id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.153 Rolnummer: A. 188476/IX-5936 Zaak: Arrest 184153 - Penitentiair recht - 12/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-18 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:12 Fiche Arrest nr 184.153 van 12 juni 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.153 van 12 juni 2008 in de zaak A. 188.476/IX-5936. In zake : Najib NAMOUSSI, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te SINT-MICHIELS (Brugge), Walakker 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Najib NAMOUSSI op 7 juni 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van de Directeur van de Strafin- richting Brugge - Mannenafdeling 1 van 2.06.2008 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd : - 3 dagen strafcel, voorlopige maatregel inbegrepen (30/05/2008 om 17.50 u tot 02/06/2008 om 17.50
- u)- Mutatie naar sectie 31 B voor 2 maanden vanaf 02/06/2008 - 1 maand strikt (02/06/2008 tot en met 01/07/2008)”; Gelet op de beschikking van 9 juni 2008 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend voor wat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid betreft; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 juni 2008, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-5936-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. MALFAIT die, loco advocaat N. LORENZETTI verschijnt voor de verzoeker, en van attaché K. VAN DRIESSCHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1. De verzoeker verblijft in de gevangenis te Brugge. Op 29 mei 2008 stelt de gevangenisbeambte een rapport aan de directeur op, lastens de verzoeker, die na een verwittiging blijft roepen door het raam naar cel 3652 van een medegedetineerde. Op 30 mei 2008 stelt een penitentiair beambte een tweede rapport op aan de directeur, dat als volgt luidt: “Bij de lichaamsfouille werd een pakketje gevonden bij bovengenoemde gedetineerde (de verzoeker wordt bedoeld). Hij liet dit pakketje vallen op de grond. Hij zegt dat dit pakketje niet van hem is maar wel van de voorgaande persoon die gefouilleerd werd. Dit is wel onmogelijk daar het lokaal leeg was bij het betreden ervan. Hij wou dat pakketje meenemen naar de wandeling.” Onderzoek van de vordering. 2. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. IX-5936-2/5 2.1. In verband met de eerste voorwaarde blijkt dat de bestreden beslissing dateert van 2 juni 2008, die aan de verzoeker op dezelfde datum wordt ter kennis gebracht, met de omstandigheid dat de verzoeker op 7 juni 2008 een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid indient, zodat hij diligent en alert heeft gehandeld en bijgevolg is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 2.2. Wat de tweede voorwaarde betreft, voert de verzoeker in een enig middel de schending aan van de motiveringsplicht (artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen). Hiertoe citeert hij vooreerst de motivering van de bestreden beslissing en vervolgens geeft hij zijn versie van de feiten weer. De verzoeker stelt ten slotte dat de bestreden beslissing niet steunt op een correcte feitenvinding en aldus de materiële motive- ringsplicht schendt. 2.3.1. Het staat aan de betrokken overheid, te dezen de gevangenisdirec- teur, om de feiten vast te stellen die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of de overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij naar recht en redelijkheid is kunnen uitgaan van de door haar vastgestelde feitelijke gegevens. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de gevangenisdirecteur ervan uitgaat dat de feiten beschreven in de tuchtrapporten van 29 mei en 30 mei 2008 zijn bewezen. De Raad van State stelt op het eerste gezicht vast dat de gevangenisdirecteur naar recht en redelijkheid is kunnen uitgaan van het feitenrelaas zoals dit in de tuchtrapporten is weergegeven. Dit blijkt uit wat volgt: Op 30 mei 2008 stelt de gevangenisbeambte vast dat naar aanleiding van een lichaamsfouille uitgevoerd bij de verzoeker, een pakketje wordt gevonden, dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid drugs bevat. Dit geeft de verzoeker toe, want op bladzijde drie van zijn verzoekschrift staat te lezen: “Bovendien bevatte het pakketje blijkbaar drugs, zodat er ook strafrechtelij- ke gevolgen zullen zijn”. IX-5936-3/5 De verzoeker betwist niet dat hij op 30 mei 2008 in een apart lokaal werd gefouilleerd en dat er een verdacht pakje werd gevonden op de vloer van dit lokaal. Hij beweert evenwel dat dit pakje toebehoort aan een mede- gedetineerde, waarvan hij de identiteit vermeldt. De verzoeker kan dit evenwel niet bewijzen vermits de gevangenisbeambte die hem fouilleerde het verdachte pakketje heeft gevonden en de verzoeker naar aanleiding van de fouille het pakje liet vallen op de grond. Dit is een logische en coherente opeenvolging van feiten die de gevangenisbeambte weergeeft naar aanleiding van een fouille op de persoon van de verzoeker. Bijgevolg heeft de penitentiaire overheid aan correcte feitenvinding gedaan. Het fouilleren van de verzoeker gebeurde eveneens in aanwezigheid van twee ooggetuigen, wier identiteit vermeld wordt in voornoemd rapport van 30 mei 2008. De penitentiaire overheid kon te dezen niet uitgaan van het relaas van de feiten, zoals de verzoeker dit weergeeft, omdat het relaas niet beantwoordt aan de regels van de elementaire chronologie en logica van wat er naar aanleiding van een fouille kan gebeuren, met name het vinden op het lichaam van de gefouilleerde van een verdacht pakje. De vaststellingen van de penitentiair beambte naar aanleiding van de fouille vinden tevens steun in het niet-betwist feit dat de verzoeker blijkbaar goed bekend is met een medegevangene, die drugs dealt binnen de gevangenismuren en wiens identiteit wordt vermeld in het eerste tuchtrapport. De verzoeker geeft geen redelijke uitleg voor zijn versie die de aanwezigheid impliceert van twee gedetineer- den in een apart lokaal wanneer een fouille wordt uitgevoerd en evenmin betreffen- de de omstandigheid dat het verdachte pakketje zou zijn aangetroffen bij de medegedetineerde, terwijl het werd gevonden door de penitentiair beambte bij de fouille van de verzoeker. Bijgevolg is de motivering van de bestreden beslissing, op het eerste gezicht pertinent, deugdelijk en afdoend. Die motivering luidt als volgt: “Overwegende dat betrokkene de feiten ontkent. Overwegende dat het personeel nogmaals formeel bevestigd(
- t)dat er niets in het lokaal lag op het moment dat de heer Namoussi binnenging. De gevonden zaken kunnen bijgevolg onmogelijk van een andere gedetineerde afkomstig zijn. De gevonden substantie lag open en bloot zichtbaar dus ook niet verstopt waardoor het niet kan dat de beambten erover zouden gekeken hebben. Overwegende dat er discussie was over de plaats van het lokaal maar dat dit over begripsverwarring gaat. De gedetineerde noemt dit de berging, het personeel noemt dit het douchelokaal personeel. Bijgevolg is de inhoud van het RAD correct. Overwegende dat de feiten als bewezen kunnen beschouwd worden. Overwegende dat drugs in de inrichting niet getolereerd kan worden. Overwegende dat de orde en de veiligheid in het gedrang is gekomen.” IX-5936-4/5 2.3.2. Bijgevolg is het enig middel niet ernstig en is niet voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 12 juni 2008, door : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-5936-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.153 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.113 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div