id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.205 Rolnummer: A. 141621/IX-3923 Zaak: Arrest 184205 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 16/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-01 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:13 Fiche Arrest nr 184.205 van 16 juni 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.205 van 16 juni 2008 in de zaak A. 141.621/IX-
- In zake :
- de VZW EUROPEAN SAFETY INSTITUTE,
- Stéphane SANTY, die woonplaats kiezen bij advocaat P. AERTS kantoor houdende te GENT, Coupure
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door:
- de minister van Mobiliteit en Sociale Economie, thans de staatssecretaris voor Mobiliteit,
- de minister van Economie, Energie, Buitenlandse handel en Wetenschapsbeleid, thans de minister voor Ondernemen, die woonplaats kiezen bij advocaat J. BOUCKAERT, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW EUROPEAN SAFETY INSTITUTE en Stéphane SANTY op 16 september 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
- het koninklijk besluit van 29 juni 2003 betreffende de opleiding van bestuurders van transporteenheden die andere gevaarlijke goederen dan radioactieve stoffen over de weg vervoeren;
- het ministerieel besluit van 4 juli 2003 betreffende de opleiding van bestuurders van transporteenheden die andere gevaarlijke goederen dan die van klasse 1 en 7 over de weg vervoeren; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; IX-3923-1/27 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 mei 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P.LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat J. ROGGEN, die loco advocaat J. BOUCKAERT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak
- Artikel 1 van de wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmede geladen tuigen bepaalt dat de Koning in het belang van de openbare veiligheid regelt en aan vergunning kan onderwerpen: “het ... vervoeren ... van ontplofbare of voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en van daarmede geladen tuigen”. Artikel 1 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, thans de wet betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, bepaalde, op het ogenblik dat de bestreden besluiten werden genomen, dat de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, alle vereiste maatregelen kan treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten, IX-3923-2/27 welke maatregelen de opheffing en de wijziging van wetsbepalingen kunnen inhouden. Die wetsbepalingen bieden de rechtsgrond voor de omzetting, bij koninklijk besluit, van richtlijnen van de Europese Gemeenschap inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg.
- Tot aan de bestreden besluiten was de regelgeving in verband met het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg onder meer te vinden in de volgende besluiten: - het koninklijk besluit van 26 maart 1993 betreffende het opleidingsgetuigschrift voor bestuurders van transporteenheden die gevaarlijke, andere dan radioactieve stoffen over de weg vervoeren; - het ministerieel besluit van 17 mei 2001 tot vaststelling van de voorwaarden, gesteld aan de personen en diensten of instellingen die het onderricht verstrekken, en aan de personen die de examens of tests afnemen, nodig voor het bekomen van het A.D.R.-opleidingsgetuigschrift. 2.
- Het koninklijk besluit van 26 maart 1993 bepaalde dat iedere bestuurder in het bezit moest zijn van een opleidingsgetuigschrift. De opleidingsgetuigschriften (“A.D.R.-opleidingsgetuigschriften”) waren ingedeeld in vier categorieën (A, B, C en D), naargelang van de klasse van de stoffen en de wijze van vervoer. Het opleidingsgetuigschrift werd verleend aan wie een bepaalde opleiding gevolgd had en geslaagd was in een examen; de geldigheid ervan kon verlengd worden als de betrokkene een vervolmakingscursus had gevolgd en geslaagd was in een examen. Volgens artikel 9 van het koninklijk besluit werden de opleidings- en vervolmakingscursussen verstrekt door de diensten of instellingen die aan de door de betrokken minister vastgestelde voorwaarden voldeden en door hem waren erkend. Het examen dat of de test die voorafging aan de afgifte of de verlenging van het opleidingsgetuigschrift werd georganiseerd door de minister of zijn gemachtigde of door de instelling daartoe door de minister erkend. Artikel 10 bepaalde dat de personen die het onderricht verstrekten, moesten voldoen aan de voorwaarden gesteld door de betrokken minister, en dat de personen die belast waren met het afnemen van examens of tests, moesten voldoen aan de door de minister vastgestelde voorwaarden en door hem of door zijn gemachtigde erkend zijn. IX-3923-3/27 2.
- Het ministerieel besluit van 17 mei 2001 stelde nadere regels vast in verband met de voorwaarden waaraan de diensten of instellingen en de individuele lesgevers of examinatoren moesten voldoen. Het voorzag aldus in voorwaarden waaraan de personen die het theoretisch en het praktisch onderricht verstrekten dienden te voldoen (artikelen 1 en 2, en 7 en 8), bevatte nadere regels in verband met de examens (artikelen 3 tot 6), voorzag in voorwaarden gesteld aan de personen die de examens en testen afnamen (artikelen 9 en 10), en bevatte nadere regels in verband met de erkenning van de diensten of instellingen die het onderricht verstrekten (artikelen 11 tot 14). Er waren geen bijzondere regels in verband met de mogelijkheid voor instellingen of diensten om examens af te nemen.
- Het koninklijk besluit van 26 maart 1993 en het ministerieel besluit van 17 mei 2001 zijn opgeheven bij de twee bestreden besluiten, respectievelijk: - het koninklijk besluit van 29 juni 2003 betreffende de opleiding van bestuurders van transporteenheden die andere gevaarlijke goederen dan radioactieve stoffen over de weg vervoeren; - het ministerieel besluit van 4 juli 2003 betreffende de opleiding van bestuurders van transporteenheden die andere gevaarlijke goederen dan die van klasse 1 en 7 over de weg vervoeren. 3.
- Het bestreden koninklijk besluit van 29 juni 2003 beoogt de omzetting in het interne recht van richtlijn 94/55/EG van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (artikel 1). Het besluit bepaalt, zoals voorheen, dat de bestuurders van transporteenheden die gevaarlijke stoffen bevatten, houder moeten zijn van een opleidingsgetuigschrift. Er zijn drie soorten opleidingsgetuigschriften, van de categorieën I, II en III, naargelang van de klasse van de stoffen en de wijze van vervoer (artikelen 3 en 4). Het besluit stelt de voorwaarden vast waaraan een opleiding inhoudelijk moet voldoen (artikelen 5 tot 7). Het bepaalt voorts dat de instellingen die de cursussen verstrekken erkend worden door de “bevoegde overheid”, dit is naargelang het geval de minister bevoegd voor economische zaken of de minister bevoegd voor het vervoer (artikel 8). De voorwaarden voor de erkenning en de erkenningsprocedure worden vastgesteld (artikelen 9 tot 12). Het besluit stelt voorts de voorwaarden vast waaraan de personen die het praktisch IX-3923-4/27 onderricht verstrekken moeten voldoen (artikel 13). Vervolgens bevat het besluit een aantal bepalingen in verband met de examens (artikelen 14 tot 18), onder meer in verband met de mogelijkheid voor de bevoegde overheid om instellingen te erkennen die de examencommissie bijstaan bij de materiële organisatie van de examens (“examencentra”) (artikelen 16 tot 18). Het besluit bevat ook nog bepalingen in verband met de afgifte van de opleidingsgetuigschriften (artikelen 19 en 20), de verlenging van de geldigheid van een opleidingsgetuigschrift (artikelen 21 en 22), en de controle (artikelen 23 en 24). Ten slotte bevat het besluit overgangsbepalingen (artikel 25) en slotbepalingen (artikelen 26 tot 28). Het koninklijk besluit van 29 juni 2003 is inmiddels gewijzigd bij een koninklijk besluit van 3 augustus
- Met dat besluit worden bepalingen ingevoegd in verband met een nieuw opleidingsgetuigschrift van categorie IV, bestemd voor bestuurders van voertuigen voor uitsluitend binnenlandse brandstoftransporten.
- Het bestreden ministerieel besluit van 4 juli 2003 regelt een aantal praktische aangelegenheden, met name het attest dat afgegeven wordt aan de kandidaten die een opleiding gevolgd hebben (artikel 3), de band tussen de examens en de controletesten, enerzijds, en de bijgewoonde cursussen, anderzijds (artikel 4), de overheid waaraan een aanvraag tot erkenning als examencentrum gericht moet worden (artikel 5), en de vorm van het opleidingsgetuigschrift (artikel 6). Er dient opgemerkt te worden dat dit ministerieel besluit minder regelt dan het opgeheven ministerieel besluit van 17 mei
- Een aantal aangelegenheden die in dat laatste ministerieel besluit geregeld waren, maken thans het voorwerp uit van het genoemde koninklijk besluit van 29 juni
- De eerste verzoekster is een instelling die, met toepassing van de vroegere reglementering, op 29 april 1993 een erkenning heeft verkregen “voor het verstrekken van opleidings- en vervolmakingscursussen en voor de organisatie van de examens en proeven, die de afgifte van een A.D.R.-opleidingsgetuigschrift (of) de verlenging ervan voorafgaan, voor wat betreft de gevaarlijke stoffen van de categorieën A en B”. Met toepassing van de overgangsbepaling vervat in artikel 25, § 4, van het koninklijk besluit van 29 juni 2003 blijft de erkenning voor het verstrekken van onderricht geldig. De instelling is voortaan echter onderworpen aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van het genoemde koninklijk besluit. De IX-3923-5/27 erkenning voor de organisatie van de examens en proeven is daarentegen vervallen. Voor de erkenning als examencentrum gelden voortaan de voorwaarden bepaald in artikel 17 van het genoemde besluit, waaronder de voorwaarde dat de betrokken instelling “geen opleidingsactiviteit (uitoefent) zoals bedoeld in de artikelen 5 en 21” (artikel 17, 2/). De tweede verzoeker, “beleidsverantwoordelijke” van de eerste verzoekster, heeft op 29 mei 1997 een erkenning verkregen “als instructeur voor het verstrekken van A.D.R.-opleidingen voor de categorieën A, B en C, in de Nederlandse, Franse en Duitse taal”. Op grond van artikel 7 van het hiervóór genoemde ministerieel besluit van 17 mei 2001 werd hij daardoor geacht in het bezit te zijn van het brevet van A.D.R. -lesgever. Een dergelijk brevet was vereist voor de personen die het theoretisch onderricht verstrekten (artikel 1, 3/, van het genoemde ministerieel besluit). Onder de nieuwe regeling is aan de personen die het theoretisch onderricht verstrekken geen voorwaarde meer opgelegd.
- Artikel 17, 4/, van het koninklijk besluit van 29 juni 2003 bepaalt dat één van de voorwaarden voor de erkenning als examencentrum erin bestaat dat de betrokken instelling “(beantwoordt) aan het lastenboek waarin de rechten en de plichten van het examencentrum zijn opgenomen, zoals vastgesteld door de bevoegde examencommissie”. Het lastenboek is op 30 juli 2003 door de examencommissie vastgesteld. De voorzitter van de examencommissie heeft het op 1 augustus 2003 aan de eerste verzoekster gezonden, en haar daarbij uitgenodigd zich vóór 15 oktober 2003 kandidaat te stellen voor een erkenning als examencentrum. De eerste verzoekster is op die uitnodiging niet ingegaan. Bij ministerieel besluit van 15 december 2003 wordt de v.z.w. Instituut voor Wegtransport erkend als examencentrum, tot 31 december
- Bij ministerieel besluit van 17 december 2004 is aan diezelfde vereniging een nieuwe erkenning verleend, “voor een periode van twee jaar die aanvangt op 1 januari 2005”. Er blijken geen andere examencentra te zijn erkend. IX-3923-6/27 Over de samenhang tussen de twee vorderingen 6.
- De verwerende partij werpt een exceptie van het ontbreken van samenhang op. Volgens haar is het voorliggende beroep gericht tegen twee afzonderlijke besluiten, terwijl de middelen uitsluitend gericht zijn tegen het eerste bestreden besluit (het koninklijk besluit van 29 juni 2003). Aldus blijkt er geen samenhang te bestaan tussen het beroep gericht tegen dat eerste besluit en het beroep gericht tegen het tweede bestreden besluit (het ministerieel besluit van 4 juli 2003). Bij gebrek aan samenhang is het beroep slechts ontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op het eerste besluit. 6.
- Uit het verzoekschrift blijkt dat de middelen inderdaad gericht zijn tegen het koninklijk besluit van 29 juni 2003, niet tegen het ministerieel besluit van 4 juli
- Het ministerieel besluit is echter genomen ter uitvoering van het koninklijk besluit. Als het koninklijk besluit vernietigd wordt, verdwijnt de rechtsgrond voor het ministerieel besluit en kan dit laatste besluit bij wijze van gevolg vernietigd worden. In die zin bestaat er samenhang tussen de twee vorderingen. De exceptie kan niet aangenomen worden. Over de ontvankelijkheid van het beroep 7.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang. 7.1.
- Die exceptie wordt met name ontwikkeld in zoverre het beroep is gericht tegen het koninklijk besluit van 29 juni
- Wat betreft de eerste verzoekster, wijst de verwerende partij er vooreerst op dat deze, ingevolge de overgangsbepalingen vervat in het bestreden koninklijk besluit, haar erkenning als instelling voor het verstrekken van onderricht behoudt. Weliswaar zal de verzoekster een erkenning voor het verrichten van onderricht betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 1 moeten verkrijgen, indien zij dat onderricht wenst te verstrekken. Onder de vroegere regelgeving beschikte de verzoekster echter over geen erkenning met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen van de genoemde klasse, zodat niet valt in te zien IX-3923-7/27 hoe zij in dit opzicht door het bestreden besluit in haar belangen wordt geschaad. In elk geval zijn de nieuwe voorwaarden voor het verkrijgen van de bedoelde erkenning niet verschillend van de oude voorwaarden. De verwerende partij erkent voorts dat de eerste verzoekster haar erkenning als examencentrum verliest en dat zij, als opleidingscentrum, ook geen erkenning als examencentrum kan verkrijgen. De verwerende partij wijst erop dat de eerste verzoekster haar kandidatuur niet heeft gesteld om als examencentrum te worden erkend. Het is juist dat de eerste verzoekster heeft moeten kiezen tussen het uitoefenen van opleidingsactiviteiten en het functioneren als examencentrum, maar die verplichting is het gevolg van een door de overheid gemaakte beleidskeuze. Doordat de oude regelgeving geen verworven rechten heeft gecreëerd, kan de verzoekster niet stellen dat zij door de wijziging van de regelgeving geschaad is. Wat betreft de tweede verzoeker, merkt de verwerende partij op dat deze onder de nieuwe regelgeving zowel het theoretisch als het praktisch onderricht kan blijven verstrekken. Er valt derhalve niet in te zien hoe hij door de bestreden besluiten in zijn belangen geschaad zou zijn. 7.1.
- In zoverre het beroep is gericht tegen het ministerieel besluit van 4 juli 2003, voert de verwerende partij aan dat geen van de verzoekers doet blijken van enig belang om de vernietiging van dat besluit te verkrijgen. Het enkele feit dat dit ministerieel besluit uitvoering geeft aan het koninklijk besluit van 29 juni 2003 volstaat terzake niet. 7.
- In hun inleidend verzoekschrift hebben de verzoekers met betrekking tot hun belang opgemerkt dat het bestreden koninklijk besluit nieuwe voorwaarden bepaalt waaronder de eerste verzoekster erkend kan worden als instelling of examencentrum of waaronder de tweede verzoeker erkend kan worden als lesgever. De bestaande erkenningen van de verzoekers voor het verstrekken van onderricht worden dus aan nieuwe voorwaarden onderworpen. Bovendien moet de erkenning voor het vervoer van gevaarlijke goederen van klasse 1 vóór 1 januari 2005 hernieuwd worden. Voorts komt op grond van het bestreden koninklijk besluit de bestaande erkenning van de eerste verzoekster als examencentrum te vervallen. In hun memorie van wederantwoord repliceren de verzoekers op de door de verwerende partij opgeworpen exceptie. IX-3923-8/27 In verband met het belang van de eerste verzoekster wijzen de verzoekers er vooreerst op dat, alhoewel de eerste verzoekster haar erkenning als opleidingsinstelling behoudt, die erkenning voortaan onderworpen is aan voorwaarden die niet helemaal dezelfde zijn als die welke golden onder de vroegere reglementering. De bedoelde erkenning kan bovendien ingetrokken worden als de eerste verzoekster niet meer voldoet aan de voorwaarden bepaald bij het bestreden koninklijk besluit, het bestreden ministerieel besluit en alle andere instructies. Voorts voeren de verzoekers aan dat de eerste verzoekster, in tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, wel degelijk beschikte over een erkenning voor het geven van de opleiding betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen van klasse 1 (springstoffen). Ten slotte voeren de verzoekers aan dat de eerste verzoekster haar belang bij het bestrijden van de bepalingen in verband met de examencentra wel degelijk behoudt, ook al heeft zij zich niet kandidaat gesteld voor een dergelijke erkenning. De bepalingen van het bestreden koninklijk besluit zijn van die aard dat de eerste verzoekster de facto is uitgesloten van elke kandidatuurstelling en dat er in feite slechts één instelling in België in aanmerking kan komen voor een erkenning, namelijk de v.z.w. Instituut voor het Wegtransport. In verband met het belang van de tweede verzoeker wijzen de verzoekers er vooreerst op dat de voorwaarden om onderricht te kunnen verstrekken wel degelijk veranderd zijn. Met name is de voorwaarde weggevallen dat men voor het theoretisch onderricht houder moet zijn van een brevet van A.D.R.-lesgever. Voorts voeren de verzoekers aan dat de tweede verzoeker een belang heeft bij het bestrijden van de bepalingen die een impact hebben op de erkenning van de eerste verzoekster. De tweede verzoeker fungeert immers als lesgever bij de eerste verzoekster, en heeft er dus alle belang bij dat de eerste verzoekster erkend blijft als opleidingscentrum en als examencentrum. 7.3.
- Artikel 19, eerste lid, van de wetten op de Raad van State vereist dat elke partij die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een benadeling of van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden verordenende bepalingen rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. Het volstaat dat de bestreden verordening aan de verzoeker een nadeel zal kunnen toebrengen, ofschoon ze nog niet rechtstreeks op hem werd toegepast op het tijdstip dat hij zijn beroep instelt. IX-3923-9/27 7.3.
- In zoverre het beroep gericht is tegen het koninklijk besluit van 29 juni 2003 moet met betrekking tot het belang van de verzoekers het volgende worden opgemerkt. De eerste verzoekster is een instelling die tot aan de bestreden besluiten erkend was als instelling voor het verstrekken van opleidings- en vervolmakingscursussen en voor de organisatie van de examens en proeven. Zij valt thans onder de toepassing van het bestreden koninklijk besluit. Dat besluit bepaalt in de eerste plaats de voorwaarden waarvan het behoud van haar erkenning als instelling die onderricht verstrekt voortaan afhangt. Of die voorwaarden in meerdere of in mindere mate gelijk zijn aan die welke onder de vroegere reglementering golden, doet in dit opzicht niet ter zake: het volstaat dat het gaat om voorwaarden die perken stellen of blijven stellen aan het optreden van de eerste verzoekster. Zelfs in zoverre de nieuwe bepalingen een versoepeling inhouden in vergelijking met de vroegere bepalingen, heeft de eerste verzoekster een belang bij het bestrijden ervan: die soepelere bepalingen kunnen het immers mogelijk maken dat concurrenten een gemakkelijkere toegang krijgen tot de markt van de opleidingsinstellingen. Het bestreden koninklijk besluit dwingt de eerste verzoekster voorts tot het afzien van een kandidatuur voor een erkenning als examencentrum, als zij ervoor opteert -wat zij gedaan heeft- om opleidingsactiviteiten te blijven uitoefenen. In dit opzicht heeft het bestreden besluit een onmiddellijke, ongunstige weerslag op de rechtspositie van de eerste verzoekster. Niets belet bovendien dat de eerste verzoekster er in de toekomst alsnog voor opteert om haar kandidatuur te stellen voor een erkenning als examencentrum. De eerste verzoekster heeft dus een belang bij het bestrijden van de bepalingen die betrekking hebben op het verstrekken van onderricht en op de erkenning als examencentrum. De tweede verzoeker is erkend als lesgever. Het bestreden besluit stelt de voorwaarden vast waaraan hij voortaan moet beantwoorden. Ook hier geldt dat, zelfs in zoverre de nieuwe bepalingen een versoepeling inhouden in vergelijking met de vroegere bepalingen, de tweede verzoeker een belang heeft bij het bestrijden ervan: die soepelere bepalingen kunnen het immers mogelijk maken dat concurrenten een gemakkelijkere toegang krijgen tot de markt van de opleiders. De tweede verzoeker heeft dus een belang bij het bestrijden van de bepalingen die betrekking hebben op het verstrekken van onderricht door lesgevers. IX-3923-10/27 Nu aldus blijkt dat elk van de verzoekers, ieder voor zich, belang heeft bij het bestrijden van de bepalingen die op hem of haar betrekking hebben, is er voor elk onderdeel van het beroep in beginsel minstens één verzoeker die van een voldoende belang doet blijken. Die vaststelling volstaat om te concluderen dat de exceptie van onontvankelijkheid, in zoverre ze betrekking heeft op het beroep tegen het bestreden koninklijk besluit, niet kan worden aangenomen. 7.3.
- In zoverre het beroep gericht is tegen het ministerieel besluit van 4 juli 2003 moet met betrekking tot het belang van de verzoekers het volgende worden opgemerkt. Het bestreden ministerieel besluit heeft als rechtsgrond het bestreden koninklijk besluit. Indien één of meer bepalingen van dat koninklijk besluit vernietigd zouden worden, en de bepalingen van het opgeheven koninklijk besluit van 26 maart 1993 daardoor opnieuw gelding zouden hebben, zou de vraag kunnen rijzen of de bepalingen van het opgeheven ministerieel besluit van 17 mei 2001, dan wel die van het bestreden ministerieel besluit van 4 juli 2003 verder gelding zouden hebben, ter aanvulling van de bepalingen van het koninklijk besluit van 26 maart
- De verzoekers hebben er belang bij dat er op dit punt geen onzekerheid zou bestaan. Zij hebben dus belang bij het bestrijden van de bepalingen van het ministerieel besluit van 4 juli 2003 die op hen betrekking hebben, ook al voeren zij tegen dat besluit geen specifieke middelen aan. Ook in zoverre de exceptie van onontvankelijkheid bertrekking heeft op het beroep tegen het bestreden ministerieel besluit, kan ze niet worden aangenomen. 7.3.
- De verwerping van de exceptie van onontvankelijkheid van het beroep loopt niet vooruit op de vraag in hoeverre elk van de verzoekers belang heeft bij de ingeroepen middelen. Die vraag zal in voorkomend geval bij elk van de middelen afzonderlijk onderzocht moeten worden. IX-3923-11/27 Ten gronde Over het eerste middel 8.
- De verzoekers roepen een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet. Volgens de verzoekers schendt het bestreden koninklijk besluit van 29 juni 2003 op diverse punten flagrant het verbod van bevoegdheidsdelegatie. Artikel 1 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg verleent aan de Koning weliswaar de bevoegdheid om bepaalde maatregelen te nemen, maar geeft hem niet de bevoegdheid om de aldus verleende bevoegdheden op zijn beurt te delegeren aan andere overheden, zoals de minister, de gemachtigde ambtenaar of de examencommissie. In het bijzonder wijzen de verzoekers op de volgende bepalingen van het bestreden koninklijk besluit: - met betrekking tot de erkenning van de instellingen die onderricht verstrekken: artikel 11, § 1, eerste lid, tweede streepje, en tweede lid, bepaalt dat de erkenning van een instelling geschorst of ingetrokken kan worden indien de instelling de verplichtingen van onder meer “de ministeriële besluiten genomen krachtens dit besluit” niet correct naleeft. Hieruit vloeit voort dat de minister de bevoegdheid heeft om bijkomende voorwaarden op te leggen, naast die vermeld in artikel 9 van het bestreden koninklijk besluit; - met betrekking tot de erkenning van de instellingen als examencentrum: - artikel 16, § 1, bepaalt dat de bevoegde overheid, dit wil zeggen de bevoegde minister, instellingen mag erkennen om de examencommissie bij te staan voor de materiële organisatie van de testen, en dat het die instellingen is toegestaan om de inschrijvingskosten voor de testen te innen. Het staat echter niet aan de minister om instellingen te machtigen tot het innen van inschrijvingskosten; - artikel 17, 4/, bepaalt dat één van de voorwaarden voor de erkenning als examencentrum bestaat in het “beantwoorden aan het lastenboek waarin de rechten en de plichten van het examencentrum zijn opgenomen, zoals vastgesteld door de bevoegde examencommissie”. Aldus bevat die bepaling een onwettige bevoegdheidsdelegatie aan een examencommissie; - artikel 18 bepaalt dat de erkenning van een examencentrum ingetrokken kan worden indien het centrum onder meer de verplichtingen “van de ministeriële IX-3923-12/27 besluiten genomen krachtens dit besluit of van de (hem) door de examencommissie verstrekte instructies” niet correct naleeft. Hieruit vloeit voort dat de minister en de examencommissie de bevoegdheid krijgen om bijkomende voorwaarden op te stellen, en om de erkenningsvoorwaarden aldus de facto naar hun hand te zetten; - met betrekking tot de voorwaarden gesteld aan de personen die onderricht verstrekken: - artikel 13, § 2, eerste lid, bepaalt dat de personen die een individuele praktische oefening inzake eerste hulp verstrekken, in het bezit moeten zijn van een Europees brevet van eerste hulp, in 1993 goedgekeurd door de maatschappijen van het Rode Kruis van de landen van de Europese Gemeenschap, of van een ander ten minste gelijkwaardig diploma. Aldus wordt verwezen naar een brevet dat wordt uitgereikt door een niet-gouvernementele organisatie, dat door geen enkele Belgische of internationale overheid is erkend; - artikel 13, § 2, tweede lid, bepaalt dat de gemachtigde van de minister tot wiens bevoegdheid het vervoer behoort, zijnde de leidinggevend ambtenaar, bepaalt welke diploma's gelijkwaardig zijn met het genoemde Europees brevet van eerste hulp. Het staat echter niet aan een ambtenaar om de voorwaarden voor de gelijkwaardigheid met een bepaald brevet te bepalen; - met betrekking tot het toezichthoudend personeel bij de examens: het lastenboek bedoeld in artikel 17, 4/, is op 30 juli 2003 door de examencommissie vastgesteld. Punt 3 van dit lastenboek bepaalt dat een examencentrum garandeert dat op elk examen een persoon aanwezig is die ofwel ambtenaar is bij de directie vervoer van gevaarlijke stoffen, ofwel titularis is van een scholingsbrevet van veiligheidsadviseur, ofwel instructeur is voor de A.D.R.-opleiding van chauffeurs. Aldus komt een gediplomeerde veiligheidsadviseur in aanmerking om toezicht te houden. Hiervoor is er echter geen wettelijke grondslag, aangezien het toezicht houden bij examens niet behoort tot de taken van de veiligheidsadviseurs, zoals die zijn omschreven in bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 1 juli 1999 betreffende de aanwijzing en de beroepsbekwaamheid van veiligheidsadviseurs voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, per spoor of over de binnenwateren. 8.2.
- De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit het feit dat de verzoekers geen belang hebben bij het middel. In zoverre het middel betrekking heeft op bevoegdheidsdelegaties in verband met de instellingen die onderricht verstrekken, IX-3923-13/27 hebben zij geen belang omdat de eerste verzoekster nog steeds over een erkenning beschikt. In zoverre het middel betrekking heeft op bevoegdheidsdelegaties in verband met het examencentrum, hebben zij geen belang omdat de eerste verzoekster haar kandidatuur voor de erkenning als examencentrum niet gesteld heeft. In zoverre het middel betrekking heeft op bevoegdheidsdelegaties in verband met de natuurlijke personen die onderricht verstrekken, hebben de verzoekers geen belang omdat de desbetreffende voorwaarden dezelfde zijn als die welke golden onder de vroegere regeling. 8.2.
- In zoverre de verwerende partij het belang van de verzoekers bij het middel betwist, valt de exceptie in wezen samen met de exceptie van onontvankelijkheid van het beroep, althans in zoverre die exceptie te maken heeft met de bepalingen die het voorwerp van het eerste middel vormen. Om de redenen hiervóór uiteengezet, kan de exceptie niet aangenomen worden. 8.3.
- De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid op, gericht tegen het middel in zoverre het aan het lastenboek verwijt dat het veiligheidsadviseurs inschakelt bij het toezicht bij de examens. Volgens de verwerende partij is het middel in dit opzicht niet gericht tegen een van de bestreden besluiten. 8.3.
- In zoverre de verzoekers in het middel kritiek uitoefenen op de inhoud van het lastenboek, ter uitvoering van het bestreden koninklijk besluit vastgesteld door de examencommissie, is het gericht tegen een handeling die niet het voorwerp van het voorliggende beroep vormt. De exceptie is gegrond. 8.
- Ten gronde moet in verband met de bekritiseerde bevoegdheidsdelegaties het volgende worden opgemerkt: - artikel 11, § 1, eerste lid, tweede streepje, en tweede lid, bevat geen subdelegatie van bevoegdheid aan de minister of aan enige andere overheid die bevoegd is om aan de betrokken instellingen instructies te geven, doch beperkt zich tot een verwijzing naar de ministeriële besluiten “genomen krachtens dit besluit” en de instructies die, uiteraard op grond van andere bepalingen van het bestreden IX-3923-14/27 besluit, gegeven kunnen worden. In dit opzicht mist het middel feitelijke grondslag; - artikel 16, § 1, bepaalt zelf dat de instellingen die erkend zijn als examencentrum de inschrijvingskosten voor het examen kunnen innen. Van enige subdelegatie van bevoegdheid aan de minister is geen sprake. In dit opzicht mist het middel feitelijke grondslag; - artikel 17, 4/, draagt aan de examencommissie op om een lastenboek op te stellen waarin de rechten en de plichten van een examencentrum zijn opgenomen. Een dergelijke subdelegatie van verordenende bevoegdheid aan een andere overheid is strijdig met de regel van artikel 108 van de Grondwet dat de Koning instaat voor de uitvoering van de wetten, tenzij het gaat om detailmaatregelen van bijkomstig belang. Artikel 17, 4/, moet gelezen worden in de context van de andere bepalingen van het bestreden besluit. Daaruit volgt, zoals de verwerende partij terecht aanvoert, dat het lastenboek enkel technische en logistieke vereisten mag bevatten waaraan instellingen moeten voldoen om de opdracht van examencentrum in de praktijk naar behoren te kunnen vervullen. Aldus begrepen, gaat het om een detailmaatregel van bijkomstig belang. In dit opzicht faalt het middel naar recht; - artikel 18 bevat geen subdelegatie van bevoegdheid aan de minister of aan de examencommissie, doch beperkt zich tot een verwijzing naar de ministeriële besluiten “genomen krachtens dit besluit” en de door de examencommissie verstrekte instructies. Wat dit laatste betreft, spreekt het overigens vanzelf dat de examencommissie specifieke instructies zal dienen te geven, nu de taak van het examencentrum er precies in bestaat “de examencommissie bij te staan voor de materiële organisatie van de testen” (artikel 16, § 1, eerste lid). In dit opzicht mist het middel feitelijke grondslag; - artikel 13, § 2, eerste lid, bevat geen subdelegatie van bevoegdheid aan een niet- gouvernementele organisatie, doch beperkt zich tot een verwijzing naar het brevet dat door een dergelijke organisatie wordt verstrekt. In dit opzicht mist het middel feitelijke grondslag; - artikel 13, § 2, tweede lid, draagt aan een ambtenaar op om te bepalen welke diploma’s gelijkwaardig zijn met het brevet genoemd in het eerste lid. Een IX-3923-15/27 dergelijke subdelegatie van bevoegdheid, voor zover die al van verordenende aard zou zijn, is verenigbaar met artikel 108 van de Grondwet, nu het gaat om een detailmaatregel van bijkomstig belang. In dit opzicht faalt het middel naar recht. Over het tweede middel 9.
- De verzoekers roepen een tweede middel in, gericht tegen een aantal bepalingen van het bestreden koninklijk besluit in verband met de samenstelling en de werking van de examencommissie. Die bepalingen zijn met name terug te vinden in artikel 15 van het bestreden koninklijk besluit. In een eerste onderdeel voeren zij aan dat de examencommissie wordt bekleed met een te verregaande regelgevende bevoegdheid, aangezien zij onder meer de erkenningsvoorwaarden voor de examencentra via het lastenboek naar haar hand kan zetten. Zij voeren ook aan dat het lastenboek op 30 juli 2003 is vastgesteld, niet door de examencommissie als zodanig, maar door enkele leden- ambtenaren ervan. Ten slotte voeren de verzoekers aan dat de toegang tot de examencommissie hermetisch afgesloten wordt, nu de voorzitter bevoegd is om de leden ervan aan te wijzen en er geen voorwaarden zijn waaraan de leden moeten beantwoorden. In een tweede onderdeel voeren de verzoekers aan dat de delegaties aan de examencommissies en de voorzitter in strijd zijn met de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet, het behoorlijk bestuur, het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. 9.2.1.
- In verband met het eerste onderdeel werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid op, in zoverre het onderdeel de onwettigheid aanvoert van het lastenboek. Volgens de verwerende partij is het lastenboek geen voorwerp van het voorliggende beroep. 9.2.1.
- Zoals hiervóór, in verband met een soortgelijke exceptie gericht tegen het eerste middel, is uiteengezet, is de exceptie gegrond. 9.2.
- In zoverre het eerste onderdeel voorts aanvoert dat uit artikel 17, 4/, van het bestreden koninklijk besluit volgt dat aan de examencommissie een te verregaande regelgevende bevoegdheid wordt toegekend, valt het samen met een IX-3923-16/27 grief die reeds in het kader van het eerste middel is aangevoerd. Om de aldaar gegeven reden faalt het onderdeel in dit opzicht naar recht. In zoverre het onderdeel ten slotte bezwaren aanvoert tegen de wijze waarop de examencommissie wordt samengesteld, maakt het niet duidelijk welke rechtsregels geschonden worden. In dit opzicht is het onderdeel onontvankelijk. 9.3.1.
- In verband met het tweede onderdeel werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid op, in zoverre het onderdeel het onbehoorlijk bestuur en de schending van het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel aanvoert. Volgens de verwerende partij wordt in het onderdeel niet gepreciseerd waarin de schending van de genoemde beginselen zou bestaan. 9.3.1.
- In het verzoekschrift wordt inderdaad niet uiteengezet waarin de schending van de genoemde beginselen zou bestaan. De exceptie is dan ook gegrond. 9.3.
- In zoverre in het onderdeel de schending van de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet wordt aangevoerd, doordat het bestreden koninklijk besluit in een te ruime subdelegatie aan de examencommissie voorziet, gaat het om de grief die ook al in het eerste onderdeel is uiteengezet. Er kan dan ook verwezen worden naar de desbetreffende bespreking, waaruit blijkt dat het onderdeel in dit opzicht naar recht faalt. In zoverre in het onderdeel voorts de schending van de genoemde grondwetsartikelen wordt aangevoerd, doordat artikel 15, § 2, van het bestreden koninklijk besluit in een te ruime subdelegatie aan de voorzitter van de examencommissie voorziet, moet opgemerkt worden dat de opgedragen bevoegdheid tot het aanwijzen van de leden van de commissie het nemen van een individuele uitvoeringsmaatregel betreft. Een dergelijke opdracht van bevoegdheid aan een ambtenaar is niet strijdig met de genoemde bepalingen van de Grondwet. In dit opzicht faalt het onderdeel eveneens naar recht. Over het derde middel IX-3923-17/27 10.
- De verzoekers roepen een derde middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verzoekers voeren aan dat artikel 7 van het bestreden koninklijk besluit aan de examencommissie een monopolie verleent voor het opstellen, het goedkeuren en het verstrekken van A.D.R.-leerboeken. Zij wijzen erop dat twee leden van de examencommissie de auteurs zijn van het huidige A.D.R.-handboek, en dat twee andere leden bestuurslid zijn van de v.z.w. Instituut voor Wegtransport, dat als enige bevoegd is om het A.D.R.-handboek te verkopen. Volgens de verzoekers dient ook aan henzelf de mogelijkheid gegeven te worden om de A.D.R.-cursus op te stellen, daar het geheel van de A.D.R.- reglementering op tal van wijzen kan gedoceerd worden. Ten slotte voeren de verzoekers aan dat de verwerende partij met de bestreden regeling kiest voor de weg die voor de burger de meeste kosten met zich brengt. 10.2.
- De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, in zoverre het de schending van het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel aanvoert. Volgens de verwerende partij wordt in het middel niet gepreciseerd waarin de schending van de genoemde beginselen zou bestaan. 10.2.
- Uit het middel blijkt dat aan het bestreden besluit wordt verweten dat het voorziet in een monopolie voor het opstellen, het goedkeuren en het verspreiden van het leerboek dat voor elke cursus gebruikt moet worden. Aldus klagen de verzoekers erover dat niet-geselecteerde leerboeken uitgesloten worden van goedkeuring en verspreiding. In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel, is het voldoende duidelijk. In zoverre het middel de schending aanvoert van andere rechtsbeginselen, wordt daarentegen niet gepreciseerd waarin die schending zou bestaan; in zoverre is de exceptie gegrond. 10.3.
- De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit het ontbreken van enig belang. Volgens de verwerende partij tonen de verzoekers niet aan in welke mate hun IX-3923-18/27 belangen geschaad zouden zijn door de vermeende afwezigheid van belangenafweging en schending van de aangehaalde beginselen. 10.3.
- De verzoekers, als instelling en als natuurlijke persoon erkend voor het verstrekken van het A.D.R.-onderricht, verklaren dat zij zelf in de mogelijkheid gesteld zouden willen worden om de A.D.R.-cursus op te stellen. Door het feit dat het bestreden besluit voorziet in de goedkeuring van een leerboek per cursus, is de kans dat hun leerboek aanvaard zou worden en door de cursisten gebruikt zou worden, minder groot dan als er vrijheid van cursusmateriaal was. In die zin hebben de verzoekers een belang bij het middel. De exceptie kan niet aangenomen worden. 10.
- Artikel 7, eerste lid, van het bestreden koninklijk besluit bepaalt dat, op initiatief van de examencommissie, voor elke cursus een leerboek wordt opgesteld en door haar wordt goedgekeurd. Dit handboek wordt gebruikt door de instellingen die het onderricht verstrekken, die een exemplaar ter beschikking stellen aan elke kandidaat die bij hen de desbetreffende cursus volgt. De verwerende partij verantwoordt het gebruik van één enkel leerboek per opleidingscategorie als volgt: “Dit laat toe om de eenvormigheid en de gelijkwaardigheid van de opleidingen te verzekeren, ondanks het grote aantal erkende opleidings- instellingen en de verschillende talen waarin deze opleidingen worden verstrekt. Bovendien wordt door deze werkwijze de zekerheid ingebouwd dat de opleiding en het daaropvolgende examen volledig op elkaar zijn afgestemd.” Die verantwoording komt objectief en redelijk voor. In zoverre kan het middel niet aangenomen worden. Uiteraard dient ook bij de toepassing van die bepaling, en met name bij de concrete keuze van een bepaald leerboek door de examencommissie, het gelijkheidsbeginsel geëerbiedigd te worden. De beschouwingen van de verzoekers in verband met de concrete keuze van het A.D.R.-handboek hebben echter geen betrekking op de bestreden bepaling zelf. In zoverre is het middel onontvankelijk. In zoverre in het middel ten slotte wordt aangevoerd dat de bestreden regeling voor de cursisten de duurste is, oefent het kritiek uit op de IX-3923-19/27 opportuniteit van de bestreden bepaling, niet op de wettigheid ervan. In zoverre kan het niet worden aangenomen. IX-3923-20/27 Over het vierde middel 11.
- De verzoekers roepen een vierde middel in, afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verzoekers voeren aan dat het bestreden koninklijk besluit, in tegenstelling tot de vroegere regeling (artikel 1 van het ministerieel besluit van 17 mei 2001 tot vaststelling van de voorwaarden, gesteld aan de personen en de diensten of instellingen die het onderricht verstrekken, en aan de personen die de examens of tests afnemen, nodig voor het verkrijgen van het A.D.R.-opleidingsgetuigschrift), niet langer bepaalt dat de lesgevers dienen te beschikken over een brevet van A.D.R.-lesgever. Volgens de verzoekers vervalt daarmee elke garantie op een kwalitatief pedagogisch onderwijs. Het brevet van de erkende lesgevers, waaronder dat van de tweede verzoeker, wordt bovendien waardeloos. De lesgevers die aan de vroeger gestelde voorwaarden hebben voldaan komen thans in samenloop met lesgevers die aan geen enkele voorwaarde voldoen en lopen het risico “weggeconcurreerd” te worden door goedkopere krachten zonder brevet. 11.2.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit de onduidelijkheid van het middel. Volgens de verwerende partij wordt in het middel niet gepreciseerd waarin de schending van de daarin aangehaalde beginselen zou bestaan. 11.2.
- Het middel oefent inderdaad kritiek uit op de bestreden regeling vanuit het oogpunt van de kwaliteit van de verstrekte opleiding en de concurrentiepositie van de houders van het brevet van A.D.R.-lesgever. Het middel legt daarentegen niet uit waarin de schending van de aangehaalde rechtsbeginselen zou bestaan. De exceptie is gegrond. IX-3923-21/27 Over het vijfde middel 12.
- De verzoekers roepen een vijfde middel in, afgeleid uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel. De verzoekers voeren aan dat artikel 9, 4/, van het bestreden koninklijk besluit het maximum aantal kandidaten per cyclus beperkt tot 30 personen. Die beperking kwam reeds voor in de vroegere regeling (artikel 11, 5/, van het ministerieel besluit van 17 mei 2001 tot vaststelling van de voorwaarden, gesteld aan de personen en de diensten of instellingen die het onderricht verstrekken, en aan de personen die de examens of tests afnemen, nodig voor het bekomen van het A.D.R. -opleidingsgetuigschrift). Uit het antwoord van de toenmalige minister op een in 1991 gestelde parlementaire vraag blijkt dat de beperking verantwoord werd “doordat het slaagpercentage ..., hoewel hoog, vermindert wanneer (het aantal kandidaten) een bepaalde waarde overschrijdt”. Volgens de minister werd de grens van 30 kandidaten bovendien in overleg met de erkende instellingen vastgesteld. De verzoekers stellen hiertegenover dat de beperking van het aantal deelnemers tot 30 personen onmogelijk ingegeven kan zijn door een zogenaamde noodzaak om de slaagkansen te verhogen, daar uit de slaagcijfers blijkt dat er geen noemenswaardige verschillen zijn tussen opleidingen in groepen van 50 of
- Uit de vergelijking van de slaagcijfers van de cursisten die het onderricht in 2001 en 2002 bij de eerste verzoekster hebben gevolgd, blijkt juist het tegendeel. Bovendien is er geen overleg met de instellingen geweest. De destijds door de bevoegde minister gegeven verantwoording is dan ook ongegrond. De verzoekers merken nog op dat het lesgeven in kleine groepen bij de wegtransporteurs leidt tot ontmoediging, desinteresse en absenteïsme. 12.2.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit de onduidelijkheid van het middel. Volgens de verwerende partij wordt in het middel niet gepreciseerd waarin de schending van de daarin aangehaalde beginselen zou bestaan. 12.2.
- Uit het middel blijkt dat aan het bestreden besluit wordt verweten dat het voorziet in een maximum aantal deelnemers per cyclus, en dat het daarvoor steunt op redenen die “ongegrond” zijn. Aldus blijken de verzoekers erover te IX-3923-22/27 klagen dat het bestreden besluit steunt op motieven die in feite onjuist zijn. In zoverre het middel de schending aanvoert van het motiveringsbeginsel, is het voldoende duidelijk. In zoverre het middel de schending aanvoert van andere rechtsbeginselen, wordt echter niet gepreciseerd waarin die schending zou bestaan; in zoverre is de exceptie gegrond. 12.
- De verhoogde kans voor de deelnemers aan een cursus om te slagen in het examen is op zich een redelijk motief om het aantal deelnemers aan de cursus tot een bepaald maximum te beperken. De verzoekers betwisten echter dat er werkelijk sprake zou zijn van een hoger slaagcijfer in geval van onderricht in kleine groepen, en zij verwijzen daarvoor naar een vergelijking van de slaagcijfers van hun eigen cursisten, in 2001 (vóór de invoering van de beperking) en 2002 (na de invoering van de beperking). De verwerende partij antwoordt hierop dat het verschil in slaagpercentage tussen de jaren 2001 en 2002 te verklaren is, niet door het verschil in omvang van de groep cursisten, maar door het feit dat het examen van 2001 van het type “open boek” was en dat van 2002 van het type “gesloten boek”, waardoor het laatste examen moeilijker was. De verzoekers brengen in hun memorie van wederantwoord geen gegevens aan die dit verweer tegenspreken. Aldus maken zij niet aannemelijk dat de voor de beperking van het aantal deelnemers aangevoerde motieven zouden steunen op een in feite onjuist uitgangspunt. In zoverre de verzoekers aanvoeren dat er geen overleg is geweest met de erkende instellingen die onderricht verstrekken, voeren zij een grief aan tegen een volkomen ten overvloede gegeven beschouwing van de minister. In zoverre het middel ontvankelijk is, kan het niet aangenomen worden. Over het zesde middel 13.
- De verzoekers roepen een zesde middel in, afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. IX-3923-23/27 De verzoekers voeren aan dat artikel 9, 5/, van het bestreden koninklijk besluit bepaalt dat één van de voorwaarden om erkend te worden als instelling die onderricht verstrekt erin bestaat dat het bedrag van het inschrijvingsgeld dat aan de deelnemers gevraagd wordt enkel de kosten veroorzaakt door de opleiding mag dekken. Dit is voor de eerste verzoekster onmogelijk aangezien op het ogenblik van het verstrekken van het onderricht onmogelijk reeds een volledige analyse gemaakt kan worden van de kosten die één inschrijving omvat. Dit kan pas correct gebeuren op basis van een overzicht van de jaarlijkse kosten en op basis van het aantal inschrijvingen per jaar. Het bestreden besluit legt met andere woorden een voorwaarde op die materieel niet te vervullen is. De verzoekers oefenen een gelijkaardige kritiek uit op het lastenboek van 30 juli
- Daarin wordt bepaald, met betrekking tot instellingen die als examencentrum fungeren, dat examens buiten het normale programma van de examensessies georganiseerd kunnen worden op voorwaarde dat het aantal kandidaten voor een dergelijk examen minstens 50 bedraagt. Gelet op het absenteïsme van een aantal kandidaten op het examen, kan de eerste verzoekster niet garanderen dat er 50 deelnemers zullen zijn op een examen. Door het minimumaantal op 50 te plaatsen, wordt aan de verzoekers de mogelijkheid ontzegd om ook effectief een examen buiten het programma te (laten) organiseren. 13.2.
- De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit de onduidelijkheid van het middel. Volgens de verwerende partij wordt in het middel niet gepreciseerd waarin de schending van de daarin aangehaalde beginselen zou bestaan. 13.2.
- Uit het middel blijkt dat aan het bestreden besluit en het lastenboek wordt verweten dat zij voorwaarden opleggen die in de praktijk niet te vervullen zijn. In zoverre het middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel, is het voldoende duidelijk. In zoverre het middel de schending aanvoert van andere rechtsbeginselen, wordt daarentegen niet gepreciseerd waarin die schending zou bestaan; in zoverre is de exceptie gegrond. 13.3.
- De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, afgeleid uit het ontbreken van enig belang in hoofde van de tweede verzoeker. Volgens de verwerende partij heeft de in artikel IX-3923-24/27 9, 5/, van het bestreden besluit bedoelde voorwaarde slechts betrekking op de instellingen die onderricht verstrekken, niet op de individuele lesgevers. 13.3.
- De bestreden bepaling van het koninklijk besluit van 29 juni 2003 heeft inderdaad uitsluitend betrekking op de wijze waarop een erkende instelling de door haar verstrekte opleiding financieel organiseert. Die bepaling heeft geen betrekking op de wijze waarop het onderricht zelf verstrekt wordt. In die zin heeft de tweede verzoeker geen belang bij het bestrijden van die bepaling. De exceptie is gegrond. 13.4.
- De verwerende partij werpt een derde exceptie van onontvankelijkheid op, in zoverre het middel kritiek uitoefent op het lastenboek. Volgens de verwerende partij is het lastenboek geen voorwerp van het voorliggende beroep. 13.4.
- Zoals hiervóór, in verband met soortgelijke excepties gericht tegen andere middelen, is uiteengezet, is de exceptie gegrond. 13.
- In zoverre de eerste verzoekster in het middel kritiek uitoefent op artikel 9, 5/, van het bestreden koninklijk besluit, maakt zij niet aannemelijk dat het haar onmogelijk is om aan de gestelde voorwaarde te voldoen. Uiteraard moet de genoemde bepaling in redelijkheid toegepast worden, hetgeen betekent dat het bedrag van het inschrijvingsrecht zo berekend moet worden dat het in redelijkheid geacht kan worden enkel de kosten te dekken. Bovendien merkt de verwerende partij terecht op dat het een instelling vrij staat om het bedrag aan te passen indien nieuwe gegevens leiden tot een ander resultaat bij de kostenberekening. In zoverre het middel ontvankelijk is, kan het niet aangenomen worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. IX-3923-25/27 IX-3923-26/27 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekers, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 juni 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3923-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.205 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.