id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.152 Rolnummer: A. 136104/IX-3779 Zaak: Arrest 184152 - Tucht (openbaar ambt) - 12/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-26 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:12 Fiche Arrest nr 184.152 van 12 juni 2008 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.152 van 12 juni 2008 in de zaak A. 136.104/IX-
- In zake : Patrick MAERTENS, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te GENT (Mariakerke), Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick MAERTENS op 30 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 februari 2003 van de directeur-generaal van het personeel van de federale politie waarbij hem de zware tuchtstraf van de schorsing van drie weken wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 18 september 2006 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 24 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 mei 2008; IX-3779-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van adviseur K. PEETERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Verzoeker is commissaris van politie bij de federale politie (GDA Gent). 1.
- Op 6 september 2001 stelt de Directeur-generaal van de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid een inleidend verslag op lastens verzoeker. Hij formuleert het voorstel om aan verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing bij tuchtmaatregel voor een periode van drie maanden op te leggen. Verzoeker ondertekent dat inleidend verslag voor “gezien en ontvangen” op 12 september
- 1.
- Op 8 oktober 2001 dient verzoeker een verweerschrift in. Hij wordt op 17 oktober 2001 door een door de hogere tuchtoverheid aangewezen hoofdcommissaris van politie gehoord. 1.
- Met een niet-gedagtekende, op 23 oktober 2001 per fax verzonden brief, vraagt de hogere tuchtoverheid aan de procureur des Konings te Gent advies te verlenen aangaande een voorstel van zware tuchtstraf, aangezien de feiten die verzoeker ten laste worden gelegd rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie. IX-3779-2/9 Met een op 2 november 2001 gedateerde brief antwoordt de procureur des Konings dat, hoewel de feiten laakbaar zijn en blijven, de vooropge- stelde tuchtstraf als overdreven voorkomt. 1.
- Op 6 november 2001 beslist de hogere tuchtoverheid een voorstel tot de zware tuchtstraf van de schorsing bij tuchtmaatregel voor een periode van zes weken uit te spreken. Verzoeker ondertekent dat voorstel van zware tuchtstraf voor gezien en ontvangen op 13 november
- Hij stelt op 21 november 2001 bij de tuchtraad een verzoek tot heroverweging in. 1.
- Op 18 december 2002 geeft de tuchtraad zijn advies. Naar zijn oordeel moet aan verzoeker een blaam opgelegd worden. 1.
- Op 14 januari 2003 beslist de hogere tuchtoverheid om, in afwijking van het advies van de tuchtraad, het voorstel van de zware tuchtstraf van de schorsing bij tuchtmaatregel van drie weken uit te spreken. 1.
- Nadat verzoeker zich daarover verweerd heeft, beslist de hogere tuchtoverheid op 21 februari 2003 om verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing bij tuchtmaatregel van drie weken op te leggen. De grond van de zaak
- In het tweede middel voert verzoeker onder meer de schending aan van artikel 38sexies en artikel 24 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet). Hij betoogt dat de tuchtwet drie termijnen bevat: een termijn van dertig dagen waarbinnen de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar een verweer kan indienen tegen het inleidend verslag, een termijn van vijftien dagen waarbinnen de tuchtoverheid een beslissing kan nemen en een termijn van twintig dagen om het advies van de gerechtelijke overheden in te winnen. Omdat de wetgever met het invoeren van dwingende termijnen beoogde de tuchtprocedure binnen een zo kort mogelijke termijn te laten verlopen, heeft de tuchtoverheid de verplichting om haar beslissing ter kennis van de betrokkene te brengen binnen de vijfenveertig dagen na de kennisgeving van het inleidend verslag. De termijn van vijftien dagen voor de IX-3779-3/9 kennisgeving van de beslissing wordt niet gestuit door de vraag om advies aan de gerechtelijke overheden, maar enkel geschorst voor de periode die deze overheid nodig heeft om advies te verlenen. In dit geval heeft verzoeker op 12 september 2001 kennis gekregen van het inleidend verslag en moest de tuchtoverheid ten laatste op 27 oktober 2001 een voorstel van tuchtstraf ter kennis van verzoeker brengen. Die termijn wordt verlengd met het aantal dagen gelegen tussen het aanvragen van het advies van de procureur des Konings -23 oktober 2001- en de ontvangst van dit advies op 6 november 2001, zodat de tuchtoverheid haar beslissing tot 11 november 2001 ter kennis van verzoeker kon brengen. Aangezien de kennisgeving gebeurde op 13 november 2001, moet toepassing gemaakt worden van artikel 38sexies, vierde lid van de tuchtwet, krachtens hetwelk de tuchtoverheid wordt geacht af te zien van de vervolging. Dat was trouwens ook de mening van de tuchtraad.
- De verwerende partij antwoordt daarop dat verzoeker de tuchtwet niet correct interpreteert. Overeenkomstig de bepalingen van de tuchtwet moest de tuchtoverheid uiterlijk op 27 oktober 2001 haar voorstel van zware tuchtstraf aan verzoeker mededelen. In geval krachtens artikel 24 van de tuchtwet het advies van de procureur des Konings vereist is, wordt de kennisgevingstermijn van vijftien dagen evenwel verlengd met twintig dagen, wat betekent dat de tuchtoverheid haar voorstel ter kennis van verzoeker mocht brengen tot 16 november
- Verzoeker redeneert verkeerd wanneer hij de kennisgevingstermijn berekent met inachtneming van de datum waarop de procureur des Konings zijn advies verleend heeft -2 november 2001-, aangezien dat advies nog verzonden moet worden en de tuchtoverheid dat advies nog in haar besluitvormingsproces moet betrekken. Overigens kan de adviserende overheid binnen de twintig dagen nog haar advies wijzigen. Artikel 24, derde lid, van de tuchtwet bepaalt geen maximumtermijn, maar een enige termijn die twintig volle dagen bedraagt, zoals ook uiteengezet in de omzendbrief GPI 17 van 13 maart 2002 aangaande de eenvormige toepassing van de statuten.
- Verzoeker repliceert dat het standpunt van de verwerende partij ingaat tegen de bedoeling van de wetgever. Wanneer advies moet worden inge- wonnen wordt de kennisgevingstermijn waarover de tuchtoverheid beschikt verlengd met de termijn die de procureur de Konings benut heeft en die dus een variabel gegeven vormt. Moet geen advies worden ingewonnen, dan is die termijn bepaald op vijftien dagen; benut de procureur des Konings zijn volledige termijn van twintig dagen, dan heeft de tuchtoverheid geen bijkomende termijn meer. IX-3779-4/9
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog dat artikel 38sexies, vierde lid, slechts gelezen kan worden in de zin dat de termijn waarbinnen de tuchtoverheid een voorstel van zware tuchtstraf ter kennis van het betrokken personeelslid moet brengen in geval van advies verlengd wordt met twintig volle dagen. Geen tekstargument ondersteunt de stelling dat de termijnverlenging beperkt is tot de periode die de adviserende overheid daadwerkelijk gebruikt heeft; integendeel artikel 38sexies, vierde lid, bepaalt dat de termijn van vijftien dagen verlengd wordt met “de termijn” bedoeld in artikel 24, derde lid, en in het andere geval van termijnverlenging waarin die bepaling voorziet wordt uitdrukkelijk gehandeld over “de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen”. Er is ook geen reden om artikel 38sexies, vierde lid, te interpreteren in het voordeel van de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar, want een interpretatie is slechts mogelijk wanneer de tekst interpretatie toelaat, maar hier is de tekst op zich duidelijk. De verwerende partij herhaalt ook nog dat de directie van het personeel - juridische dienst, die verantwoordelijk is voor de uitlegging van de reglementen, in de omzendbrief GPI 17 heeft uiteengezet dat de termijn van vijftien dagen met twintig volle dagen wordt verlengd. Zij voegt aan haar betoog nog toe dat het aanvaarden van een termijnverlening met twintig dagen ook de rechtszekerheid dient omdat er dan geen discussie kan ontstaan over de afloop van de termijn, dat dergelijke termijn niet onredelijk lang is en het precies voor de ambtenaar een voordeel kan vormen dat het bestuur alle aspecten van de zaak terdege in haar besluitvormingsproces betrekt en dat, zoals de overheid moet wachten op de afloop van de termijnen waarover de ambtenaar beschikt, de overheid ook het recht heeft om de termijnen waarover zij beschikt volledig te benuttigen.
- Artikel 24 van de tuchtwet bepaalt de gevallen waarin de tuchtoverheid, alvorens zij een lid van het politiepersoneel van ambtswege ontslaat, het advies moet inwinnen van de minister van Justitie en/of van de procureur des Konings. In dit geval wordt niet betwist dat, voor het opleggen van de bestreden tuchtstraf, het advies van de procureur des Konings vereist was. Overeenkomstig artikel 24, derde lid, van de tuchtwet, wordt het advies verleend “binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van de dag waarop het voorstel tot straf aan de betrokken overheid wordt toegestuurd”.
- Artikel 38sexies van de tuchtwet stelt een vervaltermijn in voor het treffen en het ter kennis brengen, door de hogere tuchtoverheid, van het voorstel om een zware tuchtstraf op te leggen. Zoals de Raad van State heeft uiteengezet in het arrest nr. 153.180 van 23 december 2005 inzake VAN DER SMESSEN moeten IX-3779-5/9 het eerste en het vierde lid van die bepaling samen gelezen worden, wat betekent dat de tuchtoverheid, op straffe van verval van de tuchtprocedure, binnen de termijn bepaald in artikel 38sexies, eerste lid, een voorstel van zware tuchtstraf moet formuleren én ter kennis brengen van het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid. Krachtens artikel 38sexies, vierde lid, van de tuchtwet wordt de termijn van vijftien dagen, bedoeld in het eerste lid, verlengd wanneer voor het opleggen van de tuchtstraf het advies vereist is van de minister van Justitie of van de procureur des Konings. De duur van die verlenging is vastgesteld op “de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid (van de tuchtwet)”.
- Op grond van artikel 38sexies, eerste lid, dient de hogere tuchtoverheid haar beslissing, te dezen de beslissing om een zware tuchtstraf voor te stellen, in beginsel binnen een termijn van vijftien dagen ter kennis te brengen van het betrokken personeelslid. Dit is een vervaltermijn. Op het overschrijden van die termijn volgt de sanctie bedoeld in artikel 38sexies, vierde lid: de hogere tuchtover- heid wordt in een dergelijk geval geacht af te zien van verdere vervolging van de betrokkene. Artikel 38sexies, derde lid, houdt een bijzondere regeling in, die van toepassing is telkens de hogere tuchtoverheid over haar voorstel tot straf de adviezen moet inwinnen, bedoeld in artikel 24, eerste en tweede lid. In die gevallen neemt de hogere tuchtoverheid eerst een voorlopig voorstel aan, en kan zij haar “definitieve beslissing”, dit wil zeggen haar definitief voorstel tot straf (in de Franse tekst “sa proposition de décision”), slechts ter kennis van de betrokkene brengen nadat zij kennis genomen heeft van de adviezen over haar voorlopig voorstel. In die gevallen is er dus, voor de kennisgeving van het definitieve voorstel, een wachtter- mijn. De duur van deze wachttermijn is voor een deel afhankelijk van de tijd die de adviesverlenende instanties in elk individueel geval nodig hebben voor het formuleren en het toesturen van hun advies, maar ze neemt in elk geval een einde op het ogenblik waarop de om advies gevraagde instanties geacht worden geen bijkomend advies te willen formuleren. Gelet op artikel 24, derde lid, verstrijkt de bedoelde wachttermijn dus in elk geval twintig dagen nadat de hogere tuchtoverheid haar voorstel tot straf aan de betrokken overheid of overheden heeft toegestuurd. Artikel 38sexies, vierde lid, dat handelt over de sanctie in geval van het overschrijden van de vervaltermijn bedoeld in het eerste lid, bevat ook een bijzondere regeling voor het geval de bedoelde adviezen zijn ingewonnen. Het IX-3779-6/9 spreekt immers vanzelf dat de hogere tuchtoverheid haar definitief voorstel in veel gevallen niet binnen een termijn van vijftien dagen ter kennis van de betrokkene kan brengen, als zij eerst nog moet wachten op de ingewonnen adviezen of op het verstrijken van een wachttermijn van twintig dagen. De hogere tuchtoverheid moet overigens ook de nodige tijd krijgen om de adviezen te bestuderen en om, in het licht van die adviezen, haar voorlopig voorstel tot straf eventueel te wijzigen. De vervaltermijn van vijftien dagen wordt om die reden verlengd “met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid”. De termijn van vijftien dagen wordt aldus verlengd met twintig dagen, en bedraagt in de bedoelde gevallen dus vijfendertig dagen.
- Samengevat komt het systeem, in de gevallen waarvoor adviezen als bedoeld in artikel 24 worden ingewonnen, neer op het volgende. De tuchtoverheid beschikt over een termijn van vijfendertig dagen om een definitief voorstel aan de betrokkene ter kennis te brengen. Binnen vijftien dagen moet zij echter een voorlopig voorstel formuleren en aan de advies verlenende instanties toesturen. Die instanties beschikken over een termijn van twintig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop het voorstel hen is toegestuurd, om hun advies te geven. Zolang de hogere tuchtoverheid de adviezen niet heeft ontvangen, kan zij haar definitief voorstel van straf niet ter kennis van de betrokkene brengen; die wachttermijn neemt echter in elk geval een einde na de bedoelde twintig dagen. Naargelang de snelheid waarmee de hogere tuchtoverheid haar voorlopig voorstel heeft geformuleerd en toegestuurd én de snelheid waarmee de om advies gevraagde instanties hun advies verleend hebben, beschikt de hogere tuchtoverheid dus over een langere of een kortere termijn om haar definitief voorstel te formuleren en ter kennis van de betrokkene te brengen. In dit systeem heeft het optreden van de advies verlenende instanties dus gevolgen voor de termijn waarover de hogere tuchtover- heid beschikt na de ontvangst van de adviezen (of bij uitblijven ervan), maar kan de betrokkene in alle gevallen rekenen op een rechtszekere termijn van vijfendertig dagen.
- In dit geval is de termijn van vijftien dagen voor het formuleren en het toesturen van een voorlopig voorstel van zware tuchtstraf aan verzoeker beginnen lopen op 12 oktober 2001 -dit is na afloop van de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het inleidend verslag door verzoeker op 12 september 2001-. Hij liep tot 27 oktober
- Binnen die termijn, namelijk op 23 oktober 2001 heeft de hogere tuchtoverheid haar voorlopig voorstel aan de procureur des Konings te Gent toegestuurd. Deze beschikte over twintig dagen, dus tot 12 november 2001, om zijn IX-3779-7/9 advies te verlenen, maar dit advies bereikte de verwerende partij reeds kort na 2 november
- Vanaf dat ogenblik kon de hogere tuchtoverheid haar definitief voorstel ter kennis van verzoeker brengen. Zij had daarvoor tijd tot vijfender- tig dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 38quater, dit is tot 16 november
- De kennisgeving heeft te dezen plaatsgevonden op 13 november
- Het middel is niet gegrond.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat heeft zijn verslag over de zaak overeenkomstig artikel 24, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beperkt tot het onderzoek van het eerste middel. Het onderzoek van de zaak moet voortgezet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. IX-3779-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 juni 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3779-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.152 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.736 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.