← België

Arrest 184204 - Personeel van de rechterlijke orde - 16/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.204 Rolnummer: A. 161066/IX-4836 Zaak: Arrest 184204 - Personeel van de rechterlijke orde - 16/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:13 Fiche Arrest nr 184.204 van 16 juni 2008 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.204 van 16 juni 2008 in de zaak A. 161.066/IX-

  1. In zake : Stefaan DESMET, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door:
  2. de minister van Justitie,
  3. de Hoge Raad voor de Justitie, die woonplaats kiezen bij advocaten P. PEETERS en A. VANDAELE, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/
  4. tussenkomende partij : Yves KEPPENS, die woonplaats kiest bij advocaat D. DEWANDELEER, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Stefaan DESMET op 21 maart 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
  6. de voordracht op 30 november 2004 door de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie van Yves KEPPENS voor het mandaat van procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne;
  7. het koninklijk besluit van 21 januari 2005 waarbij Yves KEPPENS wordt benoemd tot substituut-procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne en wordt aangewezen voor het mandaat van procureur des Konings voor een mandaat van zeven jaar; IX-4836-1/39 Gelet op het arrest nr. 146.722 van 27 juni 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 18 juli 2005 door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van Yves KEPPENS; Gelet op de beschikking van 5 september 2005 die de tussenkomst van Yves KEPPENS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 mei 2008, datum waarop de zaak wordt uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 19 mei 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LUST, die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat A. VANDAELE die verschijnt voor de verwerende partij en van advocaat D. DEWANDELEER die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, IX-4836-2/39 OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  8. Op het ogenblik van de bestreden besluiten is de verzoeker eerste substituut-procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne. 1.
  9. Op 16 augustus 2004 wordt in het Belgisch Staatsblad de vacature bekendgemaakt van het mandaat van procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne vanaf 1 februari
  10. De tussenkomende partij, die substituut-procureur-generaal is bij het Hof van Beroep te Brussel, stelt zich kandidaat op 13 september
  11. De verzoeker doet hetzelfde op 14 september
  12. Een derde persoon is eveneens kandidaat. 1.
  13. Over de kandidatuur van de verzoeker worden de volgende adviezen gegeven: - de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne geeft op 18 oktober 2004 een gunstig advies; - de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent geeft op 20 oktober 2004 een gunstig advies; - de stafhouder van de Orde van advocaten te Veurne geeft op 20 oktober 2004 het advies “uitstekend geschikt”. Over de kandidatuur van de tussenkomende partij worden de volgende adviezen gegeven: - de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne geeft op 18 oktober 2004 een gunstig advies; - de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel geeft op 8 oktober 2004 een gunstig advies; - de vertegenwoordiger van de Nederlandse Orde van advocaten te Brussel geeft op 21 oktober 2004 het advies “zeer geschikt”. 1.
  14. Op 30 november 2004 draagt de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie de tussenkomende IX-4836-3/39 partij voor. In zoverre de motivering van die voordracht betrekking heeft op de tussenkomende partij en de verzoeker, luidt ze als volgt: “Yves Keppens behaalde in 1978 het diploma van licentiaat in de rechten. In 1982 behaalde hij met onderscheiding een bijkomend diploma van gegradueerde in de fiscale wetenschappen. Na zijn studie was hij advocaat tot september
  15. Tijdens deze periode was hij een aantal jaren plaatsvervangend rechter in het vredegerecht van het kanton Asse. Bij koninklijk besluit van 4 augustus 1994 werd hij benoemd tot substituut- procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Na een korte periode in de basissecties van het parket, werd hij ingezet in de financiële en fiscale afdeling van het Brusselse parket. Als substituut-procureur des Konings gaf hij blijk van de nodige inzet, en toonde hij aan verstandig, snel en efficiënt te kunnen werken. Bij koninklijk besluit van 20 augustus 2000 werd hij benoemd tot substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, met als taken de zittingen van de kamer van inbeschuldigingstelling (alle materies) met inbegrip van de zg. ‘Franchimont-procedures’, de correctionele zittingen in zaken van financieel-fiscale aard, de door het koninklijk besluit van 6 mei 1997 aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel toegewezen specifieke taken, alsook het toezicht op de financiële afdelingen van de parketten van het ressort. Van 15 januari 2004 tot 30 juni 2004 was hij, in toepassing van artikel 326, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, door de procureur-generaal gedelegeerd naar het parket bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, om de zittingen van de 52ste correctionele kamer waar te nemen en de opvolging te verzekeren van specifieke onderzoeksdossiers van de afdeling FIN. Hij is lid van het expertisenetwerk financiële, fiscale en economische criminaliteit ingesteld door het College van procureurs-generaal. In overleg met de bijstandmagistraat staat hij in voor een samenhangend beleid en voor de coördinatie met de gespecialiseerde instellingen en diensten. Hij volgt momenteel een specifieke opleiding voor magistraten inzake managementtechnieken. Van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel krijgt hij een gunstig advies. De procureur-generaal stelt dat Yves Keppens, weliswaar na een aanpassingsperiode, de intellectuele en menselijke hoedanigheden die hem kenmerkten op het parket bij de rechtbank van eerste aanleg heeft bevestigd. Hij vervult al zijn taken met zin voor evenwicht en doorzicht. “De vernieuwde oriëntatie die de kandidaat aan zijn loopbaan wil geven zal ongetwijfeld een vernieuwde aanpassing vergen. [Yves] Keppens getuigt echter van idealisme en heeft een goede ingesteldheid. Hij is zich ook terdege bewust van de maatschappelijke taak van het openbaar ministerie en moet in staat zijn om met de bekwaamheid de leiding waar te nemen van een parket. De procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne sluit zich voor de beoordeling van de beroepsbekwaamheid en de geschiktheid voor het geambieerde ambt van Yves Keppens aan bij het advies van de procureur- generaal bij het hof van beroep te Brussel. Verder merkt hij op dat Yves IX-4836-4/39 Keppens een zekere maturiteit geniet en een zelfzekere en vastberaden indruk nalaat. De conclusie van zijn advies is gunstig. Volgens de vertegenwoordiger van de Brusselse balie is Yves Keppens een gedreven en efficiënt werkend parketmagistraat die streeft naar een evenwichtige combinatie van het beleidsmatig werk met het operationele werk en het terrein. Mede door zijn evenwichtige en nuchtere aanpak van de problemen, beschikt hij over de vereiste vaardigheden en kwaliteiten om een korps te leiden. De op een grootstedelijk parket verworven ervaring moet hem bijzonder goed wapenen om de taken aan te kunnen die hem in het ‘landelijke’ Veurne te wachten staan. Yves Keppens blijkt een zeer geschikte kandidaat te zijn om het ambt waar te nemen dat hij nastreeft. In zijn realistisch en rationeel beleidsplan toont Yves Keppens aan te beschikken over een duidelijk en realistisch beeld van de actuele situatie van het Veurnse parket en het gerechtelijk arrondissement Veurne. Met een kwaliteitsvolle openbare dienstverlening als uitgangspunt geeft zijn beleidsplan blijk van een duidelijke visie op het functioneren van een procureur des Konings van een parket zoals te Veurne, alsook op het functioneren van het parket als geheel. Zonder de concrete actuele situatie van het Veurnse parket te miskennen, slaagt hij erin om de nodige prioriteiten en doelstellingen voorop te stellen en een toekomstgerichte visie te ontwikkelen waarbij hij erin slaagt om afstand te nemen van de dagdagelijkse praktijk en zich te concentreren op de hoofdlijnen en het lange-termijnbeleid. Opvallend is ook de nadruk die wordt gelegd op het belang van samenwerking, overleg en communicatie, zowel intern als extern, zowel verticaal (naar het parket-generaal toe) als horizontaal (met alle andere lokale actoren). De beschikbare gegevens laten de commissie toe te besluiten dat Yves Keppens ongetwijfeld in staat moet worden geacht om op een integere wijze en met visie de groepsgerichte leiding van het parket bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne op zich te nemen. Het dossier en de persoonlijkheid laten dan ook toe vast te stellen dat Yves Keppens de nodige competenties bezit die volgens het standaardprofiel vereist zijn om de opdracht van procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne te vervullen, en bieden de nodige garantie dat deze kandidaat de vereiste bekwaamheid en geschiktheid heeft om de functie van procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne met succes uit te oefenen. [...] Stefaan Desmet heeft ervaring verworven als advocaat, substituut-procureur des Konings en eerste substituut-procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Hij is de persmagistraat van het Veurnse parket. Van de drie kandidaten is hij reeds het langst benoemd als magistraat. Als substituut-procureur des Konings en eerste substituut-procureur des Konings heeft hij zich een duidelijk beeld kunnen vormen van de manier waarop het Veurnse parket functioneert en welke wijzigingen noodzakelijk zijn om nog performanter te werken. Hij heeft reeds ervaring met leiding geven en beleidsmatige materies. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat hij zich wel heeft ingeschreven voor de specifieke opleiding voor magistraten inzake managementtechnieken, maar dat hij deze opleiding niet effectief volgt. Van de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne krijgt hij een gunstig advies. De procureur wijst in zijn advies onder meer op de ruime gediversifieerde ervaring van Stefaan Desmet, zijn besluitvaardigheid en zijn ervaring inzake leidinggeven, maar vestigt er de aandacht op dat zijn bondige IX-4836-5/39 en zakelijke ‘communicatiestijl samen met zijn individualistische ingesteldheid soms afgedaan wordt als een gebrek aan teamgeest’. Het gunstig advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent bevat een aantal opmerkingen in dezelfde zin waaruit blijkt dat de communicatie met bepaalde collega’s moeilijk verloopt en dat de indruk bestaat dat betrokkene het moeilijk heeft in teamverband te werken. Ook met de leden van de parketadministratie verloopt de verstandhouding in bepaalde omstandigheden blijkbaar nogal stroef en autoritair. Terecht merkt de procureur-generaal op dat van een korpsoverste in een klein parket mag worden verwacht, en zelfs meer dan noodzakelijk is, dat hij zijn medewerkers in hoge mate motiveert en gerezen conflicten via communicatie probeert op te lossen. ‘Betrokkene zal bijgevolg ingeval van aanwijzing tot korpschef een bijzondere inspanning moeten leveren om met veel diplomatie en soepelheid eventuele problemen dienaangaande derwijze op te lossen dat het parket te Veurne als een harmonieus werkend team functioneert, zonder dat daarvoor een beroep moet worden gedaan op de soms (vaak ook ten onrechte) verouderd overkomende principes van de strakke, stroeve en autoritaire hiërarchie’. De procureur-generaal wijst er in zijn advies op dat een korpschef er over moet waken voldoende discreet op te treden teneinde zowel interne als externe conflicten te vermijden (er werd recent een schriftelijke aandachtvestiging aan het adres van Stefaan Desmet gestuurd dat hij zijn ambt met discretie dient uit te oefenen). De vertegenwoordiger van de Veurnse balie acht Stefaan Desmet uitstekend geschikt. Ook uit het beleidsplan van Stefaan Desmet blijkt dat hij een duidelijke en gedetailleerd beeld heeft van de werking van het parket te Veurne. Vertrekkende vanuit deze concrete kennis schenkt hij op een projectmatige manier aandacht aan de lokale noden en knelpunten, rationalisering en kwaliteit, alsook aan de interne en externe samenwerking en communicatie, en ontwikkelt hij een visie waarin efficiëntie en effectiviteit de sleutelelementen lijken. Ook bij Stefaan Desmet kan worden opgemerkt dat zijn beleidsplan lijkt te getuigen van een vaste wil om het sedert jaren gevolgde beleid, mits een aantal moderniseringen, verder te zetten. Een keuze die misschien is te verklaren door het feit dat het parket te Veurne op het vlak van de aanpak van de criminaliteit het reeds lang goed tot zeer goed doet en dat dit parket op het vlak van interne organisatie sterk de stempel van de huidige korpschef droeg, van wie de visie door Stefaan Desmet steeds correct werd uitgevoerd. Op grond van het bovenstaande is de commissie van oordeel dat de persoonlijkheid en de competenties van Yves Keppens beter aansluiten bij diegene die volgens het standaardprofiel vereist zijn om de opdracht van procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne te vervullen, dan de competenties waarover Stefaan Desmet ongetwijfeld beschikt. De commissie is van oordeel dat van Yves Keppens met grotere zekerheid kan worden aangenomen dat hij over meer ontwikkelde competenties beschikt inzake groepsgericht leiderschap. Zonder afbreuk te doen aan de verdiensten van [Stefaan Desmet] en zonder te stellen dat hij nodeloos autoritair optreedt, blijkt uit de beschikbare gegevens immers ontegensprekelijk dat een eventuele aanwijzing van Stefaan Desmet in zijn hoofde een bijzondere inspanning zal vereisen om een visie te ontwikkelen of concrete standpunten in te nemen die door iedereen worden gedragen, waarbij toegevingen langs beide zijden noodzakelijk zullen zijn. Daarenboven onderscheidt Yves Keppens zich van deze kandidaat door zijn inhoudelijk gunstigere adviezen.” Dit is de eerste bestreden handeling. 1.
  16. Bij koninklijk besluit van 21 januari 2005 wordt de tussenkomende partij benoemd tot substituut-procureur des Konings bij de IX-4836-6/39 Rechtbank van eerste aanleg te Veurne en tevens aangewezen voor het mandaat van procureur des Konings bij deze rechtbank, voor een termijn van zeven jaar. De motivering van de Hoge Raad voor de Justitie wordt integraal overgenomen. Dit is de tweede bestreden handeling. Het koninklijk besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 januari
  17. Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
  18. De verwerende en de tussenkomende partij werpen in hun memorie een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op in zoverre het gericht is tegen de voordracht van de Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie van 30 november
  19. Onder verwijzing naar het arrest nr. 136.607, Van den Berghe, van 25 oktober 2004 en het in deze zaak gewezen arrest nr. 146.722 van 27 juni 2005 waarbij de vordering tot schorsing verworpen wordt, voeren zij aan dat de uitbreiding van de bevoegdheid van de Raad van State -met de wet van 25 mei 1999 tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, alsook van het Gerechtelijk Wetboek- ten aanzien van administratieve rechtshandelingen van de Hoge Raad voor de Justitie beperkt is tot administratieve handelingen met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel. Aangezien de eerste bestreden beslissing noch de gunning van een overheidsopdracht betreft, noch betrekking heeft op een lid van het personeel van de Hoge Raad voor de Justitie, is het beroep, aldus de verwerende en de tussenkomende partij, in die mate niet ontvankelijk. 2.
  20. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat het de vraag is of met de wetswijziging van 25 mei 1999 een wijziging werd aangebracht in het begrip “administratieve overheden”, bedoeld in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dan wel of dit, wat de Hoge Raad voor de Justitie betreft, een nutteloze toevoeging is geweest. Dit laatste lijkt, zo vervolgt de verzoeker, impliciet doch noodzakelijk het oordeel van de Raad van State te zijn geweest in het arrest nr. 121.013, Hooghe, van 26 juni 2003, vermits aldaar wel de schorsing van een voordracht door de benoemingscommissie werd bevolen. Het staat vast dat de Hoge Raad voor de Justitie niet tot de rechterlijke macht behoort en IX-4836-7/39 evenmin tot de wetgevende macht, zodat hij prima facie bij de uitvoerende macht en dus tot de administratieve overheden moet worden ondergebracht “vermits ons constitutioneel systeem geen vierde macht noch een soort amfibiemacht kent”. De verzoeker besluit dat het wellicht beter is te zeggen dat een voordracht op zich alleen niet kan worden bestreden, maar wel samen met de eindbeslissing van de Koning, althans wanneer deze het advies geheel tot zich heeft genomen. 2.
  21. Op het ogenblik dat het voorliggende beroep werd ingesteld, bepaalde artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat de afdeling administratie, thans de afdeling bestuursrechtspraak, van de Raad van State kennis neemt van beroepen tot nietigverklaring ingesteld “tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, alsook tegen de administratieve handelingen van wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblées, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad van de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel”. Uit dat laatste zinsdeel kan worden afgeleid dat de Hoge Raad voor de Justitie geen administratieve overheid is en niet als zodanig optreedt wanneer hij andere handelingen verricht dan die welke er expliciet in worden vermeld. De Hoge Raad voor de Justitie treedt met name niet op als administratieve overheid wanneer zijn benoemings- en aanwijzingscommissie, zoals in de voorliggende zaak, voordrachten doet aan de Koning met het oog op de benoeming of de aanwijzing van magistraten. Er weze overigens opgemerkt dat die Raad ook apart wordt vermeld in de Grondwet, en zulks noch onder de wetgevende, de uitvoerende of de rechterlijke macht. Een voordracht van een kandidaat door de benoemings- of aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie is derhalve niet rechtstreeks aanvechtbaar voor de Raad van State. Het voorgaande neemt niet weg dat een verzoeker tegen de benoeming of de aanwijzing van een kandidaat die door de benoemings- en aanwijzingscommissie is voorgedragen, desgevallend wel de onwettigheid van die voordracht kan aanvoeren. De Raad van State kan derhalve indirect controle uitoefenen op de voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie. De exceptie is gegrond. IX-4836-8/39 Over de gegrondheid van het beroep 3.
  22. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 259nonies, vijfde, zesde en laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. De verzoeker stelt dat hij het voorwerp is geweest van een evaluatieprocedure als adjunct-mandaathouder voor de periode van 11 januari 2000 tot september
  23. Volgens de verzoeker is die evaluatie, die werd uitgevoerd door substituut-procureur des Konings E.W., met wie hij een minder vlotte relatie heeft, niet verlopen overeenkomstig artikel 259nonies, vijfde en zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Er heeft immers geen functioneringsgesprek plaatsgevonden. Bovendien is de beoordeling niet gebeurd volgens de criteria die zijn bepaald in het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging. Bij het onderhoud van de verzoeker met de procureur-generaal is gebleken dat deze in het bezit was van een kopie van verzoekers evaluatie. Het advies van de procureur-generaal gaat volgens de verzoeker geheel uit van wat in het definitief evaluatierapport vermeld is en de voordracht van de benoemings- en aanwijzingscommissie is op zijn beurt in belangrijke mate gesteund op het advies van de procureur-generaal. Daarbij is ook de confidentialiteit van de evaluatie geschonden, doordat de uittredende procureur des Konings de evaluatie heeft overgemaakt aan de procureur-generaal. 3.
  24. De verwerende partij repliceert dat de verzoeker niet aannemelijk maakt dat het advies van de procureur-generaal gebaseerd zou zijn op het evaluatieverslag. De verwijzing naar het evaluatieverslag is volgens haar volkomen bijkomstig. Ook meent de verwerende partij dat het bestreden benoemingsbesluit niet is gesteund op het evaluatieverslag. Zij wijst erop dat het evaluatieverslag geen deel uitmaakt van het administratief dossier, wat erop wijst dat er geen rekening mee werd gehouden. 3.
  25. De tussenkomende partij is van oordeel dat het middel niet ontvankelijk is. Een vormelijk gebrek bij de evaluatie zou immers niet tot de nietigverklaring van haar aanwijzing tot procureur des Konings kunnen leiden. IX-4836-9/39 Voorts stelt de tussenkomende partij dat mevrouw E.W. regelmatig tot plaatsvervangend evaluator werd aangesteld en dat de verzoeker destijds geen bezwaar tegen haar aanstelling heeft gemaakt. De verzoeker heeft ook geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om schriftelijke opmerkingen te maken bij de voorlopige beoordeling, zodat die beoordeling hem als definitieve beoordeling werd betekend. De tussenkomende partij betwist eveneens dat aan de evaluatie van de verzoeker geen functioneringsgesprek zou zijn voorafgegaan en dat geen rekening zou zijn gehouden met de door het koninklijk besluit van 20 juli 2000 bepaalde criteria. Zij betwist dat het advies van de procureur-generaal en de voordracht van de benoemingscommissie zouden gebaseerd zijn op het evaluatieverslag. Zij is bovendien van oordeel dat de mededeling van een kopie van het evaluatieverslag aan de procureur-generaal de vertrouwelijkheid daarvan niet in het gedrang brengt. 3.
  26. In zijn memorie van wederantwoord houdt de verzoeker staande dat het evaluatieverslag een belangrijke rol heeft gespeeld bij de beoordeling van de kandidaten. Hij meent dat hij zonder dat verslag een zeer gunstig advies van de procureur-generaal zou hebben verkregen. Voorts merkt de verzoeker op dat de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging bij arrest nr. 144.185, Lambrecht, van 9 mei 2005 vernietigd werden. Uit dit arrest moet volgens de verzoeker worden afgeleid dat het ganse koninklijk besluit ongrondwettig is. De evaluatie van de verzoeker is bijgevolg op onwettige wijze verlopen en de bestreden beslissing die mede op het evaluatieverslag is gesteund, is dus eveneens onwettig. 3.
  27. In zijn laatste memorie weerlegt de verzoeker uitgebreid de conclusies uit het verslag van de auditeur-verslaggever. De auditeur volgt in zijn verslag de stelling van de verwerende en de tussenkomende partij dat de evaluatie van de verzoeker geen doorslaggevend IX-4836-10/39 element was in het kader van de betwiste aanwijzingsprocedure. Hij stelt dat uit het advies van de procureur-generaal niet blijkt dat deze zich door verzoekers evaluatie gebonden zou hebben geacht en dat evenmin uit de voordrachtakte van de benoemings- en aanwijzingscommissie blijkt dat de evaluatie van de verzoeker bepalend is geweest. De auditeur-verslaggever besluit dan ook dat de eventuele onwettigheid van verzoekers evaluatie niet tot de onwettigheid van de betwiste aanwijzingsprocedure zou kunnen leiden. De verzoeker bestrijdt deze stelling en voert aan dat het voor de gegrondverklaring van het middel volstaat dat de evaluatie mogelijks medebepalend is geweest. Hij stelt dat in redelijkheid niet ontkend kan worden dat de eindbeslissing anders had kunnen zijn, indien de aangehaalde onwettigheid niet begaan zou zijn of het bekritiseerde evaluatieverslag zich niet in het dossier had bevonden. Waar de auditeur, in antwoord op de stelling van de verzoeker dat geen functioneringsgesprek heeft plaatsgehad, verwijst naar de brief van 21 september 2004 waarbij de voorlopige evaluatie door de voormalige procureur des Konings aan de verzoeker werd toegezonden, waarin uitdrukkelijk sprake is van “uw voorlopige evaluatie opgesteld naar aanleiding van het functionerings- en evaluatiegesprek”, repliceert de verzoeker dat zelfs indien men aanneemt dat aan de evaluatie zulk gesprek is voorafgegaan, vaststaat dat dit gesprek niet op legitieme wijze heeft plaatsgevonden. Op de schriftelijke neerslag van dit gesprek mag geen acht worden geslagen; hetzelfde geldt voor het evaluatierapport van de tussenkomende partij. Beide verslagen zijn immers tot stand gekomen ingevolge een procedure die in strijd was met artikel 151, § 6, van de Grondwet. De verzoeker wijst in dit verband nogmaals op het arrest Lambrecht, nr. 144.185, van 9 mei 2005, waarmee de Raad van State de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging heeft vernietigd. De evaluaties zijn volgens de verzoeker ongrondwettig en aangezien het bestreden besluit genomen is met inachtneming van die ongrondwettige rapporten, is het eveneens ongrondwettig. Waar de auditeur in zijn verslag stelt dat de verzoeker niet aantoont en dat evenmin blijkt dat diens evaluatie zou zijn gebeurd op grond van andere criteria dan deze bepaald in artikel 4 van het genoemde koninklijk besluit en de bijlage 20 ervan, en hij er tevens op wijst dat de verzoeker geen gebruik heeft gemaakt van de door artikel 259nonies, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek geboden mogelijkheid om opmerkingen aan zijn beoordeling toe te voegen, repliceert de verzoeker dat talrijke gedragsindicatoren nooit ter sprake zijn gekomen IX-4836-11/39 en niet onder ogen zijn genomen. Bovendien meent de verzoeker dat hij geen enkel belang had om zijn bezwaarrecht uit te oefenen, aangezien hij de beste beoordeling (“goed”) had verkregen en een bezwaar deze score niet kon verbeteren. Voorts betwist de verzoeker de stelling van de auditeur- verslaggever dat de nietigverklaring van de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 niet tot gevolg heeft dat zijn evaluatie als onwettig moet worden beschouwd, op grond dat zijn evaluatie ook een rechtsgrond vindt in de artikelen 259nonies en 259undecies van het Gerechtelijk Wetboek en in de niet vernietigde bepalingen van het koninklijk besluit van 20 juli
  28. Evenmin aanvaardt de verzoeker de stelling van de auditeur dat uit voormeld arrest niet kan worden afgeleid dat de niet-vernietigde bepalingen van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 ongrondwettig zouden zijn. Waar de auditeur-verslaggever ten slotte stelt, onder verwijzing naar een doelstelling van de evaluatie als omschreven in de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem, dat het vertrouwelijk karakter van de evaluatie niet uitsluit dat een kopie van verzoekers evaluatie aan de procureur-generaal wordt medegedeeld, antwoordt de verzoeker dat artikel 259nonies, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek gedetailleerd regelt waar de evaluatierapporten moeten worden bewaard, wie er een kopie van krijgt en wie er toegang toe heeft. De verzoeker wijst erop dat de procureur-generaal tot geen van deze categorieën behoort. Bovendien wordt de doelstelling waarnaar de auditeur in zijn verslag verwijst, namelijk de aanwending bij benoemingsprocedures, volgens de verzoeker afdoende gerealiseerd door de rapporten ter beschikking te stellen van de minister die uiteindelijk verantwoordelijk is voor de benoemingen en de aanwijzingen. Dat het evaluatierapport van de verzoeker te dezen niet was toegevoegd aan het dossier dat de minister aan de Hoge Raad voor de Justitie ter beschikking heeft gesteld kan niet op het conto van de verzoeker geschreven worden. 3.6.
  29. Uit de door de verzoeker neergelegde stukken blijkt dat de uittredende procureur des Konings en E.W., substituut van de procureur des Konings, ten aanzien van de verzoeker op 1 oktober 2004 een definitieve evaluatie voor de periode van 11 januari 2001 tot 1 september 2004 hebben opgemaakt. Het IX-4836-12/39 evaluatieverslag, dat besluit met de eindbeoordeling “goed”, bevat, naast een reeks positieve vermeldingen, de volgende kritische opmerkingen: “Zijn luisterbereidheid wordt niet hoog ingeschat. (...) Tegenover administratief personeel is hij veelal gebiedend. (...) Zijn overtuigingskracht is louter autoritair. (...) Teamgeest is hem vreemd, als individualist betracht hij eerder zijn werkterrein af te bakenen.” Die evaluatie is door de procureur des Konings op 1 oktober 2004 vertrouwelijk meegedeeld aan de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent. Volgens de verzoeker zou het advies dat de procureur-generaal op 20 oktober 2004 over zijn kandidatuur heeft uitgebracht op dit evaluatieverslag gebaseerd zijn. Dit zou met name blijken uit de volgende overwegingen van dat advies: “Eveneens is geweten dat de communicatie met bepaalde van zijn collega’s moeilijk verloopt waardoor in ieder geval de indruk ontstaat dat betrokkene het moeilijk heeft in teamverband te werken. Ook met de leden van de parketadministratie verloopt de verstandhouding in bepaalde omstandigheden nogal stroef en autoritair. Naar aanleiding van het onderhoud dat ik had met deze kandidaat, werd op deze persoonlijkheidskenmerken verder ingegaan. Betrokkene houdt voor dat enkele negatieve opmerkingen over zijn persoon - overigens eveneens terug te vinden in zijn evaluatie - eerder het gevolg zijn van het bestaande evaluatiesysteem, waarbij jongere collega’s, met een minder lange professionele ervaring worden betrokken en waarbij het uiteindelijk hun visie over bepaalde aangelegenheden is die het haalt, ongeacht of deze nu al dan niet juist is. Tijdens ons onderhoud meldde hij mij nochtans dat hij geen gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheden hem geboden door artikel 259 nonies, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek om een aantal opmerkingen van de evaluatoren recht te zetten; anderzijds toont hij zich - en hij zal wellicht niet de enige zijn - voorstander (ook in zijn beleidsplan) van een herziening van de regels inzake magistratenevaluatie. Van een korpsoverste in een klein parket mag verwacht worden dat hij zijn medewerkers in hoge mate motiveert en gerezen onderlinge conflicten via communicatie probeert op te lossen; in een kleine entiteit is het immers meer dan noodzakelijk dat de medewerkers in de beste verstandhouding blijven samenwerken en is het één van de belangrijkste taken van de korpschef om dit te bewerkstelligen. Betrokkene zal bijgevolg ingeval van aanwijzing tot korpschef een bijzondere inspanning moeten leveren om met veel diplomatie en soepelheid eventuele problemen dienaangaande derwijze op te lossen dat het parket te Veurne als een harmonieus werkend team functioneert, zonder dat daarvoor beroep moet worden gedaan op de soms (vaak ook ten onrechte) verouderd overkomende principes van de strakke, stroeve en autoritaire hiërarchie.” IX-4836-13/39 3.6.
  30. De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten dat de evaluatie van de verzoeker een doorslaggevend element zou zijn geweest in het kader van de betwiste aanwijzingsprocedure. Het is inderdaad juist dat uit het advies van de procureur-generaal niet blijkt dat deze zich door die evaluatie gebonden zou hebben geacht. De woorden “overigens eveneens terug te vinden in zijn evaluatie” wijzen erop dat veeleer ten overvloede naar dat evaluatieverslag is verwezen. Ook uit de voordrachtsakte van de benoemings- en aanwijzingscommissie blijkt niet dat de evaluatie van de verzoeker bepalend is geweest. Niettemin kan moeilijk ontkend worden dat de procureur-generaal bij het geven van zijn advies rekening gehouden heeft met het evaluatieverslag, al was het maar ter bevestiging van wat hij wist uit andere, niet nader gepreciseerde bronnen. Het kan dan ook niet uitgesloten worden dat, gelet op de concrete omstandigheden, de eventuele onwettigheid van verzoekers evaluatie, als één van de feitelijke gegevens van het dossier, tot de onwettigheid van de betwiste aanwijzing zou moeten leiden. Er dient dan ook ingegaan te worden op de grieven die de verzoeker tegen de evaluatie inroept. In zoverre de tussenkomende partij de ontvankelijkheid van het middel betwist, kan die exceptie niet worden aangenomen. 3.6.
  31. De verzoeker laat tegen zijn evaluatie vooreerst gelden dat er geen functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden. Die bewering wordt evenwel tegengesproken door de brief van 21 september 2004 waarbij de voorlopige evaluatie door de voormalige procureur des Konings aan verzoeker werd toegezonden. In die brief is uitdrukkelijk sprake van “uw voorlopige evaluatie opgesteld naar aanleiding van het functionerings- en evaluatiegesprek”. De bewering dat er geen functioneringsgesprek zou hebben plaatsgehad, mist derhalve feitelijke grondslag. Voorts stelt de verzoeker dat de evaluatie niet zou zijn gebeurd “aan de hand van de indicatoren per criterium, zoals bepaald in artikel 4 van het uitvoeringsbesluit en de bijlage 20 ervan”. De verzoeker toont evenwel niet aan, en de Raad van State ziet ook niet in, dat hij op grond van andere dan de daarin vermelde criteria zou zijn geëvalueerd. De verzoeker heeft overigens geen gebruik gemaakt van de door artikel 259nonies, zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek geboden mogelijkheid om hieromtrent opmerkingen aan de voorlopige evaluatie toe IX-4836-14/39 te voegen. Dat de eindbeoordeling (“goed”) van de verzoeker niet verbeterd kon worden door het aanbrengen van opmerkingen, is te dezen zonder belang. 3.6.
  32. In zijn memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie wijst de verzoeker op het arrest nr. 144.185, Lambrecht, van 9 mei 2005, waarbij de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 tot vaststelling van de nadere regels voor de evaluatie van magistraten, de evaluatiecriteria en hun weging zijn vernietigd. Anders dan de verzoeker stelt, volgt uit dit vernietigingsarrest niet zonder meer dat zijn evaluatie onwettig zou zijn. De Raad van State heeft immers enkel de bepalingen van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 vernietigd die verband houden met het functioneringsgesprek bij de aanvang van de evaluatieperiode (artikel 7) en het evaluatiegesprek op het einde van de evaluatieperiode (artikel 8). De Raad van State heeft die beslissing meer in het bijzonder gesteund op de overweging “[dat] in het vijfde lid van artikel 259nonies, [van het Gerechtelijk Wetboek] dat specifiek over de evaluatiecriteria en hun weging handelt, bezwaarlijk een rechtsgrond kan worden gevonden voor de bepaling in de artikelen 7 en 8 van het bestreden besluit waarbij de geëvalueerde opgelegd wordt verslagen van functioneringsgesprekken en schriftelijke voorbereidingen op evaluatiegesprekken te bezorgen aan zijn evaluatoren of reeds een functioneringsgesprek te voeren bij het begin van de evaluatieperiode”. De nietigverklaring van de bedoelde bepalingen heeft niet tot gevolg dat de hele evaluatie van de verzoeker als onwettig moet worden beschouwd. De evaluatie van de verzoeker vindt immers nog steeds een rechtsgrond in de destijds vigerende artikelen 259nonies en 259undecies van het Gerechtelijk Wetboek en in de niet vernietigde bepalingen van het koninklijk besluit van 20 juli
  33. Wat dit laatste betreft, kan uit de motivering van het arrest nr. 144.185 overigens niet worden afgeleid dat de niet vernietigde bepalingen van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 ongrondwettig zouden zijn. Het destijds vigerende artikel 259nonies, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek verleende de Koning de bevoegdheid om op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria, rekening houdend met de eigenheid van deze ambten, te bepalen, en droeg hem eveneens op de nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen op te stellen. In het arrest nr. 144.185 wordt erop gewezen dat die delegatie aan de Koning in het licht van artikel 151, § 6, van de Grondwet “uiterst beperkt moet worden opgevat”, doch uit het arrest valt niet af te IX-4836-15/39 leiden dat niet alleen de artikelen 7 en 8, maar ook alle andere bepalingen van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 de aan de Koning verleende bevoegdheid zouden overschrijden. In zoverre de verzoeker de Raad van State thans zou uitnodigen om de andere bepalingen van het genoemde koninklijk besluit op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten, ziet de Raad van State geen reden om die andere bepalingen onwettig te achten. 3.6.
  34. Tenslotte rijst de vraag of door de mededeling van verzoekers evaluatie aan de procureur-generaal de vertrouwelijkheid daarvan werd miskend. Artikel 259nonies, achtste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie van toepassing op het ogenblik dat het bestreden koninklijk besluit is genomen, bepaalt hetgeen volgt: “De evaluatiedossiers berusten bij de korpschef of de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank. Een afschrift van de definitieve beoordelingen wordt bewaard bij de Minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen ingekeken worden.” Artikel 259nonies is in het Gerechtelijk Wetboek ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem. Blijkens de parlementaire voorbereiding van die wet is het vertrouwelijk karakter van de evaluatie ingegeven door “het persoonlijk karakter van bepaalde informatie die evaluaties bevatten” (Parl. St., Kamer, 1997-98, nr. 1677/1, p. 84). Er werd echter eveneens gesteld: “De evaluatie heeft tot doel om binnen elk rechtscollege een interne, periodieke kwaliteitscontrole van de magistraten door te voeren en speelt een essentiële rol bij verdere benoemingen en aanwijzingen” (ibid., p. 22). Gelet op die doelstelling, kan worden aangenomen dat het vertrouwelijk karakter van de evaluatie niet uitsluit dat een kopie van de evaluatie van een parketmagistraat wordt meegedeeld aan de procureur-generaal, korpschef van het rechtsgebied waarin de betrokken magistraat werkzaam is, met het oog op het uitbrengen van diens advies over de kandidatuur van de betrokkene voor een aanwijzing in een mandaat. 3.6.
  35. Het middel kan in geen van zijn onderdelen worden aangenomen. IX-4836-16/39 4.
  36. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 259quater, § 2, eerste lid, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek. Hij voert aan dat het advies dat op 21 oktober 2004 over de aangewezen kandidaat door de stafhouder van de Nederlandstalige Orde van advocaten te Brussel aan de minister van Justitie werd overgemaakt, onregelmatig is. Het advies draagt niet de handtekening van meester Luc Rigaux, die het advies als vertegenwoordiger van de balie zou hebben opgesteld. Voorts blijkt niet dat meester Luc Rigaux effectief als vertegenwoordiger van de balie werd aangewezen. Ten slotte is het advies, blijkens de bewoordingen ervan, verleend met toepassing van artikel 259ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, terwijl een advies gevraagd was voor de aanwijzing in een mandaat, te geven met toepassing van artikel 259quater, § 2, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek. 4.
  37. De verwerende partij repliceert, samengevat, dat artikel 259quater, § 2, eerste lid, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek geen pleegvormen oplegt waaraan het advies van de vertegenwoordiger van de orde van advocaten moet beantwoorden. Het advies werd door meester Rigaux opgesteld en door stafhouder Boydens ondertekend en opgestuurd. Uit geen enkel element blijkt dat aan de authenticiteit van het advies kan worden getwijfeld. Dezelfde wetsbepaling vereist evenmin dat bij het advies een uitdrukkelijke verklaring wordt gevoegd waaruit blijkt dat de opsteller van het advies het bevoegde lid van de raad van de orde is. De bij het advies gevoegde brief van de stafhouder volstaat als waarborg terzake. Overigens blijkt uit de website van de Nederlandstalige Orde van advocaten te Brussel dat meester Rigaux wel degelijk het bevoegde lid van de raad van de orde is. Tenslotte stelt de verwerende partij dat de loutere vermelding in het advies dat dit werd uitgebracht in het kader van artikel 259ter, §1, van het Gerechtelijk Wetboek, het advies niet ongeldig maakt. Zoals uit de weerlegging van het vierde middel blijkt, is de tussenkomende partij ingevolge haar aanwijzing tot procureur des Konings van rechtswege benoemd tot substituut-procureur des Konings in het parket van Veurne, zoals geregeld in artikel 259ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. Er kon dan ook terecht naar die bepaling worden verwezen. In elk geval blijkt uit de inhoud van het advies dat de kandidatuur van de tussenkomende partij is onderzocht met het oog op haar eventuele aanwijzing tot procureur des Konings. IX-4836-17/39 IX-4836-18/39 4.
  38. De tussenkomende partij stelt dat artikel 259quater, § 2, eerste lid, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek geen vormvereisten oplegt voor wat betreft het advies van de vertegenwoordiger van de orde van advocaten en niet vereist dat het advies door de vertegenwoordiger van de orde wordt ondertekend. Uit de stukken gevoegd bij een brief van de stafhouder van de Nederlandse Orde van advocaten te Brussel van 7 april 2005 blijkt dat het advies van 21 oktober 2004 wel degelijk door meester Rigaux is opgesteld, na een onderhoud met de tussenkomende partij op 8 oktober 2004 op het gerechtshof te Brussel. Geen enkel element laat toe aan de authenticiteit van het advies te twijfelen. Uit de genoemde brief van de stafhouder en het daaraan gehechte proces-verbaal van de vergadering van 1 september 2004 van de raad van de orde blijkt bovendien dat meester Rigaux als bevoegde vertegenwoordiger van de Nederlandse Orde van advocaten te Brussel werd aangewezen om advies te verlenen in de zin van artikel 259quater, § 2, eerste lid, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek. De tussenkomende partij is, als externe kandidaat voor de aanwijzing in het mandaat van procureur des Konings, in de zin van artikel 259quater, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, van rechtswege benoemd tot substituut-procureur des Konings in het parket te Veurne, zoals geregeld in artikel 259ter, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. De verwijzing naar die laatste bepaling is volgens de tussenkomende partij dan ook niet verkeerd. De inhoud van het advies toont overigens aan dat de kandidatuur van de tussenkomende partij is onderzocht met het oog op haar eventuele aanwijzing in het mandaat van procureur des Konings 4.
  39. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat artikel 259quater, §2, eerste lid, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek in duidelijke bewoordingen bepaalt dat voor de aanwijzing in een mandaat het advies moet worden ingewonnen van (onder meer) een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten. De omstandigheid dat de wet voor het advies geen vormvoorschriften oplegt, belet niet dat het advies enkel mag uitgaan van de wettig daartoe aangeduide vertegenwoordiger van de balie en belet evenmin dat in geval van betwisting moet kunnen worden aangetoond dat het advies op de wettelijk voorgeschreven wijze is tot stand gekomen en uitgaat van het bevoegd orgaan. De omstandigheid dat het advies niet ondertekend werd betekent, aldus de verzoeker, dat het voor onbestaande moet worden gehouden, aangezien de authenticiteit van het advies alleen door de ondertekening ervan kan worden bewezen. Uit de stukken die door de tussenkomende partij worden voorgebracht blijkt dat meester Rigaux werd aangewezen om adviezen te verstrekken in het kader IX-4836-19/39 van artikel 259ter van het Gerechtelijk Wetboek, dit wil zeggen voor benoemingen als bedoeld in artikel 58bis, 1/. Het feit dat de aanwijzing van een externe kandidaat van rechtswege zou meebrengen dat deze ook moet worden benoemd tot substituut (wat de verzoeker in zijn vierde middel betwist) doet niets af aan de omstandigheid dat enkel een mandaat werd vacant verklaard en enkel de daartoe aangewezen vertegenwoordiger van de balie daarover advies mocht verstrekken. 4.
  40. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat het advies bedoeld in artikel 259quater, § 2, eerste lid, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek een substantieel advies is. Geen advies, of een gebrekkig advies, leidt noodzakelijkerwijs tot een nietig besluit. De verzoeker stelt dat niet de brief waarmee het advies wordt overgemaakt van belang is, ook niet als die brief uitgaat van de stafhouder. Het is alleen van belang dat het advies zelf uitgaat van de aangeduide vertegenwoordiger. Het advies moet, in de opinie van de verzoeker, dan ook per definitie door de bevoegde vertegenwoordiger zelf ondertekend zijn. Zoniet mist het advies elke authenticiteit en wordt het onmogelijk om uit te maken of het advies daadwerkelijk van de bevoegde vertegenwoordiger is uitgegaan of niet, minstens of deze de inhoud ervan heeft onderschreven zo hij zelf niet voor de redactie ervan heeft ingestaan. Die authenticiteit volgt geenszins uit de omstandigheid dat uit e-mails blijkt dat de bevoegde vertegenwoordiger de betrokken kandidaat heeft ontvangen voor een gesprek. Voorts stelt de verzoeker dat uit geen enkel authentiek document blijkt dat aan meester Rigaux de bevoegdheid is opgedragen om adviezen te verlenen voor vacatures in mandaten. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de raad van de orde hem enkel heeft aangewezen om adviezen te verstrekken omtrent kandidaturen voor benoemingen in ambten, bedoeld in artikel 58bis, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek. Dit zijn, aldus de verzoeker, twee totaal verschillende zaken, in het wetboek ook telkens in een afzonderlijke afdeling behandeld. Zeggen dat de aanstelling door de raad van de orde ex artikel 259ter ook kan worden aanzien als een aanstelling ex artikel 259quater, is de aanstellingsakte doen zeggen wat zij niet zegt en mitsdien de bewijskracht ervan schenden. 4.6.
  41. Luidens artikel 259quater, § 2, eerste lid, 3/, van het Gerechtelijk Wetboek dient de minister van Justitie in het kader van de procedure tot aanwijzing van een korpschef het gemotiveerd schriftelijk advies in te winnen van “een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is als magistraat. Voor het IX-4836-20/39 gerechtelijk arrondissement Brussel geeft, al naargelang de magistraat behoort tot de Nederlandse of Franse taalrol, hetzij de vertegenwoordiger van de Nederlandstalige orde, hetzij van de Franstalige orde, advies.” 4.6.
  42. Uit de dossierstukken blijkt dat de stafhouder van de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel het gemotiveerde advies van de vertegenwoordiger van de orde omtrent de kandidatuur van de tussenkomende partij bij brief van 21 oktober 2004 aan de minister van Justitie heeft toegezonden. Het advies, dat als bijlage bij die brief gevoegd is, vermeldt dat het is opgesteld door “Meester Luc Rigaux, lid van de Raad van de Orde aangesteld in toepassing van art. 259ter § 1 Ger. Wb.” Het advies is niet ondertekend. De brief van de stafhouder aan de minister van Justitie vormt een voldoende bewijs van de authenticiteit van het advies. Ten overvloede kan ook worden verwezen naar de stukken die door de tussenkomende partij zijn neergelegd: een e-mail van 4 oktober 2004 waarin meester Rigaux meedeelt dat hij de tussenkomende partij zal ontvangen op vrijdag 8 oktober 2004, en een handgeschreven faxbericht van meester Rigaux van 19 oktober 2004, waarbij hij, in antwoord op een mail van dezelfde dag waarin het secretariaat van de orde hem in herinnering brengt dat “het advies voor Mr. Keppens” tijdig dient te worden verstuurd, bevestigt dat het advies klaar is maar nog moet worden uitgetikt, en dat het tijdig zal worden bezorgd voor verzending aan de minister. In zoverre de verzoeker betwist dat meester Rigaux bevoegd was om de balie te vertegenwoordigen, moet in de eerste plaats opgemerkt worden dat de stafhouder van de orde, door het versturen van het advies met een door hem ondertekende brief, de regelmatigheid van het optreden van meester Rigaux bevestigt. De verwerende partij mocht er aldus van uitgaan dat meester Rigaux was opgetreden als de vertegenwoordiger van de balie, aangewezen door de orde. Ten overvloede kan ook worden verwezen naar het door de tussenkomende partij neergelegde proces-verbaal van de vergadering van de raad van de orde van 1 september
  43. Uit dat proces-verbaal blijkt dat meester Rigaux is aangesteld als lid van de “Adviescommissie Magistratuur (art. 259ter Ger. W.)” en voor de contacten met de magistratuur, meer bepaald wat de rechtbank van eerste aanleg betreft. Zoals kan worden afgeleid uit het schrijven van de stafhouder van 7 april 2005, is die vertegenwoordiging ruim opgevat, en geldt zij voor de adviezen, niet enkel met het oog op een benoeming als bedoeld in artikel 259ter van het IX-4836-21/39 Gerechtelijk Wetboek, maar ook met het oog op de aanwijzing als korpschef, bedoeld in artikel 259quater van dat wetboek. Tenslotte moet worden opgemerkt dat de vermelding in het advies dat het is opgesteld door de vertegenwoordiger van de balie “aangesteld in toepassing van art. 259ter §1 Ger. W.” de regelmatigheid van het advies niet in het gedrang brengt. Uit de inhoud van het advies blijkt immers dat het advies wel degelijk betrekking heeft op de kandidatuur van de tussenkomende partij voor het ambt van procureur des Konings te Veurne. 4.6.
  44. Het middel kan in geen van zijn onderdelen worden aangenomen. 5.
  45. De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht. Hij stelt dat het gunstig advies dat de uittredende procureur des Konings te Veurne over de tussenkomende partij heeft uitgebracht in de eerste plaats steunt op een onderhoud met de betrokkene, waarvan echter geen controleerbaar spoor is terug te vinden in het administratief dossier. Voorts wordt, wat de beroepsbekwaamheid en de ambtsgeschiktheid betreft, het advies van de procureur- generaal te Brussel gewoon overgenomen, zodat het advies op dit punt geen eigen beoordeling bevat. Ofschoon het advies van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel over de tussenkomende partij “gunstig” is, meent de verzoeker dat uit de libellering ervan onmiskenbaar blijkt dat het om een “aarzelend gunstig” advies gaat. De verzoeker wijst erop dat het verslag vermeldt dat de overgang van de tussenkomende partij naar het parket-generaal oorspronkelijk gepaard ging met enkele aanpassingsmoeilijkheden, en dat er slechts een positieve evolutie is gekomen nadat men aan de tussenkomende partij de materies heeft toebedeeld die zijn voorkeur wegdroegen. Het advies laat volgens de verzoeker niet toe om zonder meer te besluiten dat de tussenkomende partij bijzonder geschikt is om een klein parket te leiden, waar hij zich niet tot zijn voorkeurmateries zal kunnen beperken. De verzoeker wijst erop dat de benoemings- en aanwijzingscommissie geheel voorbijgegaan is aan deze minder gunstige aspecten en dat zij uit het advies van de procureur-generaal enkel de voor de tussenkomende partij gunstige elementen heeft overgenomen. IX-4836-22/39 Ten slotte merkt de verzoeker op dat de commissie de voorkeur heeft gegeven aan de tussenkomende partij op grond dat deze over meer ontwikkelde competenties inzake “groepsgericht leiderschap” beschikt, en dat over haar “inhoudelijk gunstigere adviezen” zijn uitgebracht. In verband met het eerste element voert de verzoeker aan dat over de competentie van de tussenkomende partij inzake groepsgericht leiderschap geen spoor is terug te vinden in het administratief dossier, terwijl uit het dossier wel blijkt dat de verzoeker ervaring heeft met leiding geven en met beleidsmatige materies. In verband met het tweede element voert de verzoeker aan dat de zogenaamd inhoudelijk gunstigere adviezen in werkelijkheid niet bestaan. De voordracht en de daaropvolgende aanwijzing van de tussenkomende partij schenden mitsdien de in het middel aangehaalde beginselen. 5.
  46. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat uit de motivering van de bestreden handelingen duidelijk blijkt dat de titels en verdiensten van de kandidaten op gelijke en objectieve wijze werden onderzocht en vergeleken. Blijkens de bestreden handelingen werd de tussenkomende partij verkozen boven de verzoeker omwille van zijn competenties inzake groepsgericht leiderschap, alsook omwille van zijn persoonlijkheid. Daarentegen werd ten aanzien van de verzoeker gesteld dat in zijnen hoofde een bijzondere inspanning vereist zou zijn om een visie te ontwikkelen of om concrete standpunten in te nemen die door iedereen worden gedragen. De minder gunstige beoordeling van de persoonlijkheidskenmerken van de verzoeker blijkt uit twee van de drie ingewonnen adviezen, met name dat van de procureur des Konings te Veurne en dat van de procureur-generaal te Gent. In de bestreden handelingen wordt, aldus de verwerende partij, dan ook terecht vermeld dat de tussenkomende partij zich van de verzoeker onderscheidt door inhoudelijk gunstiger adviezen. Voorts wijst de verwerende partij erop dat de tussenkomende partij bovendien de voorkeur boven de verzoeker genoot omwille van haar competenties, die beter aansluiten bij die welke volgens het standaardprofiel vereist zijn om de opdracht van procureur des Konings te vervullen. De tussenkomende partij volgde immers een specifieke opleiding voor managementtechnieken, en haar sterkere competenties, in vergelijking met die van de verzoeker, blijken volgens de benoemings- en aanwijzingscommissie ook uit de vergelijking van de beleidsplannen van de kandidaten. De verwerende partij betwist dat uit het administratief dossier niet zou blijken dat de tussenkomende partij geschikt zou zijn om een klein parket te IX-4836-23/39 leiden, gelet op het feit dat zij zich dan niet zou kunnen beperken tot haar voorkeurmateries. De tussenkomende partij beheerst immers ook andere materies die haar tot aanbeveling strekken voor de functie van procureur des Konings. In zoverre de verzoeker verwijst naar een passus uit het advies van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel, waarin sprake is van initiële moeilijkheden bij de overgang van de tussenkomende partij naar het parket- generaal, wijst de verwerende partij erop dat uit het vervolg van het advies blijkt dat de tussenkomende partij zich na een tijd volledig vertrouwd gemaakt heeft met de nieuwe werkomgeving en de eerder getoonde intellectuele en menselijke hoedanigheden bevestigde. Ten aanzien van de grief dat het advies van de procureur des Konings met betrekking tot de beroepsbekwaamheid en de ambtsgeschiktheid van de tussenkomende partij zich zou beperken tot een overname van het advies van de procureur-generaal, merkt de verwerende partij op dat in het advies van de procureur des Konings wel degelijk een eigen evaluatie van bepaalde aspecten van de persoonlijkheid van de betrokkene wordt gegeven. Daarenboven maakt de procureur des Konings zich het advies van de procureur-generaal over de beroepsbekwaamheid en de geschiktheid voor het ambt eigen. 5.
  47. De tussenkomende partij stelt in haar memorie dat zij eind september 2004, net zoals de andere kandidaten, een onderhoud met de uittredende procureur des Konings had, waarbij zij de kans had om haar kandidatuur nader toe te lichten en waarbij de adviesverlener zich een persoonlijk en actueel beeld kon vormen van de betrokken kandidaat. De tussenkomende partij erkent dat dergelijke momentopname op zich geen afdoende adviesverlening toelaat zodat de uittredende korpsoverste terecht ook kon verwijzen naar het advies van de toenmalige korpschef van de tussenkomende partij. De tussenkomende partij wijst erop dat de procureur des Konings dit advies integraal overneemt en bijgevolg alle motieven ervan geheel tot de zijne maakt. Alleen al om die reden kan men niet volhouden dat het advies van de toenmalige procureur des Konings geen concrete appreciaties zou omvatten waarvan kan worden nagegaan of zij door de feiten worden gedragen. Vervolgens is de bewering dat uit het gunstig advies van de procureur-generaal te Brussel niet zou blijken dat de tussenkomende partij geschikt is om een klein parket te leiden, in strijd met de stukken van het dossier. IX-4836-24/39 Tenslotte is ook de stelling van de verzoeker dat de voordracht van de benoemings- en aanwijzingscommissie enkel de gunstige elementen uit de beoordeling van de tussenkomende partij door de procureur-generaal te Brussel zou hebben overgenomen, terwijl zij inzake de verzoeker zeer nadrukkelijk zijn onkunde om in teamverband te werken zou beklemtonen, manifest in strijd met de tekst zelf van de voordracht. 5.
  48. De verzoeker betoogt in zijn memorie van wederantwoord vooreerst dat nu de minder gunstige beoordeling van zijn competenties inzake groepsgericht leiderschap uitsluitend steunt op het advies van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent en dit advies op zijn beurt geheel gesteund is op het onwettige evaluatieverslag van 1 oktober 2004, het doorslaggevend motief geput is uit “onwettig verzamelde informatie”. Hij verwijst in dat verband naar hetgeen hij in het eerste middel in verband met de gevolgen van het arrest nr. 144.185, Lambrecht, van 9 mei 2005 heeft aangevoerd. Vervolgens stelt de verzoeker dat uit de adviezen systematisch de voor de verzoeker meest ongunstige elementen worden belicht, terwijl het omgekeerde gebeurde voor de tussenkomende partij. Zo wordt wel melding gemaakt van het feit dat hij een opleiding in managementtechnieken waarvoor hij zich heeft ingeschreven, niet effectief volgt, maar wordt geen melding gemaakt van het feit dat hij die opleiding niet kon volgen omdat hij op het ogenblik van de opleidingssessies meestal de zitting van de rechtbank moest bijwonen en hij, in het belang van de goede werking van het parket, zijn collega’s daarmee niet wou belasten. De verzoeker betwist ook dat met het advies van de uittredende procureur des Konings over de tussenkomende partij rekening kon worden gehouden. Hij wijst erop dat dit advies in verband met de beroepsbekwaamheid en de geschiktheid van de betrokkene geen eigen opinie bevat. Hij merkt op dat het onderhoud met de kandidaat vaak een louter beleefdheidsgesprek is, en stelt dat van dergelijke gesprekken op zijn minst notulen of verslagen zouden moeten worden opgemaakt, zodat kan worden achterhaald wat er precies ter sprake is gekomen en hoe daarop is gereageerd. 5.
  49. In zijn laatste memorie herhaalt de verzoeker vooreerst zijn stelling, onder verwijzing naar het genoemde arrest nr. 144.185, dat geen acht mag worden geslagen op de evaluatierapporten die aan beide dossiers werden toegevoegd. IX-4836-25/39 Waar de auditeur-verslaggever in zijn verslag stelt dat de voorkeur voor de tussenkomende partij vooral is gesteund op de meer ontwikkelde competenties van die partij inzake groepsgericht leiderschap en haar persoonlijkheid, repliceert de verzoeker dat deze hoedanigheid in geen enkel advies in de verf wordt gezet. De procureur-generaal heeft het integendeel over een persoonstype dat een vrij individualistische indruk gaf. Ofschoon ook erkend wordt dat daar later beterschap in kwam stelt de verzoeker dat nergens is gezegd dat die eigenschap is omgezet tot een opvallende bekwaamheid tot groepsgericht leiderschap. Voorts stelt de verzoeker dat er volledig wordt voorbijgegaan aan het advies dat de balie van Veurne over hem heeft gegeven. Hij merkt op dat het een advies betreft dat, in tegenstelling tot wat in het bestreden besluit te lezen is, niet de weergave is van de opinie van één vertegenwoordiger, zoals dat voor de tussenkomende partij het geval is geweest, maar van alle leden van de raad van de orde, aangevuld door acht leden van de balie. Het betreft bovendien personen die de verzoeker kennen en hem jarenlang aan het werk hebben gezien. De verzoeker stelt dat tevergeefs gezocht wordt naar een advies over de tussenkomende partij dat zo lovend is en dat uitgaat van adviesverleners die de kandidaat daadwerkelijk kenden en jaren aan het werk hebben gezien. Hij betwijfelt of de beslissing dezelfde zou zijn geweest indien de Hoge Raad voor de Justitie zich ervan bewust was dat de balie van Veurne vrijwel unaniem achter zijn kandidatuur stond. De Hoge Raad voor de Justitie heeft blijkbaar meer waarde gehecht aan het advies van één vertegenwoordiger van de balie van Brussel, die meent te kunnen bevestigen dat de tussenkomende partij goed vertrouwd is met de criminaliteitsproblematiek van de kustgemeenten. De verzoeker blijft erbij dat zijn dossier niet op correcte wijze vergeleken is met dat van de tussenkomende partij. 5.6.
  50. Het gelijkheidsbeginsel inzake benoemingen in openbare ambten, krachtens welk iedere burger gelijke toegang heeft tot de openbare ambten, houdt in dat de aanspraken en verdiensten van de kandidaten moeten worden onderzocht en vergeleken, op basis van objectieve, redelijke en pertinente criteria. De overheid beschikt daarbij over een ruime discretionaire bevoegdheid, die echter de redelijkheid als grens heeft. De verplichting om de titels en verdiensten van de kandidaten objectief te vergelijken volgt ook uit de materiële motiveringsplicht welke inhoudt dat iedere bestuurshandeling gedragen wordt door motieven die in rechte en in feite IX-4836-26/39 aanvaardbaar zijn en die blijken hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit het administratief dossier. 5.6.
  51. Het middel bekritiseert in de eerste plaats het advies dat de uittredende procureur des Konings over de kandidatuur van de tussenkomende partij heeft uitgebracht. Dit advies stelt aangaande de “bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat voor het gewenste profiel” het volgende: “Yves Keppens behaalde in 1978 het diploma van licentiaat in de rechten. Hij geniet een zekere maturiteit en kwam mij bij het onderhoud zelfzeker en vastberaden over. Wat de beoordeling betreft van zijn beroepsbekwaamheid en geschiktheid voor het geambieerd ambt, neem ik integraal het advies over van de heer procureur-generaal te Brussel d.d. 8 oktober 2004.” Volgens de verzoeker zou de motiveringsplicht geschonden zijn omdat van het onderhoud met de betrokken kandidaat geen ondertekend verslag of proces-verbaal werd opgemaakt, zodat niet te controleren valt of de “stijlformule” dat de betrokkene “een zekere maturiteit” geniet en “zelfzeker en vastberaden” overkomt door feiten wordt gedragen. Het advies van de procureur des Konings zou ook geen deugdelijke beoordeling van de beroepsbekwaamheid en de geschiktheid van de tussenkomende partij bevatten omdat slechts naar het advies van de procureur-generaal te Brussel wordt verwezen. Uit de voordrachtakte van de benoemings- en aanwijzingscommissie blijkt niet dat de commissie aan dit advies meer aandacht besteedt dan het in de gegeven omstandigheden verdient. Dat advies wordt weliswaar, zoals de andere adviezen over de kandidaten, beknopt weergegeven, maar in de beschouwingen die de vergelijking tussen de kandidaten inhouden, wordt enkel gewezen op de persoonlijkheid en de competenties van de kandidaten in verband met groepsgericht leiderschap en op het feit dat de adviezen over de tussenkomende partij “inhoudelijk” gunstiger zijn dan die over de verzoeker. Noch het ene, noch het andere element lijkt gesteund te zijn op het aangehaalde advies van de procureur des Konings over de tussenkomende partij. Verzoekers kritiek op dat advies kan dan ook niet tot de nietigverklaring van het bestreden aanwijzingsbesluit leiden. 5.6.
  52. Volgens de verzoeker zou de benoemings- en aanwijzingscommissie voorts ten onrechte zijn voorbijgegaan aan de minder IX-4836-27/39 gunstige onderdelen van het advies dat de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel heeft gegeven over de kandidatuur van de tussenkomende partij. Het gaat meer bepaald om de volgende passus uit het advies van de procureur-generaal: “De overgang van de h. Keppens naar het parket-generaal ging oorspronkelijk, zowel menselijk als beroepshalve, gepaard met enkele aanpassingsmoeilijkheden. De h. Keppens gaf een vrij individualistische indruk en er was een periode waarin hij zich vragen stelde over de verdere oriëntatie van zijn loopbaan.” Die passus moet evenwel gelezen worden in het licht van de overwegingen die erop volgen: “Toch ontbeerde het hem nooit aan collegialiteit. Stilaan raakte hij volledig vertrouwd met zijn nieuwe omgeving en bevestigde hij de intellectuele en menselijke hoedanigheden die hem in het parket van de procureur des Konings kenmerkten. Deze positieve evolutie kwam ten volle tot ontwikkeling toen hem, binnen de inwendige organisatie van het parket-generaal, de materies werden toebedeeld die zijn voorkeur wegdragen, met name de zaken met financiële inslag.” Rekening houdend met de relativerende bewoordingen van de procureur-generaal, kan het de benoemings- en aanwijzingscommissie niet ten kwade worden geduid dat zij weinig belang hecht aan de inmiddels overwonnen “aanpassingsmoeilijkheden” waarvan in het genoemde advies melding wordt gemaakt. Aansluitend bij het voorgaande, stelt de verzoeker dat niet zou blijken dat de tussenkomende partij geschikt zou zijn om een klein parket te leiden waar zij zich niet tot haar voorkeurmateries zou kunnen beperken. Noch uit de aangehaalde overwegingen uit het advies van de procureur-generaal, noch uit de overige gegevens van het dossier, kan echter worden afgeleid dat de tussenkomende partij slechts naar behoren functioneert als zij zich kan bezighouden met zaken van financiële aard. In het advies van de procureur-generaal te Brussel wordt integendeel gesteld dat de tussenkomende partij ook wordt ingezet “voor de meer traditionele taken, zoals de kamer van inbeschuldigingstelling en de burgerlijke zittingen”. Bovendien had de tussenkomende partij vóór haar benoeming tot substituut- procureur des Konings “een ruime baliepraktijk waarbij (zij) vooral ervaring opdeed in burgerlijke en handelszaken” en was zij ook een tijdlang plaatsvervangend vrederechter te Asse, een taak die zij luidens hetzelfde advies, “regelmatig en op IX-4836-28/39 voortreffelijke wijze uitoefende”. De vertegenwoordiger van de balie te Brussel maakt in zijn advies bovendien melding van “een zeer degelijke en grondige kennis van het strafprocesrecht” en van de goede vertrouwdheid van de tussenkomende partij met de regels van de burgerlijke rechtspleging. In verband met de specifieke geschiktheid van de tussenkomende partij om het parket van Veurne te leiden, leest men in dat advies bovendien: “Tevens blijkt de heer Keppens vrij goed op de hoogte te zijn van de specifieke problemen welke zich in het arrondissement Veurne aandienen: toenemende verstedelijking en daarmee gepaard gaande problemen in de kustgemeenten, mensensmokkel en aanverwante problemen door de nabijheid van de Kanaaltunnel, explosieve groei van de jachthaven van Nieuwpoort welke zich dreigt te ontwikkelen tot een draaischijf voor allerlei illegale activiteiten, enz. Hoewel een beetje paradoxaal op het eerste zicht, moet gesteld worden dat de ervaring, welke de heer Keppens heeft opgedaan bij een grootstadparket hem bijzonder goed wapent om de taken aan te kunnen welke hem in het ‘landelijke’ Veurne wachten.” Voorts moet opgemerkt worden dat de beoordelings- en aanwijzingscommissie, in verband met de geschiktheid van de tussenkomende partij om het parket van Veurne te leiden, ook het beleidsplan van de tussenkomende partij positief beoordeelt. De commissie stelt immers: “In zijn realistisch en rationeel beleidsplan toont Yves Keppens aan te beschikken over een duidelijk en realistisch beeld van de actuele situatie van het Veurnse parket en het gerechtelijk arrondissement Veurne. Met een kwaliteitsvolle openbare dienstverlening als uitgangspunt geeft zijn beleidsplan blijk van een duidelijke visie op het functioneren van een procureur des Konings van een parket zoals te Veurne, alsook op het functioneren van het parket als geheel. Zonder de concrete actuele situatie van het Veurnse parket te miskennen, slaagt hij erin om de nodige prioriteiten en doelstellingen voorop te stellen en een toekomstgerichte visie te ontwikkelen waarbij hij erin slaagt om afstand te nemen van de dagdagelijkse praktijk en zich te concentreren op de hoofdlijnen en het lange-termijnbeleid. Opvallend is ook de nadruk die wordt gelegd op het belang van samenwerking, overleg en communicatie, zowel intern als extern, zowel verticaal (naar het parket-generaal toe) als horizontaal (met alle andere lokale actoren).” Aldus blijkt dat de commissie op een geheel van gegevens steunt om te besluiten dat de tussenkomende partij geschikt is om een klein parket als dat van Veurne te leiden. Voorts kan aan de commissie niet verweten worden dat zij op een niet te verantwoorden wijze voorbijgaat aan de ongunstige onderdelen uit het advies van de procureur-generaal over de tussenkomende partij. 5.6.
  53. In verband met de kritiek van de verzoeker op de redenen die de beoordelings- en aanwijzingscommissie aanhaalt om de tussenkomende partij boven IX-4836-29/39 hem te verkiezen, moet herhaald worden dat uit de voordrachtakte blijkt dat de commissie de voorkeur geeft aan de tussenkomende partij, enerzijds, omwille van haar persoonlijkheid en haar meer ontwikkelde competenties in verband met groepsgericht leiderschap, en anderzijds, omwille van het feit dat de adviezen over de tussenkomende partij “inhoudelijk” gunstiger zijn dan die over de verzoeker. 5.6.4.
  54. Wat betreft de vergelijking van de competenties inzake groepsgericht leiderschap, voert de verzoeker aan dat er in het administratief dossier geen enkel spoor is van een dergelijke competentie in hoofde van de tussenkomende partij. In het advies van de procureur-generaal te Brussel is integendeel sprake van een “individualistische indruk”. Daartegenover staat dat de benoemings- en aanwijzingscommissie vaststelt dat de verzoeker “reeds ervaring (heeft) met leiding geven en beleidsmatige materies”. De verzoeker wijst ook op het advies van de uittredende procureur des Konings over hem, dat de volgende overweging bevat: “Enkele jaren terug heeft hij op efficiënte wijze de leiding waargenomen van het politieparket. Hij heeft gezag bij het administratief personeel. Hij heeft regelmatig vergaderingen geleid met de politiediensten waarvan hij de vaardigheden en beperkingen kent.” In verband met de competenties van de tussenkomende partij is het juist dat noch de voordrachtakte van de benoemings- en aanwijzingscommissie, noch enig ander gegeven uit het dossier wijst op een concrete ervaring in een leidinggevende functie. De commissie verwijst evenwel naar het advies van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel, die van oordeel is dat de tussenkomende partij “in staat (moet) zijn om met bekwaamheid de leiding waar te nemen van een parket”. Zij verwijst ook naar het advies van de vertegenwoordiger van de Brusselse balie, waarin gesteld wordt dat de tussenkomende partij, “mede door (haar) evenwichtige en nuchtere aanpak van de problemen, beschikt ... over de vereiste vaardigheden en kwaliteiten om een korps te leiden”. Ten slotte verwijst de commissie naar het beleidsplan van de tussenkomende partij, dat blijk geeft “van een duidelijke visie op het functioneren van een procureur des Konings van een parket zoals te Veurne, alsook op het functioneren van het parket als geheel”. De commissie vindt het in dit verband ook opvallend dat in het beleidsplan “de nadruk ... wordt gelegd op het belang van samenwerking, overleg en communicatie”. Aldus blijkt dat de benoemings- en aanwijzingscommissie op een aantal adviezen over de tussenkomende partij en op het beleidsplan van die partij steunt om daaruit af te leiden dat deze partij “ongetwijfeld in staat moet worden IX-4836-30/39 geacht om op een integere wijze en met visie de groepsgerichte leiding van het parket bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne op zich te nemen”. In verband met de competenties van de verzoeker erkent de benoemings- en aanwijzingscommissie uitdrukkelijk dat deze ervaring heeft met leiding geven en met beleidsmatige materies. De commissie verwijst hiervoor onder meer naar het advies van de uittredende procureur des Konings. De commissie merkt echter op dat de uittredende procureur des Konings er ook de aandacht op vestigde “dat (verzoekers) bondige en zakelijke ‘communicatiestijl samen met zijn individualistische ingesteldheid soms afgedaan wordt als een tekort aan teamgeest’”. De benoemings- en aanwijzingscommissie verwijst voorts naar het advies van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent over de kandidatuur van de verzoeker, dat “een aantal opmerkingen in dezelfde zin” bevat. De commissie overweegt in het bijzonder dat uit het genoemde advies blijkt : “dat de communicatie met bepaalde collega’s moeilijk verloopt en dat de indruk bestaat dat betrokkene het moeilijk heeft in teamverband te werken. Ook met de leden van de parketadministratie verloopt de verstandhouding in bepaalde omstandigheden blijkbaar nogal stroef en autoritair. Terecht merkt de procureur-generaal op dat van een korpsoverste in een klein parket mag worden verwacht, en zelfs meer dan noodzakelijk is, dat hij zijn medewerkers in hoge mate motiveert en gerezen conflicten via communicatie probeert op te lossen; in een kleine entiteit is het immers meer dan noodzakelijk dat de medewerkers in de beste verstandhouding blijven samenwerken en is het één van de belangrijkste taken van de korpschef om dit te bewerkstelligen. ‘Betrokkene zal bijgevolg ingeval van aanwijzing tot korpschef een bijzondere inspanning moeten leveren om met veel diplomatie en soepelheid eventuele problemen dienaangaande derwijze op te lossen dat het parket te Veurne als een harmonieus werkend team functioneert, zonder dat daarvoor beroep moet worden gedaan op de soms (vaak ook ten onrechte) verouderd overkomende principes van de strakke, stroeve en autoritaire hiërarchie’.” Ten slotte overweegt de commissie, waar zij het heeft over de vergelijking van de competenties van de kandidaten inzake groepsgericht leiderschap, in verband met de verzoeker: “Zonder afbreuk te doen aan de verdiensten van (de verzoeker) en zonder te stellen dat hij nodeloos autoritair optreedt, blijkt uit de beschikbare gegevens ... ontegensprekelijk dat een eventuele aanwijzing van Stefaan Desmet in zijn hoofde een bijzondere inspanning zal vereisen om een visie te ontwikkelen of concrete standpunten in te nemen die door iedereen worden gedragen, waarbij toegevingen langs beide zijden noodzakelijk zullen zijn.” Die overweging is kennelijk eveneens ontleend aan het advies van de procureur-generaal over de verzoeker. De procureur-generaal verwachtte immers IX-4836-31/39 dat de verzoeker in geval van aanwijzing tot korpschef “een bijzondere inspanning (zou) moeten leveren om een visie te ontwikkelen of concrete standpunten in te nemen die door iedereen worden gedragen”. Hij verduidelijkte voorts dat, om delicate interne verhoudingen te verbeteren, “van beide zijden (zijn traditionele aanpak versus de “verzuchtingen” van de “jongeren”) toegevingen (moesten) worden gedaan”. De ervaring van de verzoeker op het vlak van leiding geven en diens vertrouwdheid met beleidsmatige materies blijken dus, volgens de benoemings- en aanwijzingscommissie, mede beoordeeld te moeten worden in het licht van de gebleken moeilijkheid voor hem om op een soepele, niet-autoritaire wijze in teamverband te werken. Op grond van de hiervóór vermelde beschouwingen in de voordrachtakte, welke allemaal steun vinden in de gegevens van het dossier, kon de benoemings- en aanwijzingscommissie in redelijkheid concluderen, ondanks het relatieve gebrek aan ervaring van de tussenkomende partij met leiding geven, “dat de persoonlijkheid en de competenties van Yves Keppens beter aansluiten bij diegene die volgens het standaardprofiel vereist zijn om de opdracht van procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne te vervullen, dan de competenties waarover Stefaan Desmet ongetwijfeld beschikt”, en “dat van Yves Keppens met grotere zekerheid kan worden aangenomen dat hij over meer ontwikkelde competenties beschikt inzake groepsgericht leiderschap”. 5.6.4.
  55. Wat betreft de vergelijking van de adviezen die over de kandidaten zijn gegeven, voert de verzoeker aan dat er geen “inhoudelijk gunstiger” adviezen over de tussenkomende partij bestaan: het advies van de uittredende procureur des Konings stelt niets voor, het evaluatierapport over de verzoeker -dat door de verwerende partij aan het dossier van de tussenkomende partij is toegevoegd- bevat geen enkele inhoudelijke motivering, en de vermelding in het advies van de procureur-generaal te Brussel dat de tussenkomende partij getuigt van idealisme en beschikt over een goede ingesteldheid kan bezwaarlijk als een begrijpelijke motivering voor een “zeer goed” aangezien worden. Zoals hiervóór reeds is overwogen, blijkt de vaststelling dat de tussenkomende partij inhoudelijk gunstigere adviezen heeft gekregen dan de verzoeker, niet gesteund te zijn op het advies van de procureur des Konings over de tussenkomende partij. IX-4836-32/39 Voorts blijkt uit niets dat de benoemings- en aanwijzingscommissie zou steunen op het evaluatierapport dat over de tussenkomende partij is opgemaakt. De commissie maakt wel melding van het idealisme en de goede ingesteldheid van de tussenkomende partij, zoals vermeld in het advies van de procureur-generaal. Het zijn echter kennelijk niet alleen die eigenschappen die de commissie ertoe brengen om te concluderen dat de tussenkomende partij inhoudelijk gunstigere adviezen heeft gekregen dan de verzoeker. Uit de voordrachtakte blijkt dat de commissie voor de beoordeling van de titels en verdiensten van de tussenkomende partij mede rekening houdt met het -hele- advies van de procureur- generaal en met het advies van de vertegenwoordiger van de Brusselse balie. De verzoeker voert geen specifieke kritiek aan tegen de conclusie die de commissie trekt uit de vergelijking van die adviezen en de adviezen die over de verzoeker zijn gegeven. 5.6.
  56. In zoverre de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat het advies van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Gent steunt op een onwettig evaluatieverslag van 1 oktober 2004, voert hij een grief aan waarop de Raad van State reeds in het kader van het onderzoek van het eerste middel heeft geantwoord. In zoverre de verzoeker in de laatste memorie aanvoert dat er volledig wordt voorbijgegaan aan het advies dat de balie van Veurne over hem heeft gegeven, gaat het om een nieuwe grief. Nu die grief de openbare orde niet raakt, is ze onontvankelijk. 5.6.
  57. Het middel kan in geen van zijn onderdelen worden aangenomen. 6.
  58. De verzoeker roept een vierde middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 151 en 153 van de Grondwet, de artikelen 58bis, 1/ en 2/, 259ter, 259quater en 287 van het Gerechtelijk Wetboek, en artikel 4 van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting en de bijlage III ervan. De verzoeker voert aan dat het bestreden besluit de tussenkomende partij niet enkel aanwijst voor het mandaat van procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne, maar haar ook benoemt tot substituut-procureur des Konings bij het parket te Veurne, terwijl geen vacature is IX-4836-33/39 bekendgemaakt voor een ambt van substituut-procureur des Konings, wat ook niet kon, aangezien het kader volzet was, en terwijl de procedure voor een benoeming in een dergelijk ambt niet gevolgd is. In de toelichting bij het middel zet de verzoeker uiteen dat tegen het middel niet aangevoerd zou kunnen worden dat de tussenpartij met toepassing van artikel 259quater, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek benoemd kon worden tot substituut-procureur des Konings. Luidens die bepaling wordt een kandidaat van buiten het rechtscollege die tot korpschef wordt aangewezen weliswaar gelijktijdig in dit rechtscollege benoemd zonder dat artikel 287 van toepassing is, dit wil zeggen zonder dat vooraf een vacature in het Belgisch Staatsblad moet worden bekendgemaakt. Een aanwijzing tot korpschef in het parket is echter niet gelijk te stellen met een aanwijzing van een korpschef in een rechtscollege, vermits het parket geen rechtscollege is. 6.
  59. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de tussenkomende partij, die als externe kandidaat tot procureur des Konings te Veurne wordt aangewezen, met toepassing van artikel 259quater, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek gelijktijdig tot substituut-procureur des Konings in het parket te Veurne wordt benoemd. De term “rechtscollege” in artikel 259quater, § 5, dekt zowel de zetel als het parket. Dit blijkt volgens de verwerende partij uit de algemene strekking van artikel 259quater, alsmede uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem (waarbij artikel 259quater in het Gerechtelijk Wetboek is ingevoegd) en van de wet van 17 juli 2000 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem en van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (waarbij artikel 259quater, § 5, is gewijzigd). 6.
  60. De tussenkomende partij voert aan dat het middel bij gebrek aan belang in hoofde van de verzoeker niet ontvankelijk is, aangezien de eventuele vernietiging van de benoeming van de tussenkomende partij tot substituut-procureur des Konings te Veurne (in overtal) geen weerslag zou hebben op de rechtspositie van de verzoeker. Bovendien zou de eventuele vernietiging van de benoeming van IX-4836-34/39 de tussenkomende partij tot substituut-procureur des Konings niet de vernietiging tot gevolg hebben van haar aanwijzing tot het mandaat van procureur des Konings, dat precies het mandaat is dat door de verzoeker wordt geambieerd. Ten gronde betoogt de tussenkomende partij, in dezelfde zin als de verwerende partij, dat artikel 259quater, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek ook van toepassing is op aanwijzingen in een mandaat bij het parket. 6.
  61. In zijn memorie van wederantwoord antwoordt de verzoeker op de exceptie van onontvankelijkheid opgeworpen door de tussenkomende partij, dat uit het verweer van de verwerende en de tussenkomende partij blijkt dat de benoeming van deze laatste tot substituut-procureur des Konings noodzakelijk is om voor het mandaat van procureur des Konings te kunnen worden aangewezen. De beide aangevochten beslissingen zijn derhalve onlosmakelijk met elkaar verbonden, zodat de onwettigheid van de benoeming tot substituut-procureur des Konings de onwettigheid van de aanwijzing tot het mandaat van procureur des Konings meebrengt. Ten gronde betoogt de verzoeker dat in artikel 259quater, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek enkel sprake is van “het rechtscollege”, en het niet aan de rechter staat om lacunes in de wet op te vullen, door te stellen dat die bepaling ook zou slaan op het openbaar ministerie bij dat rechtscollege. De parlementaire voorbereiding van een wet kan niet worden aangevoerd tegen de klare en duidelijke tekst ervan. 6.
  62. In zijn laatste memorie wijst de verzoeker op de tekst van het bestreden besluit en stelt hij dat de tussenkomende partij wel degelijk eerst benoemd wordt tot substituut-procureur des Konings en pas nadien, in die hoedanigheid en dus vanuit het korps, aangewezen wordt als procureur des Konings. Zij wordt derhalve niet als extern magistraat tot procureur des Konings aangewezen, ofschoon artikel 193, §1, van het Gerechtelijk Wetboek dit toelaat, doch wel degelijk als intern magistraat, deel uitmakend van het korps. Het staat zonder meer vast dat de tussenkomende partij in overtal wordt benoemd tot substituut-procureur des Konings, zonder dat vooraf een vacature daartoe is bekendgemaakt en zonder dat de geëigende procedure is gevolgd. Die benoeming is, aldus de verzoeker, apert onwettig, want strijdig met artikel 4 van de IX-4836-35/39 wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting en de bijlage III ervan, en met de andere in het middel ingeroepen grondwettelijke en wettelijke bepalingen. Vermits de benoeming van de tussenkomende partij als lid van het parket bij de Rechtbank van eerste aanleg van Veurne kennelijk onwettig is, kon deze partij onmogelijk op wettige wijze tot procureur des Konings worden aangewezen. De verzoeker meent dan ook dat het onjuist is om voor te houden dat de onwettigheid van de benoeming tot substituut-procureur des Konings niets afdoet aan de wettigheid van de aanwijzing tot procureur des Konings, en dat daardoor de gegrondbevinding van het middel de verzoeker geen baat zou kunnen brengen. Een onwettig benoemde substituut-procureur des Konings kan bezwaarlijk op wettige wijze in het mandaat van procureur des Konings worden aangewezen. Hij maakt dan immers niet op wettige wijze deel uit van het openbaar ministerie, zoals vereist door artikel 193, §1, van het Gerechtelijk Wetboek. 6.
  63. Artikel 259quater, § 5, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in de versie van toepassing op het ogenblik dat het bestreden koninklijk besluit is genomen, bepaalt hetgeen volgt: “Een kandidaat van buiten het rechtscollege die tot korpschef wordt aangewezen, wordt, in voorkomend geval in overtal, gelijktijdig in dit rechtscollege benoemd zonder dat artikel 287 van toepassing is, met uitzondering van de federale procureur die zijn benoeming behoudt. Wanneer op de personeelsformatie van het rechtscollege alleen in een korpschef voorzien is, geschiedt de benoeming overeenkomstig artikel 100, in voorkomend geval in overtal.” Op grond van de eerste volzin van die bepaling kan een externe kandidaat tot korpschef aangewezen worden, ook al maakt hij op dat ogenblik geen deel uit van het betrokken rechtscollege. Gelijktijdig met de aanwijzing als korpschef wordt hij dan in het betrokken rechtscollege benoemd, en voor die benoeming moeten de bepalingen van artikel 287 van het Gerechtelijk Wetboek, in verband met de bekendmaking van een vacature en het indienen van een specifieke kandidatuur voor het betrokken ambt, niet gevolgd worden. In voorkomend geval wordt de betrokkene in overtal benoemd. 6.
  64. Uit de genoemde bepaling volgt dat, als de aanwijzing van een magistraat van buiten het korps mogelijk is -mogelijkheid waarvan het toepassingsgebied hierna besproken wordt-, die aanwijzing noodzakelijk gepaard IX-4836-36/39 gaat met de benoeming van de betrokkene in dat korps. De benoeming en de aanwijzing zijn dan bovendien onsplitsbaar. In die omstandigheden heeft de verzoeker belang bij het bestrijden van de benoeming van de tussenkomende partij tot substituut-procureur des Konings bij het parket te Veurne, ook al heeft de bestreden beslissing primair betrekking op de aanwijzing van de tussenkomende partij tot procureur des Konings. De door de tussenkomende partij opgeworpen exceptie faalt naar recht. 6.
  65. Volgens de verzoeker kan van de mogelijkheid tot benoeming van een externe kandidaat enkel gebruik gemaakt worden indien het gaat om de aanwijzing van een korpsoverste in de zetel, niet wanneer het, zoals in het voorliggende geval, gaat om de aanwijzing van een korpsoverste van het parket. Het parket is volgens de verzoeker immers geen “rechtscollege”, in de zin van de genoemde bepaling. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem, waarbij artikel 259quater in het Gerechtelijk Wetboek is ingevoegd, blijkt dat de wetgever met die bepaling een regeling wilde treffen die zou gelden, zowel voor de aanwijzing van een korpschef “in” een rechtscollege als voor de aanwijzing van een korpschef van het openbaar ministerie “bij” dat rechtscollege (Parl. St., Kamer, 1997-98, nr. 1677/1, pp. 74-75). Die bedoeling komt overigens tot uiting in de Franse tekst van artikel 259quater, § 5, eerste lid, waarin op een algemene wijze bepaald wordt dat de aanwijzing tot korpschef van een kandidaat “extérieur à la juridiction” aanleiding geeft tot een benoeming van die kandidaat “à cette juridiction”. Een bijkomende reden om aan te nemen dat artikel 259quater, § 5, niet bedoeld is om slechts van toepassing te zijn op de aanwijzing tot korpschef van de zittende magistratuur, is te vinden in het tweede lid van paragraaf
  66. Dat lid, dat logischerwijze betrekking heeft op welbepaalde gevallen van toepassing van het eerste lid, heeft immers betrekking op de “aanwijzing van een magistraat van de zittende magistratuur tot korpschef bij het openbaar ministerie”, naast de aanwijzing “van een magistraat bij het openbaar ministerie tot korpschef in een rechtscollege”. IX-4836-37/39 Artikel 259quater, § 5, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek is vervangen bij de wet van 17 juli 2000 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem en van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Ten gevolge van die vervanging wordt thans uitdrukkelijk bepaald dat een externe kandidaat, aangewezen als korpschef, “in voorkomend geval in overtal” kan worden benoemd. Die toevoeging is er gekomen omdat de oorspronkelijke redactie van artikel 259quater niet bleek te volstaan om op het niveau van de parketten-generaal personen in overtal te benoemen (Parl. St., Kamer, 1999-2000, nr. 622/1, p. 6). De wetgever is er in 2000 dus zonder meer van uitgegaan dat artikel 259quater, § 5, ook gold voor de aanwijzing van een korpschef bij het openbaar ministerie, zoals een procureur-generaal. Artikel 259quater, § 5, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek moet derhalve zo geïnterpreteerd worden dat het in de benoeming in overtal van de tot korpschef aangewezen externe kandidaat voorziet, ook wanneer het gaat om de korpschef van een parket. Het middel faalt naar recht. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  67. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  68. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-4836-38/39 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 juni 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4836-39/39 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.204 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.722 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.