallei, de Zuurbemde, het Heibos-Schrabaardebos, het Wissebos, de Getevallei te Geetbets, het Vinne en het Klein en Groot Begijnbos. Naar aanleiding van deze voorlopige vaststelling wordt een openbaar onderzoek VII-37.083-3/11 georganiseerd. Dit wordt aangekondigd in het Belgisch Staatsblad van 12 september 2002. De verzoekende partijen hebben samen zakelijke rechten op het kasteel van Waanrode en het bijhorende parkdomein, de eerste als vruchtgebruiker, de tweede als naakte eigenaar. Deze percelen zijn opgenomen in het hierboven vermelde ontwerp van afbakeningsplan, behoudens het kasteel met aanhorigheden. 1.3. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek dient de raadsman van de verzoekende partijen op 19 november 2002 een bezwaar in. Daarin wordt onder meer het volgende aangevoerd : "Al deze eigendommen maken deel uit van het parkdomein horend bij het kasteel, eigendom van mijn cliënten. Dit kasteel met aanhorigheden is, terecht, niet aangeduid als VEN, maar het parkdomein horend bij dit kasteel is wel aangeduid. Blijkbaar werd bij de opmaak van het voorontwerp van GEN uit het oog verloren dat het hier gaat om een parkdomein. Het is mij bekend dat als beleidslijn wordt gehanteerd om parkdomeinen niet in het VEN op te nemen, tenzij deze niet perifeer gelegen zijn. Los van de waarde die een dergelijke beleidslijn heeft, kan ik opmerken dat het parkdomein volledig perifeer ligt. Enkel het parkdomein wordt, samen met een aantal eigendommen van andere eigenaars, aangeduid. (...). Volgens het decreet is het VEN een 'samenhangend en georganiseerd geheel van gebieden van de open ruimte. Het bewuste domein is echter geïsoleerd van andere gebieden, aangeduid als VEN. Volgens de intentieverklaring die ik terugvind op de website die de overheid omtrent de afbakening heeft opgesteld, worden enkel 'bestaande waardevolle en gevoelige natuurgebieden' geselecteerd. Het domein van mijn cliënten is geen 'bestaand waardevol en gevoelig natuurgebied'. Tevens stelt deze website dat enkel 'natuurgebieden die bijzonder gevoelig zijn voor externe invloeden en waarvoor bijkomende inspanningen noodzakelijk zijn' aangewezen zullen worden. Opnieuw kan men zich na lezing van deze passages afvragen waarom het domein van mijn cliënten binnen het VEN valt. (...) Mijn cliënten stellen verder vast dat er zich in het als GEN aangeduide gebied diverse gronden bevinden die feitelijk bestemd zijn als akker. Het gaat om de goederen die op de kaart zijn aangeduid met de nummers 4, 10, 11, 12, 13, 14, 15. Het gaat hier om akkers. Deze worden bewerkt door een beroepslandbouwer, die er onder meer maïs op teelt. Hiervoor werd een aangepast draineringsysteem voorzien. Voor deze goederen is overduidelijk niet voldaan aan de wettelijke definitie van een GEN. Als GEN kan worden aangeduid, een gebied dat hetzij natuurelementen over een oppervlakte van minstens de helft van het gebied bevat, hetzij een gebied waarin een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit aanwezig is. Aangezien niet valt in te zien welk specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit te dezen aanwezig is, moet men er van uitgaan dat de afbakening gesteund is op de aanwezigheid van natuurelementen over een oppervlakte van minstens de helft van het gebied. Dit zou een mathematisch gegeven zijn (Verslag, Parl. St., 1996-97, 690/9, 26). De vraag kan rijzen welke VII-37.083-4/11 natuurelementen in deze berekening werden begrepen, temeer daar de volledige oppervlakte wordt ingenomen door cultuurgewassen. (...)". 1.4. Op 19 maart 2003 brengt de Mina-raad advies uit over de bezwaarschriften die zijn ingediend naar aanleiding van het openbaar onderzoek inzake het ontwerp van afbakeningsplan van het VEN - eerste fase. Dit advies omvat enerzijds een algemeen advies over de bezwaren inzake de voorbereidende fase, het openbaar onderzoek, de gevolgen van de afbakening en de maatregelen, en anderzijds een gebiedsspecifiek advies waarbij ook per afbakeningsplan de bezwaren worden geëvalueerd. Het door de verzoekende partijen ingediende bezwaar wordt door de Mina-raad als volgt samengevat : "
(1282)Bezwaar tegen de opname van de bossen binnen het kasteeldomein, te Kortenaken. De bezwaarindiener stelt dat de economische functie in het gedrang komt. Bepaalde percelen worden gebruikt als akker. Ook de natuurwaarde wordt in vraag gesteld". De Raad beoordeelt dit bezwaar als volgt : "De Raad stelt vast dat het kasteel en domein - met bestemming natuurgebied - niet opgenomen zijn in de VEN-afbakening. De Raad adviseert geen bijkomende wijzigingen". 1.5. Op 18 juli 2003 stelt de Vlaamse regering het afbakeningsplan voor "de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van het Langenbos-Bruulbos-Weterbeek, de Hoegaardse valleien, de Velpevallei, de Zuurbemde, het Heibos-Schrabaardebos, het Wissebos, de Getevallei te Geetbets, het Vinne en het Klein en Groot Begijnbos" vast. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering met betrekking tot het door de verzoekende partijen ingediende bezwaar als volgt luidt : "De Vlaamse regering wijst erop dat het kasteel zelf niet in de ontwerpafbakening van het VEN is opgenomen. Wat betreft de in de afbakening van het VEN opgenomen delen beslist de Vlaamse regering deze te behouden, gezien de hoge aanwezige en potentiële natuurwaarden. Omwille van deze verschillende biologisch zeer waardevolle bostypes werd het bosgebied aangeduid als Habitatrichtlijngebied. Het is al permanent bebost sinds 1775 en vormt de grootste aaneengesloten boskern (+ 150
- ha)in de zeer bosarme regio tussen Tienen en Diest. Bovendien is er de noodzaak tot samenhang in de afbakening van het VEN". Het besluit wordt bij wijze van uittreksel als volgt in het Belgisch Staatsblad van 17 oktober 2003 bekendgemaakt : VII-37.083-5/11 "18 JULI 2003. - Besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het afbakeningsplan voor de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van het Langenbos - Bruulbos - Weterbeek, de Hoegaardse valleien, de Velpevallei, de Zuurbemde, het Heibos- Schrabaardebos, het Wissebos, de Getevallei te Geetbets, Het Vinne en het Klein en Groot Begijnbos De Vlaamse regering, Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. Het bij dit besluit gevoegde afbakeningsplan voor de Grote Eenheden Natuur en Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling van het Langenbos - Bruulbos - Weterbeek, de Hoegaardse valleien, de Velpevallei, de Zuurbemde, het Heibos-Schrabaardebos, het Wissebos, de Getevallei te Geetbets, Het Vinne en het Klein en Groot Begijnbos wordt definitief vastgesteld. Art. 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het natuurbehoud, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 18 juli 2003. De minister-president van de Vlaamse regering, B. SOMERS, De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelings- samenwerking, L. SANNEN". 2. De ontvankelijkheid 2.1. De verwerende partij doet ter terechtzitting afstand van de door haar opgeworpen exceptie. 2.2. De verzoekende partijen hebben slechts belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing in de mate dat deze beslissing percelen bevat waarop zij een zakelijk recht hebben. De verzoekende partijen zullen hierover uitleg moeten verschaffen. 3. Ten gronde 3.1. Het tweede middel wordt : "Genomen uit, de schending van artikel 21 van het Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijke milieu en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel Doordat, eerste onderdeel, de verzoekende partijen in het kader van het georganiseerde openbaar onderzoek een bezwaarschrift hebben ingediend waarin gewezen werd op het feit dat de eigendom geen bestaand waardevol en gevoelig natuurgebied is, en de MINA Raad dit bezwaarschrift beantwoordt door te stellen dat 'de Raad ... vast(stelt) dat het kasteel en domein - met bestemming natuurgebied - niet opgenomen zijn in de VEN-afbakening. De VII-37.083-6/11 Raad adviseert geen bijkomende wijzigingen' en dat de Vlaamse Regering hieraan toevoegt dat 'Wat betreft de in de afbakening van het VEN opgenomen delen .... de Vlaamse Regering (beslist) deze te behouden, gezien de hoge aanwezige en potentiële natuurwaarden. Omwille van deze verschillende biologisch zeer waardevolle bostypes werd het bosgebied aangeduid als habitatrichtlijngebied. Het is al permanent bebost sinds 1775 en vormt de grootste aaneengesloten boskern (+/- 150
- ha)in de zeer bosarme regio tussen Tienen en Diest. Bovendien is er de noodzaak tot samenhang in de afbakening van het VEN' Terwijl, de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren met zich meebrengt dat de overheid ertoe gehouden is op het bezwaarschrift te antwoorden met concrete, pertinente en ter zake doende en correcte argumenten, die aan de bezwaarindiener toelaten te begrijpen waarom het bezwaarschrift om redenen van natuurbehoud werd verworpen en zodoende waarom de bewuste beslissing genomen wordt. En doordat, tweede onderdeel, de verzoekende partijen in het kader van het georganiseerde openbaar onderzoek een bezwaarschrift hebben ingediend waarin gewezen werd op het feit dat een aantal percelen in gebruik waren als landbouwgrond, maar het bezwaarschrift niettemin uitsluitend werd onderverdeeld als een bezwaar vanuit de sector 'bosbouw' en enkel vanuit die optiek werd beantwoord. Terwijl, de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren met zich meebrengt dat de overheid ertoe gehouden is het bezwaarschrift in zijn geheel te beoordelen. En doordat, derde onderdeel, de verzoekende partijen in het kader van het georganiseerde openbaar onderzoek een bezwaarschrift hebben ingediend waarin gewezen werd op het feit dat het gaat om een kasteel met omliggend park, en dit bezwaarschrift werd verworpen omdat 'de Raad ... vast(stelt) dat het kasteel en domein - met bestemming natuurgebied - niet opgenomen zijn in de VEN-afbakening'. Terwijl, de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren met zich meebrengt dat de overheid ertoe gehouden is op het bezwaarschrift te antwoorden met concrete, pertinente en ter zake doende en correcte argumenten, die aan de bezwaarindiener toelaten te begrijpen waarom het bezwaarschrift om redenen van natuurbehoud werd verworpen en zodoende waarom de bewuste beslissing genomen wordt, en de bewuste weerlegging niet toelaat uit te maken op basis waarvan de MINA-Raad van mening is dat het 'domein' integraal buiten het VEN valt". In hun laatste memorie synthetiseren de verzoekende partijen de toelichting bij het middel als volgt : "De verplichting om een openbaar onderzoek te houden, en de burger in staat te stellen zijn bezwaren kenbaar te maken houdt voor de overheid de verplichting in om op deze bezwaren te antwoorden. In het kader van de afbakening van het VEN is de MINA Raad er toe gehouden de bezwaarschriften te onderzoeken en te beantwoorden, eventueel op algemene wijze, maar dan wel op zo'n wijze dat zij de burger in staat stelt om te begrijpen waarom het bezwaar werd verworpen. In het bezwaarschrift dat namens de verzoekende partijen werd ingediend, stelden de verzoekende partijen zich vragen bij de 'VEN waardigheid' van het gebied. Zij stellen met name dat het geen 'waardevol en gevoelig natuurgebied is'. De MINA Raad antwoordt in het algemeen dat enkel de ecologisch meest waardevolle bossen opgenomen worden in het VEN, maar laat na te VII-37.083-7/11 onderzoeken of de bossen van de verzoekende partijen hiertoe behoren. De Vlaamse Regering voegt hier in het algemeen aan toe 'de opgeworpen bezwaren tegen opname van bossen in het VEN (...) niet van die aard (zijn) dat zij een schrapping verantwoorden', waardoor zij aangeeft dat zij de bezwaren heeft onderzocht teneinde na te gaan of deze een schrapping uit het VEN verantwoorden, hetgeen niet de correct(
- e)werkwijze is. Daar komt bij dat de Vlaamse Regering er specifiek voor het bezwaarschrift van de verzoekende partijen een bijkomende motivering aan heeft toegevoegd, waarin uitgegaan wordt van een aantal volledige verkeerde feitelijke gegevens, zoals de afbakening als habitatrichtlijngebied, de hoge aanwezig(
- e)en potentiële natuurwaarden en de aanwezigheid van een bos sinds 1775. De verzoekende partijen vinden dan ook geen begrijpelijk en pertinent - op redenen van natuurbehoud gegrond - antwoord op hun bezwaarschrift. In het bezwaarschrift dat namens de verzoekende partijen werd ingediend, stelden zij een bezwaar in tegen de opname van een aantal landbouwgronden in het VEN. Voor dergelijke bezwaren stelt de MINA-Raad in het algemeen dan dat de opname van landbouwgrond binnen het VEN aanvaard wordt, maar dat geval per geval nagekeken moet worden of er mogelijkheden zijn van verfijning. Het blijkt evenwel dat de MINA-Raad het bezwaarschrift van de verzoekende partijen uitsluitend heeft gecatalogiseerd als een bezwaar inzake bosbouw, en niet als een bezwaar vanuit de landbouw. Het gevolg is dan ook dat het bezwaarschrift van de verzoekende partijen op één van zijn punten niet werd onderzocht. Daarbij komt dat uit het algemene antwoord van de MINA-Raad niet op begrijpelijke wijze blijkt waarom het bezwaar verworpen werd. In het bezwaarschrift dat namens de verzoekende partijen werd ingediend, stelden zij dat de parkdomeinen rondom landhuizen niet VEN-waardig zijn. Voor dergelijke bezwaren stelt de MINA-Raad in het algemeen dat geval per geval moet worden onderzocht of de gebouwen en de 'omringende tuinen' uit het VEN kunnen worden gehaald. Voor het concrete geval van het domein van de verzoekende partijen is de Raad blijkbaar van mening dat wat kan beschouwd worden als een 'domein' reeds uit het VEN is gelicht. Waarom hetgeen kan worden omschreven als een 'domein' zou stoppen aan de grens met het VEN legt de MINA-Raad niet uit". 3.2. De verwerende partij stelt daartegenover in een uitvoerig betoog dat er alleen een controle van de opgeworpen schendingen van het zorgvuldigheidsbeginsel en van artikel 21 van het natuurbehouddecreet kan gebeuren. Zij betoogt dat er te dezen geen sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en dat zij bij haar besluitvorming wel degelijk rekening heeft gehouden met de door de verzoekende partijen naar voor gebrachte bezwaren. Zij legt de nadruk op het feit dat de beoordeling krachtens artikel 17, § 2 van het natuurbehouddecreet op GEN-niveau, en niet op perceelsniveau dient te gebeuren, dat het gebied werd vastgesteld als habitatrichtlijngebied bij besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002, dat blijkens de bosleeftijdkaart en de biologische waarderingskaart meer dan 50 %, tot zelfs het overgrote deel, van het gebied biologisch waardevolle natuurelementen bevat, dat het gebied blijkens de bosleeftijdkaart natuurelementen met hoge natuurkwaliteit bevat en dat de criteria van samenhang en aaneengesloten oppervlakte uit artikel 17 van het VII-37.083-8/11 natuurbehouddecreet te dezen werden toegepast. Zij betoogt verder dat de verzoekende partijen aan artikel 21 van het natuurbehouddecreet, als middel, een draagwijdte geven die het niet heeft. Conform artikel 21, § 8 van het natuurbehouddecreet dient de Mina-raad alle bezwaren en opmerkingen te coördineren en na het einde van het openbaar onderzoek een gemotiveerd advies uit te brengen bij de Vlaamse regering. Zij stelt dat op basis van artikel 21, § 8 van het natuurbehouddecreet mag worden getoetst of de Mina-raad een gemotiveerd advies heeft uitgebracht over het openbaar onderzoek in zijn geheel en dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat dit te dezen op drievoudige wijze is gebeurd en dat het advies van de Mina-raad zelfs een individueel antwoord bevat op het bezwaar van de verzoekende partijen, terwijl er uit hoofde van artikel 21, § 8 van het natuurbehouddecreet geen wettelijke verplichting bestaat voor de Mina-raad om ieder individueel bezwaar op individuele wijze te beantwoorden. Op basis van artikel 21, § 8 van het natuurbehouddecreet mag, volgens de verwerende partij, slechts worden getoetst of het advies gemotiveerd is, niet of de motivering van dit individueel advies afdoende is in de zin van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet). Met het voorliggend uitgebreid en gemotiveerd advies van de Mina-raad, dat overigens zelf niet het voorwerp uitmaakt van het beroep, is, steeds volgens de verwerende partij, artikel 21, § 8 van het natuurbehouddecreet dan ook niet geschonden. De verwerende partij merkt bovendien op dat het bestreden besluit een eigen redengeving bevat die afwijkt van het advies van de Mina-raad. 3.3. In hun memorie van wederantwoord merken de verzoekende partijen op dat de verwerende partij niet antwoordt op het derde onderdeel van het middel. De verwerende partij argumenteert volgens hen immers niet waar in het nochtans omvangrijke advies van de Mina-raad of waar in de bestreden beslissing een antwoord kan worden gevonden op het bezwaar inzake de juiste afbakening van het gedeelte "kasteelpark" van hun domein. Volgens het algemene advies van de Mina-raad moeten de kasteelparken nochtans uit het VEN worden gehaald, volgens hetzij de kadastrale begrenzing of de gewestplanbestemming. 3.4. Hoewel artikel 21, § 9 van het natuurbehouddecreet niet voorschrijft dat de beslissing tot definitieve vaststelling van de afbakeningsplannen moet zijn gemotiveerd, spreekt het voor zich dat het voorzien van een openbaar onderzoek met een bezwaarprocedure (artikel 21, §§ 5 tot en met 8 van het natuurbehouddecreet) per definitie impliceert dat de ingediende bezwaren moeten VII-37.083-9/11 worden beoordeeld en geëvalueerd, zoniet zou de bedoeling van de decreetgever volledig worden uitgehold. Vandaar dat artikel 21, § 8 van het natuurbehouddecreet voorschrijft dat de Mina-raad over de ingediende bezwaren een gemotiveerd advies uitbrengt. De Raad van State moet dus nagaan of uit de bestreden beslissing en/of uit het advies van de Mina-raad een voldoende duidelijk antwoord op de bezwaren van de verzoekende partijen kan worden afgeleid. Te dezen is dit niet het geval. Het gebiedsspecifiek advies van de Mina-raad bevat in ieder geval geen duidelijk antwoord op de door de verzoekende partijen ingediende bezwaren, die voldoende concreet en gedetailleerd waren. De verzoekende partijen stellen in hun laatste memorie terecht dat zij in het dossier geen begrijpelijk en pertinent - op redenen van natuurbehoud gegrond - antwoord vinden op hun bezwaren. Het decretaal vereiste gemotiveerd advies over de door de verzoekende partijen geformuleerde bezwaren is niet precies en duidelijk als het slechts kan worden begrepen door het samenbrengen, in een procedure voor de Raad van State, van hetgeen omtrent de ingediende bezwaren specifiek wordt gezegd en de algemene beschouwingen, zonder dat te dezen in het specifieke gedeelte naar die algemene motivering wordt verwezen. De verduidelijkingen die de verwerende partij in haar processtukken voor de Raad van State aanbrengt, kunnen in het huidige geval dit gebrek niet verhelpen. De verwerende partij weerlegt overigens de in het derde onderdeel geformuleerde kritiek niet op een overtuigende wijze en de in het besluit voorkomende motieven bevatten geen concreet en duidelijk antwoord op het bezwaar. Het middel is gegrond. 3.5. Aangezien het belang van de verzoekende partijen is beperkt tot de percelen waarop zij zakelijke rechten hebben, past het, alvorens tot nietig- verklaring over te gaan, de debatten te heropenen ten einde de verzoekende partijen uit te nodigen op een duidelijke wijze aan te geven op welke kadastrale percelen zij zakelijke rechten uitoefenen. Bovendien zal de tweede verzoekende partij de nodige gegevens omtrent haar juiste identiteit moeten verschaffen, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De debatten worden heropend. VII-37.083-10/11 Artikel 2. De zaak wordt opnieuw opgeroepen op de openbare terechtzitting van 25 september 2008 om 10.00 uur. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf juni tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-37.083-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.113 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.278 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div