← België

Arrest 184260 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.260 Rolnummer: Zaak: Arrest 184260 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:13 Fiche Arrest nr 184.260 van 17 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging Tussenkomst geweigerd Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.260 van 17 juni 2008 in de zaken A. 51.663/X-8976. (I) A. 55.532/X-9045. (II) A. 53.110/X-8973. (III) A. 55.557/X-8943. (IV) A. 58.048/X-8944. (V) I. In zake : 1. Karel ONGENA, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301, 2. de v.z.w. AKTIEKOMITEE TER BEVEILIGING VAN HET LEEFMILIEU OP DE LINKEROEVER, p/a. E. ROMBAUT, 9170 SINT-GILLIS-WAAS, Stationstraat 126 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partijen : 1. Patrick JANSSENS, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301, 2. Marc VAN KERCKHOVEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187. II. In zake : de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, X-8976-9045-8973-8943-8944-1/48 dat woonplaats kiest bij advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partij : Marc VAN KERCKHOVEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187. III. In zake : Karel ONGENA, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : 1. de gemeente STEKENE, die woonplaats kiest bij advocaat M. STERCK, kantoor houdende te 9190 STEKENE, Stadionstraat 30, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partij : Georges DHOLLANDER, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187. IV. In zake : de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : X-8976-9045-8973-8943-8944-2/48 1. de gemeente STEKENE, die woonplaats kiest bij advocaat M. STERCK, kantoor houdende te 9190 STEKENE, Stadionstraat 30, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partijen : 1. Patrick JANSSENS, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301, 2. Georges DHOLLANDER, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187. V. In zake : 1. Karel ONGENA, 2. Patrick JANSSENS, 3. de v.z.w. AKTIEKOMITEE TER BEVEILIGING VAN HET LEEFMILIEU OP DE LINKEROEVER, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : 1. de gemeente STEKENE, die woonplaats kiest bij advocaat M. STERCK, kantoor houdende te 9190 STEKENE, Stadionstraat 30, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. X-8976-9045-8973-8943-8944-3/48 tussenkomende partij : Marc VAN KERCKHOVEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Karel ONGENA en de v.z.w. AKTIEKOMITEE TER BEVEILIGING VAN HET LEEFMILIEU OP DE LINKEROEVER op 13 mei 1993 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 september 1992 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, waarbij het beroep, ingesteld door P. Eggermont in naam van G. Dhollander tegen de beslissing van 20 februari 1992 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende weigering van de verkavelingsvergunning voor een perceel gelegen aan de Polkenstraat te Stekene, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/c, wordt ingewilligd en de verkavelingsvergunning wordt verleend; (zaak I. A.51.663) Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, op 31 december 1993 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van hetzelfde besluit; (zaak II. A. 55.532) Gezien het verzoekschrift dat Karel ONGENA op 30 juli 1993 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1. de beslissing van 5 juli 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan de heer en mevrouw Koppen-Vercruysse de vergunning wordt verleend voor het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/c, en 2. de beslissing van 19 juli 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan de heer Johan Koppen de vergunning wordt verleend voor het kappen van bomen voor de aanleg van een oprit en het bouwrijp maken van een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/c; (zaak III. A.53.110) X-8976-9045-8973-8943-8944-4/48 Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, op 4 januari 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van dezelfde beslissingen; (zaak IV A. 55.557) Gezien het verzoekschrift dat Karel ONGENA, Patrick JANSSENS en de v.z.w. AKTIEKOMITEE TER BEVEILIGING VAN HET LEEFMILIEU OP DE LINKEROEVER op 19 mei 1994 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 2 april 1994 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan Van Kerckhoven- Peerlinck de vergunning wordt verleend voor het bouwen van een woning/villa op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/c (deel), onder verbeurte van een dwangsom van 50.000 fr. “zulks per dag dat de eigenaars of enige andere verwerende of tussenkomende partij, het arrest naast zich zou neerleggen”; (zaak V. A. 58.048) Gelet op het arrest nr. 46.268 van 24 februari 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen in de zaak sub III; Gelet op het arrest nr. 49.646 van 13 oktober 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen in de zaak sub IV; Gelet op het arrest nr. 53.351 van 18 mei 1995 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen in de zaak sub V; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 2 maart 1994 ingediend door Patrick JANSSENS-VAN DE VIJVER in de zaak sub I; Gelet op de beschikking van 4 maart 1994 die de tussenkomst van Patrick JANSSENS-VAN DE VIJVER toelaat in de zaak sub I; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 9 maart 1994 ingediend door Marc VAN KERCKHOVEN in de zaak sub I; X-8976-9045-8973-8943-8944-5/48 Gelet op de beschikking van 5 april 1994 die de tussenkomst van Marc VAN KERCKHOVEN toelaat in de zaak sub I; Gezien het verzoek tot tussenkomst, op 7 april 1995 ingediend door Marc VAN KERCKHOVEN in de zaak sub II; Gelet op de beschikking van 29 april 1995 die de tussenkomst van Marc VAN KERCKHOVEN toelaat in de zaak sub II; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 9 maart 1994 ingediend door George DHOLLANDER in de zaak sub III; Gelet op de beschikking van 5 april 1994 die de tussenkomst van George DHOLLANDER toelaat in de zaak sub III; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 9 maart 1994 ingediend door George DHOLLANDER in de zaak sub IV; Gezien het verzoek tot tussenkomst, op 25 april 1994 ingediend door Patrick JANSSENS in de zaak sub IV; Gelet op de beschikking van 2 februari 1995 die de tussenkomst van George DHOLLANDER en Patrick JANSSENS toelaat in de zaak sub IV; Gezien het verzoek tot tussenkomst, op 24 oktober 1995 ingediend door Marc VAN KERCKHOVEN in de zaak sub V; Gelet op de beschikking van 7 november 1995 die de tussenkomst van Marc VAN KERCKHOVEN toelaat in de zaak sub V; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in alle zaken; Gezien de verslagen opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH in alle zaken; X-8976-9045-8973-8943-8944-6/48 Gelet op de beschikking van 23 juni 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast in de zaak sub I; Gelet op de beschikking van 15 juli 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast in de zaak sub II; Gelet op de beschikking van 23 juni 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast in de zaak sub III; Gelet op de beschikkingen van 9 juni 1999 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelast in de zaken sub IV en V; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekers in de zaken sub I en II; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoeker en de eerste verwerende partij in de zaken sub III, IV en V; Gezien de aanvullende memorie van de verzoekers volgend op het aanvullend administratief dossier in de zaak sub I; Gezien de eerste toelichtende memorie en de laatste memorie van de tweede tussenkomende partij in de zaak sub I; Gezien de toelichtende memorie van de tussenkomende partij in de zaak sub III; Gezien de laatste memorie van de tussenkomende partij in de zaak sub V; Gelet op de beschikkingen van 12 september 2007, 13 september 2007 en 14 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2007 in alle zaken; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS in alle zaken; X-8976-9045-8973-8943-8944-7/48 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen en voor Patrick JANSSENS, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor het Vlaamse Gewest, van advocaat M. STERCK, die verschijnt voor de gemeente Stekene, en van advocaat J. GHYSELS, die verschijnt voor Marc VAN KERCKHOVEN en George DHOLLANDER; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De samenvoeging De beroepen zijn dermate verknocht dat het in het raam van een goede rechtsbedeling past de zaken samen te voegen. 2. De rechtspleging 2.1. De rechtspleging in de zaak A. 51.663 2.1.1. Tussenkomst Met een verzoekschrift van 2 maart 1994 heeft Patrick JANSSENS gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Overeenkomstig artikel 21bis, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak er in tussenkomen. Luidens het verzoekschrift tot tussenkomst is de verzoeker tot tussenkomst bewoner van een woning op een perceel gelegen “aan de overkant van de geplande verkaveling”. Hij vraagt “de verkavelingsvergunning van 3 sept. ’92 (...) en zoals later door de gemeente Stekene gewijzigd nl. op 5 juli ’93, te vernietigen op grond van de middelen uiteengezet in het verzoekschrift van de oorspronkelijke aanleggers”. De verzoeker tot tussenkomst beoogt aldus hetzelfde als de verzoekende partijen, maar op grond van een van hen onderscheiden belang. Hij heeft echter nagelaten een beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit X-8976-9045-8973-8943-8944-8/48 in te dienen. Het verzoek tot tussenkomst vermag dit verzuim niet goed te maken. Dit verzoek tot tussenkomst is bijgevolg niet ontvankelijk. 2.1.2. Overige 2.1.2.1. Op 10 mei 1994 dient de tweede verzoekende partij, samen met de mededeling van een “aanvullend stuk”, een “aanvullende memorie” in. Een dergelijke “aanvullende memorie” is niet in het algemeen procedurereglement voorzien. In de mate zij meer is dan de loutere mededeling van een aanvullend stuk, dient zij derhalve uit de debatten te worden geweerd. 2.1.2.2. Op 7 april 1995 dient de tweede tussenkomende partij een “tweede toelichtende memorie” in. Het algemeen procedurereglement voorziet niet in de mogelijkheid tot het indienen van een dergelijk stuk. Het dient bijgevolg uit de debatten te worden geweerd. 2.1.2.3. Op 15 mei 1995 dienen de verzoekende partijen een “aanvullende antwoordmemorie, als reactie op de toelichtende memorie” van de tweede tussenkomende partij, in. Aangezien een dergelijk stuk niet in het algemeen procedurereglement is voorzien, dient het uit de debatten te worden geweerd. 2.1.2.4. Op 30 juli 1996 dienen de verzoekende partijen een “aanvullende memorie” in, volgend op het door de verwerende partij op 26 april 1996 ingediende aanvullend administratief dossier. In de mate dat deze memorie meer is dan een inhoudelijke reactie op het aanvullend administratief dossier, dient zij uit de debatten te worden geweerd. 2.1.2.5. Op 6 augustus 1996 dient de tweede tussenkomende partij een “derde toelichtende memorie” in, volgend op het door de verwerende partij op 26 april 1996 ingediende aanvullend administratief dossier. In deze memorie stelt zij het volgende : “Na inzage van deze stukken volhardt de tussenkomende partij in haar verweer, zoals uiteengezet in het verzoek tot tussenkomst, de toelichtende memorie en de tweede toelichtende memorie, die zij hier als volledig herhaald beschouwt”. X-8976-9045-8973-8943-8944-9/48 Deze “derde toelichtende memorie” was bedoeld om de tweede tussenkomende partij in de mogelijkheid te stellen om te repliceren op het aanvullend administratief dossier. Dergelijke memorie kan geen middel zijn om, wat de verwijzing naar de tweede toelichtende memorie betreft, het gestelde in een niet- ontvankelijk procedurestuk alsnog in het debat te betrekken. Deze memorie dient uit de debatten te worden geweerd. 2.2. De rechtspleging in de zaak A. 55.557 Met een verzoekschrift van 25 april 1994 heeft Patrick JANSSENS gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Overeenkomstig artikel 21bis, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak er in tussenkomen. Luidens het verzoekschrift tot tussenkomst is de verzoeker tot tussenkomst bewoner van een woning op een perceel gelegen “schuin tegenover het perceel eigendom van de hr. en mevr. Koppen - Vercruysse”. Hij vraagt “de bouwvergunning van 5 juli ’93 en de kapvergunning van 19 juli ’93, door de gemeente Stekene afgeleverd aan de hr. en mevr. Johan Koppen - Vercruysse te vernietigen”. De verzoeker tot tussenkomst beoogt aldus hetzelfde als de verzoekende partij en heeft geen van hen onderscheiden belang. Hij heeft echter nagelaten een beroep tot nietigverklaring van de bestreden besluiten in te dienen. Het verzoek tot tussenkomst vermag dit verzuim niet goed te maken. Dit verzoek is bijgevolg niet ontvankelijk. 2.3. Afstand in de zaak A. 58.048 Met een brief van 19 oktober 2007 doet de tweede verzoeker afstand van het geding. 3. De feiten (alle zaken) 3.1. Op 24 september 1991 vraagt Georges Dhollander bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene een verkavelingsvergunning aan voor een grond gelegen aan de Polkenstraat te Stekene, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/c. X-8976-9045-8973-8943-8944-10/48 Het perceel is gelegen in bosgebied (gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 november 1978). Op 20 november 1991 brengt de gemachtigde ambtenaar het volgende ongunstig advies uit : “ONGUNSTIG : Het perceel is gelegen in een bosgebied volgens het gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren (K.B. 7.11.1978) zodat de aanvraag strijdig is met de hiervoor vermelde bestemming. Ook de uitzonderingsregel, voorzien in art. 23 van het K.B. van 28.12.1972 betreffende de inrichting en toepassing van de gewestplannen, is hier niet van toepassing, gezien het perceel niet gelegen is binnen een huizengroep zoals bepaald in voornoemd K.B. Een verkavelingsaanvraag op het rechtsaanpalend perceel werd vroeger om dezelfde reden geweigerd (18.7.1972)”. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene weigert bij besluit van 2 december 1991 de gevraagde verkavelingsvergunning. 3.2. Door Georges Dhollander wordt op 16 december 1991 beroep aangetekend tegen de voormelde weigeringsbeslissing. In zijn beroepsschrift vraagt hij onder meer de toepassing van artikel 23 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen. Op 20 februari 1992 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen dit beroep. 3.3. Namens Georges Dhollander wordt tegen dit besluit op 9 maart 1992 beroep ingesteld bij de bevoegde minister. Het ingediende beroepsschrift is identiek aan het beroepsschrift ingediend tegen het weigeringsbesluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene. In het kader van deze beroepsprocedure brengt de gemachtigde ambtenaar op 20 maart 1992 advies uit. Daarin bevestigt hij zijn advies van 20 november 1991 en sluit hij zich aan bij de overwegingen en het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 20 februari 1992. X-8976-9045-8973-8943-8944-11/48 In een aan de bevoegde minister gerichte nota van 5 augustus 1992 vanwege het Bestuur Ruimtelijke Ordening, staat o.m. het volgende te lezen : “1) Kwestieus verkavelingsontwerp ligt volgens het gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren in een bosgebied en is derhalve strijdig met de bepalingen van artikel 12 van het K.B. van 28 december 1972. 2) De opvullingsregel is van toepassing. Belanghebbende verwijst naar figuur 23.9 van de ‘Toelichting bij het K.B. van 28 december 1972’ (Belgisch Staatsblad van 10 februari 1973), inzonder(heid) de opvulregel voor hoekpercelen. Gelet op de overigens vergunde woningen nrs. 27 en 41, daterend van vóór het gewestplan, rekening houdend met de afstanden van ca. 70 meter en de struktureel aangetaste toestand aldaar kan de opvullingsregel worden toegestaan”. 3.4. Op 3 september 1992 verleent de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden de gevraagde verkavelingsvergunning. Dit is één van de bestreden beslissingen. (A.51.663/X- 8976 en A.55.532/X-9045) 3.5. Deze verkavelingsvergunning wordt bij besluit van 5 juli 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene gewijzigd. Het aan de wijziging van de verkavelingsvergunning voorafgaande advies van de gemachtigde ambtenaar was gunstig “voor de gewijzigde inplanting en bouwwijze, conform de overgemaakte plans, voor lot 1”. 3.6. Op 30 juni 1993 dient Johan Koppen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene een bouwaanvraag in, strekkende tot het “bouwen van een woning in open bebouwing” op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/c (deel). Op 5 juli 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. Dit is één van de bestreden beslissingen. (A.53.110/X-8973 en A.55.557/X-8943) Op 15 juli 1993 dient Johan Koppen bij het college van burgemeester en schepenen een aanvraag in strekkende tot “het uitdoen van bomen voor aanleg oprit (...) en het bouwrijp maken van de grond (...)”. X-8976-9045-8973-8943-8944-12/48 Op 19 juli 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. Dit is één van de bestreden beslissingen. (A.53.110/X-8973 en A.55.557/X-8943) 3.7. Op 10 november 1993 dient Marc Van Kerckhoven-Peerlinck bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene een bouwaanvraag in, strekkende tot “het bouwen van een woning/villa” op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/c (deel). Op 2 april 1994 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. Dit is één van de bestreden beslissingen. (A.58.048/X-8944) 4. Het voorwerp van de vorderingen in de zaken A. 51.663 en A. 58.048 4.1.1. In hun inleidend verzoekschrift in de zaak A. 51.663 hebben de verzoekende partijen het voorwerp van het beroep tot nietigverklaring omschreven als “de verkavelingsvergunning door de Gemeenschapsminister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden afgeleverd op 3 september 1992”. In hun memorie van wederantwoord vragen de verzoekende partijen het voorwerp van het beroep uit te breiden tot het besluit van 5 juli 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene houdende wijziging van de verkavelingsvergunning van 3 september 1992. 4.1.2. In haar laatste memorie betwist de tweede tussenkomende partij in de genoemde zaak de uitbreiding van het voorwerp van het beroep. Zij voert onder meer aan dat de “wijziging van een verkavelingsvergunning echter een volledig autonome rechtshandeling (is), die losstaat van de oorspronkelijke verkavelingsvergunning” en dat “de wijziging van de verkavelingsvergunning (...) een volledig andere materiële inhoud (heeft)” zodat “er helemaal geen band (

  1. is)tussen een wijziging van een verkavelingsvergunning en de oorspronkelijke verkavelingsvergunning”. Bovendien stelt zij dat “uit de memorie van antwoord in huidige zaak d.d. 18 november 1993 blijkt dat de verzoekende partijen op de hoogte waren dat er op 5 juni 1993 een ontvangstbewijs afgeleverd is voor de vergunningsaanvraag”, maar dat de verzoekende partijen hebben “gewacht tot 30 juli 1996” om de uitbreiding van het voorwerp te vragen. X-8976-9045-8973-8943-8944-13/48 4.1.3. Reeds in de memorie van wederantwoord werd de uitbreiding van het voorwerp van het beroep gevraagd. Gelet op de minimale wijzigingen die de verkavelingswijziging aan de oorspronkelijke vergunning aanbrengt, dient het beroep zelfs ambtshalve te worden uitgebreid tot de wijzigingsvergunning. De wijzigende verkavelingsvergunning dient het lot van de oorspronkelijke vergunning te ondergaan. 4.2. In hun verzoekschrift tot nietigverklaring in de zaak A. 58.048 vorderen de verzoekende partijen niet enkel de nietigverklaring van de beslissing van 2 april 1994, maar vragen zij tevens “een dwangsom van 50.000 fr. per dag te koppelen aan het desgevallend tussen te komen arrest van vernietiging zulks per dag dat de eigenaars of enige andere verwerende of tussenkomende partij, het arrest naast zich zou neerleggen, in afwachting van een uitspraak over de verzoeken tot vernietiging van dezelfde vergunning”. De gelijktijdig met het annulatieberoep gestelde vraag om een dwangsom op te leggen is voorbarig, alleen reeds omdat de eerste vereiste voor het instellen van een vordering ex artikel 36 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is, dat de Raad van State een vernietigingsarrest gewezen hééft. Het opleggen van een dwangsom kan niet worden gevraagd in het verzoekschrift waarbij de nietigverklaring wordt gevorderd. De vordering tot het opleggen van een dwangsom is bijgevolg niet ontvankelijk. 5. De ontvankelijkheid 5.1. De ontvankelijkheid in de zaak A. 51.663 5.1.1.1. De eerste verzoeker zet zijn belang als volgt uiteen in het verzoekschrift tot nietigverklaring : “1. De eerste verzoeker heeft een uitgesproken belang. Hij woont hier sinds meer dan 10 jaar. Hij vroeg met zijn echtgenote op 11 juni 1982 een bouwvergunning aan, voor uitbreiding van een bestaande woning. De vergunning werd verleend op 22 juli 1982, voor het perceel 652, 653c en 654a deel (...). Verzoeker heeft een vrij opslorpende beroepsbezigheid en vindt in de kleine landelijke (...) Polkenstraat de nodige rust. Het omgevend X-8976-9045-8973-8943-8944-14/48 groengebied is een pleisterplaats voor allerlei vogels en andere dieren en wordt dus derhalve als buffergebied, ook als natuurgebied beschouwd door verzoeker. Verzoeker is dus materiëel en moreel geschaad door de verkavelings- plannen, die indien definitief geworden, de basis kunnen zijn voor het afleveren van een bouwvergunning. (...) Hoofdzaak is dus de natuur”. 5.1.1.2. De tweede tussenkomende partij werpt in haar eerste toelichtende memorie de volgende exceptie van niet-ontvankelijkheid op : “II.2. Onontvankelijkheid in hoofde van de heer Ongena, bij gebreke aan wettig vereist belang. 1. De woning van de heer Ongena is ingeplant op het perceel nr. 652, naar zeggen van de verzoekende partij zelf, op circa 100 meter van perceel nr. 651 c, dat het voorwerp uitmaakt van de aangevochten verkaveling. Tussen zijn woning en het verkaveld perceel ligt het, eveneens aan de heer Ongena toebehorend perceel nr. 654 a, dat volledig bebost is. De kavels van de verkaveling zijn slechts beperkt bebouwbaar, waarbij de inplantingslaats van de woningen zich aan die zijde van de kavels bevindt die het verst verwijderd is van de woning en eigendommen van de eerste verzoekende partij. Op de zijde van de kavels die naar deze woning gericht zijn, wordt het bestaand bomenbestand niet aangetast. De Polkenstraat maakt voorts een bocht van 90 graden, waardoor er vanuit de woning van de heer Ongena ook vanop de straat geen zicht is op de woningen die op beide verkavelingen worden opgetrokken. De eerste verzoekende partij heeft dus vanuit zijn woning in het geheel geen zicht op de aangevochten verkaveling en de in deze verkaveling te bouwen huizen. Zijn belang bij onderhavig annulatieberoep is dan ook onbestaande. (...)”. Zij voegt daar in haar laatste memorie nog het volgende aan toe : “Op grond van artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient degene die een verzoekschrift tot nietigverklaring instelt bij de Raad van State van een belang te laten blijken. Het hebben van een belang houdt in dat men door de bestreden administratieve rechtshandeling benadeeld wordt en dat men zich in voldoende mate benadeeld voelt om een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State in te stellen (...). Het is vaste rechtspraak van de Raad van State dat een verzoekschrift tot nietigverklaring tegen een administratieve rechtshandeling slechts ontvankelijk is, voorzover de rechtshandeling griefhoudend is voor de belanghebbende (...). In het kader van deze beginselen kan men onmogelijk staande houden dat het feit op zich dat men in de buurt woont van een perceel, waarvoor een bouw- of verkavelingsvergunning is afgeleverd, volstaat om een belang te hebben teneinde dergelijke vergunning te betwisten voor de Raad van State. In dat geval toont de verzoekende partij helemaal niet aan dat hij een nadeel heeft ondervonden als gevolg van de bestreden administratieve rechtshandeling, zoals nochtans nadrukkelijk gesteld in de rechtspraak van uw Raad (...). Het aanvaarden van een verzoekschrift tot nietigverklaring zonder dat de X-8976-9045-8973-8943-8944-15/48 verzoekende partij in concreto moet aantonen waarom de bestreden administratieve rechtshandeling voor hem griefhoudend is, moet gelijk gesteld worden aan actio popularis. Het is dergelijke soort vorderingen die men, bij het stellen van de vereiste van het belang, wou uitsluiten. In casu specifieert verzoekende partij helemaal niet welk concreet nadeel zij zou ondervinden als gevolg van de toegekende verkavelingsvergunning. Zo voert verzoekende partij niet aan dat de te bouwen huizen in het zicht van zijn huis zouden staan of dat er lawaaihinder zou zijn. Verzoekende partij stelt enkel dat hij in de buurt woont van het te verkavelen perceel. Hoe dat voor hem griefhoudend is, of hoe dat hem raakt legt verzoeker niet uit. Zoals hoger aangetoond volstaat dit niet om een voldoende belang aan te tonen teneinde een verkavelingsvergunning te betwisten. Trouwens, de rechtspraak die wordt aangehaald in het Auditoraatsverslag, betreft enkel het belang bij het aanvechten van bouwvergunningen en niet wat betreft verkavelingsvergunningen. Aangaande de plannen van aanleg heeft de Raad van State reeds geoordeeld dat enkel die personen belang hebben bij het aanvechten van een plan van aanleg, voor zover hun perceel binnen het plan van aanleg valt (...). Voor degene die buiten dergelijk plan liggen, is dit reeds minder evident (...). Mutatis mutandis zou men kunnen stellen dat degene die binnen het verkavelingsplan vallen evidenterwijze een belang hebben, maar dat zij die er buiten vallen iets meer moeten aantonen dan dat ze in de onmiddellijke omgeving wonen van de te verkavelen percelen. Zij moeten aantonen dat zij werkelijk nadeel zullen ondervinden van de verkaveling. Verzoekende partij toont dit hier nergens in concreto aan, zodat hij ook geen belang heeft bij huidige vordering. Het belang dat iedere burger heeft bij de naleving van de wet, volstaat niet. Nochtans is het verzoekschrift daartoe beperkt. Zo erkent Karel ONGENA in de memorie van antwoord dat zijn belang er in bestaat het gewestplan te zien toepassen”. 5.1.1.3. Het wordt niet betwist dat de eerste verzoeker in de onmiddellijke omgeving woont van het perceel waarvoor de verkavelingsvergunning werd verleend. Het perceel van de eerste verzoeker is alleen van het kwestieuze perceel gescheiden door een bebost perceel, eigendom van zijn vader. De eerste verzoeker doet derhalve blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De exceptie kan niet worden aangenomen. 5.1.2.1. De tweede verzoekende partij zet haar belang in het inleidend verzoekschrift als volgt uiteen : “2. De tweede verzoeker is een milieuvereniging. Zij werd opgericht door Hubert David, Roel De Jong e.a. op 10 december 1976 en haar statuten verschenen in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 24 maart 1977 (...). Als doelstelling is er de ‘vrijwaring te bewerken van het leefmilieu in het Waasland en het Linker-Oevergebied, in de ruimste zin van het X-8976-9045-8973-8943-8944-16/48 woord, om zodoende het verder samenbestaan van de industrie met de aangrenzende woonzones te verzekeren.’ In het Belgisch Staatsblad van 18 maart ‘93 werd de samenstelling van de huidige Raad van Bestuur bekendgemaakt (...). De neerlegging van de ledenlijst dateert laatst van 9 februari ‘93. (...) De Raad van Bestuur van tweede verzoekster besliste op 4 mei ‘93 om een rechtsgeding voor de Raad van State in te stellen, ertoe strekkend de vernietiging te bekomen van de verkavelingsvergunning. (...) Het statutair doel betreft dus het ‘leefmilieu’ in de ruimste zin van het woord, dus ook het behoud van bossen en landelijke gebieden, met alle sociale, esthetische en ecologische gevolgen die hieraan zijn verbonden. Volgens verslag van de hr. Marc Bogaerts, conservator van het Steen- gelaag te Stekene, betreft het hier een te verkavelen bos met belangrijke botanische, ornithologische en landschapsecologische waarden. (...) Het ijveren voor het behoud van natuur is een doelstelling die door uw vaste rechtspraak wordt aangenomen als een proceswaardige morele doelstelling. Dat dit i.c. temeer geldt nu de vereniging sinds meer dan 15 jaar regelmatig vergadert en werkt rond milieu en natuur, zodat zij een duurzame en werkelijke activiteit aan de dag legt. Stekene behoort overigens tot het Waasland, dat de verzoekster als haar werkgebied beschouwt. Nu de verkaveling een bosgebied in een bosarm Oost-Vlaanderen bedreigt, al was het maar gedeeltelijk, is er een echt belang. Trouwens, zelfs indien zoveel mogelijk bomen zouden gespaard blijven, verdwijnen door het louter feit van de menselijke aanwezigheden, tal van schuwe vogels en andere dieren (ransuil, grote bonte specht, ...) zodat er ook een verlies aan fauna zal zijn, door de inkrimping en verstoring van hun leefgebied”. 5.1.2.2. De tweede tussenkomende partij werpt in haar eerste toelichtende memorie de volgende exceptie van niet-ontvankelijkheid op : “II.1. Onontvankelijkheid in hoofde van de v.z.w. A.B.L.L.O. bij gebreke aan statutair belang. I. In ’s Raads arrest v.z.w. A.b.l.l.o., nr. 46.091 van 10 februari 1994 (houdende verwerping van de schorsingsvordering tegen de bouw- vergunning d.d. 7 juni 1993 van de heer Koppen) werd gesteld dat, vermits het statutair doel van de v.z.w. erin bestond ‘de vrijwaring te bewerken van het leefmilieu in het Waasland en het Linkeroever- gebied, in de ruimste zin van het woord, om zodoende het verder samenbestaan van de industrie met de aangrenzende woonzones te verzekeren’, een nadeel dat niet in de bedreiging van woongebied door oprukkende industrie betreft niet in aanmerking kon komen. II. De tweede verzoekende partij had, op het ogenblik van het instellen van onderhavige annulatieprocedure, m.a.w. geen statutair belang. Er is geen sprake van enige bedreiging van woongebied door oprukkende industrie. III. De op 1 februari 1994 doorgevoerde wijziging van het statutair doel van de v.z.w., bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad van 5 mei 1994, doet daar niets aan af. Het annulatieberoep werd ingesteld onder gelding van de vroegere versie der statuten, zodat de gewijzigde doelomschrijving voor onderhavige zaak geen relevantie vertoont”. X-8976-9045-8973-8943-8944-17/48 5.1.2.3. Verenigingen zonder winstoogmerk mogen krachtens de v.z.w.-wet in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Zij kunnen voor de Raad van State in rechte optreden mits zij voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang, alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging. Artikel 3, eerste lid van de statuten van de v.z.w. Aktiekomitée ter beveiliging van het leefmilieu op de linkeroever, zoals dit gold op het ogenblik van het inleiden van de vordering, luidt als volgt : “De vereniging heeft tot doel de vrijwaring te bewerken van het leefmilieu in het Waasland en het Linkeroever-gebied, in de ruimste zin van het woord, om zodoende het verder samenbestaan van de industrie met de aangrenzende woonzones te verzekeren”. Op 1 februari 1994 wordt het statutair doel, blijkens de door de tweede verzoekende partij als aanvullend stuk ingediende bijlage bij het Belgisch Staatsblad van 5 mei 1994, als volgt gewijzigd : “A.B.L.L.O., v.z.w., heeft tot doel de belangen van natuur en milieu, in de breedst mogelijke betekenis, te bestuderen, te behartigen en te verdedigen op de linker Schelde-oever en in het Waasland (in hoofdzaak in Moerbeke, Stekene, Sint-Gillis-Waas, Beveren, Zwijndrecht, Kruibeke, Temse, Waasmunster en Sint-Niklaas). A.B.L.L.O., v.z.w., maakt deel uit van de Bond Beter Leefmilieu en A.B.L.L.O., v.z.w., zal dus ook haar mening vormen, kenbaar maken en verdedigen over natuur- en milieuaangelegenheden die het regionaal belang overstijgen”. Het belang bij de vernietiging van het bestreden besluit moet bestaan op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring en kan derhalve niet hangende het geding worden verworven. Het actueel karakter van het belang dient derhalve te worden beoordeeld aan de hand van de statuten van de X-8976-9045-8973-8943-8944-18/48 verzoekende vereniging zoals deze van kracht waren op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Terzake blijkt uit de statuten van de verzoekende vereniging, zoals deze golden op het ogenblik van het inleiden van de vordering, dat zij zich tot doel stelde “de vrijwaring te bewerken van het leefmilieu in het Waasland en het Linkeroever-gebied, in de ruimste zin van het woord, om zodoende het verder samenbestaan van de industrie met de aangrenzende woonzones te verzekeren”. Gelet op de aard van de bestreden beslissing, zijnde een verkavelingsvergunning die werd verleend met als uiteindelijke bedoeling op de aldus tot stand gebrachte kavels een woning op te trekken, kan het beroep niet worden ingepast in de toentertijd geldende specifieke doelstelling van de tweede verzoekende partij. In haar laatste memorie stelt de tweede verzoekende partij dat zij “(zich) gedraagt naar uw wijsheid”. De exceptie is gegrond en het beroep is onontvankelijk in hoofde van de tweede verzoekende partij. 5.1.3.1. De tweede tussenkomende partij werpt in haar eerste toelichtende memorie een derde exceptie op die als volgt luidt : “II.3. Onontvankelijkheid in hoofde van beide verzoekende partijen bij gebreke aan een actueel belang. 1. De in onderhavige procedure aangevochten akte betreft de verkavelingsvergunning, verleend bij besluit van 3 september 1992. Deze verkavelingsvergunning werd gewijzigd, zoals o.m. blijkt uit de zaak G/A 53.109/VII-12.083, op 5 juli 1993. 2. Hoewel de verzoekende partijen daarvan kennis hebben, werd de verkavelingswijzigingsvergunning d.d. 5 juli 1993 niet aangevochten met een annulatieberoep. Zij verloren dan ook hun actueel belang bij onderhavige procedure”. 5.1.3.2. Nu de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord op ontvankelijke wijze de uitbreiding van het voorwerp van het beroep tot de wijzigende verkavelingsvergunning van 5 juli 1993 hebben gevraagd, is deze exceptie zonder voorwerp. 5.2. De ontvankelijkheid in de zaak A. 53.110 5.2.1.1. De verzoeker zet zijn belang als volgt uiteen in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring : X-8976-9045-8973-8943-8944-19/48 “De verzoeker is buurtbewoner. Hij woont op 100 meter van het perceel 651 c. Hij woont hier sinds meer dan 10 jaar in een woning Polkenstraat, waar er voorheen reeds een woning bestond, die hij liet verbouwen. Verzoeker heeft een drukke beroepsbezigheid en vindt bijgevolg in de woning en omgeving een aangename rust. De straat is ook landelijk en smal. Het omgevend groengebied is bovendien een biotoop voor allerlei vogels en dieren en vertoont vanuit deze optiek een belang voor verzoeker, een natuurliefhebber. Hij voerde trouwens een petitie voor het behoud van het bos. De verkavelingsvergunning en de daarop gesteunde bouwvergunning bedreigen een deel van dit groengebied. Het belang is dus aanwezig”. 5.2.1.2. De eerste verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie op : “De verzoeker houdt voor dat hij op circa 100 meter van het betrokken bouwlot zou wonen en dat hij gehecht is aan zijn vertrouwde omgeving. Terzake heeft de verzoeker geen rechtstreeks en persoonlijk belang, zodat zijn vordering dienaangaande niet ontvankelijk is. Gelet op deze ruime afstand, kan de verzoeker immers niet ernstig voorhouden dat hij dienaangaande persoonlijk en rechtstreeks in zijn belangen zou kunnen geschaad worden. Zijn vordering dient dan ook als onontvankelijk te worden afgewezen”. 5.2.1.3. In zijn memorie van wederantwoord wijst de verzoeker nogmaals op zijn hoedanigheid als buurtbewoner. Hij verduidelijkt zijn belang door erop te wijzen dat de ontbossingen “de stilte en rust in zijn dagelijkse woonomgeving wekenlang (hebben) verstoord”, dat daardoor “een mooi en biologisch waardevol bos” werd vernietigd en dat “het zicht op een gaaf bos vanaf zijn woning” werd verstoord. Een dergelijke “esthetische en belevingsschade” brengt volgens de verzoeker een voldoende persoonlijke schade mee. Verder wijst de verzoeker nog op “de eigenlijke ecologische schade”. 5.2.1.4. Het wordt niet betwist dat de verzoeker in de onmiddellijke omgeving woont van het perceel waarvoor de bouwvergunning en de kapvergunning werden verleend. Het perceel van de verzoeker is alleen van het kwestieuze perceel gescheiden door een bebost perceel, eigendom van verzoekers vader. De verzoeker doet daardoor blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De exceptie kan niet worden aangenomen. 5.2.2.1. De tussenkomende partij werpt in haar toelichtende memorie een eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid op die als volgt luidt : X-8976-9045-8973-8943-8944-20/48 “Bij verzoekschrift d.d. 30 juli 1993 vordert de verzoekende partij de nietigverklaring van: - de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Stekene d.d. 5 juli 1993 houdende verlening aan de heer en mevrouw Koppen - Vercruysse van een vergunning tot het bouwen van een woning op het perceel sectie B nr. 651/c; - de beslissing van dit college van 19 juli 1993 houdende verlenen van een vergunning tot het kappen van bomen voor de aanleg van de oprit en het bouwvrij maken van voormeld perceel. De vraag rijst of beide aangevochten akten met één verzoekschrift kunnen aangevochten worden. Hoewel het geding tussen dezelfde partijen wordt gevoerd, zijn deze akten niet van dezelfde datum en hebben ze niet hetzelfde voorwerp. De tussenkomende partij werpt dan ook een onontvankelijkheidsexceptie op wat de tweede aangevochten akte betreft”. 5.2.2.2. In beginsel kan slechts één rechtshandeling per verzoekschrift worden bestreden. Meerdere rechtshandelingen kunnen slechts ontvankelijk in één verzoekschrift worden bestreden wanneer de bestreden rechtshandelingen samenhangend zijn. De beide bestreden beslissingen zijn genomen op grond van dezelfde wettelijke bepaling, zijnde artikel 44 van de toentertijd geldende wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna : Stedenbouwwet). De beide vergunningen werden verleend op grond van dezelfde motivering, namelijk omdat er voor het betrokken perceel een niet vervallen verkavelingsvergunning was afgeleverd. Bovendien vertonen de bouw- en de kapvergunning, die betrekking hebben op hetzelfde beboste perceel, ook een feitelijke samenhang, nu er noodzakelijkerwijze eerst dient ontbost te worden alvorens er kan gebouwd worden. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beslissingen voldoende samenhang vertonen om in hetzelfde beroep te worden bestreden. De exceptie wordt verworpen. 5.3. De ontvankelijkheid in de zaak A. 58.048 5.3.1.1. In haar verzoekschrift tot tussenkomst werpt de tussenkomende partij de volgende exceptie op : “II. 1. Onontvankelijkheid wegens schending van art. 17, § 3 gecoördineerde wetten op de Raad van State. 1. Overeenkomstig art. 42 van het K.B. van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State is art. 84 van het algemene procedurereglement van toepassing op de schorsingsprocedure. Voormeld art. 84, eerste lid bepaalt dat alle processtukken aan de Raad van State dienen worden toegezonden bij ter post aangetekend schrijven. X-8976-9045-8973-8943-8944-21/48 Art. 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing wordt ingesteld bij een afzonderlijke akte die geen deel uitmaakt van het verzoekschrift tot nietigverklaring en uiterlijk samen met dat verzoekschrift. Het verzoekschrift tot schorsing is derhalve een afzonderlijk processtuk dat bij ter post aangetekend schrijven moet ingediend worden. 2. In casu diende, voor zover de tot tussenkomst verzoekende partij kon opmaken uit het dossier, de verzoekende partij het annulatieberoep en het verzoekschrift tot schorsing in met één aangetekend schrijven, ter post ingediend op 19 mei 1994. Vermits het schorsingsverzoek een afzonderlijke akte is diende dit verzoek evenwel per afzonderlijk aangetekend schrijven ingediend te worden. 3. Het verzoekschrift tot schorsing verkreeg derhalve geen vaste datum op 19 mei 1994, maar slechts op 26 mei 1994, zijnde de dag waarop het verzoekschrift tot schorsing per aangetekend schrijven door de Griffie van de Raad van State ter kennis werd verzonden aan de tussenkomende partij (...). Dit heeft tot gevolg dat het verzoekschrift tot schorsing geacht moet worden na het annulatieberoep te zijn ingediend, zodat het overeenkomstig art. 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient te worden verworpen. 4. Nu het schorsingsarrest de schorsingsvordering ontvankelijk achtte, en derhalve oordeelde dat het verzoekschrift tot schorsing wél vaste datum verkreeg door het op 19 januari 1994 ter post aangeboden aangetekend schrijven, moet vastgesteld worden dat het annulatieberoep op die datum géén vaste datum verkreeg, en ook heden nog geen vaste datum heeft verkregen. Dit brengt met zich mede dat het annulatieberoep alleszins onontvankelijk is ratione temporis, daar het niet binnen de zestig dagen na 9 april 1994 - zijnde dag waarop de verzoekende partijen naar eigen zeggen inzage kregen van de bouwvergunning - werd ingediend”. In haar laatste memorie “volhardt (tussenkomende partij) in haar argumentatie”. 5.3.1.2. Artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals van toepassing ten tijde van het indienen van het verzoekschrift, luidt als volgt : “De vordering tot schorsing wordt ingesteld bij een afzonderlijke akte die geen deel uitmaakt van het verzoekschrift tot nietigverklaring en uiterlijk samen met dat verzoekschrift”. Artikel 84, eerste lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement), zoals van toepassing ten tijde van het indienen van het verzoekschrift, luidt als volgt : “Alle processtukken worden aan de Raad van State toegezonden bij ter post aangetekende brief”. X-8976-9045-8973-8943-8944-22/48 Er valt niet in te zien hoe het geciteerde artikel 17, § 3 van de Raad van State-wet dat betrekking heeft op de vordering tot schorsing, op de tijdigheid van het annulatieberoep kan worden betrokken, en dit ongeacht de inhoud van het kort gedingarrest. Het voorliggend annulatieberoep werd met een ter post aangetekende brief van 19 mei 1994 bij de Raad van State ingediend. De exceptie gaat niet op. 5.3.2.1. In het inleidend verzoekschrift wordt met betrekking tot het “plaatselijk belang” van de derde verzoekende partij gesteld dat zij, “naast het louter statutair belang”, “sinds jaar en dag werkzaam is (in en rond Stekene) op het vlak van verkeer, natuurbehoud, hinderlijke bedrijven, bebossing, natuurbeheer,...”. Er worden diverse voorbeelden aangebracht om die bewering te staven. 5.3.2.2. In haar memorie van antwoord werpt de eerste verwerende partij de volgende exceptie op ten aanzien van de derde verzoekende partij : “In artikel 3 van de statuten wordt het doel als volgt omschreven: ‘... de belangen van natuur en milieu in de breedst mogelijke betekenis te bestuderen, te behartigen en te verdedigen op de Linker Scheldeoever en in het Waasland (in hoofdzaak in Moerbeke, Stekene, St-Gillis-Waas, Beveren, Zwijndrecht, Kruibeke, Temse, Waasmunster en St-Niklaas) ze zal dus ook haar mening vormen, kenbaar maken en verdedigen over natuur- en milieuaangelegenheden die het regionaal belang overstijgen’. De thans bestreden beslissing heeft betrekking op het verlenen van een bouwvergunning en dergelijke beslissing raakt vanzelfsprekend enkel en alléén plaatselijke belangen zodat een milieuvereniging die zich inzet voor de bescherming van de natuur en het leefmilieu van een ganse streek niet het rechtens vereiste persoonlijke belang aantoont; zodat haar vordering onontvankelijk is. De bekendmaking van een andere doelstelling in het Belgisch Staatsblad van 5 mei 1994 (dus van nadien) is natuurlijk irrelevant, gezien het belang dient beoordeeld te worden op de datum van het verzoekschrift. (...)”. 5.3.2.3. In de memorie van wederantwoord wordt daarop als volgt gerepliceerd : “2. De gemeente Stekene stelt op blz. 3 van haar memorie eveneens dat de doelstellingen van de VZW Abllo niet geraakt zijn, omdat de hier bestreden vergunning enkel plaatselijke belangen raakt, terwijl deze vereniging wil opkomen voor de bescherming van de natuur en het leefmilieu van een ganse streek, nl. het Waasland. X-8976-9045-8973-8943-8944-23/48 Antwoord: het processueel belang van een regionale natuurvereniging gaan beperken tot natuurproblemen die op het eerste zicht een niet-plaatselijk karakter hebben, gaat niet op. Dergelijke uitlegging vindt geen steun in de VZW-wet en staat dan ook totaal los van de realiteit als aan de VZW-wet het grondwettelijk recht van vrijheid van vereniging. Aldus wordt het belang herleid tot het ‘grote belang’ of het ‘kennelijke belang’. Art. 26 geeft de rechtspersoonlijkheid aan V.Z.W’s die de daarin omschreven formaliteiten vervullen. Deze formaliteiten zijn vervuld. Ook is aangetoond dat de VZW Abllo daadwerkelijk in de streek actief is. Men moet anders deze beperking van het recht om voor zijn statutaire doelstellingen op te treden, dan ook maar gaan toepassen op rechtpersonen van andere categorieën, zoals bv. handelsvennootschappen. Er zou dus, indien de gemeente Stekene zou worden gevolgd, duidelijk sprake van discrimatoire behandeling van VZW’s ten opzichte van andere rechtspersonen. ******** Concreet volgt het processueel belang hieruit dat het hier om een vergunning gaat die 1.340 m² biologisch waardevol bos beslaat. Dit in één van de weinige regio’s waar er nog enkele uitgestrekte bossen zijn, naast uitgestrekte poldergebieden. Globaal gezien is de regio bosarm. Vandaar ook het standpunt van prof. Lust in zijn verslag van 24 september 1994: ‘Er wordt in Vlaanderen gestreefd naar een absoluut bosbehoud.’ ... ‘Het verkavelen van dit bosgedeelte kan en mag niet gezien worden als een klein locaal probleem. Het is een deel van de globale Vlaamse bospolitiek.’ Zie de aanvullende stukken. Dit globale bosbeleid komt ook tot uiting in een recente nota aangaande het structuurplan Vlaanderen, waarin tegen 2007 50.000 ha. bijkomend bos wordt gepland. Dus moeten de bestaande bossen dan nog wel in de bosgebieden met een ecologische functie, zeer zeker behouden worden. Het gaat/ging om een vrij oud bos, met vrij veel dood hout (...) met loofhout van lijsterbes, sporkehout, eiken, enz. tussen de grove dennebomen. Een deel bos zuidelijk begrensd door een nog vrij zuiver waterloopje. Dit bos is intussen gerooid en ontworteld. Gesitueerd: in Oost-Vlaanderen met een bebossingsindex van amper 4,46 en 12 m² per inwoner, wat zeer weinig is, en met een grote bevolkingsdichtheid is iedere m² bos bij wijze van spreken 10 keer belangrijker van bv. in de Ardennen, waar er veel meer bos is en minder bevolking. Het stemt dan overeen met 13.000 m² bos, relatief gezien. Volgens EG-normen zou er trouwens 20 % bos moeten zijn. Volgens prof. Lust zou er in het laagland zelfs 30% bos moeten zijn. Volgens de Commissie die het Bosdecreet voorbereidde is er dringend nood aan 140.000 ha bos. In en rond Stekene zijn er dan nog andere bedreigingen door weekendhuisjes, aanleg van golfterreinen, wegenaanleg, enz. Een andere aanwijziging dat de weinig nog overgebleven bossen in Vlaanderen relatief (ecologisch en sociaal) zeer belangrijk zijn, volgt hieruit dat een machtiging van het bosbeheer sinds het Bosdecreet steeds nodig is voor bv. bouwwerken, welke ook het statuut is van de grond, het al dan niet bestaan van een verkavelingsvergunning, de bestemming op het gewestplan, enz. Zie art. 97 Bosdecreet. In casu is het ook zeer belangrijk vast te stellen dat het perceel 651 c gelegen is in een overgangsgebied van bos naar landbouwgebied, wat ecologisch steeds zeer interessant is (...). X-8976-9045-8973-8943-8944-24/48 Ook paalt dit bosgebied aan een uitgestrekt landschappelijk waardevol meersengebied naar het Kanaal toe. De bossen dienen als rustplaats voor onder meer de roofvogels zoals sperwer en ransuil die in de landbouwgebieden jagen. Bovendien maakt het perceel deel uit van een veel groter bos, zodat de bescherming zich des te meer opdringt, want in het Waasland zijn er precies te weinig grote bossen (wel veel relatief kleinere en versnipperde). Het perceel maakt deel uit van een bosgebied van zeker 100 hectare. Het gaat dus wellicht niet eens op te spreken van een locaal probleem, juist omdat het om een grote en grotendeels nog intacte bosentiteit gaat. Bosbehoud heeft hier dus qua natuurverbinding en natuurbehoud een gemeenteverschrijdende betekenis, ook als het maar gaat om een klein perceel. Ook om die reden geeft de gemeente Stekene zich uit als ‘de groene long van het Waasland’. (...) Verzoekster kan dus ook voor deze structurele aantasting van een bosperceel in rechte optreden. (...)”. 5.3.2.4. In haar laatste memorie voegt de eerste verwerende partij niets toe aan hetgeen zij reeds in de memorie van antwoord had uiteengezet. 5.3.2.5. Verenigingen zonder winstoogmerk mogen krachtens de v.z.w.- wet in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Zij kunnen voor de Raad van State in rechte optreden mits zij voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang, alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging. Artikel 3, eerste lid van de statuten van de v.z.w. Aktiekomitée ter beveiliging van het leefmilieu op de linkeroever, zoals dit gold op het ogenblik van het inleiden van de vordering, luidt als volgt : “A.B.L.L.O., v.z.w., heeft tot doel de belangen van natuur en milieu, in de breedst mogelijke betekenis, te bestuderen, te behartigen en te verdedigen op de linker Schelde-oever en in het Waasland (in hoofdzaak in Moerbeke, Stekene, Sint-Gillis-Waas, Beveren, Zwijndrecht, Kruibeke, Temse, Waasmunster en Sint-Niklaas). A.B.L.L.O., v.z.w., maakt deel uit van de Bond Beter Leefmilieu en A.B.L.L.O., v.z.w., zal dus ook haar mening vormen, kenbaar maken en verdedigen over natuur- en milieuaangelegenheden die het regionaal belang overstijgen”. X-8976-9045-8973-8943-8944-25/48 Het belang bij de vernietiging van het bestreden besluit moet bestaan op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring. Het actueel karakter van het belang dient derhalve te worden beoordeeld aan de hand van de statuten van de verzoekende vereniging zoals deze van kracht waren op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Het bovenvermelde statutair doel van de verzoekende vereniging werd bekendgemaakt in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad van 5 mei 1994, zodat dit van toepassing was op het ogenblik van het inleiden van de vordering, zijnde 19 mei 1994. De eerste verwerende partij kan bijgevolg niet gevolgd worden waar zij stelt dat “de bekendmaking van een andere doelstelling in het Belgisch Staatsblad van 5 mei 1994 (...) irrelevant (is)”. Dit klemt des te meer nu zij ter staving van haar exceptie zelf dit statutaire doel aanhaalt. Terzake blijkt uit de statuten van de verzoekende vereniging, zoals deze golden op het ogenblik van het inleiden van de vordering, dat zij zich tot doel stelde “de belangen van natuur en milieu, in de breedst mogelijke betekenis, te bestuderen, te behartigen en te verdedigen op de linker Schelde-oever en in het Waasland”. Het voormelde statutair doel is dermate ruim en algemeen opgevat, dat het in wezen dient te worden beschouwd als het nastreven van een algemeen belang. Bovendien is het statutaire doel territoriaal gezien vrij ruim, nu het betrekking heeft op de gehele linker Schelde-oever en de gemeenten Moerbeke, Stekene, Sint-Gillis- Waas, Beveren, Zwijndrecht, Kruibeke, Temse, Waasmunster en Sint-Niklaas, en de verzoekende vereniging zich ook tot doel stelt “haar mening (
  2. te)vormen, kenbaar (
  3. te)maken en (
  4. te)verdedigen over natuur- en milieuaangelegenheden die het regionaal belang overstijgen”. Het maatschappelijk doel van de derde verzoekende partij heeft aldus een dermate algemene draagwijdte dat, zo dit in aanmerking wordt genomen als grondslag voor de beoordeling van het belang van de vereniging om bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen, het optreden van die vereniging voor de Raad van State gelijk staat met een actio popularis, indien de handeling die wordt aangevochten geen algemene draagwijdte heeft -even algemeen als die van de doelstelling waarop de vereniging zich beroept- doch een specifieke strekking heeft. Terzake gaat het om een bouwvergunning voor het “bouwen van een woning/villa”, hetgeen een zeer beperkt project met uitsluitend een plaatselijk impact is. De derde verzoekende partij toont niet aan te getuigen van het rechtens vereiste persoonlijk belang. De exceptie is gegrond en het beroep is onontvankelijk in hoofde van de derde verzoekende partij. X-8976-9045-8973-8943-8944-26/48 5.3.3.1. In het inleidend verzoekschrift zetten de eerste twee verzoekers hun belang als volgt uiteen : “B. Belang dat partij Ongena in het bijzonder kan laten gelden. 1. Voor hem verdwijnt ook een vertrouwd rustig beeld in zijn nabije woonomgeving. Meer bepaald op 30 m. afstand van de perceelsgrenzen (en geen 100 m.). Tijdens wandelingen, het voorbijrijden met fiets of wagen, zal hij een essentiële wijziging ondergaan van de omgeving zoals hij die de laatste 10 jaar gekend heeft. 2. Doordat een bos goeddeels de plaats zou moeten ruimen voor een grote villa met aanhangen, zal er ook een buffering tegen geluidsstoornissen van verdergelegen bebouwing bv. verdwijnen. Vanuit het woonerf van Van Kerkchoven zou/zal nu regelmatig allerlei geluid komen, bv. van grasmachines, auto’s, bezoekers,... Verzoeker die nochtans een sociale ingesteldheid heeft, ontkent niet dat hij wenst te blijven wonen in een rustiger en natuurlijker omgeving, wat één van de motieven was om hier te komen wonen. 3. Het verkeer gaat ook in zekere zin toenemen. Temeer er nog drie andere woningen zijn voorzien verderop. C. Belang dat in het bijzonder partij Janssens kan laten gelden. 1. Hij heeft er met zijn echtgenote belang bij dat het uitzicht op deze groenzone, vanuit zijn woning met veel vensters o.a. aan de straatkant, behouden blijft. Het uitgeven op een bos was één van de redenen waarom hij hier twee jaar terug met zijn echtgenote een stuk bouwgrond kocht (gelegen in de landelijke woonzone volgens het gewestplan) Dat uitzicht zal in belangrijke mate veranderen. Bij donker zal er bv. ook licht schijnen, wat het gevoel wegneemt tegen een (echt) bos te wonen. 2. De aangename ecologische verhouding tussen zijn erf en het aan de overzijde van de smalle Polkenstraat gelegen bos, op amper 10 meter, zal ook drastisch gewijzigd worden. Eekhoorns, wilde konijnen en fazanten bv. die hij tot nog toe nu en dan waarneemt, zullen elders een onderkomen moeten zoeken. Het concert van tal van vogels in dat bos, zal afzwakken en monotoner worden. Schuwere bosvogels zoals zwarte mees, tuinfluiter, braamsluiper, ook vink en grote lijster zullen wellicht verhuizen. 3. Ook de rustverstoring die onvermijdelijk het gevolg is van het wonen en leven van mensen, zal een feit zijn. Zo bv. de machines om de tuin te onderhouden (grasmachine, haagschaar, ...), allerlei toestellen om te karweien (boren, zagen, ...), voertuigen van de bewoners en bezoekers die op en af gaan, enz. Het zal niet meer hetzelfde zijn. Ook al ingevolge het verkeer dat enigszins toenemen zal, temeer er verderop nog drie andere woningen, ook al in bosgebied zijn voorzien”. 5.3.3.2. De eerste verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie op : X-8976-9045-8973-8943-8944-27/48 “-Ongena Karel zijn eigendom en het perceel waarop de werken vergund werden zijn gescheiden door een perceel bos en een waterloop, dit alles op ca 100 m. zoals hij zelf voorhoudt in de andere procedures. De bouwvergunning, beoogt op een 1000 m2 groot perceel dat thans bebost is een villa op te richten met behoud van een groot deel van het bomenbestand. Gelet op deze afstand en de aard van de scheiding tussen beide percelen, toont deze partij dan ook onvoldoende haar actueel en persoonlijk belang aan om deze vordering te stellen. - Wat de tweede verzoeker betreft moet opgemerkt worden dat in de onmiddellijke omgeving zich reeds een aantal woningen bevinden, nl. vooreerst deze al van de twee verzoekers zelf. Uit de ingediende plannen blijkt daarenboven dat de bedoelde op te richten woning in het midden van het betrokken perceel zal werden opgericht en dat voor een oprit aan de voorkant van het perceel werd geopteerd, zodat het perceel in de huidige staat zal behouden blijven, en er derhalve geen sprake kan zijn van enige ‘visuele verstoring’ in hoofde van deze. - Beiden voeren dan nog aan dat een nadeel zou voorhanden zijn uit het verdwijnen van het bos en de bouw van een villa, hetgeen het gevolg is van de verkavelingsvergunning van 3-9-1992, gewijzigd bij de vergunning van 5-7-1993. Het feit dat een klein deel van het bos is gekapt en er een private woning kan opgetrokken worden, volgt natuurlijk uit de verkavelingsvergunning, voornoemd en niet uit de bouwvergunning, waarvan de vernietiging thans wordt gevraagd. De verzoekende partijen hebben nooit de schorsing van de verkavelingvergunning van 3-9-1992 gevraagd en de heer Janssens-Van De Vijver vorderde zelfs nooit de nietigverklaring ervan, (...). Maar daarbij komt ook nog dat NIEMAND van de verzoekende partijen, de schorsing of vernietiging van de verkavelingsvergunning van 5 juli 1993 vorderde zodat de verzoekende partijen hic et nunc het rechtens vereiste belang verloren hebben bij het annulatieberoep ten aanzien van de oorspronkelijke verkavelingsvergunning en de terzake aan de orde zijnde bouwvergunning. De vordering van de verzoekende partijen dient dan ook te worden afgewezen als onontvankelijk, bij gebreke aan belang”. 5.3.3.3. In de memorie van wederantwoord wordt daarop als volgt gerepliceerd : “A. De hr. Ongena en de hr. Janssens. 1. Het belang van deze verzoekers kan redelijkerwijze niet betwist worden. 2. Ten aanzien van de afstand van het erf van de hr. Ongena ten opzichte van dat van de hr. en mevr. Van Kerckhoven blijft de gemeente Stekene maar beweren dat die afstand 100 meter bedraagt. Die afstand is echter maar 30 meter, wat ook eenvoudig is af te leiden uit de kaarten die medegeeld werden. Die afstand van 30 meter bestaat dan nog door een oud dennebos, toebehorend aan zijn vader, waar hij als zoon een zeker feitelijk gebruik van heeft. Ook kan men goed door dit bos heenkijken, omdat door de jaren heen de zijtakken onderaan de stammen zijn verdwenen. Grove dennen en ertussen opschietende loofbomen zoals eik en berk hebben hun bladvolume nu vooral in de hogere boometage. Gevolg is dat de verzoeker vanuit zijn tuin de nu aan de gang zijnde bouwwerken op het betwiste perceel gemakkelijk kan waarnemen. ****** X-8976-9045-8973-8943-8944-28/48 Het Vlaamse Gewest verwijt dan weer aan de hr. Ongena dat hij toch woont in een bosgebied. Het weze onderstreept dat de woning van de hr. Ongena een verbouwing is van een hoevetje, dat er al lang staat, van vóór het gewestplan. Aan hem werd ook een definitieve bouwvergunning verleend, die overigens niet steunt op een verkavelingsvergunning. ****** 3. De gemeente Stekene merkt op de hr. Janssens woont temidden andere woningen. Hij woont inderdaad in een landelijke woonzone. De woning van de hr. Ongena is een vernieuwde woning van een hoeve van lang voor het gewestplan. Dat er geen visuele schade zou zijn voor deze partij, omdat geopteerd wordt voor een oprit aan de voorkant van het perceel, is niet te volgen. Er komt toch niet enkel een oprit. 4. Er wordt dan ook nog gesteld dat de schade eerder het gevolg is van de verkavelingsvergunning van 3 september 1992 dan van de bouwvergunning. Waar het zo is dat zonder de verkavelingsvergunning, de bouwvergunning niet zou zijn afgeleverd, kan men natuurlijk niet ontkennen dat men een bouwvergunning nodig heeft om feitelijk over te gaan tot ontbossing en bebouwing. Alleen met deze verkavelingsvergunning waarin geen infrastructuurwerken zoals bv. wegenaanleg is voorzien, kan verzoeker onmogelijk enige feitelijke schade lijden. Verweerster kan zo terug gaan tot nog verdere juridische oorzaken en zeggen dat niet de bouwvergunning, maar art. 23 van het K.B. 28dec. 1972 de reden is. Enz. Het ware natuurlijk pra(k)tischer geweest indien van meet af aan ook de schorsing van de verkavelingsvergunning ware aangevraagd. Het feit dat niet te hebben gedaan, ontneemt nog niet het recht om de uitvoeringsa(k)ten aan te vechten. 4. Er wordt dan ook nog beweerd door de gemeente Stekene dat de verkavelingsvergunning van 3 sept. ‘92 en de wijziging ervan dd. 5 juli ‘93 niet zou zijn aangevochten met een annulatie of schorsing. Dit is duidelijk niet juist: er is bv. de procedure G/A 51.663/VII-11.967 van de hr. Janssens tegen het Vlaams Gewest, m.b.t. de verkavelingsvergunning van 3 september 1992”. 5.3.3.4. De tweede verzoeker heeft bij brief van 19 oktober 2007 afstand gedaan van het geding. De exceptie is bijgevolg zonder voorwerp geworden wat de tweede verzoeker betreft. 5.3.3.5. Wat de eerste verzoeker betreft, wordt niet betwist dat deze in de onmiddellijke omgeving woont van het perceel waarvoor de bouwvergunning werd verleend. Het perceel van de eerste verzoeker is alleen van het kwestieuze perceel gescheiden door een bebost perceel, eigendom van zijn vader. De verzoeker doet daardoor blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De eerste verwerende partij kan niet met goed gevolg stellen dat “NIEMAND van de verzoekende partijen de (...) vernietiging van de X-8976-9045-8973-8943-8944-29/48 verkavelingsvergunning van 5 juli 1993 vorderde zodat de verzoekende partijen hic et nunc het rechtens vereiste belang verloren hebben bij het annulatieberoep”. De eerste verzoeker vroeg in de zaak A. 51.663 immers op ontvankelijke wijze de uitbreiding van het voorwerp van het beroep tot de wijzigende verkavelings- vergunning van 5 juli 1993. De exceptie wordt verworpen. 6. De gegrondheid in de zaak A. 51.663 6.1. Standpunten van de partijen 6.1.1. De eerste verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift een eerste middel aan dat als volgt luidt : “A. Eerste middel. Schending van art. 1 en 2 van de stedebouwwet. Schending van art. 12 van het K.B. 28 december 1972 I. Het bedoeld perceel is gelegen in een bosgebied, volgens het gewestplan Sint-Niklaas Lokeren, vastgesteld bij K.B. van 7 november 1978. Het gewestplan dient behalve voor sociale doelstellingen, o.a. woningbouw, ook voor behoud van esthetische en natuurwaarden, aldus art. 1 van de stedebouwwet. Door het toestaan van een verkavelingsvergunning in een (zeldzaam geworden) bosgebied gaat een stuk natuurschoon verloren gaan en wordt de bestemming van het gewestplan geschonden. De bestemming als bosgebied betekent immers dat hier enkel gebouwen zijn toegestaan nodig voor de ‘exploitatie en het toezicht op de bossen, evenals jagers-en vissershutten, op voorwaarde dat deze niet kunnen worden gebruikt als woonverblijf, al was het maar tijdelijk.’ II. Uit het plan gevoegd bij de verkavelingsaanvraag, volgt dat niet de bouw van een woning in de zin van voormeld artikel is bedoeld, maar wel de bouw van twee omvangrijke villa's, dubbel zo groot als de heel wat verderop gelegen woningen van eerste verzoeker en de bewoner van het huis nr. 27. Die woningen zijn trouwens volgens een motief van de vergunning zelf ‘strijdig met de bij gewestplan vastgelegde planologische ‘bestemming’. (...). III. Het is feitelijk evident dat een bosgebied niet kan gelijkgeschakeld worden met een landelijke of groene woonzone. De landelijke woonzone situeert zich trouwens aan de overkant van de straat. Tweede onderdeel van eerste middel: schending van art. 13 K.B. 28 december 1972. De bestreden vergunning en ook de andere administratieve stukken stellen dat de verkaveling is gelegen in bosgebied. Uit de aan verzoekers bekende copie (zwart-wit) van het gewestplan valt evenwel niet de aard van het groengebied af te leiden. X-8976-9045-8973-8943-8944-30/48 Bosgebied is effen blauwgroen aangeduid. Groengebied is effen lichtgroen aangeduid. Indien het kleur gewoon licht groen is, dan gaat het over groengebied. Volgens art. 13 zijn groengebieden bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu. Het spreekt voor zich dat de bouw van grote of kleine villa's in een groengebied onvermijdelijk ten koste gaat van het natuurlijk milieu : bomen worden geveld, de grond wordt drooggezogen voor de aanleg van de fundamenten, lawaai van bouwmachines verstoren vogels en andere dieren, de bodemflora (bosplanten) verdwijnt en maakt plaats voor eerder banale grasvelden, muren, enz”. Hij voert in het inleidend verzoekschrift in een derde middel aan wat volgt : “C. Derde middel: schending van art. 23 van het K.B. 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. 1. Dit artikel betreft dus de opvulregel, waarvan de eerste paragraaf werd ingeroepen door de bevoegde minister om de verkavelingsaanvraag desalniettemin toe te staan. Ten behoeve van verzoekers zelf luidt die bepaling : ‘Onverminderd art. 21 en art. 6 , zijn de navolgende regelen van toepassing in alle gebieden niet zijnde woongebieden, met uitzondering van de industriegebieden, de ontginningsgebieden en de natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de overstromingsgebieden. 1// Bij uitzondering kunnen verkavelingen en bouwwerken worden toegestaan, voor zover deze de goede plaatselijke ordening niet schaden en de bestemming van het gebied niet in gevaar brengen en voor zover de grond op de dag van de inwerkingtreding van het gewestplan of ontwerp-gewestplan gelegen is binnen een huizengroep en aan dezelfde kant van een openbare weg, niet zijnde een aardeweg, en die voldoende uitgerust is, gelet op de plaatselijke toestand.’ In de voorlaatste paragraaf van dit artikel is dan bepaald dat de afstand van de zijgevels van de minst van elkaar verwijderde huizen niet meer mag bedragen dan 70 m. Een wachtgevel van een bestaande woning mag met een nieuwe woning worden afgewerkt. Aldus ingevolge art. 5 K.B. 13 dec. 1978 (B.S. 13 jan. 1979) toegevoegd of liever ter vervanging van het tweede lid van art. 23, l/, tweede lid. 2. In het advies van de gemachtigde ambtenaar werd gesteld dat de uitzonderingsregel voorzien in art. 23 hier niet van toepassing is omdat het perceel niet gelegen is binnen een huizengroep zoals bepaald in voornoemd K.B. Een verkavelingsaanvraag werd vroeger om dezelfde reden geweigerd. Het gemeentebestuur trad het advies van de gemachtigde ambtenaar bij. De bestendige deputatie van de provincie volgde eveneens deze zienswijze. 3. In de bestreden beslissing wordt dan echter na vermelding van het bedoeld artikel 23, gesteld dat de uitzonderingsmaatregel in bepaalde gevallen toepasselijk is voor hoekpercelen; dat onderhavig bijzonder geval, configuratie 23.9b waarnaar appellant verwijst, toepasselijk is gezien de voorgestelde situatie; dat overigens de vergunde woningen nrs. 27 en 41 dateren van voor het gewestplan; dat rekening houdend met de plaatselijk structureel aangetaste toestand het beroep dient ingewilligd.’ 4. Deze motivering schendt in meerdere opzichten het art. 23, l/: //de goede plaatselijke aanleg wordt wel degelijk geschaad. De goede plaatselijke ordening wordt immers in beginsel beoordeeld op basis van X-8976-9045-8973-8943-8944-31/48 stedebouwkundige principes die in de goedgekeurde plannen van aanleg zijn terug te vinden. Terzake gaat het dus over een bos-of groengebied, dat zoals uit de foto’s blijkt, ongerept ontwikkeld is en uitgegroeid tot een aaneengesloten bos, met slechts weinig woningen op ruime afstand van elkaar, dan nog langs de straatkant. Er zijn foto’s genomen vanuit alle hoeken (Polkenstraat, spoorwegbedding,..) en goed te zien is dat de plaatselijke ordening deze is van een halfnatuurlijk bos, met afwezigheid van menselijke factoren, tenzij de straat zelf en het recreatief gebruik van de oude spoorwegzate. Zie ook verder de schending van de motiveringsplicht. //de bestemming van het gebied wordt uiteraard ook in gevaar gebracht. Dat volgt uit de redenen in de bestreden beslissing zelf, maar bepaald wordt in de paragraaf ervoor, in fine gesteld dat het verkavelen van gronden voor eensgezinswoningen strijdig is met de bij gewestplan vastgestelde planologische bestemming;’ Dat volgt ook uit de aard van de verkaveling en de bouwwerken die hier gepland zijn. Het verkavelingsplan (...), vermeldt immers twee grote blokken van huizen, van bij benadering 16 op 16 meter. Ook dat de bouwdichtheid bedraagt : ‘6 woningen per hectare.’ Bijgevolg zou, indien de verkaveling en later de bebouwing, doorgaan, minstens een derde van het bos op die beide percelen, verdwijnen. Immers, dient buiten de bouw van de woning, ook rekening gehouden met de aanhorigheden, zoals graspleinen, groen, maar niet bosgroen. //O.K. dat de gronden gelegen zijn langs een openbare weg, met voldoende uitrusting, behalve dan dat er geen riolering is; //dat het perceel evenwel een hoekperceel zou zijn, is manifest onjuist. Bij weten van verzoekers is een hoekperceel nog steeds een perceel dat op de hoek van een straat gelegen is. Dat er i.c. een bocht in de straat is, betekent nog niet dat er een hoekperceel ontstaat, of artificiëel kan uitgetekend worden, zoals precies gebeurt op het plan stuk 14. //in dit verband wordt verwezen naar de configuratie art. 23. punt 9. van de Toelichting bij het K.B. 28 december 1972, door het Bestuur van de Stedebouw en de Ruimtelijke Ordening. Verzoekers konden deze configuratie op de kop tikken... Uit dit stuk 23, volgt dat deze configuratie een totaal andere plaatsgesteldheid beoogt dan degenen die zich hier voordoet. De commentaar luidt: ‘Ingeval de hoek door de straten een schuine hoek is, zal men rekening houden met de loodrechte projectie van de bestaande bebouwing langs de ene straat, op de verlengd wegas van de andere straat die er schuin op staat.’ Ook worden hier de afstanden 70 m. volgens het K.B. 13 dec. ‘78 gehanteerd, terwijl die afstand hier ruimschoots wordt overschreden. I.c. is er dus sprake van één straat, wat bochtig, maar die nergens een hoekperceel kan vormen met een andere straat (aan dezelfde kant). Ook volstrekt gratis is de bewering aangaande de plaatselijk structureel aangetaste toestand 5. Op het eerste zicht zouden verzoekers ook de onwettelijkheid kunnen inroepen m.b.t. de 70-meter- vereiste minimum-afstand tussen de zijgevels van de nabijgelegen huizen. Zie dus dat K.B. 13 dec. '78. I.c. is immers de afstand tussen de 'dichtst" gelegen zijgevels meer dan 180 meter (...). Evenwel hebt U o.a. in arrest 26.611 van 5 juni 1986, gesteld dat de bepalingen van het K.B. 13 dec. '78, waarbij art. 23,1/, tweede lid van het K.B. 28 dec. 1972 werd vervangen, dat de opnamen in de bestaande gewestplannen (i.c. daterend van kort voor dit K.B.) slechts kan gebeuren indien er een openbaar onderzoek werd gehouden. X-8976-9045-8973-8943-8944-32/48 Helaas hebben verzoekers daarvan geen weet, bv. in het raam van een gewestplan herziening. Zie evenwel de richtnota min. Pede aan AROL van 21 mei '87 waarin die afstandsregel wordt bestendigd in het beleid en het ontwerp-decreet in de maak, tot bescherming van de open ruimte. Voor wat betreft de inbreuk op de aldus vervangen bepaling van art. 23, 1/ lid 2, gedragen verzoekers zich naar de wijsheid”. 6.1.2. De verwerende partij repliceert daarop als volgt in haar memorie van antwoord : “1. Eerste middel Verzoekende partijen roepen een schending in van de art. 1 en 2 van de Stedebouwwet en van art. 12 en 13 van het K.B. van 28 december 1972. Het perceel is volgens het gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren, goedgekeurd bij K.B. van 07.11.1978, gelegen in een bosgebied. De bestemming op zich wordt niet betwist. In tegenstelling met hetgeen verzoekende partijen evenwel aangeven ligt de bestemming vervat in art. 12 (bosgebied) en niet in art. 13 (groengebied) van het K.B. van 28.12.1972. Het bestreden besluit van 3 september 1992 maakt evenwel toepassing van de uitzonderingsbepalingen voorzien in art. 23, l/ van het K.B. van 28.12.1972. De bedoeling van deze bepaling is, om in strijd met het op het gewestplan aangegeven bestemming, de mogelijkheid te scheppen percelen tussen bebouwde of bebouwbare kavels te bebouwen of te verkavelen. Wordt dit voorzien in strijd met een vastgelegde bestemming, dan wordt benadrukt als het gaat om een uitzonderingsmaatregel. Verzoekende partijen vechten in het derde middel ook de toepassing van deze uitzonderingsmaatregel aan. Wordt dit derde middel als ongegrond afgewezen, dan betekent meteen dat ook het eerste middel ongegrond is. 3. Derde middel Verzoekende partijen roepen een schending in van art. 23 van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. De bedoeling van art. 23, 1/ van het K.B. van 28.12.1972 is, om in strijd met de op het gewestplan aangegeven bestemming de mogelijkheid te scheppen percelen tussen bebouwde of bebouwbare kavels te bebouwen of te verkavelen. Wordt dit voorzien in strijd met de vastgelegde bestemming, dan wordt benadrukt dat het gaat om een uitzonderingsmaatregel. Waar de opvulregel als uitzonderingsbepaling werd opgenomen in het K.B. van 28.12.1972, werd met het K.B. van 13.12.1978 hieraan toegevoegd dat ‘de afstand van de zijgevels van de minst van elkaar verwijderde huizen niet meer mag bedragen dan 70 m ; een wandgevel van een bestaande woning mag met een nieuwe woning worden afgewerkt’. Werden de wijzigingen die het K.B. van 13.12.1978 in art. 23 van het K.B. van 28.12.1972 heeft aangebracht, nog niet in het gewestplan opgenomen overeenkomstig de regelen vastgelegd in art. 9 van de Stedebouwwet, dan zijn zij bijgevolg niet bindend en dus (nog) niet van toepassing. De bestreden beslissing diende dan ook niet na te gaan of de afstand van de zijgevels van de minst van elkaar verwijderde huizen niet meer bedragen dan 70 m. Verzoekende partijen blijken dit, volgens de aanduidingen in fine van dit middel (...) te beseffen. X-8976-9045-8973-8943-8944-33/48 Het bestreden besluit van 3 september 1992 acht de uitzonderingsbepaling van art. 23, 1/ van het K.B. van 28.12.1972 van toepassing, om reden dat de opvulregel in bepaalde gevallen toepasselijk is voor hoekpercelen. ‘Overwegende dat luidens art. 23, § 1 van het bovenvernoemd K.B. van 28 december 1972 bij uitzondering verkavelingen en bouwwerken kunnen worden toegestaan, voor zover deze de goede plaatselijke aanleg niet schaden en de bestemming van het gebied niet in gevaar brengen, en voor zover de grond op de dag van de inwerkingtreding van het gewestplan of ontwerp-gewestplan gelegen is binnen een huizengroep aan dezelfde kant van een openbare weg, niet zijnde een aardeweg, en die voldoende is uitgerust, gelet op de plaatselijke toestand ; dat volgens de toelichting bij het K.B. van 28.12.1972, inzonder de opvulregel - art. 23, 1/ van voornoemd besluit - de uitzonderingsmaatregel in bepaalde gevallen toepasselijk is voor hoekpercelen ; dat onderhavig bijzonder geval, configuratie 23.9 waarnaar appellant verwijst toepasselijk is gezien de voorgestelde situatie ; dat overigens de vergunde woningen nrs. 27 en 41 dateren van vóór het gewestplan ; dat rekening houdend met de plaatselijke structureel aangetaste toestand het beroep dient ingewilligd’ (Ministerieel Besluit van 3 september 1992). De woning van eerste verzoekende partij ligt trouwens in de onmiddellijke buurt gevestigd en wel in de Polkenstraat 41. Uit het bij de verkavelingsaanvraag gevoegde plan blijkt dat, ook al is de 70 m-grens zoals ingevoegd bij het K.B. van 13.12.1978 niet van toepassing, het perceel, door haar configuratie beschouwd als een hoekperceel, zelfs voldoet aan de bedoelde afstand. Hetzelfde plan gevoegd bij de verkavelingsaanvraag en het uittreksel uit het kadasterplan tonen bovendien aan dat er wel degelijk sprake is van voldoende residentiële bebouwing in de onmiddellijke omgeving. Het middel is dan ook ongegrond”. 6.1.3. De eerste verzoeker antwoordt in zijn memorie van wederantwoord het volgende : “IV. Het eerste middel: schending van art. 1 en 2 van de stedebouwwet. Schending van art. 12 of 13 van het K.B. 28 dec. 1972. 1. Verzoekers hebben wel degelijk gesteld dat de verkaveling in een bosgebied ligt. 100 % zeker waren zij niet op zicht van (de copie van ) het gewestplan. In ieder geval : het is bosgebied en hier zijn enkel jagers-of vissershutten toegestaan en dan nog. Zo wordt in de praktijk een jagershut enkel toegestaan als het jachtgebied voldoende groot is (100 ha. en meer), dit om zogezegde jagershutten niet als mom voor een (tweede) verblijf te zien verrijzen. 2. Verwerende partij stelt verder dat van art. 1 en 2 van de stedebouwwet kan worden afgeweken op grond van bv. de opvulregel. Zij koppelt dus het eerste middel aan het derde. Dit lijkt op het eerste zicht zeer terecht. Toch blijkt bij nader toezien deze principiële uitzondering (contradictie in termen) voor betwisting vatbaar. Immers, kan volgens de stedebouwwet van 1962 een afwijking van de plannen van aanleg, i.c. het gewestplan, enkel toegelaten worden in de gevallen en de vormen door de wet bepaald. Het K.B. van 28 dec. 1972, van lagere orde zijnde dan de stedebouwwet, bedoeld als een uitvoeringsbesluit, is dus geen ‘wet’. Het K.B. maakt in X-8976-9045-8973-8943-8944-34/48 art. 23 duidelijk een uitzondering die niet tot de bevoegdheid van de koning behoorde, maar enkel tot die van de wetgevende macht. Dit gaat uiteraard in tegen de gangbare rechtspraak. 3. Dus kan van de bestemming als bosgebied in beginsel enkel worden afgeweken door ofwel een B.P.A. op te stellen, ofwel het gewestplan te herzien. Deze wettelijke uitzonderingen op art. 1 en 2 stedebouwwet doen zich hier niet voor. Het middel is dus op zich reeds gegrond. VI. Derde middel : schending van art. 23 K.B. 28 dec. 1972. 1. Verwerende partij stelt dat de afstandsregel van hoogstens 70 meter i.c. niet van toepassing is. Het is aan verzoekers inderdaad niet bekend of er sinds 13

(23)jan. ‘78 reeds een gewestplanherziening is geweest, waardoor de afstandsregel toepasselijk is. In de gids voor reglementaire verwijzingen is daarvan niets te merken. 2. De verwerende partij stelt dat echter de gewone voorwaarden om de opvulregel te kunnen toepassen, vervuld zijn. Zij herhaalt hierbij gewoon de motieven van de bestreden beslissing. 3. Wat het ‘hoekperceel’ betreft, dit wordt verder niet gemotiveerd, ook niet hoe de zgz. ‘configuratie art. 23.9' in het art. 23 kan worden opgenomen. Deze configuratie blijkt uit een omzendbrief te komen die geen formele rechtskracht heeft en trouwens nooit in liet B.S. werd bekendgemaakt. Zulks is inzake de zeer strict toe te passen uitzondering op een plan van aanleg, van openbare orde (...) een formele schending van het art. 23 zelf zoals het is geformuleerd en van art. 1 en 2 stedebouwwet. Ook wordt hier de vraag herhaald of een koninklijk besluit aangaande de inrichting en de ‘toepassing’ van (ontwerp-gewestplannen) wel een uitzondering kan invoegen die voorbehouden is aan de wetgever (art. 2 par. 1, derde lid). 4. Dat met de uitgetoverde constructie als hoekperceel de afstand van 70 m. wel gehaald wordt of zou worden, is dan ook niet relevant. 5. Verder wordt nog beweerd dat dus de plaatselijke toestand structureel is aangetast omdat ‘er wel degelijk sprake is van een voldoende residentiële bebouwing in de onmiddellijke omgeving.’ Hier moet een onderscheid worden gemaakt, reeds vermeld in de uiteenzetting van de feiten : C in de landelijke woonzone waaraan het bosgebied paalt, is er inderdaad een zekere al dan niet residentiële bebouwing, vnl. landelijke bouwstijl. Aldus bv. het huis 27,28 en 32, aangeduid op het plan bij de aanvraag gevoegd. Deze woningen liggen vooral aan de overkant van de straat en tellen dus niet meer voor de beoordeling van de opvulregel. C in de boszone is er enkel de woning van verzoeker Ongena -De Bats, (een verbouwd hoevetje), de woning van zijn buurman en een soort week-endhuisje. Voor het overige is gans dat bosgebied, bij benadering 20 hectare inderdaad bos. De recreatiezone een heel eind verder kan niet meespelen voor de beoordeling van de plaatselijke aanleg. Aangezien de huizen 41 en 43 dan nog wettige gebouwde huizen zijn, kan er zeker geen sprake zijn van een ‘structureel aangetaste toestand.’ Twee huizen zijn toch geen ‘structuur’ ? 6. Bovendien kunt U zeer duidelijk merken dat er geenszins sprake is van een ligging binnen een huizengroep aan dezelfde kant van de weg. Het is de rechterlijke macht (de Raad van State) wel toegestaan deze overduidelijke verkeerde beoordeling van een plaatselijke toestand in X-8976-9045-8973-8943-8944-35/48 het licht van de voorwaarden ex art. 23, als een schending in de zin van art. 14 op de wetten Raad van State, te beschouwen. Deze marginale toetsing is wel toegestaan (...).” 6.1.4. In haar eerste toelichtende memorie stelt de tweede tussenkomende partij wat volgt : “III.1. Het eerste middel 1. In een eerste onderdeel roepen de verzoekende partijen de schending in van de artikelen 1 en 2 van de stedebouwwet en van artikel 12 van het K.B. van 28 december 1972 in. Volgens de verzoekende partijen zou de aangevochten akte de gewestplanbestemming ‘bosgebied’ schenden. 2. De verkavelingsvergunning werd evenwel verleend met toestemming van art. 23 van het K.B. van 28 december 1972. Het eerste onderdeel van het eerste middel, op zichzelf genomen, is dan ook kennelijk ongegrond. 3. In de memorie van antwoord werpen de verzoekende partijen voorts op dat het K.B. van 28 december 1972 van een lagere orde is dan de Stedebouwwet en artikel 23 van voormeld K.B. dus geen bij wet bepaalde afwijking ten aanzien van het gewestplan bevat. 4. Deze uitbreiding van het eerste onderdeel van het eerste middel is onontvankelijk, vermits het reeds in het verzoekschrift tot nietigverklaring kon opgeworpen worden. Deze uitbreiding is tevens ongegrond. De in art. 23 van het K.B. van 28 december 1972 bepaalde afwijkingsmogelijkheid is een volwaardig voorschrift van het gewestplan ‘Sint-Niklaas-Lokeren’. Past men deze mogelijkheid toe, dan wijkt men niet af van het gewestplan, maar maakt men slechts gebruik van één der schriftelijke voorschriften van het gewestplan. 5. In een tweede onderdeel roepen de verzoekende partijen de schending van artikel 13 van het K.B. van 28 december 1972 in. De verkaveling bevindt zich evenwel niet in een groengebied. III.3. Het derde middel. 1. Het derde middel is gesteund op de schending van artikel 23 van het K.B. van 28 december 1972. Volgens de verzoekende partijen zou niet voldaan zijn aan de voorwaarden vereist voor de toepassing van voormeld artikel 23. 2. Artikel 23, eerste lid van het K.B. van 28 december 1972, zoals van toepassing op het ogenblik dat de aangevochten akte werd verleend, luidt als volgt: ‘Onverminderd artikel 21 en artikel 6, zijn de navolgende regelen van toepassing in alle gebieden niet zijnde woongebieden, met uitsluiting van de industriegebieden, de ontginningsgebieden, de natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de overstromingsgebieden. 1/ Bij uitzondering kunnen verkavelingen en bouwwerken worden toegestaan, voor zover deze de goede plaatselijke ordening niet schaden en de bestemming van het gebied niet in gevaar brengen, en voor zover de grond op de dag van de inwerkingtreding van het gewestplan of ontwerp-gewestplan gelegen is binnen een huizengroep en aan dezelfde kant van een openbare weg, niet zijnde een aardeweg, en die voldoende uitgerust is, gelet op de plaatselijke toestand. Deze mogelijkheid geldt echter niet voor gronden die langs de grote wegen gelegen zijn, behalve hetzij voor een openbare dienst, hetzij voor X-8976-9045-8973-8943-8944-36/48 het oprichten van installaties en gebouwen in verband met een dienst van een autosnelweg.’ 3. Bij de beoordeling of een perceel in aanmerking komt voor de toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid ten aanzien van de gewestplanbestemmingen, heeft de overheid een zekere mate van discretionaire beslissingsvrijheid. Een aantal niet nader bepaalde begrippen dienen immers ingevuld te worden (huizengroep, het niet schaden van de goede plaatselijke ordening, enz ... ). Terzake komt het de Raad van State slechts toe na te gaan of de overheid binnen de grenzen van de discretionaire beoordeling is gebleven, en niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld. 4. De verkaveling werd vergund bij M.B. van 3 september 1992, waarbij als motivering onder meer werd aangevoerd: ‘... dat volgens de Toelichting bij het koninklijk besluit van 28 december 1972 (Belgisch Staatsblad van 10 februari 1973), inzonder de opvulregel - artikel 23 §1 van voornoemd besluit - de uitzonderingsmaatregel in bepaalde gevallen toepasselijk is voor hoekpercelen; dat onderhavig bijzonder geval, configuratie 23.9 waarnaar appellant verwijst toepasselijk is gezien de voorgestelde situatie; dat overigens de vergunde woningen nrs. 27 en 41 dateren van voor het gewestplan; dat rekening houdende met de plaatselijk struktureel aangetaste toestand het beroep dient ingewilligd,’ Volgens de verzoekers zou in casu de goede ruimtelijke ordening geschonden zijn en zou de bestemming in het gedrang worden gebracht. Evenmin zou er sprake zijn van een huizengroep of van een hoekperceel. 5. De verkaveling bevindt zich op, naar de verzoekende partijen stellen, 40 meter van woning nr. 41. Anderzijds bevindt woning nr. 27 zich op circa 60 meter van de verkaveling. Projecteert men een huis midden in de verkaveling zijn de afstanden ten aanzien van de zijgevels van de woningen nr. 27 en 41 respectievelijk 69,54 en 70 meter. De woningen nrs. 27 en 41 zijn niet de enige gebouwen langs dezelfde kant van de Polkenstraat. Zoals uit de verkavelingsaanvraag (onder meer het ‘occupatieplan’ en het liggingsplan) kan worden vastgesteld dat er zich nog talrijke woningen voorbij nr. 27 bevinden en dat woning nr. 41 deel uitmaakt van een groep van drie gebouwen. Op het eerste gezicht kan dus niet gesteld worden dat de opvulregel niet zou kunnen of niet mocht toegepast worden voor het verlenen van de verkavelingsvergunning. Dit geldt des te meer nu de afstandbeperking tot 70 meter in casu niet gold, vermits deze in het K.B. van 13 december 1978 vervatte beperking niet aan een openbaar onderzoek werd onderworpen in het betrokken gewestplangebied. In de administratieve toelichting bij het K.B. van 28 december 1972 wordt, onder figuur 9, een gelijkaardig toepassingsgeval beschreven. Het feit dat deze toelichting niet in het staatsblad zou gepubliceerd zijn doet daar niets aan af. Het gebrek aan publicatie verhindert inderdaad niet dat de verkavelingsaanvrager en de tot tussenkomst verzoekende partij er zich op kunnen beroepen. Het al dan niet gepubliceerd zijn van de toelichting is trouwens niet relevant: de tekst van art. 23 van het K.B. van 28 december 1972 verhindert niet dat de opvulregel op een hoekperceel of in een straatbocht wordt toegepast. De Polkenstraat is zonder twijfel een voldoende uitgeruste weg, niet zijnde een aardeweg. Alle nutsvoorzieningen zijn er aanwezig. Uitgaande van deze gegevens kan niet gesteld worden dat de overheid kennelijk onredelijk handelde waar gesteld werd dat het perceel zich binnen een huizengroep bevond. X-8976-9045-8973-8943-8944-37/48 Evenmin kan gesteld wordt dat deze verkaveling kennelijk de bestemming van het gebied in gevaar brengt. Perceel nr. 651 c bevindt zich, het weze herhaald, aan een uithoek van het bosgebied. Ook de goede plaatselijke aanleg is niet kennelijk geschaad. Naast de voormelde bestaande woningen langs beide richtingen aan dezelfde kant van de Polkenstraat, zijn er inderdaad talrijke woningen aan de overzijde van de Polkenstraat ingeplant. Artikel 23 van het K.B. van 23 december 1972 sluit evenmin uit dat de afwijkingsmogelijkheid wordt toegepast op een hoekperceel. En men kan niet ernstig stellen dat perceel nr. 651 c, dat in een bocht van 90 graden ligt, niet als een hoekperceel zou kunnen beschouwd worden”. 6.1.5. In zijn aanvullende memorie volgend op het aanvullend administratief dossier zet de eerste verzoeker het volgende uiteen : “1. Het administratief dossier geeft een beter zicht op de totstandkoming van de beslissing. Het blijkt nu nl. dat de minister zich wel degelijk heeft gesteund op een advies van het hoofdbestuur van A.R.O.L., dd. 5 aug. 1992, (...). Dit vermeldt: ‘Kwestieus verkavelingsontwerp ligt volgens het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren in een bosgebied en is derhalve strijdig met de bepalingen van art. 12 van het K.B. 28 december 1972.’ ‘2) De opvullingsregel is van toepassing. ‘Belanghebbende verwijst naar figuur 23.9 van de ‘Toelichting bij het K.B. van 28 december 1972 (B.S. 10 februari 1973), inzonder de opvulregel voor hoekpercelen. Gelet op de overigens vergunde woningen nrs. 27 en 41, daterend van voor het gewestplan, rekening houdend met de afstanden van ca. 70 m. en de structureel aangetaste toestand aldaar kan de opvullingsregel worden toegestaan.’ Dit advies wordt bijna letterlijk overgenomen in de bestreden beslissing. 2. Dit stuk heeft belang voor het derde middel ( schending van art. 23 K.B. 28 dec. 1972). Immers, die bepaling voorziet dat de bestemming van een gebied niet in gevaar mag gebracht worden. ----- Welnu, de adviserende administratie zegt uitdrukkelijk dat het ontwerp strijdig is met de bestemming. Een voorwaarde van art. 23 is daarmee niet vervuld. ----- Ook begaat de administratie dezelfde dwaling door zich te steunen op een toelichting die niet in het B.S. van 10 febr. 1973 is verschenen. Het betreft hier een verwijzing naar een omzendbrief van 3 aug. 1979, die niet in het B.S. verscheen. ----- Die 70 meter is ook absoluut onjuist (...). ----- Van een structureel aangetaste toestand kan ook geen sprake zijn, als er over bijna 200 m. de weg volgend, geen huizen staan. Het derde middel is dus absoluut gegrond”. In zijn laatste memorie stelt de eerste verzoeker nog wat volgt: “VII. De middelen tot vernietiging. Verzoekers verwijzen naar het verslag van de auditeur en de overige procedurestukken; Wel vragen verzoekers dat zoals in de (verworpen) tweede aanvullende memorie reeds was gesteld, zonodig art. 23 van het K.B. 28 dec. 1972 X-8976-9045-8973-8943-8944-38/48 onverbindend te verklaren op grond van art. 159 G.W. Deze bepaling is namelijk totstandgekomen met schending van art. 67 van de vroegere Grondwet en van art. 2 Stedebouwwet. Volgens die bepaling kon enkel van het gewestplan afgeweken worden in de gevallen en vormen door de stedebouwwet bepaald. Het K.B. van 28 december 1972 is niet de ‘stedebouwwet’. Het K.B. 28/12/72 is op dit punt veel meer geweest dan een louter uitvoeringsbesluit. Zodat het behept was met bevoegdheidsoverschrijding. Intussen is art 23 van dit KB wel formeel uit het rechtsverkeer genomen. Zie besluit Vlaamse Regering 15 september ’93”. 6.2. Beoordeling 6.2.1. Er is aanleiding om het eerste en het derde middel samen te behandelen. 6.2.2. Het kwestieuze perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint- Niklaas - Lokeren gelegen in bosgebied. Het tweede onderdeel van het eerste middel mist bijgevolg feitelijke grondslag. 6.2.3. In haar laatste memorie werpt de tweede tussenkomende partij het volgende op : “
  1. c)+
  2. d)Tweede tussenkomende partij roept de niet-tegenstelbaarheid in van het gewestplan en de onwettigheid van de gewestplanbestemming. Het komt de Raad toe de aldus aangetoonde excepties ex artikel 159 van de Grondwet, die de openbare orde raakt, te onderzoeken. 1. Artikel 159 van de Grondwet houdt een verplichting in, dit wil zeggen dat de rechter de toepassing van een onwettige bestuurshandeling moet weigeren. Genoemd grondwetsartikel heeft voor de rechter een imperatieve draagwijdte, in zoverre zelfs dat de rechter verplicht is om, ‘zelfs bij het ontbreken van enige door partijen opgeworpen exceptie van onwettigheid, ambtshalve de wettigheid na te gaan van de bestuurshandelingen die hij beoogt toe te passen’ (...). ‘Ook de administratieve rechtscolleges, hieronder begrepen de Raad van State, zijn ertoe gebonden de toepassing van een onwettige bestuurshandeling te weigeren naar aanleiding van een exceptie van onwettigheid (...). Dit is vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie (...) en van de Raad van State (...), die de exceptie zelfs ambtshalve dient op te werpen (...). Het ambtshalve karakter van de onwettigheidsexceptie wordt door de rechtsleer bijgetreden (...). 2. De onwettigheid van normatieve administratieve handelingen kan steeds op grond van artikel 159 Grondwet voor de Raad van State opgeworpen worden (...). 3. De in casu opgeworpen exceptie betreft het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren, hetzij een normatieve administratieve handeling (artikel 2 Stedebouwwet). X-8976-9045-8973-8943-8944-39/48 4. Het standpunt uiteengezet in het Auditoraatsverslag, met name dat niet zou moeten onderzocht worden wat ter adstructie van de exceptie in latere memories wordt aangevoerd, staat haaks op de hoger aangehaalde rechtspraak en rechtsleer met betrekking tot het ambtshalve karakter van de exceptie, hetgeen meebrengt dat de exceptie kan aangevoerd worden in elke stand van het geding en zelfs door de rechter zelf, hetgeen zelfs een imperatieve verplichting is. Mocht de Raad in onderhavige zaak het standpunt volgen dat geen rekening zou mogen gehouden worden met wat - over dezelfde exceptie - ter adstructie wordt aangevoerd in latere memories, dan is dit niet bestaanbaar met het rechtskarakter van de exceptie en is dit tegenstrijdig met de toelating, verleend door de Raad, om de tussenkomst verder toe te lichten. 5. In het arrest nr. 58.935 wordt gesteld dat wanneer de exceptie van onwettigheid van een gewestplan niet in het verzoekschrift tot tussenkomst wordt ontwikkeld, de partijen voor de rest van het proces geacht worden het gewestplan wettig te bevinden. Allereerst moet opgemerkt worden dat het niet aan de partijen toekomt het gewestplan wettig te bevinden. Artikel 159 van de Grondwet richt zich tot de rechter, niet tot het actief bestuur of tot de partijen. Hoewel dit niet met zoveel woorden gezegd wordt, wordt in het arrest nr. 58.935 blijkbaar toepassing gemaakt van artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Deze bepaling luidt als volgt : ‘De tussenkomende partij kan ter ondersteuning van het verzoek geen andere middelen aanvoeren dan die welk in het inleidend verzoekschrift zijn uiteengezet’. Zou het niet deze regel zijn die in voornoemd arrest werd toegepast, dan ziet de tussenkomende partij niet goed in welke regel het zou kunnen zijn. Temeer daar de Raad zoals iedere rechter geen uitspraak mag doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking (artikel 6 Ger.W.). Volgende vraag dient te worden gesteld aan het Arbitragehof : ‘Schendt artikel 21bis, §1, lid 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie, neergelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de tussenkomende partij ter verdere ondersteuning van het verzoek tot tussenkomst geen andere middelen mag aanvoeren dan die welke in het inleidend verzoekschrift zijn uiteengezet en dat dit ook geldt voor de onwettigheidsexceptie overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet, terwijl zulke beperking niet geldt voor de verzoekende of de verwerende partij en ook niet voor het auditoraat. Dat aldus de rechten van verdediging van de tussenkomende partij ernstig beknot worden, zodat de tussenkomende partij in strijd met artikel 13 van de Grondwet wordt afgetrokken van de rechter die haar door artikel 159 van de Grondwet wordt toegekend Dat dit des te meer klemt nu de Raad bij gebreke aan door de tussenkomende partij in het verzoek tot tussenkomst geformuleerde exceptie zelf niet over gaat tot onderzoek van de wettigheid van het gewestplan ook al richt artikel 159 zich tot de rechter en niet tot de partijen. Dat bovendien niets belet dat de verzoekende partij een exceptie artikel 15 GW opwerpt in een memorie van wederantwoord of in de laatste memorie. Dat dergelijke exceptie inderdaad een uitbreiding kan leveren op wat gesteld wordt in de memorie van antwoord of in het auditoraatsverslag’. 6. In elk geval is het zo dat aan verzoekende partij wel wordt toegelaten in de loop van het geding allerhande memories neer te leggen, die niet worden voorzien in de wetgeving op de Raad van State. Aan tussenkomende partij wordt echter geen enkele mogelijkheid gegeven om bijkomend nog argumenten te ontwikkelen. Aldus worden de rechten van verdediging niet in gelijke mate op alle partijen toepasselijk gemaakt. Indien aan tussenkomende partij niet de mogelijkheid wordt gegeven om in latere procedurestukken argumenten van openbare orde te ontwikkelen, dan X-8976-9045-8973-8943-8944-40/48 moet ook aan de andere partijen de mogelijkheid ontzegd worden om nog bijkomende en niet voorziene memories neer te leggen. Deze memories moeten dan ook uit de debatten geweerd worden. Aan verzoekende partij wordt de mogelijkheid gegeven een aanvullende memorie op te stellen in navolging van de neerlegging van een aanvullende administratief dossier (...). Verzoekende partijen maken echter van dit gebruik om nog een uitgebreide memorie neer te leggen, waarin een hele argumentatie wordt uiteengezet, die niets te maken had met het aanvullende administratief dossier. Dit wordt blijkbaar hoogluikend toegelaten in het Auditoraatsverslag. Aldus worden de rechten van verdediging echter op een ongelijke wijze toegepast. Tweede verzoekende partij heeft in elk geval tijdig de excepties opgeworpen. (...)”. 6.2.4. De exceptie ex artikel 159 van de Grondwet raakt slechts de openbare orde, wanneer de aangevoerde geschonden norm de openbare orde raakt. De tweede tussenkomende partij toont niet aan dat de aangevoerde niet-tegenstelbaarheid en onwettigheid de openbare orde raken. Bovendien voert die partij die excepties voor het eerst aan in haar tweede toelichtende memorie, die evenwel, wegens niet-ontvankelijkheid ervan, uit de debatten werd geweerd. Deze nieuwe excepties kunnen door die tussenkomende partij, ook wanneer zij de openbare orde zouden raken, niet voor het eerst in de -overigens toentertijd niet procedureel voorziene- laatste memorie worden opgeworpen. Dergelijke handelwijze is immers dilatoir en schendt de rechten van verdediging van de andere partijen en het beginsel van de wapengelijkheid en is derhalve in strijd met de regels van een behoorlijke procesvoering. Het gaat proceseconomisch niet op, op het einde van de rit, de afhandeling van de zaak uit te stellen en de auditeur-verslaggever op te dragen een aanvullend onderzoek en verslag aan de nieuwe excepties te wijden, en de partijen toe te laten hier schriftelijk op te reageren, wanneer dit kon vermeden worden. In tegenstelling tot wat de tweede tussenkomende partij beweert, is deze verwerping van de voormelde excepties dus geenszins gebaseerd op artikel 21bis, § 1, lid 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Hieruit volgt dat het uitgangspunt van de tweede tussenkomende partij, waarop zij haar verzoek steunt om het Grondwettelijk Hof met een prejudiciële vraag te adiëren, niet correct is. Er is dan ook geen reden om deze aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen. X-8976-9045-8973-8943-8944-41/48 De tweede tussenkomende partij kan evenmin gevolgd worden waar zij stelt dat “de rechten van verdediging (...) op een ongelijke wijze (worden) toegepast”omdat aan de verzoekende partij “wordt (...) toegelaten” om in navolging van het aanvullend administratief dossier “een uitgebreide memorie neer te leggen, waarin een hele argumentatie wordt uiteengezet, die niets te maken had met het aanvullende administratief dossier”. Deze aanvullende memorie van de verzoekende partij werd immers, in de mate zij meer was dan een inhoudelijke reactie op het aanvullend administratief dossier, uit de debatten geweerd. 6.2.5. Artikel 12, 4.2. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (hierna: het Inrichtingsbesluit) luidt als volgt : “De bosgebieden zijn de beboste of de te bebossen gebieden, bestemd voor het bosbedrijf. Daarin zijn gebouwen toegelaten, noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen, evenals jagers- en vissershutten, op voorwaarde dat deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk. De overschakeling naar agrarisch gebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden”. 6.2.6. Artikel 23, 1/ van het Inrichtingsbesluit, zoals van toepassing op het ogenblik van het bestreden besluit, luidt als volgt : “Onverminderd artikel 21 en artikel 6, zijn de navolgende regelen van toepassing in alle gebieden niet zijnde woongebieden, met uitsluiting van de industriegebieden, de ontginningsgebieden, de natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de overstromingsgebieden. 1/ Bij uitzondering kunnen verkavelingen en bouwwerken worden toegestaan, voor zover deze de goede plaatselijke ordening niet schaden en de bestemming van het gebied niet in gevaar brengen, en voor zover de grond op de dag van de inwerkingtreding van het gewestplan of ontwerp-gewestplan gelegen is binnen een huizengroep en aan dezelfde kant van een openbare weg, niet zijnde een aardeweg, en die voldoende uitgerust is, gelet op de plaatselijke toestand. (...)”. 6.2.7. Het wordt niet betwist dat de kwestieuze verkaveling op zich strijdig is met de bestemming bosgebied. Het dient derhalve te worden onderzocht of terecht toepassing werd gemaakt van artikel 23, 1/ van het Inrichtingsbesluit. 6.2.8. Het bestreden besluit geeft duidelijk de determinerende motieven aan op grond waarvan de gevraagde verkavelingsvergunning wordt verleend. Deze motivering luidt als volgt : X-8976-9045-8973-8943-8944-42/48 “Overwegende dat luidens artikel 23 § 1 van het bovenvernoemd koninklijk besluit van 28 december 1972 bij uitzondering verkavelingen en bouwwerken kunnen worden toegestaan, voor zover deze de goede plaatselijke aanleg niet schaden en de bestemming van het gebied niet in gevaar brengen, en voor zover de grond op de dag van de inwerkingtreding van het gewestplan of ontwerp- gewestplan gelegen is binnen een huizengroep aan dezelfde kant van een openbare weg, niet zijnde een aardeweg, en die voldoende is uitgerust, gelet op de plaatselijke toestand; dat volgens de Toelichting bij het koninklijk besluit van 28 december 1972 (Belgisch Staatsblad van 10 februari 1973), inzonder de opvulregel- artikel 23 § 1 van voornoemd besluit- de uitzonderingsmaatregel in bepaalde gevallen toepasselijk is voor hoekpercelen; dat onderhavig bijzonder geval, configuratie 23.9 waarnaar appellant verwijst toepasselijk is gezien de voorgestelde situatie; dat overigens de vergunde woningen nrs 27 en 41 dateren van vóór het gewestplan; dat rekening houdend met de plaatselijk struktureel aangetaste toestand het beroep dient ingewilligd”. 6.2.9. Daargelaten de vraag of het kwestieuze perceel al dan niet een hoekperceel betreft, wat geenszins wordt aangetoond, dient te worden vastgesteld dat in het bestreden besluit niet dienstig kon worden verwezen naar de toelichting van 3 augustus 1979 bij het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, nu deze, overigens niet bekendgemaakte, toelichting geen enkele verordenende kracht bezit, doch enkel de waarde heeft van een voorlopig standpunt van het bestuur ten aanzien van de betekenis of de draagwijdte van reglementaire bepalingen. De rechter is niet door dat standpunt gebonden. Het toentertijd geldende artikel 23, 1/ van het Inrichtingsbesluit was een uitzonderingsbepaling die toeliet, onder welbepaalde voorwaarden, af te wijken van de gewestplanbestemming. Die bepaling dient om deze reden restrictief te worden geïnterpreteerd. De tekst zelf van het Inrichtingsbesluit houdt nergens een specifieke regeling in voor hoekpercelen. Hij laat niet toe te stellen, zoals het bestreden besluit impliciet doch zeker doet, dat, wanneer het kwestieuze perceel een hoekperceel is, de voorwaarde van het gelegen zijn in een huizengroep niet zou gelden. Het eerste motief, met name “dat volgens de Toelichting bij het koninklijk besluit van 28 december 1972 (...) artikel 23, 1/ van voornoemd besluit (...) in bepaalde gevallen toepasselijk is voor hoekpercelen”, is derhalve geen wettig motief. Daargelaten de vraag of de aanwezigheid van een drietal huizen reeds een “structureel aangetaste toestand” uitmaakt, kan de aanwezigheid van bestaande bebouwing in de onmiddellijke omgeving van het betrokken perceel niet met goed gevolg worden aangevoerd om de verdere aantasting van het bosgebied, in strijd met de gewestplanbestemming, te rechtvaardigen. De door het gewestplan X-8976-9045-8973-8943-8944-43/48 aan een bepaald gebied gegeven bestemming is immers evenzeer op de toekomst gericht. Het tweede motief is derhalve evenmin een wettig motief. Aldus werd in het bestreden besluit ten onrechte toepassing gemaakt van artikel 23, 1/ van voormeld Inrichtingsbesluit. Het derde middel is gegrond. 6.2.10. Om de redenen hoger vermeld, heeft de vernietiging van het oorspronkelijke bestreden besluit tevens de vernietiging van de wijzigende verkavelingsvergunning van 5 juli 1993 tot gevolg. 7. De onontvankelijkheid van het beroep in de zaak A. 55.532 Tengevolge van de vernietiging van de bestreden beslissing in de zaak A. 51.663 is het beroep zonder voorwerp geworden. 8. De gegrondheid in de zaak A. 53.110 In het tweede middel roept de verzoeker de onwettigheid van de verkavelingsvergunning in. Hierboven werd die verkavelingsvergunning onwettig bevonden, hetgeen leidt tot de vernietiging ervan. Derhalve zijn de bouwvergunning en de kapvergunning, die uitsluitend gesteund zijn op die verkavelingsvergunning, eveneens onwettig. 9. De onontvankelijkheid in de zaak A. 55.557 Tengevolge van de vernietiging van de bestreden beslissingen in de zaak A. 53.110 is het beroep zonder voorwerp geworden. 10. De gegrondheid in de zaak A. 58.048 In het tweede middel roept de eerste verzoeker de onwettigheid van de verkavelingsvergunning in. Hierboven werd die verkavelingsvergunning onwettig bevonden, hetgeen leidt tot de vernietiging ervan. Derhalve is de bouwvergunning, die uitsluitend gesteund is op die verkavelingsvergunning, eveneens onwettig. X-8976-9045-8973-8943-8944-44/48 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De zaken A.51.663/X-8976, A.55.532/X-9045, A.53.110/X-8973, A.55.557/X-8943 en A.58.048/X-8944 worden gevoegd. Artikel 2. De verzoeken tot tussenkomst van Patrick JANSSENS- VAN DE VIJVER in de zaken A. 51.663 en A. 55.557 worden afgewezen. Artikel 3. De afstand in hoofde van de tweede verzoeker in de zaak A. 58.048 wordt vastgesteld. Artikel 4. De vordering tot het opleggen van een dwangsom in de zaak A. 58.048 wordt verworpen. Artikel 5. Vernietigd worden : 1. het besluit van 3 september 1992 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, waarbij het beroep, ingesteld door de heer P. Eggermont in naam van G. Dhollander tegen de beslissing van 20 februari 1992 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende weigering van de verkavelingsvergunning voor een perceel gelegen aan de Polkenstraat te Stekene, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/c, wordt ingewilligd en de verkavelingsvergunning wordt verleend, 2. het besluit van 5 juli 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan Johan KOPPEN de vergunning wordt verleend tot wijziging van de verkaveling van 2 december 1991 (lees: 3 september 1992) X-8976-9045-8973-8943-8944-45/48 voor de “gewijzigde inplanting en bouwwijze, conform de overgemaakte plans, voor lot 1”, 3. de beslissing van 5 juli 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan de heer en mevrouw Koppen-Vercruysse de vergunning wordt verleend voor het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/c, 4. de beslissing van 19 juli 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan de heer Koppen de vergunning wordt verleend voor het kappen van bomen voor de aanleg van een oprit en het bouwrijp maken van een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/c, en 5. de beslissing van 2 april 1994 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan de heer en mevrouw Van Kerckhoven- Peerlinck de vergunning wordt verleend voor het bouwen van een woning/villa op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/c (deel)”. Artikel 6. Het beroep in de zaak A. 51.663 wordt verworpen in hoofde van de tweede verzoekende partij. Het beroep in de zaak A. 58.048 wordt verworpen in hoofde van de derde verzoekende partij. Artikel 7. De beroepen in de zaken A. 55.532 en 55.557 worden verworpen. Artikel 8. De kosten van het beroep in de zaak A. 51.663, bepaald op 198,32 euro, komen voor de helft ten laste van de verwerende partij, en voor de helft ten laste van de tweede verzoekende partij. De kosten van de tussenkomsten in de zaak A. 51.663, bepaald op 148,74 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. X-8976-9045-8973-8943-8944-46/48 De kosten van het beroep in de zaak A. 55.532, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst in de zaak A. 55.532, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. De kosten van het beroep in de zaak A. 53.110, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst in de zaak A. 53.110, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. De kosten van het beroep in de zaak A. 55.557, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomsten in de zaak A. 55.557, bepaald op 148,74 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. De kosten van het beroep in de zaak A. 58.048, bepaald op 297,48 euro, komen ten belope van 99,16 euro ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft, en ten belope van 198,32 euro ten laste van de tweede en derde verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst in de zaak A. 58.048, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-8976-9045-8973-8943-8944-47/48 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, de H. P. LEFRANC, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van Mevr. Ch. BAMPS, wettelijk verhinderd na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8976-9045-8973-8943-8944-48/48 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.260 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.