← België

Arrest 184258 - Penitentiair recht - 16/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.258 Rolnummer: A. 188520/IX-5941 Zaak: Arrest 184258 - Penitentiair recht - 16/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:13 Fiche Arrest nr 184.258 van 16 juni 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.258 van 16 juni 2008 in de zaak A. 188.520/IX-

  1. In zake : Aamir ABBAS, die woonplaats kiest bij advocaat J. MILLEN, kantoor houdende te HOESELT, Tongersesteenweg 4 bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Aamir ABBAS op 10 juni 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van 6 mei 2008 in het kader van een tuchtprocedure waarin verzoeker een tuchtsanctie opgelegd kreeg van : - 9 dagen strafcel; - 6 maanden individuele wandeling; - 6 maanden geen gemeenschappelijke activiteiten; - 6 maanden glasbezoek; - niet bijwonen van de eredienst”; Gelet op de beschikking van 11 juni 2008 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend, wat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid betreft; Gelet op de beschikking van 11 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 juni 2008, om 11.00 uur; Gezien de nota van de verwerende partij; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-5941-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HENDRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van attaché K. VAN DRIESSCHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  2. De verzoeker verblijft in de gevangenis te Hasselt. Op 4 mei 2008 rond 16.30 u. stelt de van dienst zijnde gevang- enisbeambte een rapport op aan de directeur betreffende de verzoeker. De beambte, in aanwezigheid van twee ooggetuigen, stelt het volgende vast : op voornoemde datum blijft de verzoeker buiten, wanneer hij wordt binnengeroepen voor de wandeling. Hij verschanst zich op het afdak van het gevangenisgebouw. Na een onderhandelingspoging, die mislukt, wordt de politie verwittigd. De politie komt ter plaatse en contacteert de brandweer. Na aankomst van de brandweer en na een nieuwe onderhandelingspoging, komt de verzoeker rond 19.45 u. naar beneden. Hij wordt overgebracht naar een veiligheidscel. Op 5 mei 2008 beslist de gevangenisdirecteur, na onderzoek van het rapport van 4 mei 2008, om een tuchtprocedure op te starten lastens de verzoeker. Op 6 mei 2008 wordt de verzoeker gehoord betreffende voornoemde feiten. Hij verklaart dat hij op het afdak bleef zitten omdat hij twee weken voordien had gevraagd “om op transfer te gaan”. Hij voegt daaraan toe dat hij al negen jaar in de gevangenis zit en dat hij in 2010 naar Pakistan zal worden gestuurd en dat hem daar de doodstraf wacht. IX-5941-2/5 Op 6 mei 2008 spreekt de gevangenisdirecteur de volgende tuchtstraf uit: “9 dagen strafcel en 6 maanden individueel regime (glasbezoek, individuele wandeling, geen gemeenschappelijke activiteiten + mag erediensten niet bijwonen).” De tuchtstraf wordt als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan : is op afdak van de wandeling geklommen en heeft zich daar verschanst; - dat dergelijk gedrag niet door de beugel kan en een gepaste sanctie zich opdringt; - dat uit de feiten een gebrek aan respect voor de lokale leefregels blijkt; - dat hij de feiten toegeeft en helemaal geen spijt heeft over wat er is gebeurd.” Aanwijzing van de verwerende partij.
  3. Wat betreft de vertegenwoordiging van de Belgische Staat in huidig geding, heeft het met het onderzoek belaste lid van het auditoraat terecht aangenomen dat deze partij vertegenwoordigd wordt door de minister van Justitie. Onderzoek van de vordering.
  4. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.
  5. Wat de eerste voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, schrijft de verzoeker het volgende : “Verzoeker is een zeer gelovig man en wordt thans zes maanden het recht ontzegd om zijn eredienst bij te wonen, hetgeen hem bijzonder kwetst, en zijnde één van de redenen waarom de opschorting van de tenuitvoerlegging van de tuchtstraf om uiterst dringende redenen wordt gevraagd.” IX-5941-3/5 4.
  6. De rechtspleging bij uiterst dringende noodzakelijkheid is van die aard dat het recht van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum wordt beperkt en dat dergelijke procedures de normale werking van de Raad van State als rechtscollege ten zeerste bemoeilijken. Met het oog op de gelijkheid tussen de procespartijen en op de normale werking van de Raad van State, is het dan ook vereist dat de verzoeker zichzelf geen langere termijn toekent dan nodig om zijn vordering in te stellen. Van de verzoeker wordt verwacht dat hij diligent en alert optreedt en dat hij niet onredelijk lang wacht met het indienen van zijn verzoek- schrift. 4.
  7. Te dezen blijkt dat de bestreden beslissing is genomen op 6 mei 2008, die aan de verzoeker op dezelfde datum wordt ter kennis gebracht. Pas op 10 juni 2008 dient de verzoeker een verzoekschrift in tot schorsing van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Dit betekent dat de verzoeker één maand en vier dagen heeft gewacht om het verzoekschrift in te dienen. Een dergelijke handelwijze is de negatie zelf van het begrip “uiterst dringende noodzakelijkheid” en maakt een oneigenlijk gebruik uit van deze procedure, die de zittingsrol van de bevoegde kamer van de Raad van State nodeloos overbelast. 4.
  8. Bijgevolg is niet voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2 en is de ingestelde vordering niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  9. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  10. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-5941-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 juni 2008, door : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-5941-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.258 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.567 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.