id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.261 Rolnummer: Zaak: Arrest 184261 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-04 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:13 Fiche Arrest nr 184.261 van 17 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging Afstand Tussenkomst geweigerd Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.261 van 17 juni 2008 in de zaak A. 53.511/X-9067. (I) A. 55.682/X-9034. (II) A. 55.859/X-9046. (III) A. 58.281/X-6414. (IV) A. 64.442/X-6415. (V) I. In zake : 1. Karel ONGENA, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301, 2. de v.z.w. AKTIEKOMITEE TER BEVEILIGING VAN HET LEEFMILIEU OP DE LINKEROEVER, p/a. E. ROMBAUT, 9170 SINT-GILLIS-WAAS, Stationstraat 126 tegen : 1. de gemeente STEKENE, die woonplaats kiest bij advocaat M. STERCK, kantoor houdende te 9190 STEKENE, Stadionstraat 30, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partij : de n.v. GEORGES DHOLLANDER, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187. II. In zake : 1. Karel ONGENA, 2. Patrick JANSSENS - VAN DE VIJVER, 3. de v.z.w. ACTIECOMITE VOOR DE BEVEILIGING VAN HET LEEFMILIEU LINKEROEVER, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 X-9067-9034-9046-6414-6415-1/36 tegen : 1. de gemeente STEKENE, die woonplaats kiest bij advocaat M. STERCK, kantoor houdende te 9190 STEKENE, Stadionstraat 30, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partijen : 1. de n.v. GEORGES DHOLLANDER, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187, 2. Peter DE SAEGHER, 3. Karin FERKET, die woonplaats kiezen bij advocaat R. VERHOFSTE, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Pr. Jos. Charlottelaan 106. III. In zake : de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : 1. de gemeente STEKENE, die woonplaats kiest bij advocaat M. STERCK, kantoor houdende te 9190 STEKENE, Stadionstraat 30, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partijen : 1. de n.v. GEORGES DHOLLANDER, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187, X-9067-9034-9046-6414-6415-2/36 2. Peter DE SAEGHER, 3. Karin FERKET, die woonplaats kiezen bij advocaat R. VERHOFSTE, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Pr. Jos. Charlottelaan 106, 4. Wim VERSTRAETEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187. IV. In zake : 1. Karel ONGENA, 2. Patrick JANSSENS, 3. de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : 1. de gemeente STEKENE, die woonplaats kiest bij advocaat M. STERCK, kantoor houdende te 9190 STEKENE, Stadionstraat 30, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partij : de n.v. GEORGES DHOLLANDER, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187. V. In zake : 1. de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, 2. Marielle VAN DE VYVER, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 X-9067-9034-9046-6414-6415-3/36 tegen : 1. de gemeente STEKENE die woonplaats kiest bij advocaat M. STERCK, kantoor houdende te 9190 STEKENE, Stadionstraat 30, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. TAELMAN, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partijen : 1. Peter DE SAEGHER, 2. Karin FERKET, die woonplaats kiezen bij advocaat R. VERHOFSTE, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Pr. Jos. Charlottelaan 106. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Karel ONGENA en de v.z.w. AKTIEKOMITEE TER BEVEILIGING VAN HET LEEFMILIEU OP DE LINKEROEVER op 2 september 1993 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 juni 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan Heinrich Klaus de vergunning wordt afgegeven voor het verkavelen van een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/b; (zaak I. A.53.511) Gezien het verzoekschrift dat Karel ONGENA, Patrick JANSSENS - VAN DE VIJVER en de v.z.w. ACTIECOMITE VOOR DE BEVEILIGING VAN HET LEEFMILIEU LINKEROEVER op 10 januari 1994 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1. het besluit van 28 augustus 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan Kris Keymeulen de vergunning wordt verleend voor het kappen van bomen voor de aanleg van een oprit en het bouwrijp maken van een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/b, en 2. het besluit van 4 oktober 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan Peter De Saegher - Ferket de vergunning X-9067-9034-9046-6414-6415-4/36 wordt verleend voor het rooien van bomen ten behoeve van het inplanten van een woning en het verwijderen van struiken op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/b (deel); (zaak II. A.55.682) Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, op 20 januari 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van dezelfde besluiten sub I en II; (zaak III. A.55.859) Gezien het verzoekschrift dat Karel ONGENA, Patrick JANSSENS en de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, op 4 juni 1994 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: 1. het besluit van 2 april 1994 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan Kris Keymeulen de vergunning wordt verleend voor het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/b (deel), en 2. “impliciet (...) het daarin vermelde besluit van de gemachtigde ambtenaar van 22 maart ‘94 wijzigend de verkavelingsvergunning 7 juni 1993”, en waarbij zij vragen “een dwangsom van 50.000 fr. per dag te koppelen aan het desgevallend tussen te komen arrest van schorsing, zulks per dag dat de eigenaars of enige andere verwerende of tussenkomende partij, het arrest zou schenden, in afwachting van een uitspraak tot vernietiging van dezelfde vergunning”; (zaak IV. A.58.281) Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, en Marielle VAN DE VYVER op 11 juli 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : 1. het besluit van 28 maart 1995 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan Peter De Saegher de vergunning wordt verleend voor het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/b (deel), en 2. “de beslissing van 16 maart 1995 van de gemachtigde ambtenaar van het bestuur Stedebouw en Ruimtelijke Ordening, op voorstel van de gemeente Stekene en waarbij de verkavelingsvergunning van 7 juni ’93 werd gewijzigd”; (zaak V. A.64.442) X-9067-9034-9046-6414-6415-5/36 Gelet op het arrest nr. 52.610 van 30 maart 1995 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen in de zaak sub II; Gelet op het arrest nr. 53.059 van 27 april 1995 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen in de zaak sub III; Gelet op het arrest nr. 59.642 van 14 mei 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen in de zaak sub IV; Gelet op het arrest nr. 59.641 van 14 mei 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen in de zaak sub V; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 9 maart 1994 ingediend door de n.v. GEORGES DHOLLANDER in de zaak sub I; Gelet op de beschikking van 5 april 1994 die de tussenkomst van de n.v. GEORGES DHOLLANDER toelaat in de zaak sub I; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 8 december 1995 ingediend door Peter DE SAEGHER en Karin FERKET in de zaak sub II; Gelet op de beschikking van 13 december 1995 die de tussenkomst van Peter DE SAEGHER en Karin FERKET toelaat in de zaak sub II; Gezien het verzoek tot tussenkomst, op 9 maart 1994 ingediend door de n.v. GEORGES DHOLLANDER in de zaak sub II; Gelet op de beschikking van 30 oktober 1995 die de tussenkomst van de n.v. GEORGES DHOLLANDER toelaat in de zaak sub II; Gezien het verzoek tot tussenkomst, op 9 maart 1994 ingediend door de n.v. GEORGES DHOLLANDER in de zaak sub III; X-9067-9034-9046-6414-6415-6/36 Gelet op de beschikking van 11 augustus 1995 die de tussenkomst van de n.v. GEORGES DHOLLANDER toelaat in de zaak sub III; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 2 oktober 1995 ingediend door Peter DE SAEGHER en Karin FERKET in de zaak sub III; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 24 oktober 1995 ingediend door Wim VERSTRAETEN in de zaak sub III; Gelet op de beschikking van 24 november 1995 die de tussenkomst van Peter DE SAEGHER, Karin FERKET en Wim VERSTRAETEN toelaat in de zaak sub III; Gezien het verzoek tot tussenkomst, op 7 april 1995 ingediend door de n.v. GEORGES DHOLLANDER in de zaak sub IV; Gelet op de beschikking van 19 juli 1996 die de tussenkomst van de n.v. GEORGES DHOLLANDER toelaat in de zaak sub IV; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 30 oktober 1996 ingediend door Peter DE SAEGHER en Karin FERKET in de zaak sub V; Gelet op de beschikking van 7 november 1996 die de tussenkomst van Peter DE SAEGHER en Karin FERKET toelaat in de zaak sub V; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in alle zaken; Gezien de verslagen opgemaakt door adjunct-auditeur W. WEYMEERSCH in alle zaken; Gelet op de beschikkingen van 15 juli 1999 en 4 augustus 1999 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen in de zaken sub II, III, IV en V; X-9067-9034-9046-6414-6415-7/36 Gezien de laatste memorie van de eerste verwerende partij in alle zaken; Gelet op de beschikkingen van 11, 12, 13 en 14 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS in alle zaken; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor het Vlaamse Gewest, van advcoaat M. STERCK, die verschijnt voor de gemeente STEKENE, van advcoaat J. GHYSELS, die verschijnt voor de n.v. GEORGES DHOLLANDER en Wim VERSTRAETEN, en van advocaat R. VERHOFSTE die verschijnt voor Peter DE SAEGHER en Karin FERKET; Gehoord het gedeeltelijk eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De samenvoeging De beroepen zijn dermate verknocht dat het in het raam van een goede rechtsbedeling past de zaken samen te voegen. 2. De rechtspleging 2.1. De rechtspleging in de zaak A. 53.511 2.1.1. Tussenkomst Met een verzoekschrift van 9 maart 1994 heeft de n.v. GEORGES DHOLLANDER gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. X-9067-9034-9046-6414-6415-8/36 Overeenkomstig artikel 21bis, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak er in tussenkomen. Nu de verzoeker tot tussenkomst geen eigenaar meer is van het kwestieuze perceel, getuigt hij niet meer van het rechtens vereiste belang om in het geding tussen te komen. Het verzoek tot tussenkomst moet bijgevolg worden afgewezen. 2.1.2. Afstand In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep in hoofde van de tweede verzoekende partij voorgesteld. De hoofdgriffier heeft bij de kennisgeving van het auditoraatsverslag aan de tweede verzoekende partij melding gemaakt van artikel 21, zesde lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14quater, § 1 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De tweede verzoekende partij heeft binnen de termijn van dertig dagen, bepaald in voornoemd artikel 21, zesde lid, geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. Krachtens die wetsbepaling geldt te haren aanzien een vermoeden van afstand van het geding. 2.2. De rechtspleging in de zaak A. 55.682 2.2.1. Tussenkomst Met een verzoekschrift van 9 maart 1994 heeft de n.v. GEORGES DHOLLANDER gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Overeenkomstig artikel 21bis, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak er in tussenkomen. Nu de verzoeker tot tussenkomst geen eigenaar meer is van het kwestieuze perceel, getuigt hij niet meer van het rechtens vereiste belang om in het geding tussen te komen. Het verzoek tot tussenkomst moet bijgevolg worden afgewezen. X-9067-9034-9046-6414-6415-9/36 2.2.2. Afstand Met een brief van 19 oktober 2007 doet de tweede verzoeker afstand van het geding. 2.3. De rechtspleging in de zaak A. 55.859 2.3.1. Met een verzoekschrift van 9 maart 1994 heeft de n.v. GEORGES DHOLLANDER gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Overeenkomstig artikel 21bis, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak er in tussenkomen. Nu de verzoeker tot tussenkomst geen eigenaar meer is van de kwestieuze percelen, getuigt hij niet meer van het rechtens vereiste belang om in onderhavig geding tussen te komen. Het verzoek tot tussenkomst moet bijgevolg worden afgewezen. 2.3.2. Met een verzoekschrift van 24 oktober 1995 heeft Wim VERSTRAETEN gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Overeenkomstig artikel 21bis, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak er in tussenkomen. Nu de verzoeker tot tussenkomst geen eigenaar is van de kwestieuze percelen, getuigt hij niet van het rechtens vereiste belang om in onderhavig geding tussen te komen. Het verzoek tot tussenkomst moet bijgevolg worden afgewezen. 2.4. De rechtspleging in de zaak A.58.281 2.4.1. Tussenkomst Met een verzoekschrift van 7 april 1995 heeft de n.v. GEORGES DHOLLANDER gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Overeenkomstig artikel 21bis, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen degenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak er in tussenkomen. X-9067-9034-9046-6414-6415-10/36 Nu de verzoeker tot tussenkomst geen eigenaar meer is van het kwestieuze perceel, getuigt hij niet meer van het rechtens vereiste belang om in onderhavig geding tussen te komen. Het verzoek tot tussenkomst moet bijgevolg worden afgewezen. 2.4.2. Afstand Met een brief van 19 oktober 2007 doet de tweede verzoeker afstand van het geding. 2.5. De rechtspleging in de zaak A.64.442 Met een brief van 19 oktober 2007 doet de tweede verzoekster afstand van het geding. 3. De feiten 3.1. Op 2 maart 1993 vraagt notaris Wim Verstraeten aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene een verkavelings- vergunning aan voor een perceel gelegen te Stekene, Polkenstraat, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/b. Het perceel is gelegen in bosgebied (gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 november 1978). Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene brengt een ongunstig pre-advies uit “gezien (
- de)ligging in bosgebied”. Op 12 mei 1993 brengt de gemachtigde ambtenaar een gunstig advies uit “in toepassing van art. 23 § 1 van het K.B. dd. 28.12.1972”. Hij stelt dat “de aanpalende verkaveling rechts is goedgekeurd bij M.B. dd. 3/9/1992”. Op 7 juni 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene de gevraagde verkavelingsvergunning, onder meer overwegende dat “de verkaveling gelegen is binnen een huizengroep; huizen die ontworpen zijn op de nevenliggende verkaveling”. Dit is één van de bestreden beslissingen. (A.53.511/X-9067 en A.55.859/X-9046) 3.2. Op 4 augustus 1993 wordt door Kris Keymeulen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene een aanvraag ingediend strekkende tot “het uitdoen van bomen” voor de aanleg van een oprit en het X-9067-9034-9046-6414-6415-11/36 bouwrijp maken van de grond tot +/- 20m achter de ontworpen woning (voorzien voor tuin). De aanvraag heeft betrekking op lot 2 van de op 7 juni 1993 verleende verkavelingsvergunning. Op 20 augustus 1993 brengt AMINAL - dienst Groen, een gunstig advies uit voor het vellen van de bomen. Op 28 augustus 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene de gevraagde vergunning, onder meer overwegende dat “het betrokken perceel gelegen is binnen de grenzen van een verkaveling waarvoor (...) door het college van burgemeester en schepenen (...), op 07/06/1993 een vergunning is afgegeven”. Dit is één van de bestreden beslissingen. (A.55.859/X-9046 en A.55.682/X-9034) 3.3. Op 9 september 1993 wordt door Peter De Saegher en Karin Ferket bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene een aanvraag ingediend strekkende tot het “rooien van dennen” ten behoeve van het inplanten van een woning met voortuin en het “verwijderen van braamstruiken en verdorde en uitgewaaide dennen”. De aanvraag heeft betrekking op lot 1 van de op 7 juni 1993 verleende verkavelingsvergunning. Op 23 september 1993 brengt AMINAL - dienst Groen, een gunstig advies uit. Er wordt onder meer overwogen dat “het boskarakter van de omgeving de dienst Groen (zou) doen besluiten ongunstig advies uit te brengen” maar dat “uit de inlichtingen bij de technische dienst van uw gemeente evenwel (blijkt) dat volgens de opvulregel, het perceel een bouwperceel geworden is” en dat “in deze omstandigheden de dienst Groen zich niet (verzet) tegen het vellen van de bomen”. Op 4 oktober 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene de gevraagde vergunning, onder meer overwegende dat “het betrokken perceel gelegen is binnen de grenzen van een verkaveling waarvoor (...) door het college van burgemeester en schepenen (...), op 07/06/1993 een vergunning is afgegeven”. Dit is één van de bestreden beslissingen. (A.55.859/X-9046 en A.55.682/X-9034) 3.4. Op 16 december 1993 dient Kris Keymeulen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene een aanvraag in strekkende tot het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/b (deel). Het betreft lot 2 uit de verkaveling vergund op 7 juni 1993. X-9067-9034-9046-6414-6415-12/36 Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene adviseert gunstig. Bovendien wordt een afwijking van de voorschriften van de verkavelingsvergunning voorgesteld aangaande “het verlagen van de minimum gevelhoogte tot 2,65 m i.p.v. 3 m en het verhogen van de maximum gevelhoogte tot 6,40 m en 7,40 m zoals voorgesteld op bijgaand plan i.p.v. 6 m”. Op 22 maart 1994 staat de gemachtigde ambtenaar, in toepassing van artikel 51 van de stedenbouwwet, de gevraagde afwijking toe. Dit is één van de bestreden beslissingen. (A.58.281/X-6414) Op 2 april 1994 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene de gevraagde bouwvergunning. Dit is één van de bestreden beslissingen. (A.58.281/X-6414) 3.5. Op 6 maart 1995 dient Peter De Saegher bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene een aanvraag in strekkende tot het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/b (deel). Het betreft lot 1 uit de verkaveling vergund op 7 juni 1993. Het college van burgemeester en schepenen adviseert gunstig. Tevens wordt een afwijking van de voorschriften van de verkavelingsvergunning voorgesteld. De afwijking heeft betrekking op het vaststellen van de minimum kroonlijsthoogte op 2,20 m. Op 16 maart 1995 staat de gemachtigde ambtenaar, in toepassing van artikel 51 van de stedenbouwwet, de gevraagde afwijking toe. Dit is één van de bestreden beslissingen. (A.64.442/X-6415) Op 28 maart 1995 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene de gevraagde bouwvergunning. Dit is één van de bestreden beslissingen. (A.64.442/X-6415) 4. Het voorwerp van de vordering in de zaak A.58.281 In hun verzoekschrift tot nietigverklaring vorderen de verzoekende partijen niet enkel de nietigverklaring van de beslissingen van 2 april 1994 en van 22 maart 1994, maar vragen zij tevens “een dwangsom van 50.000 fr. per dag te koppelen aan het desgevallend tussen te komen arrest van schorsing, zulks per dag dat de eigenaars of enige andere verwerende of tussenkomende partij, het arrest zou schenden, in afwachting van een uitspraak tot vernietiging van X-9067-9034-9046-6414-6415-13/36 dezelfde vergunning”. Nu deze vordering gekoppeld wordt aan de niet-uitvoering van een kortgeding arrest, is ze ten deze zonder voorwerp. 5. De ontvankelijkheid 5.1. De ontvankelijkheid in de zaak A.55.682 5.1.1.1. De eerste verzoeker omschrijft zijn belang als volgt in het inleidend verzoekschrift : “1. Partij Ongena woont aan dezelfde zijde van de Polkenstraat. Hij woont hier sinds meer dan 10 jaar met zijn echtgenote en bekwam een vergunning voor verbouwing van een bestaande woning (hoevetje). (22 juli 1982) Waar het nieuwe huis nu staat, was voorheen een aardappelveld (geen bos) Naast zijn perceel 652-653 c ligt nog een perceel van 29 m. op 125 m. lang, ook bos, toebehorend aan zijn ouders Ongena - Caentens. Dat perceel is gescheiden door een waterloopje nr. 38, dat ook de grens vormt van de percelen grond die nu aan De Saegher-Ferket en Keymeulen toebehoren. 2. De afstand tussen het erf van Ongena en dat van De Saegher / Keymeulen : - bedraagt 116 m. tussen de dichtste perceelsgrenzen, de weg volgend (die een bocht maakt); - bedraagt 30 meter aan de achtergrenzen (zuiderkant) van beide percelen; (in rechte lijn) - bedraagt 90 à 100 m. in rechte lijn tussen de respectievelijke geplande woningen; 3. Partij Ongena organiseerde een petitie voor het behoud van de groenzones. Hij is een verwoed natuurliefhebber”. 5.1.1.2. De eerste verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie op ten aanzien van de eerste verzoeker : “2/ Eerste verzoeker heeft al evenmin een voldoende persoonlijk belang om deze vordering te stellen, waar hij zelf voorhoudt op ca. 100 m. van de betrokken percelen te wonen en de bestreden beslissingen het kappen van bomen over een minieme oppervlakte betreffen zodat gelet op deze afstand en de aard en de omvang van de werken, deze verzoeker niet aannemelijk kan maken dat deze een dusdanige ecologische schade ‘in de ruimere omgeving’ met zich meebrengen of op die wijze een bosgebied doen verloren gaan dat zij hem een persoonlijk nadeel kunnen berokkenen”. 5.1.1.3. De tweede en de derde tussenkomende partij werpen in hun verzoekschrift tot tussenkomst dezelfde exceptie op en voegen daar nog aan toe dat X-9067-9034-9046-6414-6415-14/36 de eerste verzoeker “hoogstens vanuit een aanpalend bos, eigendom van zijn vader, het perceel van De Saegher-Ferket (zou) kunnen zien”. 5.1.1.4. Het wordt niet betwist dat de eerste verzoeker in de onmiddellijke omgeving woont van het perceel waarvoor de kwestieuze kapvergunningen werden verleend. Het perceel van de eerste verzoeker is alleen van het kwestieuze perceel gescheiden door een bebost perceel, eigendom van verzoekers ouders. De verzoeker doet daardoor blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De bewering van de eerste verwerende partij dat “de bestreden beslissingen het kappen van bomen over een minieme oppervlakte betreffen” doet daar niets aan af. De exceptie kan niet worden aangenomen. 5.1.2.1. De derde verzoekende partij stelt in het inleidend verzoekschrift het volgende aangaande haar belang : “III. B. Het belang van de VZW ABLLO (afgekort). 1. Zij werd in 1977 opgericht om ‘de vrijwaring van het leefmilieu te bewerken in het Waasland en het Linkeroevergebied, in de ruimste zin van het woord, om zodoende het verder samenbestaan van de industrie met de aangrenzende woonzones te verzekeren;’ 2. De ontbossingen zoals gepland en reeds ten dele uitgevoerd, zijn een aanslag op het leefmilieu in de gemeente. En dusdanig in strijd met de statutaire doelstellingen, die dus een moreel belang inhouden. 3. De uitlegging als dat het maatschappelijk doel enkel betrekking op die milieuaspecten die verband houden met de relatie wonen/industrie, is verkeerd. ‘Zodoende’ slaat niet op het voorwerp van de milieubescherming, wel op de oorspronkelijke stimulans van de VZW op te richten. Het territoriaal werkingsgebied is trouwens niet enkel het industriegebied op de Linkeroever. Het omvat het Waasland en het Linkeroevergebied. 4. De uitlegging dient bij twijfel te gebeuren aan de hand van de werkelijke activiteiten die de vereniging ontwikkelt. Zie bv. het arrest 26/93 van het Arbitragehof waar een tussenkomst van een milieuvereniging ontvankelijk werd verklaard omdat ‘het maatschappelijk doel werkelijk wordt nagestreefd; wat moet blijken uit de concrete activiteiten van de vereniging; dat de vereniging blijk geeft van een duurzame werking in het verleden als in het heden.’. (...) 7. Overigens heeft het bosbehoud, en i.c. gaat het toch over min. 2.000m² ontbossing (de aangrenzende ontbossingsplannen van minstens nog eens zoveel niet meegerekend), ook een beschermende functie van het wonen tegenover de industrie, i.c. vnl. deze van de Gentse en kanaalzone en de Antwerpse haven. C naar ecologische maatstaven is een afstand van 10 tot 20 km. tot voormelde industriegebieden gering; X-9067-9034-9046-6414-6415-15/36 C de westenwind brengt de vervuilde lucht uit het industriegebied van de Gentse kanaalzone. De Noord-of Oosten wind brengt de vervuilde lucht van het Antwerps industriegebied, met vnl. chemische nijverheid. C tussen Antwerpen en Stekene liggen vnl. polders, dus daar is de scherm-en bufferfunctie tegenover luchtvervuiling en lawaai vrij gering; C evident dus dat de groenzones rond Stekene, Kemzeke e.d. een voor het natuurlijk en menselijk leefmilieu belangrijke bufferfunctie hebben, o.a. door luchtzuivering en zuurstofproductie. Bomen nemen ook het overtollige CO 2 op en ontnemen de milieuschadelijke broeikasgassen ten delen hun uitwerking. C dit bosgebied heeft ook zijn relatief niet onbelangrijke bijdrage tot demping van het lawaai voortkomende van de industrieweg Antwerpen - Zelzate, gedoemd een echte autosnelweg te worden, en die Stekene doorkruist. Deze A-11 heeft uiteraard een belangrijk aanknopingspunt met de industriekern op de linkeroever. C ‘Stekene: een groene woongemeente’ zo wordt deze dikwijls gepromoot. Het behoud van de groenzones is dus belangrijk tegen de voortschrijdende industrialisering op een boogscheut van 10 km. en meer, wat ecologisch een zeer geringe afstand is. De vervuiling veroorzaakt door zo’n enorme industriegebieden is immers heel groot en verdragend (zelfs tot in Noord-Europa: cfr. de verzurende meren). Ook al brengen bossen op dat macro-milieuvlak niet zoveel baat, zeker niet met het zo geringe bebossingsoppervlak in Oost-Vlaanderen en de polderstreek rond Antwerpen en Zeeuw-Vlaanderen, het zijn dan toch de kostbare gebieden om enigszins de milieuschade te beperken. 8. Bovendien hebben bossen en de betrokken bossen vormen hierop zeker geen uitzondering een natuurwaarde. Uit de verslagen van Jan D’Hollander en Marc Bogaerts, natuurkenners uitgevoerd in de lente ‘93, volgt dat hier een interessante bosfauna en flora voorkomt”. Zij brengt verder diverse voorbeelden aan van haar concrete activiteiten. In haar memorie van wederantwoord wijst de derde verzoekende partij nog op de wijziging van haar statuten “die tijdens de procedure is tussengekomen”. Zij stelt dat “de wijziging van de statutaire doelstellingen tijdens de procedure in aanmerking (kan) genomen worden”. Tevens wijst zij erop dat de belangen van een milieuvereniging niet beperkend mogen worden geïnterpreteerd. Zij gaat ervan uit dat wanneer een vereniging voldoet aan de voorwaarden tot het bekomen van rechtspersoonlijkheid, “het ook maar logisch (
- is)dat zij in rechte kan optreden voor de belangen conform de bekendgemaakte statuten”. X-9067-9034-9046-6414-6415-16/36 5.1.2.2. De eerste verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie op ten aanzien van de derde verzoekende partij wegens gebrek aan statutair belang. 5.1.2.3. In hun verzoekschrift tot tussenkomst voegen de tweede en de derde tussenkomende partijen daar het volgende aan toe : “Terzake de VZW ABLLO dient bestreden dat een latere statutenwijziging, doorgevoerd tijdens de procedure, de oorspronkelijke manifeste onontvankelijkheid kan dekken of rectifiëren; Op datum van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring, hadden de statuten alleen tot doel de industriële uitbreiding op de Linkeroever te beletten, ter beveiliging van het leefmilieu aldaar. Het spreek(
- t)vanzelf dat de Gemeente Stekene niet kan gelijk worden gesteld met de ongeveer 20 km verder gelegen Linkeroever. Bovendien dient gesteld dat in de gewijzigde besluiten sprake is van ‘natuur- en milieuaangelegenheden die het regionaal belang overstijgen’. In onderhavig geval kan men niet stellen dat het ontbossen van één of twee bouwpercelen het regionaal belang zou overstijgen. Dergelijke zaken zijn niet meer dan van een uitsluitend plaatselijk belang. Ook de vordering van de VZW ABLLO is bij gebrek aan belang onontvankelijk”. 5.1.2.4. Verenigingen zonder winstoogmerk mogen krachtens de v.z.w.-wet in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Zij kunnen voor de Raad van State in rechte optreden mits zij voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang, alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging. Artikel 3, eerste lid van de statuten van de v.z.w. AKTIEKOMITEE TOT BEVEILIGING VAN HET LEEFMILIEU OP DE LINKEROEVER, zoals dit gold op het ogenblik van het inleiden van de vordering, luidt als volgt : “De vereniging heeft tot doel de vrijwaring te bewerken van het leefmilieu in het Waasland en het Linkeroever-gebied, in de ruimste zin van het woord, om zodoende het verder samenbestaan van de industrie met de aangrenzende woonzones te verzekeren”. X-9067-9034-9046-6414-6415-17/36 Op 1 februari 1994 wordt het statutair doel van de verzoekende vereniging als volgt gewijzigd : “A.B.L.L.O., v.z.w., heeft tot doel de belangen van natuur en milieu, in de breedst mogelijke betekenis, te bestuderen, te behartigen en te verdedigen op de linker Schelde-oever en in het Waasland (in hoofdzaak in Moerbeke, Stekene, Sint-Gillis-Waas, Beveren, Zwijndrecht, Kruibeke, Temse, Waasmunster en Sint-Niklaas). A.B.L.L.O., v.z.w., maakt deel uit van de Bond Beter Leefmilieu en A.B.L.L.O., v.z.w., zal dus ook haar mening vormen, kenbaar maken en verdedigen over natuur- en milieuaangelegenheden die het regionaal belang overstijgen”. Het belang bij de vernietiging van het bestreden besluit moet bestaan op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring en kan derhalve niet hangende het geding worden verworven. Het actueel karakter van het belang dient derhalve te worden beoordeeld aan de hand van de statuten van de verzoekende vereniging zoals deze van kracht waren op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Terzake blijkt uit de statuten van de verzoekende vereniging, zoals deze golden op het ogenblik van het inleiden van de vordering, dat zij zich tot doel stelde “de vrijwaring te bewerken van het leefmilieu in het Waasland en het Linkeroever-gebied, in de ruimste zin van het woord, om zodoende het verder samenbestaan van de industrie met de aangrenzende woonzones te verzekeren”. Gelet op de aard van de bestreden beslissingen, zijnde twee vergunningen voor het kappen van bomen met het oog op het bouwrijp maken van de twee loten van hetzelfde perceel, kunnen deze niet worden ingepast in de toentertijd geldende specifieke doelstelling van de derde verzoekende partij. In haar laatste memorie stelt de derde verzoekende partij dat zij “(zich) gedraagt (...) naar uw wijsheid”. De exceptie is gegrond en het beroep is onontvankelijk in hoofde van de derde verzoekende partij. 5.2. De ontvankelijkheid in de zaak A. 58.281 5.2.1.1. Het dient ambtshalve te worden onderzocht of de derde verzoekende partij getuigt van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. 5.2.1.2. De derde verzoekende partij omschrijft haar belang als volgt in het inleidend verzoekschrift : X-9067-9034-9046-6414-6415-18/36 “D. Belang dat in het bijzonder partij VZW De Wielewaal kan laten gelden. 1. Zij heeft een statutair belang als rechtspersoon. Sinds 1980 heeft zij tot doel de kennis en de bescherming van de natuur en in het bijzonder van de in het wild levende vogels. Het is evident dat het behoud van een bos in een overigens bosarme streek, zeker op ruimere schaal gezien, bijdraagt tot het natuurbehoud. Een hap hier, een hap daar, zo gaat de teloorgang van de natuur al maar verder. Temeer hier een tientallen hectare groot en vrij gaaf gebleven bos is overgebleven, wat in Vlaanderen een zeldzaamheid is, heeft dit voor de plaatselijke fauna en flora een bijzondere waarde, doordat er bv. voldoende voedselaanbod is, een voldoende partnerkeuze, beschutting en rust. De omgeving is ook eerder agrarisch waardoor ook een zekere samenhang met de nog ruimere omgeving bestaat en de ecologie van het bos interessanter. 2. De VZW De Wielewaal heeft bovendien een plaatselijke werking. Als vereniging met meer dan 7000 leden, meer dan 3000 ha. natuurgebied in eigendom, huur of erfpacht, draagt zij bij tot een regionaal natuurbehoud. Wat uiteraard de plaatselijke belangen niet wegneemt, nu er toch meer dan 50 afdelingen zijn opgericht. Ter plaatse is er de afdeling Land-van-Waas-Noord. Op zich geen rechtspersoon, maar wel actief. Deze afdeling werkt samen met de VZW Abllo, de belangrijkste natuurvereniging in het waasland. Zo schrijven bestuursleden van deze Wielewaalafdeling artikels in het tijdschrift ‘het Groene Waasland’. (...) Het werkgebied en de belevingswaarde met betrekking tot de groenzones in Stekene gaat dus er dus voor de Wielewaal en haar leden ook op achteruit”. Zij voegt daar in haar laatste memorie het volgende aan toe : “(...) Akkoord dat de statutaire doelstelling en het werkingsgebied zoals van toepassing op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift, niet overdreven duidelijken (territoriaal) afgebakend waren, doch zeggen dat er sprake is van het nastreven van een algemeen belang en dus geen persoonlijk belang, gaat ver. Vrees. De Wielewaal zou niet graag een precedent te lezen krijgen, waardoor in de toekomst andere vorderingen ook op deze grond zouden worden afgewezen. Argumentatie. Als VZW streeft zij doelstellingen na die typisch zijn voor dergelijke private rechtspersonen/verenigingen. De wet van 27 juni 1921 betreft nl. verenigingen die geen winstgevend doel nastreven. Een niet winstgevend doel bv. vogelbescherming en natuurbehoud, is daarom nog geen algemeen doel. Wat is het ‘algemeen belang’? Dit wordt nergens omschreven. Spraakgebruikelijk zal het wel te maken hebben met belangen die brede lagen van de bevolking rechtstreeks dienen en ook beogen (intentioneel element). Bv. ivm landsverdediging, rechtsbedeling, volksgezondheid, hoofdverkeerswegen, belastingen, waterzuivering enz. De Wielewaal beoogt echter zeker niet een dergelijk algemeen belang. Wel veeleer een beperkt belang in een deelsector van het leefmilieu. Dit belang is persoonlijk en beperkt omdat slechts bepaalde milieuaspecten worden nagestreefd en omdat dit gebeurt ten behoeve van de vereniging De Wielewaal en haar leden (intentioneel element). En dus niet ten behoeve van de maatschappij/het land/het Vlaams en Brussel Gewest/.. Die het algemeen belang vertegenwoordigt. Ook al zullen de facto X-9067-9034-9046-6414-6415-19/36 ook veelanderen die geen lid zijn van deze vereniging er voordeel bij hebben dat bv. de Wielewaal bossen aankoopt en beschermt. Trouwens is het zodanig kwalificeren van het karakter of de strekking van de vordering ook niet logisch door het feit dat de vereniging statutair draait rond het lidmaatschap. In principe kan enkel wie lid is, de voordelen van de vereniging delen (bv. wandelingen, beheer van reservaten, enz.). Slechts een heel kleine fractie van de bevolking is lid van de vereniging, dus is het niet logisch te zeggen of aan de Wielewaal a.h.w. op te dringen dat zij het algemeen belang nastreeft”. 5.2.2.1. Verenigingen zonder winstoogmerk mogen krachtens de v.z.w.- wet in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Zij kunnen voor de Raad van State in rechte optreden mits zij voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang, alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging. Artikel 4 van de statuten van de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, zoals dit gold op het ogenblik van het inleiden van de vordering, luidt als volgt : “De vereniging heeft tot doel : de kennis en de bescherming van de natuur en in het bijzonder van de in het wild levende vogels te bevorderen door alle middelen, o.m. door het oprichten van plaatselijke afdelingen, het houden van studiedagen, het uitgeven van een tijdschrift, het verspreiden van vogelboeken en natuurboeken, het oprichten van natuurreservaten. Deze opsomming is niet beperkend”. Terzake blijkt uit de statuten van de verzoekende vereniging, zoals deze golden op het ogenblik van het inleiden van de vordering, dat zij zich tot doel stelde “de kennis en de bescherming van de natuur en in het bijzonder van de in het wild levende vogels te bevorderen door alle middelen (...)”. De statuten van de verzoekende vereniging bevatten geen enkele territoriale beperking.. Het doel, omschreven als “de kennis en de bescherming van de natuur en in het bijzonder van de in het wild levende vogels te bevorderen door alle middelen (...)”, zonder enige territoriale beperking, is dermate ruim en algemeen opgevat, dat het in wezen dient te worden beschouwd als het nastreven van een algemeen belang. De omstandigheid dat “slechts een heel kleine fractie van de bevolking lid (
- is)van de vereniging” doet daar niets aan af. X-9067-9034-9046-6414-6415-20/36 Zo dit maatschappelijk doel in aanmerking wordt genomen als grondslag voor de beoordeling van het belang van de vereniging om bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen, staat het optreden van die vereniging voor de Raad van State gelijk met een actio popularis, indien de handeling die wordt aangevochten geen algemene draagwijdte heeft -even algemeen als die van de doelstelling waarop de vereniging zich beroept- doch een specifieke strekking heeft. Terzake gaat het om een bouwvergunning verleend voor één lot van een verkaveld perceel, hetgeen een zeer beperkt project is. De derde verzoekende partij getuigt bijgevolg niet van het rechtens vereiste persoonlijk belang. In haar memorie van wederantwoord verzoekt de derde verzoekende partij, “wat de ontvankelijkheid van de vordering betreft”, de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen : “Of er sprake is van een schending van art. 10 en 11 en art. 27 Grondwet wanneer art. 1,3 en 26 VZW-wet zo worden geïnterpreteerd dat een VZW met een regionaal werkingsgebied niet en een VZW met een plaatselijk werkingsgebied wel een ontvankelijke annulatievordering kan instellen tegen een administratieve stedenbouwkundige beslissing waarvan de uitvoering schade berokkent aan een groengebied van plaatselijk belang”. Artikel 26, §§ 1 en 2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een vraag over de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt opgeworpen, het Grondwettelijk Hof moet verzoeken om over deze vraag uitspraak te doen. De Raad van State is daartoe echter niet gehouden wanneer de vordering niet ontvankelijk is om procedureredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. Te dezen is de reden van niet-ontvankelijkheid van de vordering niet ontleend aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag. De artikelen 1, 3 en 26 van de v.z.w.-wet, zoals die toentertijd van toepassing waren, betreffen immers de rechtspersoonlijkheid van v.z.w.’s en de vereiste formaliteiten voor het bekomen van die rechtspersoonlijkheid, en dus niet het belang in hoofde van een verzoekende vereniging. Deze uitzondering is te dezen van toepassing. Het beroep is onontvankelijk in hoofde van de derde verzoekende partij. X-9067-9034-9046-6414-6415-21/36 5.3. De ontvankelijkheid in de zaak A.64.442 5.3.1.1. In het inleidend verzoekschrift stelt de eerste verzoekende partij met betrekking tot haar belang dat uit de omschrijving van haar doel, zoals gewijzigd op 19 februari 1995, een voldoende belang volgt. Zij stelt dat door de uitvoering van de bestreden bouwvergunning een volledig perceel bosgebied zal verdwijnen hetwelk een belangrijke natuurwaarde heeft als studiedomein. Zij voegt eraan toe dat de fauna en flora zich bovendien niet zal kunnen herstellen en dus gedoemd is om te verdwijnen. Met betrekking tot de territoriale werkingssfeer wijst zij erop dat in de gewijzigde statuten een territoriale omschrijving is gegeven aan de verschillende afdelingen die samen De Wielewaal vormen en dat De Wielewaal actief is op het volledige grondgebied van het Vlaamse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De verschillende afdelingen dienen te worden beschouwd als praktische regelingen in het kader van de organisatie van de rechtspersoon. Zij wijst bovendien nog erop dat zij in Stekene verscheidene natuurreservaten in eigendom heeft of beheert. Aangaande de plaatselijke werking van de vereniging wijst zij erop dat zij uitstappen organiseert in de plaatselijke natuurgebieden. Als vereniging meent zij voldoende representatief te zijn vermits zij over gans Vlaanderen bijna 8500 leden telt. Zij stelt expliciet geen overkoepelende beweging te zijn zoals de Bond Beter Leefmilieu aangezien zij fysische personen als leden heeft. Tenslotte gaat zij in op het feit dat het onderhavige probleem veel meer is dan een louter plaatselijk probleem. Ter staving van haar belang wijst zij erop dat de v.z.w.-wet een natuurvereniging met een ruim territoriaal werkingsterrein niet oplegt om enkel en alleen voor gewestelijke belangen op te komen en stelt zij verder nog dat er een gelijkberechtiging van rechtspersonen ten opzichte van fysieke personen bestaat. 5.3.1.2. De tweede verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie op : “2. Gebrek aan belang De eerste verzoekende partij is een natuurvereniging die ondermeer de studie en de kennis van de natuur en het behoud en de bescherming van natuur- gebieden en landschappen tot statutair doel heeft. Zij is actief op het volledige grondgebied van het Vlaamse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Volgens de uiteenzetting in het verzoekschrift tot nietigverklaring is zij plaatselijk actief via plaatselijke afdelingen, in casu de afdeling Land van Waas Noord, die echter zelf geen rechtspersoonlijkheid bezitten. X-9067-9034-9046-6414-6415-22/36 Afgezien van de vraag of de eerste verzoekende partij een overkoepelende vereniging is, waarvan al dan niet alleen plaatselijke milieuverenigingen, dan wel ook fysieke personen lid kunnen zijn - de nieuwe statuten van eerste verzoekende partij dd. 19 februari 1995, werden immers volgens eigen zeggen van de eerste verzoekende partij nog niet in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd -, dient te worden vastgesteld dat de eerste verzoekende partij zelf geenszins beschikt over een voldoende plaatselijk en gelocaliseerd belang om de huidige vordering tot nietigverklaring in te stellen. Eerste verzoekende partij kan de toetsing niet doorstaan die de Raad van State steeds doorvoert van vorderingen van milieuverenigingen aan het specialiteitsbeginsel, met name de voldoende nauwe band tussen de statutaire doelstellingen en het voorwerp van de vordering ; in casu de aanvechting van een strikt lokaal en kleinschalig bouwproject (...). (...) De vordering tot nietigverklaring is in hoofde van eerste verzoekende partij onontvankelijk bij gebreke van het rechtens vereiste belang”. 5.3.1.3. De eerste verwerende partij en de tussenkomende partijen werpen een soortgelijke exceptie op ten aanzien van de eerste verzoekende partij. 5.3.1.4. In haar memorie van wederantwoord repliceert de eerste verzoekende partij als volgt : “---- Wat betreft de bewering dat de Wielewaal niet zou kunnen opkomen voor ‘locale problemen’. Dit standpunt is in ieder geval niet terug te vinden in de VZW-wet. Artikel 3 en 26 bepalen de voorwaarden om rechtspersoonlijkheid te genieten. Het gemaakte onderscheid is dan ook eerder kunstmatig. Zelfs wordt het in bepaalde rechtspraak niet aangenomen. (...) ---- Het gemaakte onderscheid is m.i. zelfs strijdig met het gelijkheids- beginsel (art. 10 en 11 Grondwet). Er is immers geen objectief en redelijk motief om enkel locale milieuverenigingen en niet de zgn. regionale milieuverenigingen voor een beweerd ‘plaatselijk’ probleem te laten in rechte treden. Bovendien is het criterium ‘plaatselijk’ een onwettig en louter feitelijk selectiecriterium, dat niet voorzien is in welke wetgeving dan ook en in beginsel buiten de appreciatiebevoegdheid valt van de Raad van State. Zie ook art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Bovendien: wanneer is een probleem plaatselijk: alleen als de plaatselijke natuur en/of natuurbeleving door mensen eronder lijdt, en niet meer als bv. een (klein) plaatselijk gebied voor andere natuurgebieden of/en voor de natuur- beleving van mensen of verenigingen uit andere gemeenten van belang is, enz.? Aangezien de Wielewaal ook de kennis en het onderzoek van de natuur nastreeft, moet ook met het recreatief of educatief aspect rekening gehouden worden. Enz. Dit controleren en beslechten is toch een kiese aangelegenheid. Er is dan nog de vaststelling dat de natuur in een verstedelijkt Vlaanderen steeds meer in relatief kleine biotopen verdrukt wordt. Dus moet ‘plaatselijk’ niet gerelativeerd (lees : opgewaardeerd ) worden qua ‘belang’? Trouwens is het niet eerder het werk van ecologische deskundigen, bv. het Instituut voor Natuurbehoud om een bepaald gebied al dan niet als van locaal belang te beschouwen? Op een klein perceel kan bv. een unieke populatie van X-9067-9034-9046-6414-6415-23/36 bepaalde dieren voorkomen. Zo zijn er in Vlaanderen nog maar enkele kleine gebieden waar het gentiaanblauwtje voorkomt, of de wilde hamster, bepaalde orchideeënsoorten enz. Een klein gebied kan ook een noodzakelijk jachtgebied zijn in een groter geheel, enz. Hoe gaat bv. hier de tegenpartij tegenspreken als bv. een deskundige van het Instituut voor Bosbouw stelt dat ‘het verkavelen van dit bosgedeelte niet kan en mag gezien worden als een klein locaal probleem’. (...) Dergelijke verstrekkende selectie van rechtsvorderingen kan dus alleen mits er een wettelijke basis voor is. ---- Ten aanzien van de Wielewaal die inderdaad een regionaal werkingsgebied heeft zou dit in die redenering erop neerkomen dat zij enkel als VZW in rechte kan optreden wanneer zij ijvert voor behoud van natuurwaarden met een regionaal karakter. Aan welke natuuringrepen kan men dan wel een regionale waarde geven in een land met versnipperde en beperkte natuur? Waar onder meer de kleine landschapselementen zo belangrijk zijn om natuur te behouden, met elkaar te verbinden, enz. Dit is trouwens het motief van de Dag van de Natuur 1996 en de bijlagen i.v.m. bv. kleinschalige waterzuivering, beheer van bossen, enz: (...) Feitelijk is de activiteit van de Wielewaal sowieso trouwens van zowel kleinschalige aard (bv. via het beheer van de reservaten) als van ruimere aard (bv. via de deelname in de Vlaamse Mina-raad en de samenwerking met andere verenigingen, zoals VZW ABLLO en de BBL). Ook zijn de door haar beheerde natuurreservaten veeleer van kleine omvang, de beheerswerken worden met kleine groepen vrijwilligers uitgevoerd, de werking van bepaalde leden in de gemeentelijke mina-raden is bescheiden, de tussenkomsten op het plaatselijk beleidsniveau zijn ontelbaar, ... Feitelijk zijn de acties met een echt regionaal karakter eerder de uitzondering. Zo bv. de actie zwaluwtelling 1995 over gans Vlaanderen, de deelname aan de Vlaamse Mina-Raad, de steun aan het grensoverschrijdend Zwinproject, ... Dit is ook vrij logisch, omdat de grote natuurgehelen eerder uitzondering zijn (bv. Zwin, IJzerbroeken, bepaalde heide- en vennengebieden, Buggenhoutbos, Zoniënwoud, enz.). ---- Het gaat dus niet op dat de rechtsvorderingen van een wettige VZW worden beperkt tot de ‘grote’ ingrepen met ‘regionale’ weerslag, in een land waar natuur naar relatief kleine schaal herleid is, door versnippering, verkaveling, wegenaanleg, enz. ---- Trouwens, als U toch de impact van het bouwen op het hier bedoeld perceel bekijkt, dient rekening gehouden met een element dat tot nog toe onvoldoende werd benadrukt, met name de ligging van het bosperceel langs de oude Spoorwegroute, dit is een fietspad aangelegd op de vroegere spoorweg, komt van Moerbeke en gaat zo richting Sint-GillisWaas. Het is dus vele kilometers (min. 10 km.) lang, wordt zeer veel gebruikt door wandelaars en fietsers, onder meer jongeren die bv. vanuit Moerbeke of Kemzeke naar de middelbare school in Stekene gaan. Ook door recreanten en toeristen, de leden van de verzoekende partij wanneer zij op excursie gaan, enz. Het fietspad brengt deze fietsers en wandelaars in contact met de omliggende groengebieden. Dus o.d doordat het hier bedoeld perceel pal naast het fietspad ligt, kan men zeker niet zeggen dat het slechts van locaal belang is. Ook de Polkenweg is een openbare en rustige weg. Er is ook het feit dat de bossen aan de Polken nog vrij uitgestrekt zijn en dat op schaal Vlaanderen gezien, dergelijke grotere bossen precies vrij zeldzaam zijn. Er is zoveel versnippering. Ook daarom noemt de gemeente Stekene zich ‘de groene long van het Waasland’ (...), wat toch ook het locaaloverstijgend karakter van deze bosgebieden, het betwiste perceel inbegrepen, beklemtoont. X-9067-9034-9046-6414-6415-24/36 Ook is er toch het feit dat het hier betwiste perceel een belangrijke natuurverbindende en randfunctie heeft, doordat het de uithoek vormt van een bos, waar er altijd interessante wisselwerkingen en doorgangen ontstaan naar i.c. omliggende landbouwgebieden en naar het Kanaal van Stekene toe. Dit is bv. zeker het geval voor bv. dieren zoals i.c. groene spechten, ransuilen, zwartkoptuinfluiter, sperwers, zanglijster, enz. die de afwisseling tussen bos en meer open gebied opzoeken tijdens hun voedseltochten. 3. Wel akkoord dat een vereniging duurzaam en reëel moet werken, conform de rechtspraak van het Arbitragehof. Dit is i.c. zeker het geval. 4. Ook kan verzoekster met de auditeur akkoord gaan dat een vereniging representatief moet zijn. Dat het bv. niet zou opgaan dat een regionale vereniging met 15 leden over gans Vlaanderen i.c. zou gaan optreden. Maar op blz. 16 en 17 van het verzoekschrift is reeds aangetoond dat de Wielewaal met haar bijna 9.000 leden ook zo gezien voldoet. Zie ook de bijgevoegde lijst van leden in het Stekense en omgeving: 54 per juni '96. (...) Specifiek wat de bossen betreft, is de verzoekende partij ook representatief door bv. haar aankoopbeleid (in 1993 bv. aankopen in Hayesbos, Trimpontbos, ... ), haar deelname aan het beheer van het Stropersbos een gemeente verder, haar acties qua hakhoutbeheer, bosaanplant, ... 5. Is er uiteraard nog het inhoudelijke belang. De omschrijving in punt H van het verzoekschrift (...) zou moeten kunnen volstaan. De bouwvergunning aan de hr. en mevr. De Saeger, inmiddels reeds uitgevoerd, is i.c. duidelijk in strijd met de eerste doelstelling (verlies van een stuk studiegebied, nl. een biologisch waardevol bos, verkenbaar vanaf o.a. de Polkenstraat en de als fietspad ingerichte oude spoorwegbedding), verlies van een stuk landschappelijk waardevol gebied (met vrij oude bomen, mengeling van ondergroeisoorten, verhoogde bermen, ..) en manifeste schending van de wet (o.a. niet bekomen van machtiging van het Bosbeheer, schending van het gewestplan,. niet openbaarmaking van de onderliggende verkavelings- aanvraag,...). De vordering is dus ontvankelijk in hoofde van de VZW de Wielewaal”. In haar laatste memorie voegt zij daar niets meer aan toe. 5.3.2.1. Verenigingen zonder winstoogmerk mogen krachtens de v.z.w.-wet in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor zij zijn opgericht. Zij kunnen voor de Raad van State in rechte optreden mits zij voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang, alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging. Artikel 6 van de statuten van de v.z.w. DE WIELEWAAL, thans de v.z.w. NATUURPUNT STUDIE, zoals dit gold op het ogenblik van het inleiden van de vordering, luidt als volgt : X-9067-9034-9046-6414-6415-25/36 “De vereniging is aktief op het volledige grondgebied van het Vlaamse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest”. Terzake blijkt uit artikel 4 van de statuten van de verzoekende vereniging, zoals dit gold op het ogenblik van het inleiden van de vordering, dat zij zich tot doel stelde “de kennis van de natuur, in het bijzonder van de in het wild levende fauna en flora, te bevorderen, actief deel te nemen aan en stimuleren van het wetenschappelijk onderzoek naar fauna en flora, het behoud van natuurgebieden na te streven door het oprichten en beheren van reservaten, en de bescherming van landschappen, monumenten, stads- en dorpsgezichten na te streven”, en dit op “het volledige grondgebied van het Vlaamse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest”. Het doel is blijkens de statuten dermate ruim en algemeen opgevat, dat het in wezen dient te worden beschouwd als het nastreven van een algemeen belang. Zo dit maatschappelijk doel in aanmerking wordt genomen als grondslag voor de beoordeling van het belang van de vereniging om bij de Raad van State een annulatieberoep in te dienen, staat het optreden van die vereniging voor de Raad van State gelijk met een actio popularis, indien de handeling die wordt aangevochten geen algemene draagwijdte heeft -even algemeen als die van de doelstelling waarop de vereniging zich beroept- doch een specifieke strekking heeft. Terzake gaat het om een vergunning verleend voor het bouwen van een woning op één lot van een verkaveld perceel, hetgeen een zeer beperkt project is. De omstandigheid dat het kwestieuze perceel “pal naast het fietspad ligt”, doet daar niets aan af. De eerste verzoekende partij getuigt bijgevolg niet van het rechtens vereiste persoonlijk belang. In haar memorie van wederantwoord verzoekt de eerste verzoekende partij, “wat de ontvankelijkheid van de vordering van de VZW De Wielewaal betreft”, de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen : “Of er sprake is van een schending van art. 1 en 26 V.Z.W.-Wet, in samenhang met art. 10 en 11 Grondwet wanneer een VZW met een regionaal werkingsgebied niet en een VZW met een plaatselijk werkingsgebied wel een ontvankelijke annulatievordering kan instellen tegen een administratieve stedebouwkundige beslissing waarvan de uitvoering schade berokkent aan een groengebied van plaatselijk belang”. Deze vraag is niet ontvankelijk vermits enerzijds de artikelen 1 en 26 van de v.z.w.-wet geen normen zijn waaraan het Grondwettelijk Hof vermag te toetsen, en in de vraag anderzijds niet wordt vermeld welke norm ongrondwettig zou zijn. X-9067-9034-9046-6414-6415-26/36 De exceptie is gegrond en het beroep is niet ontvankelijk in hoofde van de eerste verzoekende partij. 6. De gegrondheid in de zaak A.53.511 6.1. Standpunten van de partijen 6.1.1. De eerste verzoeker voert in zijn inleidend verzoekschrift een eerste middel aan dat als volgt luidt : “1. Eerste middel. Eerste onderdeel. Schending van art. 1 en 2 stedebouwwet. Schending van art. 12 K.B. 28 december 1972. Schending van het KB 7 nov. ‘78 tot vaststelling van het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren. 1. Doordat de bestreden vergunning toestaat te verkavelen voor private woningbouw, wordt het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren geschonden. Op dit gewestplan staat immers het betrokken perceel ingekleurd als bosgebied. (...) In een bosgebied is geen woningbouw toegestaan (art. 12 KB 28 dec. ‘72) De verkavelingsvergunning wijkt af van deze bindende en verordenende waarde. (...) 1. De verkavelingsvergunning vermeldt: ‘Gunstig, in toepassing van art. 23 par. 1 van het KB 28 dec. ‘72 (de aanpalende verkaveling rechts is goedgekeurd bij M.B. 3 sept. ‘92). En verder: ‘Overwegende dat de verkaveling gelegen is binnen een ‘huizengroep; huizen die ontworpen zijn op de nevenliggende verkaveling.’ 2. U zult dus nagaan of de voorwaarden van art. 23 par. 1 redelijkerwijze kunnen vervuld zijn. (...) * Derde voorwaarde: de grond moet op de dag van de inwerkingtreding van het gewestplan gelegen zijn binnen een huizengroep. En dit aan dezelfde kant van de openbare weg. De argumentatie van de provincie Oost-Vlaanderen n.a.v. het hoger beroep tegen de weigering van de verkavelingsaanvraag door de gemeente Stekene inzake het aanpalend perceel 651 c. kan hier mutatis mutandis worden ingeroepen: ‘Dat langs de zijde van de kwestieuze verkaveling over meer dan 140 m. loodrechte afstand tussen de 2 eerstvolgende bebouwingen links en rechts, en over meer dan 200 m. afstand langs de straat tussen de loodrechte projecties van deze woningen op de straat, geen andere bebouwing voorkomt;’ (...) Ook de gemachtigde ambtenaar was toen nog van oordeel dat er geen sprake kan zijn van een ligging binnen een huizengroep (...). Die berekening stemt ook overeen met het plan van de plaatselijke toestand (...): 11 + 29 + 87 + 47 + 3 + 11 m. = 188 meter, tussen de woning nr. 27 en de woning nr. 41 van Ongena. * Nieuw element zou nu evenwel zijn dat op het aanpalend perceel een woning ‘ontworpen’ is, nl. de wat excentrieke woning van de hr. en mevr. Koppen-Vercruysse. X-9067-9034-9046-6414-6415-27/36 In uw rechtspraak naar de welke ook R. Vekeman verwijst in voornoemd werk op blz. 200 naar opvulling van een bestaande huizenrij. De ontworpen woning van de nabuur Koppen maakt trouwens voorwerp uit van een ernstige betwisting. Zelfs van een zgn. ‘huizengroeprij’ is er moeilijk te spreken”. 6.1.2. De eerste verwerende partij antwoordt daarop het volgende in haar memorie van antwoord : “Het eerste middel eerste onderdeel. De verzoekers roepen de schending in de van de artikelen 1-2 van de Stedebouwwet, van art. 12 van het K.B. van 28.12.10,72 en de schending van het K.B. van 7.11.1978 tot vaststelling van het Gewestplan St-Niklaas - Lokeren. Iedereen is het er terzake over eens dat volgens het Gewestplan St-Niklaas - Lokeren, het perceel gelegen is in een bosgebied. De verkavelingsvergunning van 7 juni 1093 maakte echter toepassing van de uitzonderingsbepalingen voorzien in art.23.1/ van het K.B. van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- en gewestplannen (B.S. 10.2.1973, err. B.S. 11.8.1973). In de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen konden omwille van de kleine schaal niet alle huizen of huizengroepen worden opgenomen. Dit is de taak van een gemeentelijk plan van aanleg. De bedoeling van art. 23 §1 is derhalve om, in strijd met de op het Gewestplan aangegeven bestemming, de mogelijkheid te scheppen percelen tussen bebouwde of bebouwbare kavels te bebouwen en (
- of)te verkavelen, in en onder bepaalde voorwaarden omwille van bestaande juridische en (
- of)fysische toestanden. Indien derhalve wordt voorzien in strijd met de vastgelegde bestemming dan is tevens benadrukt dat het gaat om een uitzonderingsmaatregel. Nu de verzoekers in het tweede onderdeel de toepassing van deze uitzonderingsmaatregel aanvechten is het klaarblijkelijk dat wanneer dit onderdeel als ongegrond wordt afgewezen meteen ook het eerste onderdeel als ongegrond moet worden afgewezen. tweede onderdeel. De verzoekers roepen een schending in van artikel 23 van het voornoemd K.B. van 28.12.1972. De bedoeling van artikel 23 §1 van het K.B. van 28.12.1972 werd reeds hoger uiteengezet. Waar de zgn. ‘opvulregel’ als uitzonderingsbepaling werd opgenomen in het K.B. van 28.12.1972 werd met het K.B. van 13.12.1978 hieraan toegevoegd dat : ‘de afstand van de zijgevels van de minst van elkaar verwijderde huizen niet meer mag bedragen dan 70 m.; Een wachtgevel van een bestaande woning mag met een nieuwe woning worden afgewerkt’. In het art. 23 werd er duidelijk op gewezen dat het handelt ‘bij uitzondering’ en dat het dus handelt om een afwijking. Het betreft dus in elk geval een handeling (verkaveling of bebouwing) die wordt toegelaten in strijd met de normale bestemming van de bedoelde zone zodat deze uitzonderingsregel ter discretie staat van de vergunningplichtige overheid. Werden de wijzigingen die het KB van 13.12.1078 (B.S. 13.1.1979), nog niet in het Gewestplan opgenomen, overeenkomstig artikel 9 van de wet van X-9067-9034-9046-6414-6415-28/36 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en stedebouw, dan zijn deze aldus niet bindend en derhalve niet van toepassing zodat de bestreden verkavelingsvergunning niet diende na te gaan of de afstand van de zijgevels van de minst van elkaar verwijderde huizen niet meer bedragen dan 70 meter. Daarenboven kan het woord ‘huis’ slaan op bestaande huizen, maar het kunnen ook ontworpen huizen zijn. In het gunstig advies van 12.5.1993 van de Gemachtigde Ambtenaar werd dan ook verwezen naar de aanpalende verkaveling, goedgekeurd bij M.B. van 3.9.1992. Ten andere toont het plan dat gevoegd was bij de verkavelingsaanvraag aan dat er wel degelijk sprake is van een voldoende residentiële bebouwing in de onmiddellijke omgeving en dat de woning van verzoeker niet ver uit de buurt ligt van het betrokken percel (en). Aldus is ook het tweede onderdeel ongegrond”. 6.1.3. De tweede verwerende partij antwoordt in haar memorie van antwoord op dezelfde wijze. 6.1.4. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de eerste verzoeker als volgt : “A. Het eerste middel: Schending van art. 1 en 2 stedebouwwet. Schending van art. 12 K.B. 28 dec. 1972 van het KB 7 nov. ‘78 tot vaststelling van het gewestplan Sint-Niklaas -Lokeren. Eerste onderdeel. Verwerende partijen bevestigen in hun memorie de principiële strijdigheid van de vergunning met het gewestplan en de verordenende en bindende kracht ervan. Evenwel wordt deze strijdigheid goedgemaakt door toepassing van art. 23 par. 1 KB 28 dec. 1972. Ook kan volgens de gemeente Stekene een gemeentelijk plan het gewestplan aanvullen. Er is evenwel i.c. geen dergelijk plan. 2. De uitzondering moet evenwel beperkend worden toegepast. Zie tweede onderdeel van het middel. Tweede onderdeel. Schending van art. 23 KB 28 dec. 1972. Schending van het beginsel van zorgvuldig bestuur. 1. In de memories wordt ingeroepen dat het K.B. 13 dec. 1978 dat de 70 meter-regel in art. 23 KB 28 dec. 1972 inlaste voor het Vlaams Gewest, niet toepasselijk is, omdat er nog geen herziening is gebeurd van het gewestplan Sint-Niklaas -Lokeren volgens de procedure voorzien in art. 9 stedebouwwet. Er wordt evenwel niet geargumenteerd tegen de niet-vervulling van de voorwaarden zoals in het oorspronkelijke art. 23 omschreven. De gemeente Stekene doet het middel af door te stellen dat de toepassing van de uitzonderingsbepaling ter ‘discretie’ staat van de vergunningplichtige overheid. 2. Wat het KB 13 december 1978 betreft, dit is volgens de administratieve overheden (bv AROHM Gent) slechts toepasselijk nadat het betreffende gewestplan inderdaad herzien wordt en hierbij dus ook het gewijzigde art. 23 aan het openbaar onderzoek wordt onderworp Feit is evenwel dat de wijziging van het K.B. 28 dec. 1972 door het Vlaams Gewest onlangs nog heeft plaatsgehad zonder dat een openbaar onderzoek of een gewestplanherziening plaatsvond. Zo werd door het Decreet 23 juni '93 en X-9067-9034-9046-6414-6415-29/36 het Besluit Vlaamse Regering van 15 sept. ‘93 het art. 23 toch gewoon uit het rechtsverkeer genomen. Verzoekers gedragen zich op dit punt, nl. de al dan niet toepasbaarheid van het KB 13 dec. 1978 naar de wijsheid. Weze toch gezegd dat verzoekers in het verzoekschrift de 70 niet hebben ingeroepen. Wel de ligging "binnen een huizenrij". 3. De ligging binnen een huizenrij aan dezelfde kant van de weg is wel een wettelijke voorwaarde. De invulling ervan zal inderdaad behoren tot de ‘discretionaire bevoegdheid’ van de overheid, maar binnen de perken van de wet. En rekening houdend met wat van een zorgvuldig bestuur mag worden verwacht. Zowel de overheid als de Raad van State mogen/moeten de toepassing van de wettelijke voorwaarden toetsen aan wat in alle redelijkheid en objectiviteit mogelijk is. Een leidraad is o.i. zeker het advies van de Streekcommissie Oost-Vlaanderen na afsluiting van het openbaar onderzoek. (...) Ook in de zgn. officiële commentaar op het K.B. 28 dec. 1972 wordt het strict beperkende toepassingsgebied van art. 23 beklemtoond. Bv. bij art. 14 i.v.m. de bufferzone: ‘Het is duidelijk dat in de meeste gevallen de toepassing van de opvullingsregel de goede plaatselijke ordening schaadt en de bestemming in het gedrang brengt zodat art. 23 par. 1 in deze gevallen niet kan toegepast worden’”. 6.1.5. In haar laatste memorie stelt de eerste verwerende partij nog wat volgt : “Artikel 23, eerste lid van het K.B. dd/ 28-12-1972, zoals dit toepasselijk was, op het ogenblik dat de bestreden akten werden verleend voorzag in feite vier voorwaarden
(1)de goede plaatselijke ordening mag niet worden geschaad;
(2)de bestemming van het gebied mag niet in gevaar worden gebracht
(3)het perceel moet gelegen zijn binnen een huizengroep, aan dezelfde kant van de openbare weg;
(4)de weg moet voldoende uitgerust zijn. Bij de beoordeling daarvan of het perceel kan in aanmerking genomen worden voor de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid ten aanzien van de bestemming vastgelegd in het gewestplan, heeft de overheid wel een bepaalde mate van discretionaire beoordelings- en beslissingsvrijheid en het komt de Raad van State enkel toe, na te zien of de overheid binnen de grenzen van deze voormelde beoordeling is gebleven en nietkennelijk onredelijk heeft gehandeld. Uit het occupatieplan en het liggingsplan blijkt dat er zich langs dezelfde kant van de Polkenstraat, te Stekene, onmiddellijk aan de overzijde van het Spoorwegpad, talrijke woningen bevinden, waarbij o.m. de woning nr. 27, zich het dichtst bij het perceel nr. 651 b. bevindt. Langs de andere zijde bevindt zich het perceel 651c., (waaromtrent een verkavelingsvergunning voor twee woningen werd verleend) en, nadat de Polkenstraat vervolgens een bocht maakt, zijn er drie woningen, waarvan de woning van de heer Karel Ongena, eerste verzoeker, aan de Polkenstraat nr. 41, het dichtst bij het voormeld perceel 651 b., gelegen is. De eigendom nr. 26, situeert zich op amper 10 meter van het perceel nr. 651 b., en het eigendom nr. 41, op circa 120 meter. Wat de beoordeling betreft van de vier hierboven gestelde voorwaarden, merkt de eerste verwerende partij dan ook op: X-9067-9034-9046-6414-6415-30/36
(1)+
(2)Er kan niet ernstig voorgehouden worden dat de goede plaatselijke ordening zou geschaad worden, noch dat de bestemming van het gebied in gevaar wordt gebracht. Naar de hierboven genoemde woningen, zijn er bovendien ook talrijke woningen, aan de overzijde van de Polkenstraat. Het desbetreffend perceel 651b., bevindt zich precies aan de ‘uithoek’ van het bosgebied, zodat er terzake geen sprake kan zijn van schadeveroorzaking of in gevaarbrenging. Ten andere artikel 23 van het K.B. dd/ 23-12-1972 sluit helemaal geen afwijking uit t.o.v. een hoekperceel.
(3)Er kan door de verzoekende partij niet voorgehouden worden, dat de Overheid op een kennelijke onredelijke wijze zou geoordeeld hebben, dat er geen huizengroep aanwezig was, zoals hierboven werd aangetoond, naar de concrete elementen van het dossier toe.
(4)Dat de weg voldoende uitgerust is, is géén punt van betwisting, zodat daarop niet verder moet ingegaan worden”. 6.
- Beoordeling 6.2.
- Het kwestieuze perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint- Niklaas - Lokeren gelegen in bosgebied. 6.2.
- Artikel 12, 4.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (hierna: het Inrichtingsbesluit) luidt als volgt : “De bosgebieden zijn de beboste of de te bebossen gebieden, bestemd voor het bosbedrijf. Daarin zijn gebouwen toegelaten, noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen, evenals jagers- en vissershutten, op voorwaarde dat deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk. De overschakeling naar agrarisch gebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden”. 6.2.
- Artikel 23, 1/ van het Inrichtingsbesluit, zoals van toepassing op het ogenblik van het bestreden besluit, luidt als volgt : “Onverminderd artikel 21 en artikel 6, zijn de navolgende regelen van toepassing in alle gebieden niet zijnde woongebieden, met uitsluiting van de industriegebieden, de ontginningsgebieden, de natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de overstromingsgebieden. 1/ Bij uitzondering kunnen verkavelingen en bouwwerken worden toegestaan, voor zover deze de goede plaatselijke ordening niet schaden en de bestemming van het gebied niet in gevaar brengen, en voor zover de grond op de dag van de inwerkingtreding van het gewestplan of ontwerp-gewestplan gelegen is binnen een huizengroep en aan dezelfde kant van een openbare weg, X-9067-9034-9046-6414-6415-31/36 niet zijnde een aardeweg, en die voldoende uitgerust is, gelet op de plaatselijke toestand. (...)”. 6.2.
- Het wordt niet betwist dat de kwestieuze verkaveling op zich strijdig is met de bestemming bosgebied. Het dient derhalve te worden onderzocht of terecht toepassing werd gemaakt van artikel 23, 1/ van het Inrichtingsbesluit. Deze bepaling stelt een aantal voorwaarden voor de toepasbaarheid van de opvulregel. Eén van die voorwaarden bestaat erin dat het perceel “op de dag van de inwerkingtreding van het gewestplan of ontwerp-gewestplan gelegen is binnen een huizengroep en aan dezelfde kant van een openbare weg”. 6.2.
- In het bestreden besluit wordt het volgende overwogen : “Overwegende dat het beschikkend gedeelte van het eensluidend advies dat bij toepassing van voornoemde wet door de gemachtigde ambtenaar als volgt luidt : GUNSTIG, in toepassing van artikel 23 §1 van het K.B. dd. 28/12/1972 (de aanpalende verkaveling rechts is goedgekeurd bij M.B. dd. 3/09/1992) (...) Overwegende dat de verkaveling gelegen is binnen een huizengroep; huizen die ontworpen zijn op de nevenliggende verkaveling”. 6.2.
- In het bestreden besluit wordt er aldus bij de beoordeling van het begrip “huizengroep” uitgegaan van ontworpen huizen. Noch artikel 23, 1/, noch enige andere bepaling van voormeld Inrichtingsbesluit, definiëren het begrip “huizengroep”. Het komt de Raad van State toe te onderzoeken of de bestreden beslissing aan dat begrip zijn juiste draagwijdte heeft gegeven. In tegenstelling tot wat de eerste verwerende partij beweert, betreft het geven van de juiste interpretatie aan een begrip niet de opportuniteit, doch de wettigheid van de beslissing. Het desbetreffende onderzoek heeft dan ook geen betrekking op de vraag of het bestreden besluit al dan niet kennelijk onredelijk is. Daargelaten de vraag of “huizen die ontworpen zijn op de neven liggende verkaveling” kunnen beschouwd worden als deel uitmakende van een “huizengroep” dient vastgesteld dat bij arrest nr. 184.260 van heden de verkavelingsvergunning en de met toepassing daarvan verleende bouwvergunningen werden vernietigd. Dit alleen volstaat reeds om te besluiten tot de gegrondheid van het middel. X-9067-9034-9046-6414-6415-32/36
- De gegrondheid in de zaak A.55.682 In het derde middel roept de eerste verzoeker de onwettigheid van de verkavelingsvergunning van 7 juni 1993 in. Hierboven werd die verkavelingsvergunning onwettig bevonden, hetgeen leidt tot de vernietiging ervan. Derhalve zijn de beide kapvergunningen, die uitsluitend gesteund zijn op die verkavelingsvergunning, eveneens onwettig.
- De onontvankelijkheid van het beroep in de zaak A.55.859 Ten gevolge van de vernietiging van de bestreden besluiten in de zaken A.53.511 en A.55.682 is het beroep zonder voorwerp geworden.
- De gegrondheid in de zaak A.58.281 In het tweede middel roept de verzoeker de onwettigheid van de verkavelingsvergunning van 7 juni 1993 in. Hierboven werd die verkavelingsvergunning onwettig bevonden, hetgeen leidt tot de vernietiging ervan. Derhalve zijn de bouwvergunning, die uitsluitend gesteund is op die verkavelingsvergunning, en de beslissing van de gemachtigde ambtenaar waarbij op grond van artikel 51 van de Stedenbouwwet een afwijking wordt verleend voor de voormelde verkavelingsvergunning, eveneens onwettig. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De zaken A.53.511/X-9067, A.55.682/X-9034, A.55.859/X-9046, A.58.281/X-6414 en A.64.442/X-6415 worden gevoegd. Artikel
- De verzoeken tot tussenkomst van de n.v. George DHOLLANDER in de zaken A.53.511, A.55.682, A.55.859 en A.58.281 worden afgewezen. Het verzoek tot tussenkomst van Wim VERSTRAETEN in de zaak A.55.859 wordt afgewezen. X-9067-9034-9046-6414-6415-33/36 Artikel
- De afstand in hoofde van de tweede verzoekende partij in de zaak A.53.511 wordt vastgesteld. De afstand in hoofde van de tweede verzoeker in de zaken A.55.682 en A.58.281 wordt vastgesteld. De afstand van de tweede verzoekster in de zaak A.64.442 wordt vastgesteld. Artikel
- De vordering tot het opleggen van een dwangsom in de zaak A.58.281 wordt verworpen. Artikel
- Vernietigd worden :
- het besluit van 7 juni 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan Heinrich Klaus de vergunning wordt afgegeven voor het verkavelen van een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/b,
- het besluit van 28 augustus 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan Kris Keymeulen de vergunning wordt verleend voor het kappen van bomen voor de aanleg van een oprit en het bouwrijp maken van een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/b,
- het besluit van 4 oktober 1993 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan Peter De Saegher - Ferket de vergunning wordt verleend voor het rooien van bomen ten behoeve van het inplanten van een woning en het verwijderen van struiken op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/b (deel),
- het besluit van 2 april 1994 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Stekene waarbij aan Kris Keymeulen de vergunning wordt verleend voor het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Stekene, Polken, kadastraal bekend sectie B, nr. 651/b (deel), en
- het besluit van 22 maart 1994 van de gemachtigde ambtenaar houdende wijziging van de verkavelingsvergunning van 7 juni
- X-9067-9034-9046-6414-6415-34/36 Artikel
- Het beroep in de zaak A.55.682 wordt verworpen in hoofde van de derde verzoekende partij. Het beroep in de zaak A.58.281 wordt verworpen in hoofde van de derde verzoekende partij. Het beroep in de zaak A.64.442 wordt verworpen in hoofde van de eerste verzoekende partij. Artikel
- Het beroep in de zaak A. 55.859 wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep in de zaak A.53.511, bepaald op 198,32 euro, komen ten belope van 99,16 euro ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft, en ten belope van 99,16 euro, ten laste van de tweede verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst in de zaak A.53.511, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. De kosten van het beroep in de zaak A.55.682, bepaald op 297,48 euro, komen ten belope van 198,32 euro ten laste van de tweede en derde verzoekende partijen, ieder voor de helft, en ten belope van 99,16 euro ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomsten in de zaak A.55.682, bepaald op 223,11 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor een derde. De kosten van het beroep in de zaak A.55.859, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomsten in de zaak A.55.859, bepaald op 297,48 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor een vierde. De kosten van het beroep in de zaak A.58.281, bepaald op 297,48 euro, komen ten belope van 198,32 euro ten laste van de tweede en derde verzoekende partijen, ieder voor de helft, en ten belope van 99,16 euro ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. X-9067-9034-9046-6414-6415-35/36 De kosten van de tussenkomst in de zaak A.58.281, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. De kosten van het beroep in de zaak A.64.442, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekers, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst in de zaak A.64.442, bepaald op 148,74 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, de H. P. LEFRANC, staatsraad, door de voorzitter van de Raad van State aangewezen ter vervanging van mevr. Ch. BAMPS, wettelijk verhinderd na de debatten te hebben bijgewoond en na te hebben deelgenomen aan het beraad; Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9067-9034-9046-6414-6415-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.261 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div