← België

Arrest 184207 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.207 Rolnummer: A. 161110/X-12250 Zaak: Arrest 184207 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-27 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 06:47 Fiche Arrest nr 184.207 van 16 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.207 van 16 juni 2008 in de zaak A. 161.110/X-12.

  1. In zake :
  2. Filip REMMERIE,
  3. Jean-Pierre GOETHALS, die woonplaats kiezen bij advocaat S. RONSE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6, bus 24 tegen :
  4. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106,
  5. de gemeente KUURNE, die woonplaats kiest bij advocaat F. VERSCHUERE, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Oude Desselgemstraat
  6. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Filip REMMERIE en Jean-Pierre GOETHALS op 23 maart 2005 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
  7. het besluit van 21 december 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg nr. 34 “Bonaerde” van de gemeente Kuurne, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 januari 2005, en
  8. het besluit van 26 augustus 2004 van de gemeenteraad van de gemeente Kuurne waarbij het bijzonder plan van aanleg nr. 34 Bonaerde, omvattend plan van bestaande toestand en bestemmingsplan met stedenbouwkundige voorschriften, definitief wordt aanvaard; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; X-12.250-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekers en van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VAN PRAET, die loco advocaat S. RONSE verschijnt voor de verzoekers, van advocaat N. DE WINT, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat F. VERSCHUERE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur S. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  9. Feiten 1.
  10. De verzoekers zijn eigenaar en bewoner van woningen gelegen in de Harelbeeksestraat nr. 10, resp. nr. 4, te Kuurne, binnen de perimeter van het bestreden BPA. 1.
  11. Op 30 maart 2004 wordt het ontwerp BPA nr. 34 “Bonaerde” door de gemeenteraad van de gemeente Kuurne voorlopig vastgesteld. 1.
  12. Van 28 april 2004 tot 28 mei 2004 vindt het openbaar onderzoek plaats. Door 15 personen, waaronder de verzoekers, wordt een gezamenlijk bezwaarschrift ingediend. Eén van de bezwaren betreft de afwezigheid van de “watertoets” en luidt als volgt : “
  13. Wij zijn voorts van oordeel dat ook een gemotiveerde watertoets, zoals bedoeld in artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemene waterbeleid, volledig ontbreekt in het voorlopig vastgestelde BPA. Zulks is onbegrijpelijk, zeker nu de zone achteraan de woningen van onze cliënten zeer dicht bij de Leie gelegen is en het bouwen van grote constructies X-12.250-2/12 aldaar redelijkerwijze een invloed kan hebben op de goede waterhuishouding van de naburige percelen. Ook de provincie West-Vlaanderen maakte terzake enkele terechte bedenkingen”. Het bezwaar wordt als volgt beantwoord : “De watertoets werd niet aan het BPA Bonaerde toegevoegd omdat : - het plangebied van het BPA niet vermeld wordt in de inventarisatie van de ROG-gebieden (recent overstroomde gebieden); - de besturen en administraties betrokken bij het advies van het BPA (AMINAL, AWZ) de watertoets in hun advies niet vermeld hebben; - tijdens de opmaak van het BPA het bovenvermeld decreet weliswaar reeds van kracht was, maar de bijbehorende uitvoeringsbesluiten zijn er tot op heden niet; - er tot op heden onduidelijkheden bestaan over de opmaak en toepassing van de watertoets”. 1.
  14. In een nota van 15 juni 2004 concludeert de technische dienst van de gemeente Kuurne het volgende met betrekking tot de aangevoerde wateroverlast en de afwezigheid van de watertoets : “De vermeende wateroverlast is totaal onterecht. Het terrein schiet immers af naar de Leie toe. Er is op geen enkele plaats binnen het B.P.A. en daar buiten overlast geweest bij mensenheugenis”. 1.
  15. Op 6 juli 2004 brengt de GECORO een advies met betrekking tot de ingediende bezwaarschriften uit, waarbij onder meer het volgende wordt overwogen : “Overwegende dat wordt voorgesteld om bij de definitieve aanvaarding in de motivatie op te nemen dat er geen waterproblemen te verwachten zijn en deze ook in het verleden zich niet voordeden wegens de aanwezigheid van collectoren en het gunstige peil van de Leie op de grens van het plangebied zelfs bij hoog waterstand”. 1.
  16. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kuurne sluit zich in zitting van 18 augustus 2004, inzake de ingediende bezwaren, aan bij het advies van de GECORO en bij de nota van de technische dienst. 1.
  17. Op 26 augustus 2004 stelt de gemeenteraad van Kuurne het BPA definitief vast. Daarin wordt onder meer het volgende overwogen : “Overwegende dat de watertoets niet aan het BPA Bonaerde toegevoegd werd omdat : X-12.250-3/12 - het plangebied van het BPA niet wordt vermeld in de inventarisatie van de ROG-gebieden (recent overstroomde gebieden); - de besturen en administraties betrokken bij het advies van het BPA (AMINAL, AWZ) de watertoets in hun advies niet hebben vermeld - tijdens de opmaak van het BPA het bovenvermeld decreet weliswaar reeds van kracht was, maar de bijbehorende uitvoeringsbesluiten zijn er tot op heden niet vermeld; - er tot op heden onduidelijkheden bestaan over de opmaak en toepassing van de watertoets; Overwegende dat de Gecoro, in zitting van 6 juli 2004, het advies uitbracht om in verband met de watertoets de ongevoeligheid aan wateroverlast binnen en in de onmiddellijke omgeving van het plangebied te beschrijven in de beslissing; Overwegende dat in het centrumgebied waartoe het BPA hoort, er noch in de nabije omgeving ervan risico is van wateroverlast en dat er geen knelpunten in het verleden werden vastgesteld; Overwegende dat de bestaande infrastructuur en de renovatie van het centrum, momenteel in gunningsprocedure, bijdragen tot de adequate waterhuishouding, gestaafd door de recente uitgevoerde hydronautstudie; Overwegende dat door de ligging van het gebied aan de Leie met gunstig peilverschil t.o.v. de Leiemeersen en door de aanwezigheid van collectoren van Aquafin het gebied niet onder risicozone voor wateroverlast te catalogeren is, en tevens voor de gebieden stroomopwaarts geen overlast door toenemende verharding te vrezen is; Overwegende dat de regel wordt toegepast dat het regenwater dat op een perceel boven 1000m² valt binnen het perceel moet gebufferd worden”. Dit is het tweede bestreden besluit. 1.
  18. Op 14 oktober 2004 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een negatief advies. Daarin wordt onder meer het volgende gesteld : “SPECIFIEKE OPMERKINGEN OP NIVEAU VAN HET BPA ZELF Verder betreurt de provincie dat niet met volgende opmerkingen werd rekening gehouden in het definitief aanvaardde BPA : - (...) - Gezien de ligging langsheen de Leie is het aangewezen dat het verkrijgen van een bouwvergunning in het gebied gekoppeld wordt aan een watertoets. De vereiste een watertoets te laten uitvoeren kan worden opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften”. 1.
  19. In het advies van de afdeling Ruimtelijke Planning van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan de bevoegde minister, wordt met betrekking tot de watertoets het volgende gesteld : “Watertoets Het voorliggend project betreft het bestemmen van een reeds grotendeels verhard gebied in Kuurne. Het gebied ligt niet in een recent overstroomd gebied of in een overstromingsgebied. Gezien de ligging in de nabijheid van de Leie X-12.250-4/12 hebben de stedenbouwkundige voorschriften aandacht voor verhardings- en wateraspecten. Zo wordt met betrekking tot de nog niet gerealiseerde zone (zone 4 - zone voor wonen - projectzone) gesteld dat deze verhard zal worden. Er wordt hierbij wel in de stedenbouwkundige voorschriften ingeschreven dat voor de aanvang van het project de watertoets moet worden uitgevoerd. De stedenbouwkundige voorschriften besteden bovendien ook aandacht aan het voorzien van buffervolumes voor de opvang van water bij de verschillende zones voor ambachtelijke activiteiten en lokale bedrijvigheid (het regenwater dat op een perceel boven 1000m² valt, moet binnen het perceel worden gebufferd). Ook wordt de onmiddellijke omgeving van de Leie bouwvrij gehouden. Er kan dus met alle redelijkheid worden geoordeeld dat het schadelijk effect beperkt is (cfr. advies Gecoro)”. 1.
  20. Bij besluit van 21 december 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening wordt het bijzonder plan van aanleg nr. 34 “Bonaerde” van de gemeente Kuurne goedgekeurd, met uitzondering van de met blauw omrande delen van de stedenbouwkundige voorschriften. Dit is het eerste bestreden besluit, dat onder meer de volgende overwegingen bevat : “Overwegende dat de waterbeheerplannen die basis vormen voor de watertoets zoals bedoeld in het decreet betreffende het algemeen waterbeleid nog niet beschikbaar zijn; dat de adviesgevende instantie nog niet is aangeduid; Overwegende dat er bijkomende verharding wordt voorzien, maar dat de stedenbouwkundige veror de ni ng inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater bij de vergunningverlening toepasbaar is en een antwoord biedt op de vraag vanuit het waterbeleid; Overwegende dat het een gebied betreft dat reeds deels verhard is; dat niet gelegen is in een gebied waar regelmatig overstromingen verwacht kunnen worden; dat het plangebied gelegen is in de nabijheid van de Leie; dat voor de nog niet verharde projectzone de watertoets moet worden uitgevoerd voor aanvang van het project; dat de stedenbouwkundige voorschriften aandacht besteden aan het voorzien van buffervolumes voor de opvang van water bij verschillende zones; een beekvallei”.
  21. Ten gronde 2.1.
  22. Het tweede middel is als volgt geformuleerd : “B. Tweede middel: schending van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemene waterbeleid
  23. Artikel 8, § 1 van bovenvermeld decreet luidt: (...)
  24. Verzoekers stellen vast dat verwerende partijen geenszins zijn overgegaan tot een adequate watertoets bij de totstandkoming van het bestreden BPA (...). Zulks was nochtans nodig nu verzoekers een verklaring voorleggen van de eigenaar van het pand in de Harelbeeksestraat 16 (...) waaruit blijkt (dat) er zich in het verleden weldegelijk een waterprobleem heeft voorgedaan in de directe X-12.250-5/12 omgeving van de zone nr. 9 (...), en dit in tegenstelling tot hetgeen beweerd wordt door tweede verwerende partij in het aanvaardingsbesluit. Daar waar tweede verweerster zonder meer stelt dat ‘voor de nog niet verharde projectzone de watertoets moet worden uitgevoerd voor aanvang van het project’, merken verzoekers op dat deze watertoets niet (enkel) dient te gebeuren bij de toekomstige stedenbouwkundige vergunningen, doch eveneens bij de goedkeuring van een plan van aanleg. Gelet op de motivering uit de eerste bestreden beslissing is zulks zeker niet gebeurd. Dit brengt de onwettigheid van de bestreden beslissingen met zich mee”. 2.1.
  25. De eerste verwerende partij repliceert : “(...) 2.
  26. De ‘watertoets’ impliceert bijgevolg dat er vooreerst moet worden nagegaan of er betekenisvolle nadelige effecten blijken te zijn op het milieu, voortvloeiend uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit. De verplichting tot motivering heeft dan betrekking op de gebeurlijke weigering van de vergunning, het plan of het programma dan wel op de gebeurlijke beperkingen, herstel- of compensatiemaatregelen, die uiteraard niet aan de orde zijn bij ontstentenis van nadelige effecten. 2.
  27. In casu wordt omtrent deze watertoets in het tweede bestreden besluit het volgende gesteld : (...) De nota van de Afdeling Ruimtelijke Planning aan de Minister luidt daarover als volgt : (...) Het eerste bestreden besluit stelt daaromtrent het volgende : (...) 2.
  28. Voormelde tekstfragmenten uit de aangevochten besluiten tonen aan dat de bevoegde overheden het bijzonder plan van aanleg wel degelijk aan de watertoets onder(wierpen), en motiveerden uit het oogpunt van de doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid, waarbij de mogelijke repercussies en gebeurlijke schadelijke effecten van het plan in de geest van het decreet integraal waterbeleid werden beoordeeld en opgevangen. 2.
  29. De stelling van verzoekende partijen dat er in deze niet werd overgegaan tot een adequate watertoets, mist dan ook feitelijke grondslag, te meer er bij de beoordeling van de adequaatheid van de watertoets rekening dient te worden gehouden met onder meer de ontstentenis op het ogenblik van de twee respectievelijke bestreden beslissingen van onder meer goedgekeurde waterbeheerplannen”. 2.1.
  30. De tweede verwerende partij repliceert van haar kant : “(...) De watertoets werd niet aan het BPA Bonaerde toegevoegd omdat: - het plangebied van het BPA niet vermeld wordt in de inventarisatie van de Rog-gebieden (recent overstroomde gebieden); - de besturen en administraties betrokken bij het advies van het BPA (AMINAL, AWZ) de watertoets in hun advies niet vermeld hebben; - tijdens de opmaak van het BPA het bovenvermeld decreet weliswaar reeds van kracht was, maar de bijbehorende uitvoeringsbesluiten waren er tot op dat moment niet; X-12.250-6/12 - er tot op heden onduidelijkheden bestaan over de opmaak en toepassing van de watertoets; Omtrent de watertoets voegt de gemeente Kuurne in het definitieve aanvaardingsbesluit dd. 26/8/04 (...) nog het volgende toe : (...) Verzoekers verwijzen naar een verklaring van een eigenaar van een pand in de Harelbeeksestraat 16 te Kuurne die gewag maakt van een waterprobleem dat zich in het verleden zou voorgedaan hebben, doch deze verklaring is de diensten van de gemeente Kuurne volkomen onbekend; Fundamenteel moet de gemeente Kuurne herhalen dat op het ogenblik van de goedkeuring van het BPA er geen uitvoeringsbesluiten waren die aangaven hoe de watertoets effectief in de praktijk diende te gebeuren; Op het ogenblik dat de bestreden beslissingen werden genomen was er geen (...) sprake van enige onwettigheid”. 2.1.
  31. De verzoekers antwoorden in hun memorie van wederantwoord : “
  32. Tweede verweerster erkent in haar memorie van antwoord zonder meer niet te zijn overgegaan tot de watertoets. Terzake beroept zij zich hiervoor op drie argumenten:

(1)het gebied wordt niet vermeld in de inventarisatie van ROG-gebieden;
(2)geen enkele administratie heeft terzake opmerkingen geformuleerd, en
(3)er bestaat onduidelijkheid over de toepassing van de watertoets.
  1. Verzoekers kunnen met deze argumentatie onmogelijk akkoord gaan en wijzen op volgende zaken : - Het enkele feit dat een gebied niet geïnventariseerd is als een ROG-gebied doet niets af aan de noodzaak van een watertoets; - Het is volkomen onjuist dat geen enkel bestuur of administratie melding heeft gemaakt van een noodzaak aan een adequate watertoets. In dit verband verwijzen verzoekers naar het advies van de provinciale planologische dienst (...) waarin kan gelezen worden: ‘Gezien de ligging langs de Leie is het aangewezen dat het verkrijgen van een bouwvergunning in het gebied, voorafgegaan wordt door een watertoets.’ Verzoekers wijzen er in dit verband Uw Raad op dat de watertoets overeenkomstig artikel 8, § 1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemene waterbeleid eveneens dient te gebeuren door de overheid die over een plan of programma moet beslissen, en dus niet alleen door de overheid die over een vergunning moet beslissen. Indien met andere woorden door de provinciale dienst de noodzaak wordt erkend van de watertoets bij de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning ‘in het gebied’, dient evenzeer een watertoets te geschieden bij de totstandkoming van het BPA. - Van onduidelijkheid over de toepasbaarheid van de watertoets kan in casu geen sprake zijn. Artikel 8 van het hoger vermelde decreet is bijzonder duidelijk en was in werking getreden op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissingen”. 2.1.
  2. In de laatste memories worden geen nieuwe argumenten aangevoerd. X-12.250-7/12 2.2.
  3. Artikel 8, §§ 1 en 2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid luiden als volgt : “§
  4. De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma’s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren. §
  5. De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse regering vastgestelde waterbeheerplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voorzover die bestaan. De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst”. Artikel 3, § 2, 17/ van voormeld decreet definieert het begrip ‘schadelijk effect’ als volgt: “17/ schadelijk effect : ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen”. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat geleid heeft tot het decreet van 18 juli 2003, wordt over artikel 8 het volgende gesteld : “Dit artikel geeft uitvoering aan het principe van de integratie van integraal waterbeleid bij de planvorming en vergunningverlening. Telkens wanneer er een beslissing wordt genomen op andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest en van de overige besturen, moet er op basis van dit artikel rekening worden gehouden met het integraal waterbeleid. De betrokken overheid moet dan als het ware het dossier aan een ‘watertoets’ onderwerpen vooraleer een beslissing te nemen. Deze ‘watertoets’ kan in het algemeen worden opgevat als het proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk X-12.250-8/12 beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van plannen, programma’s of vergunningsbesluiten op het watersysteem. De grootste winst ligt dus bij de vroegtijdige informatievoorziening en afweging. Daarmee fungeert de ‘watertoets’ ook als een belangrijk preventief instrument” (Memorie van toelichting, Parl. St., Vl. Parl., 2002-03, nr. 1730-1, p. 23). 2.2.
  6. Artikel 8, § 3, eerste lid van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid draagt aan de Vlaamse regering weliswaar op om een instantie aan te wijzen met een adviserende bevoegdheid, doch het feit dat die instantie nog niet is aangewezen, heeft geen invloed op de regelmatigheid van de te dezen gevolgde procedure, nu deze instantie slechts bevoegd is met betrekking tot vergunningsaanvragen, niet met betrekking tot plannen of programma’s. Artikel 8, § 5 van het decreet voorziet voorts weliswaar in de mogelijkheid voor de Vlaamse regering om algemene richtlijnen uit te vaardigen en nadere regels vast te stellen, zowel in verband met de criteria om vast te stellen dat handelingen of activiteiten een schadelijk effect veroorzaken als in verband met het bepalen van de gepaste voorwaarden om het schadelijk effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren, doch de Vlaamse regering wordt niet verplicht om terzake enig uitvoeringsbesluit te nemen. Ook bij gebreke van een uitvoeringsbesluit zijn de betrokken overheden verplicht om in de in artikel 8, § 1 bedoelde gevallen de watertoets uit te voeren. Tweede verweersters betoog luidens hetwelk er op het ogenblik dat de bestreden besluiten werden genomen geen uitvoeringsbesluiten waren die aangaven hoe de watertoets effectief in de praktijk diende te gebeuren en er om die reden, op het ogenblik dat de bestreden beslissingen werden genomen, niet de minste sprake van enige onwettigheid kon zijn, kan derhalve niet worden bijgetreden. 2.2.
  7. Het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 november 2003 en is derhalve, bij gebreke van een specifieke regeling inzake de inwerkingtreding, overeenkomstig artikel 56 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, op 24 november 2003 in werking getreden. Voormeld decreet maakt verder geen onderscheid tussen het initieel vaststellen van een plan en het goedkeuren ervan en vindt ook toepassing op de beslissing tot definitieve aanvaarding en tot goedkeuring van een BPA. Een overheid die vanaf 24 november 2003 over een plan van aanleg besliste, was X-12.250-9/12 gehouden door de verplichting bedoeld in artikel 8, § 1 van het decreet van 18 juli
  8. In casu werd het kwestieuze BPA definitief vastgesteld op 26 augustus 2004 en goedgekeurd op 21 december
  9. Beide beslissingen waren derhalve onderworpen aan de verplichting opgenomen in artikel 8, § 1 van het decreet van 18 juli
  10. 2.2.
  11. Uit artikel 8, §§ 1 en 2 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid volgt dat een beslissing waarbij een plan van aanleg wordt aanvaard of goedgekeurd een formele motivering dient te bevatten, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst, en waaruit blijkt dat de in artikel 8, § 1 van het decreet bedoelde watertoets is uitgevoerd en dat uit die motivering meer bepaald moet blijken, hetzij dat de planvoorschriften geen schadelijke effecten kunnen doen ontstaan als bedoeld in artikel 3, § 2, 17/ van het decreet, hetzij dat zulke effecten wel kunnen ontstaan, maar dat die door het opleggen van gepaste voorwaarden zoveel mogelijk worden beperkt of hersteld. Dat daarbij enkel met de formeel uitgedrukte motieven mag rekening worden gehouden. Die toets kan niet afgeschoven worden naar de nadien te verlenen stedenbouwkundige vergunning. 2.2.
  12. Uit het tweede bestreden besluit blijkt dat bij de totstandkoming van het BPA geen watertoets in de zin van het meergenoemde decreet werd doorgevoerd, aangezien daarin onder meer het volgende wordt overwogen : “Overwegende dat de watertoets niet aan het BPA Bonaerde toegevoegd werd omdat : - het plangebied van het BPA niet wordt vermeld in de inventarisatie van de ROG-gebieden (recent overstroomde gebieden); - de besturen en administraties betrokken bij het advies van het BPA (AMINAL, AWZ) de watertoets in hun advies niet hebben vermeld - tijdens de opmaak van het BPA het bovenvermeld decreet weliswaar reeds van kracht was, maar de bijbehorende uitvoeringsbesluiten zijn er tot op heden niet vermeld; - er tot op heden onduidelijkheden bestaan over de opmaak en toepassing van de watertoets; (...)”. Ook het eerste bestreden besluit, vaststellend “dat de waterbeheerplannen die basis vormen voor de watertoets zoals bedoeld in het decreet betreffende het algemeen waterbeleid nog niet beschikbaar zijn” en “dat de X-12.250-10/12 adviesgevende instantie nog niet is aangeduid”, reveleert eveneens de afwezigheid van een afdoende watertoets in de zin van artikel 8, § 1 van het decreet. Bovendien wordt in dit besluit voornamelijk gewezen op de noodzaak tot het uitvoeren van een latere watertoets op vergunningsniveau : “Overwegende dat er bijkomende verharding wordt voorzien, maar dat de stedenbouwkundige ve r o r d ening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater bij de vergunningverlening toepasbaar is en een antwoord biedt op de vraag vanuit het waterbeleid; Overwegende dat het een gebied betreft dat reeds deels verhard is; dat niet gelegen is in een gebied waar regelmatig overstromingen verwacht kunnen worden; dat het plangebied gelegen is in de nabijheid van de Leie, dat voor de nog niet verharde projectzone de watertoets moet worden uitgevoerd voor aanvang van het project”. De aangehaalde redenen laten niet toe af te zien van de watertoets. Bovendien heeft de provinciale technische dienst gewezen op de noodzaak om die toets door te voeren. De bijkomende overweging in het eerste bestreden besluit luidens hetwelk “de stedenbouwkundige voorschriften aandacht besteden aan het voorzien van buffervolumes voor de opvang van water bij verschillende zones; een beekvallei”, kan bezwaarlijk als een afdoende watertoets in de zin van het decreet worden beschouwd. Het ontbreken ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten van de in het decreet in het vooruitzicht gestelde waterbeheerplannen vermag dit euvel niet goed te maken. Artikel 8, § 2 van het decreet bepaalt immers dat met die beheerplannen rekening dient gehouden te worden “voorzover die bestaan”. 2.2.
  13. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  14. Vernietigd worden :
  15. het besluit van 21 december 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder X-12.250-11/12 plan van aanleg nr. 34 “Bonaerde” van de gemeente Kuurne, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 januari 2005, en
  16. het besluit van 26 augustus 2004 van de gemeenteraad van de gemeente Kuurne waarbij het bijzonder plan van aanleg nr. 34 Bonaerde, omvattend plan van bestaande toestand en bestemmingsplan met stedenbouwkundige voorschriften, definitief wordt aanvaard. Artikel
  17. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-12.250-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.207 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.