id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.231 Rolnummer: A. 153984/X-11966 Zaak: Arrest 184231 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-04 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:13 Fiche Arrest nr 184.231 van 16 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging afvoering Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.231 van 16 juni 2008 in de zaak A. 153.984/X-11.966. In zake : 1. n.v. RUDDERSHOVE, 2. Dominique PROVOOST (overleden), die woonplaats gekozen hebben bij advocaat A. VAN BRABANT, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gulden Vlieslaan 16 tegen : 1. de stad BRUGGE, die woonplaats kiest bij advocaat B. LEFEVER, kantoor houdende te 8200 BRUGGE, Manitobalaan 17, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. RUDDERSHOVE en Dominique PROVOOST op 20 juli 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 juni 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge waarbij aan AZ Sint Jan de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor “het realiseren van een kanaalwateraansluiting voor de koude-productie (watervang, pompstation, lozingsstation en bijhorend leidingwerk) (regularisatie)” te Brugge, Ruddershove 10, kadastraal bekend sectie M, nr. 253/w; Gelet op het arrest nr. 135.615 van 1 oktober 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 28 oktober 2004 ingediend door de verzoekende partijen; X-11.966-1/13 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de beschikking van 20 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. BEHEYDT, die loco advocaat A. VAN BRABANT verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat B. LEFEVER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat C. ROMMELAERE, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging Het geding in hoofde van de tweede verzoeker werd na zijn overlijden niet hervat. De zaak wordt wat de tweede verzoeker betreft van de rol afgevoerd. 2. De feiten 2.1. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge verleent bij besluit van 23 december 2003 de stedenbouwkundige vergunning aan X-11.966-2/13 het AZ Sint-Jan AV “voor het aansluiten van kanaalwater voor koude productie: watervang, pompstation, lozingconstructie en bijhorende leidingswerken” op een terrein aan de Ruddershove 10 te Brugge. Dit besluit wordt vernietigd bij ’s Raads arrest nr. 137.338 van 19 november 2004. 2.2. Op 13 februari 2004 (datum van het ontvangstbewijs) dient het AZ Sint-Jan AV een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor “het realiseren van een kanaalwateraansluiting voor de koudeproductie (watervang, pompstation, lozingsstation en bijhorend leidingwerk (regularisatie)” op het voormelde perceel. Het project strekt tot het bouwen van een kanaalwateraansluiting op het kanaal Brugge-Oostende in functie van koude-productie ten behoeve van de werking van het ziekenhuis. De werken omvatten een nieuw te bouwen watervang, de noodzakelijke persleidingen over een afstand van 400 m, een pompstation, een onderstation absorptiekoeling en een uitstroomconstructie. Er is geen betwisting tussen de partijen dat “de aanvraagprocedure” voor de bedoelde werken werd “hernomen” omdat bij de vergunningverlening van 23 december 2003 “over het hoofd (werd) gezien dat een deel van de aanvraag zich situeert in parkgebied”. 2.3. Het terrein ligt volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Brugge-Oostkust deels in een parkgebied en deels in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 2.4. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek dat gehouden wordt van 18 februari t.e.m. 18 maart 2004 wordt één bezwaarschrift van de verzoekers ingediend. 2.5. Het college van burgemeester en schepenen verklaart het bezwaarschrift op omstandige wijze ongegrond bij besluit van 9 april 2004 waarin als volgt wordt geconcludeerd: “het aanleggen van een gedeelte van de nutinfrastructuur in parkgebied is in principe aanvaardbaar gezien ze verenigbaar is met de bestemming parkgebied en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied. De werken zijn danig geïntegreerd in de omgeving dat het huidig gebruik als parkonderdeel niet principieel aangetast wordt”. X-11.966-3/13 2.6. De gemachtigde ambtenaar verleent op 2 juni 2004 gunstig advies: “(...) Een klein deel ligt in ‘parkgebied’, het grootste deel in een ‘gebied voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen’. De ruimtelijke weerslag na de werken zal gering zijn daar het oorspronkelijk reliëf van vóór de werken zal hersteld worden met inbegrip van aanplantingen”. 2.7. Het college van burgemeester verleent de stedenbouwkundige vergunning mits een aantal voorwaarden bij het bestreden besluit van 11 juni 2004. Het besluit wordt, na overname van het voormelde advies van de gemachtigde ambtenaar en het voormelde collegebesluit waarin de bezwaren worden weerlegd, als volgt gemotiveerd: “- Overwegende dat de bouwplaats een onderdeel is van het als park aangelegd gedeelte van het A.Z. - Sint-Jan tussen het ziekenhuis en de Steenkaai; dat het park was afgeboord met een groenscherm van hakhout en struiken; dat er visueel geen onderscheid is tussen het onderdeel gelegen in een zone openbaar nut en het onderdeel gelegen in zone voor parkgebied; - Overwegende dat de grootste ingrepen ondergronds gebeuren; dat van het pompstation een 30-tal cm boven het maaiveld blijft; dat door grasgroei het pompstation niet meer boven de begroeiing zal uitkomen; dat het geheel opnieuw maximaal wordt ingekleed met streekeigen groen; - Overwegende dat het gedeelte van de zone openbaar nut als park aangelegd vele malen groter is dan het deel parkgebied binnen het eigendom waarin vooral ondergrondse werken uitgevoerd worden; dat indien na de ingreep het terrein effectief hersteld en heraangelegd wordt zoals voorzien, de omgeving geen storende wijzigingen ondergaat; - Overwegende dat bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden kunnen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied (art. 20 van het K.B. van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen); het betreft een bouwwerk als wezenlijk onderdeel van de gemeenschapsvoorziening; - Overwegende dat het aanleggen van een gedeelte van de nutsinfrastructuur in parkgebied in principe aanvaardbaar is gezien ze verenigbaar is met de bestemming parkgebied en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied; dat de werken danig geïntegreerd zijn in de omgeving dat het huidig gebruik als parkonderdeel niet principieel aangetast wordt; - Overwegende dat het ontwerp dan ook in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en verenigbaar is met zijn onmiddellijke omgeving en met de goede plaatselijke aanleg”. X-11.966-4/13 3. De gegrondheid 3.1.1. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de artikelen 14.4.4 en 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna het Inrichtingsbesluit), van de bepalingen van de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en het vertrouwenbeginsel. De verzoekster betoogt dat de vergunde bouwwerken “geenszins verenigbaar zijn met de bestemmingsvoorschriften van parkgebied”, “niet kunnen aanzien worden als werken en handelingen die strikt noodzakelijk zijn voor de openstelling, het behoud-, verfraaiing en/of aanleg van het park”, “nieuwbouw voorzien (...) zodat de ingreep ook niet beperkt is tot het geschikt maken van bestaande gebouwen”, “eenvoudig konden gerealiseerd worden in een gebied voor gemeenschapsvoorziening, met name door de werken 100 meter te verplaatsen in westelijke richting” en dat “de inplanting van een pompstation met roosters en dergelijke (...) een afgesloten geheel (zal) vormen, mede gelet op de veiligheid, en (...) de openstelling voor het publiek op lange termijn van het stuk parkgebied in het gedrang (brengt)”. Zij stelt dat “de werken (...) ook niet vergunbaar (zijn) bij toepassing van” artikel 20 van het Inrichtingsbesluit, dat vermits de milieuvergunning reeds op 24 januari 2002 was verleend “er geen dringende en absolute noodzaak voor de werken” kan aangenomen worden, dat “in zoverre de werken worden beschouwd als gemeenschapsvoorzieningen van gemeentelijk belang die tot de normale uitrusting van het woongebied behoren”, het dossier geen motiveringsnota bevat “waarin de alternatieven in de woonzone worden besproken”, en dat “de omzendbrief van 8 juli 1997 (...) manifest niet gerespecteerd” werd. 3.1.2. De eerste verwerende partij repliceert dat “de betreffende werken (...) grotendeels buiten het parkgebied (liggen)”, “het parkgebied zelf (...) veel ruimer (
- is)dan het stukje alwaar thans werken worden voorzien”, “de uit te voeren werken (..) ontegensprekelijk een algemene bestemming (hebben) gezien zij van nut zijn voor het ziekenhuis”, “de werken (...) grotendeels ondergronds (worden) uitgevoerd”, “de visuele hinder (...) zeer gering (is)” en “na de werken (...) de beplantingen terug geplaatst (worden)”. Voorts dat “enkel het pompstation in het X-11.966-5/13 betreffende parkgebied (
- is)gelegen”, dat het pompstation “volledig ondergronds werd geconcipieerd” waarvan “de bovenste betonlaag (...) met moeite zo’n dertig centimeter boven het grondoppervlakte (komt) te liggen” waarboven “enkel twee verluchtingsbuizen voorzien (zijn)” en waarbij “rekening (moet) worden gehouden (...) dat er een nieuw groenscherm zal worden aangebracht” en “de betonnen constructie zelf (...) het voorwerp (zou) uitmaken van een begroeiing (klimop of dergelijke)”. Zij stelt dat “er (...) geen lawaaihinder (zal) zijn, gezien de pompen ondergronds zullen functioneren”, geen lichtpollutie omdat “er geen enkele verlichting zal worden aangebracht” en geen geurhinder, de hinder “n.a.v. de uitvoering van de werken (...) geen bezwaar” kan zijn, “bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de vergunde werken enige stoornis zouden uitmaken t.a.v. de fietsers en voetgangers”, “indien de werken 100 meter in westelijke richting zouden worden verplaatst, zou het grondgebied van het A.Z. Sint-Jan worden verlaten. De afstand tussen het pompstation en het andere station (waar water terug in (het) kanaal terechtkomt) verkleinen is ook geen optie gezien er technisch een minimale afstand tussen beide stations moet blijven bestaan”. 3.1.3. De tweede verwerende partij repliceert dat “het inrichten van een basisnutsvoorziening (...) als voorziening ten dienste van de gemeenschap (kan) worden aanzien”, “artikel 20 geldt voor ‘bouwwerken’ en dus niet enkel voor gebouwen”, uit de overwegingen van het bestreden besluit “blijkt dat de voorwaarden gesteld in voormeld artikel 20 te dezen wel degelijk werden nageleefd”, “het voorziene project (...) geen invloed (heeft) op het gebruik van het bestaande park als park”, “het project wordt (...) uitgevoerd in een parkgedeelte (...) met schermbeplanting” waarna “de berm volledig (wordt) hersteld met nieuwe aanplantingen”, “de watervang (...) niet in parkgebied maar wel in de zone waterwegen (wordt) uitgevoerd”, “het project gebruik maakt van het kanaalwater” hetgeen “(aan)toont dat de uitvoering op een andere locatie dan deze niet haalbaar was”, “eenmaal de werken beëindigd en de beplanting heraangelegd, zal er vanuit het kasteel (eigendom van de verzoekster) niets meer van deze bouwwerken te bespeuren zijn”, “uit het verzoekschrift zelf blijkt dat verzoekende partijen ter dege kennis hebben van de motieven die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit” zodat “het doel van de formele motiveringsplicht duidelijk bereikt (is)” en dat “de argumenten dienaangaande van verzoekende partijen (...) neer(komen) op kritiek op de inhoud van de beslissing zelf en (...) op generlei wijze verband (houdt) met een gebrek aan afdoende motivering”. X-11.966-6/13 3.1.4. De verzoekster dupliceert dat “de werken voor een zeer groot stuk in parkgebied (worden) uitgevoerd, met name “het volledige pompstation (...) evenals de (ondergrondse) buizen, net als de watervang, over een lengte van minstens 100 meter”, “het kasteeldomein (...) rechtstreeks uitzicht (heeft) op de werken en het gerealiseerde bouwwerk”, “alle bouwwerken (...) een minderwaarde betekenen voor het kasteeldomein en hinder inhouden en overlast met zich brengen voor haar bewoners en gebruikers”, “kilometers lang kanaalwater beschikbaar (
- is)zodat een andere inplanting gemakkelijk kon”, “het feit dat het AZ geen eigenaar is van een stuk naar het westen,(...) het AZ geen vrijbrief (verleent) om haar gebouwen op te richten waar het haar goed uitkomt, met name in parkgebied”, geen “uitzonderlijke omstandigheden (worden) aangehaald waarom niet zou kunnen gewacht worden op de wijziging van het gewestplan of van het opstellen van een gemeentelijk plan”, in het bestreden besluit noch in het advies van de gemachtigde ambtenaar of in de memories van de verwerende partijen “terzake concrete elementen (worden) aangehaald waaruit zou moeten blijken dat een en ander in overeenstemming is met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied”, “ingevolge bouwwerken (...) het gebied (...) volkomen (wordt) afgesloten voor recreatief gebruik”. 3.2.1. Het middel geeft, in zoverre het de schending inroept van het vertrouwensbeginsel, niet aan waarin de schending van dat beginsel zou bestaan. Het middel is in zoverre onontvankelijk. Het middel is eveneens onontvankelijk in zoverre het de schending inroept van de omzendbrief van 8 juli 1997 die geen verordenend of bindend karakter heeft. 3.2.2. Het middel is beperkt tot de vergunde werken die zich in het betrokken parkgebied situeren. Uit de gegevens van het dossier en de procedurestukken blijkt dat een deel van de persleidingen en het pompstation de vergunde werken zijn in het parkgebied. De persleidingen bevinden zich ondergronds. Het pompstation komt volgens het vergunde constructieplan met de betonconstructie 37,20 cm boven het grondpeil over een oppervlakte van 9,20 op 9,80 m met daar bovenop twee verluchtingsbuizen en een dakkoepel van 1,60 op 2,80 m. De overige vergunde bouwwerken bevinden zich volgens het bestreden besluit en de gegevens van het dossier niet in het betrokken parkgebied. X-11.966-7/13 3.2.3. Wat betreft de ingeroepen schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, bepalen de artikelen 2 en 3 van die wet dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan die beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Hieruit volgt dat het college van burgemeester en schepenen in de beslissing over de bouwaanvraag zelf de concrete gegevens moet vermelden waarop hij zich heeft gesteund om tot het besluit te komen dat de gevraagde stedenbouwkundige vergunning verleend kan worden. In het bestreden besluit wordt vastgesteld dat de aanvraag deels niet in overeenstemming is met de bestemming van het betrokken perceel volgens het gewestplan Brugge-Oostkust, doch dat bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen op grond van artikel 20 van het Inrichtingsbesluit ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden kunnen worden toegestaan, voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied en dat parkgebieden in hun staat moeten worden bewaard of bestemd zijn om zodanig ingericht te worden, dat ze, in de al dan niet verstedelijkte gebieden, hun sociale functie kunnen vervullen. Het bestreden besluit gaat voorts in op de bezwaren die de verzoekers hebben ingediend. Het stelt vast dat die bezwaren erop wijzen dat de vergunning van 23 december 2003 niet werd ingetrokken, de bouwwerken niet verenigbaar zijn met de bestemming parkgebied, de overheid moet nagaan in welke mate een en ander verenigbaar is met de milieuvergunning, het ecologisch evenwicht onaanvaardbaar wordt aangetast door het wegmaaien van een strook bos, de privacy wordt aangetast, de bouwwerken onaanvaardbare visuele en lawaaihinder met verkeersoverlast zullen meebrengen, de bouwaanvraag onvolledig is en elementen bevat die niet aan de werkelijkheid beantwoorden, het pompstation zichtbaar en storend is, de watervang visuele hinder veroorzaakt, de privacy van het kasteeldomein wordt verstoord door het wegnemen van bos en berm. Het bestreden besluit geeft op elk van die bezwaren een antwoord: “1. De onregelmatige eerste vergunning wordt niet ingetrokken. Door het indienen van huidige aanvraag die zich beperkt tot het gedeelte gelegen in parkgebiedzone volgens het gewestplan vervalt het onderdeel gelegen in parkgebied van de vergunning 03/2286 van 23 december 2003. Over het al dan niet onregelmatig zijn van de vergunning 03/2286 is nog een procedure lopende. 2. De bouwwerken zijn onverenigbaar met de bestemming parkgebied. Bouwplaats maakt deel uit van het domein van het A.Z Sint-Jan. Het X-11.966-8/13 is een onderdeel van het als park aangelegde terrein dat grotendeels gelegen is in een zone voor openbaar nut. De voorziene ingreep heeft geen invloed op het gebruik van het bestaande park als park. Het onderdeel uit de voorliggende aanvraag is gelegen in parkgedeelte dat aangelegd is met schermbeplanting. Deze wordt opnieuw hersteld na de ingreep en de strook palende aan de Steenkaai zal haar bestaande functie behouden. Hieruit blijkt dat de ingreep wel bestaanbaar is met parkgebied in deze specifieke situatie waarbij de openstelling van het park ten zuiden van het AZ nooit in het gedrang komt. 3. Het College van Burgemeester en Schepenen zal nagaan in welke mate een en ander verenigbaar is met de milieuvergunning. Uiteraard zal het College van Burgemeester en Schepenen dit doen in het kader van de milieuvergunning. Huidig dossier is de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning en de afweging gebeurt in de context van de goede ruimtelijke ordening. 4. Onaanvaardbare aantasting van het ecologisch evenwicht door wegmaaien van een strook bos; Het betreft geen bos maar wel een groenscherm bestaande uit heesters en hakhoutbomen. Dergelijke groenschermen vergen geregelde kapping om het als groenscherm te laten bestaan. Na de ingreep zullen trouwens nieuwe streekeigen heesters en hakhout aangeplant worden. Bouwplaats is slechts een minimaal onderdeel van het groenscherm tussen het park van het AZ en de Steenkaai. 5. Onaanvaardbare aantasting van de privacy. Tussen de bouwplaats en het kasteel is nog een vrij grote afstand met een weide en een omwalling met begroeiing gelegen. Tijdelijk is er wellicht wat zicht, doch de beplanting wordt na de werken zorgvuldig hersteld en aangevuld. Indien er gebrek is aan privacy, dan heeft dit ook te maken met de eigen aanleg die vrij ‘bloot” is. Trouwens, ieder scherm in hakhout is op geregelde tijd te hakken. Hierbij wordt verder opgemerkt dat terreinprofielen wel aangegeven zijn op de plannen. 6. Onaanvaardbare visuele en lawaaihinder met verkeersoverlast door de bouwwerken. De voorziene groeninkleding van het geheel is van die aard dat alle potentiële visuele hinder wordt weggenomen. Er zijn voldoende aanduidingen op de plannen. Het gedeelte ‘watervang’ behoort niet tot het parkgebied, maar tot de zone voor waterwegen. Dit onderdeel van de werken omschrijven als een ‘als industrieel complex aanvoelend geheel’ is geen correcte omschrijving van de werken. Het geheel komt amper boven de bodem uit en wordt volledig ingekleed met een groenscherm. Hiervoor is het noodzakelijk de bouwplannen te lezen en zich niet uitsluitend te baseren op werken in uitvoering. Verkeersoverlast valt niet te verwachten gezien de te verwachten werken zich beperken tot onderhoudswerken. 7. Nota van de bestuurder van n.v. Ruddershove: 7.1. De bouwaanvraag is zeer sommaire, minimaliserend, zelfs onvolledig; De bouwaanvraag voldoet aan de bepalingen voor de volledigheid van een dossier en geeft ook meer dan voldoende inlichtingen over o.a. terreinprofiel, doorsneden e.d. om een volwaardig oordeel te kunnen vellen. 7.2. De bouwaanvraag geeft elementen die niet aan de werkelijkheid beantwoorden. Uit het dossier (o.a. de foto '
- s)blijkt duidelijk dat er ter hoogte van de werken geen sprake was van een berm met een hoogte van 2.50m, wel van een beperkt niveauverschil. Deze zogenoemde berm was ook niet X-11.966-9/13 aangeplant met bomen maar met hakhout en struikgewas. Omwille van de technische uitvoering is er een ‘tabula rasa’ gebeurd, doch na uitvoering van de werken wordt alles hersteld en aangeplant. Na deze aanplantingen moet alles terug het oorspronkelijk uitzicht krijgen. 7.3. Zichtbaar en storend pompstation. Er wordt alles aan gedaan om het geheel perfect in te kleden. Zichtbaar zijn is echter niet principieel storend. De zichtbaarheid van de pompconstructie is tot een minimum beperkt (doch de zichtbaarheid is natuurlijk uitvergroot gedurende de werken). 7.4. Visuele hinder door de ‘watervang’. De watervang is een puur technische én verzorgde uitvoering. Dit als visueel hinderend ervaren kan natuurlijk altijd doch dit is kwestie van perceptie. De uitvoering methodes en de vormgeving zijn algemeen aanvaard als niet visueel storend. 7.5. Door wegnemen van bos en berm wordt de privacy van het kasteeldomein verstoord. Er is geen bos weggenomen, wel struiken en hakhout, de berm is slechts tijdelijk omwille van de uit te voeren werken aangeroerd”. Het bestreden besluit bevat vervolgens de hierboven weergegeven motieven. Het bestreden besluit vermeldt aldus de juridische en de feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. Het bevat bovendien een uitdrukkelijk antwoord op elk van de bezwaren van de verzoekers, alsook het gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar die zich aansluit bij het standpunt van het college over de bezwaren van de verzoekers. Het bestreden besluit geeft zodoende de redenen op ter verantwoording van het verlenen van de bestreden vergunning. De formele motiveringsplicht, opgelegd bij de artikelen 2 en 3, eerste lid van de wet van 29 juli 1991 is niet geschonden. 3.2.4. Krachtens artikel 14.4.4 van het Inrichtingsbesluit moeten “de parkgebieden (...) in hun staat bewaard worden of zijn bestemd om zodanig ingericht te worden, dat ze, in de al dan niet verstedelijkte gebieden, hun sociale functie kunnen vervullen”. De vergunde werken, zowel ondergronds als bovengronds, strekken niet tot de inrichting van het parkgebied voor zover ze in dat gebied worden uitgevoerd. 3.2.5. Er is geen betwisting tussen de partijen dat de bedoelde werken bouwwerken voor een gemeenschapsvoorziening zijn zoals dat in het bestreden besluit wordt vastgesteld. X-11.966-10/13 3.2.6. Na die vaststelling onderzoekt en oordeelt de bestreden vergunning dat de bedoelde bouwwerken bovendien verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken parkgebied. Artikel 20 van het Inrichtingsbesluit bepaalt wat volgt : “Bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen kunnen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied”. Artikel 20 mag niet zo worden begrepen dat een bouwwerk voor een gemeenschapsvoorziening dat in een daartoe niet bestemd gebied wordt ingeplant moet beantwoorden aan de bepalingen die gelden voor het betrokken gebied. Het bouwwerk moet evenwel verenigbaar zijn met de algemene bestemming en het architectonisch karakter van het betrokken gebied. Het komt de Raad van State evenwel niet toe om in de plaats van het bestuur te onderzoeken of de bouwwerken op grond van artikel 20 kunnen worden ingewilligd. 3.2.7. Volgens het bestreden besluit blijkt die verenigbaarheid met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken parkgebied uit het feit dat de bouwplaats deel uitmaakt van het domein van het A.Z. Sint-Jan AV en een onderdeel is van het als park aangelegde terrein dat afgeboord wordt met een groenscherm van hakhout en struiken en visueel niet te onderscheiden is van het gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, het deel van het aangelegde park in dat laatste bestemmingsgebied “vele malen groter is dan het deel parkgebied binnen het eigendom waarin vooral ondergrondse werken uitgevoerd worden”, de grootste ingrepen ondergronds gebeuren en het pompstation een dertigtal centimeters boven het maaiveld komt maar onder de begroeiing zal blijven en zal worden ingekleed met streekeigen groen, de voorziene ingreep geen invloed heeft op het gebruik van het bestaande park als park, de bouwplaats is aangelegd met schermbeplanting - bestaande uit een groter geheel van heesters en hakhoutbomen- die zal hersteld worden na de ingreep en de strook palend aan de steenkaai haar bestaande functie zal behouden, het open stellen van het park ten zuiden van het AZ nooit in het gedrang komt. Geen van deze motieven heeft uitstaans met de algemene bestemming en het architectonisch karakter van het betrokken parkgebied en leidt X-11.966-11/13 wettig tot de conclusie dat de bedoelde bouwwerken met die algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied verenigbaar zijn. Het middel is in de gegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De zaak wordt van de rol afgevoerd in hoofde van de tweede verzoeker. Artikel 2. Vernietigd wordt het besluit van 11 juni 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge waarbij aan AZ Sint Jan de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor “het realiseren van een kanaalwateraansluiting voor de koude-productie (watervang, pompstation, lozingsstation en bijhorend leidingwerk) (regularisatie)” te Brugge, Ruddershove 10, kadastraal bekend sectie M, nr. 253/w. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen voor de helft ten laste van de eerste verwerende partij, en voor de helft ten laste van de nalatenschap van de tweede verzoeker. X-11.966-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.966-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.231 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.615 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div