← België

Arrest 184287 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.287 Rolnummer: A. 83305/X-8861 Zaak: Arrest 184287 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-04 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:14 Fiche Arrest nr 184.287 van 17 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.287 van 17 juni 2008 in de zaak A. 83.305/X-8861. In zake : 1. Patrick REDANT, 2. Ingrid KNAPEN, die woonplaats kiezen bij advocaten L. LEYS en J. HAMELS, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, Koning Leopold I-straat 20 tegen : 1. de gemeente KEERBERGEN, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat E. PLAVSIC, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Huidevetterstraat 22-24. tussenkomende partij : de n.v. KIBEKA, die woonplaats kiest bij advocaat D. BLOMMAERT, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick REDANT en Ingrid KNAPEN op 2 april 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 december 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Keerbergen, waarbij aan de n.v. KIBEKA de bouwvergunning wordt verleend voor de regularisatie en het bouwen van een keerwand en een toegangspoort aan de E. Opdebeecklaan te Keerbergen, kadastraal bekend sectie A, nrs. 196/a en 248/c; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 5 november 1999 ingediend door de n.v. KIBEKA; Gelet op de beschikking van 22 december 1999 die de tussenkomst van de n.v. KIBEKA toelaat; X-8861-1/15 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 2 maart 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. TIMMERMANS, die loco advocaten L. LEYS, J. HAMELS en K. GORIS verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat M. HERTEGONNE, die loco advocaat E. PLAVSIC verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat Y. SACREAS, die loco advocaat D. BLOMMAERT verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging Op 27 april 2000 hebben de verzoekers aan de Raad van State een de “2 memorie van wederantwoord na verzoekschrift tot tussenkomst” toegezonden. Het indienen van een dergelijke memorie is niet voorzien in het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: het procedurereglement). Zij wordt om deze reden uit de debatten geweerd. X-8861-2/15 2. Feiten 2.1. De verzoekers zijn eigenaar van een perceel bouwgrond dat is gelegen aan de Emiel Opdebeecklaan te Keerbergen, kadastraal bekend sectie A, nr. 243/l/deel. Dat perceel paalt aan het perceel nr. 248/c dat eigendom is van de tussenkomende partij. 2.2. In een overeenkomst van 15 maart 1996, waarbij de verzoekers onder voorwaarden zijn overeengekomen om de bouwgrond aan te kopen, is als vierde bijzondere voorwaarde vermeld: “Huidige kopers geven hierbij de toelating aan de eigenaars van het aanpalend perceel nr. 248/c om op het thans verkochte perceel de nodige grondwerken te laten uitvoeren noodzakelijk teneinde de toegangsweg op het aanpalend perceel berijdbaar te maken, dit met minimale hoogteverschillen en op kosten van de aanpalende eigenaar (van nr. 248/c)”. 2.3. Het perceel nr. 248/c, waarop het bestreden besluit -net als het perceel nr. 196/a- betrekking heeft, ligt volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven in woongebied met nadere aanwijzing woonpark. Het maakt tevens deel uit van een verkaveling waarvoor op 19 oktober 1964 de vergunning werd verleend, gewijzigd bij vergunningen verleend op 23 juni 1971 en 27 september 1979. Voor het gebied waarin de betrokken percelen zijn begrepen, bestaat geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg. Er bestaat wel een algemeen plan van aanleg dat bij koninklijk besluit van 4 december 1993 is goedgekeurd. 2.4. In de loop van het jaar 1996 heeft de tussenkomende partij op haar eigendom zonder voorafgaandelijke vergunning een toegangsweg aangelegd. Die werken zijn op bepaalde plaatsen gepaard gegaan met aanmerkelijke reliëfwijzigingen, derwijze dat daar een met treinbiels ondersteunde keermuur is ontstaan, waar bovenop nog een afsluiting is aangebracht. 2.5. Met betrekking tot die werken dient de tussenkomende partij op 21 februari 1997 (datum van het ontvangstbewijs) bij het college van burgemeester en schepenen van Keerbergen een aanvraag in tot “regularisatie en bouwen van keerwand en wegenis”. De aanvraag wordt op 21 februari 1998 gewijzigd in “regularisatie en bouwen keerwand en toegangspoort”. X-8861-3/15 Het betrokken college van burgemeester en schepenen verleent in zitting van 10 september 1998 een gunstig preadvies over de aanvraag en stelt, in toepassing van artikel 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het coördinatiedecreet), voor om de nodige afwijkingen toe te staan van de voorschriften van de geldende verkavelingsvergunning. Op 16 december 1998 brengt de gemachtigde ambtenaar volgend advies uit: “De ingediende aanvraag voor wat betreft de werken aangeduid onder de profielen 1 - 2 en 3 doen geen afbreuk aan de eigenheid van de verkaveling en brengen de goede ruimtelijke ordening van de plaats niet in het gedrang. De aangevraagde afwijking volgens de profielen 1 - 2 en 3 wordt toegestaan. De aangevraagde grondaanhoging volgens (...) profiel 4 brengt de goede aanleg van de plaats in het gedrang. Dergelijk grondverzet heeft een te grote (impact) tot gevolg voor zijn omgeving mede gelet op de naastliggende Spuibeek. De aanvraag voor wat betreft de grondaanhoging volgens profiel 4 wordt niet toegestaan”. Daarop neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Keerbergen op 23 december 1998 twee afzonderlijke besluiten. Wat betreft Profiel 4 wordt de vergunning geweigerd met volgende motivering: “Door de gemachtigde ambtenaar is de aanvraag om afwijking, toepassing art. 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals geformuleerd in onze beslissing van 10.09.1998 niet ingewilligd aangaande de voorgestelde terreinaanhoging volgens profiel 4. Het voorgestelde grondverzet heeft een te grote impact tot gevolg voor zijn omgeving. De voorgestelde terreinophoging volgens profiel 4 is niet in overeenstemming met de stedenbouwkundige voorschriften vermeld in de bijlage Ib, voor de zone voor tuinen IIIb, van toepassing gesteld in de verkavelingsvergunning dd. 17.10.1964 en wijziging verkavelingsvergunning dd. 23.06.1971”. Bij het bestreden besluit wordt voor de profielen 1, 2 en 3 de bouwvergunning wel verleend. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Het ingediende ontwerp is wat betreft zijn vormgeving, inplanting, aard en kleur van zijn materiaalgebruik in harmonie met de omgeving en door toepassing van art. 49 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996, tot afwijking van de voorschriften van de verkavelingsvergunning ingewilligd door de gemachtigd ambtenaar op 16.12.1998 betreffende het oprichten van een keerwand en aanleg van een verharde toegangsweg op kavel 2; volgens profiel 1, 2 en 3 met uitsluiting van X-8861-4/15 de wijzigingen binnen profiel 4, in overeenstemming met de voorschriften van de verkavelingsvergunning dd. 17.10.1964, gewijzigd op 23.06.1971”. 3. Ontvankelijkheid 3.1. Belang 3.1.1. De verwerende partij merkt op dat het belang van de verzoekers “twijfelachtig” is gezien op de plaats waar de grootste reliëfwijziging werd gerealiseerd de vergunning werd geweigerd. 3.1.2. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekers eigenaar zijn van een perceel dat onmiddellijk paalt aan het perceel waarop de bestreden bouwvergunning betrekking heeft. Zij doen daardoor alleen reeds blijken van het rechtens vereiste belang. 3.2. Bevoegdheid van de Raad van State 3.2.1. In een “voorafgaande opmerking” betwist de tussenkomende partij de bevoegdheid van de Raad van State om kennis te nemen van het geschil, gezien dit in werkelijkheid betrekking heeft op “burenhinder, eigendomsrecht of recht op schadevergoeding”, en de verzoekende partijen niet aantonen dat de bestreden bouwvergunnning onwettig is. 3.2.2. De verzoekende partijen streven met het voorliggende beroep de nietigverklaring na van een eenzijdige administratieve rechtshandeling, en niet om uitspraak te doen over een geschil omtrent burgerlijke rechten. In de mate de tussenkomende partij aanvoert dat de verzoekers niet aantonen dat de bestreden bouwvergunning onwettig is, valt de exceptie samen met het onderzoek van de grond van de zaak. 4. Ten gronde 4.1. Eerste middel 4.1.1. Standpunt van de partijen X-8861-5/15 4.1.1.1. In hun verzoekschrift voeren de verzoekers in een eerste middel aan: “Nu enkel de eigendom van de N.V. ‘KIBEKA’ deel uitmaakte van een vergunde en nog niet vervallen verkaveling, maar de eigendom van verzoekers daarbuiten viel, terwijl het bouwen met een + 2.50 m hoge keermuur met daarboven op een afsluiting naar redelijkheid met het aanbrengen van een “scheidsmuur” moest vereenzelvigd worden, is de Gemeente Keerbergen - zelfs louter formeel - aan de arts. 45-§ 3-2 en 57-§1-1 opgelegde verplichting van de ingediende aanvraag tot bouwvergunning de aanpalende eigenaar(

  1. s)in kennis te stellen, te kort gekomen”. 4.1.1.2. De tweede verwerende partij antwoordt samengevat dat zij tevergeefs in de bepalingen van artikel 45, § 3 en 57, § 1 van het coördinatiedecreet passages heeft gezocht die het standpunt van de verzoekers in rechte zouden kunnen staven. 4.1.1.3. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekers nog onder de hoofding “betreffende het eerste middel - tekortkoming arts. 45 §3-2/ en 57 § 1 - 1/”: “- Aangezien verwerende partij er in de eerste plaats de aandacht op vestigt dat de door eisers aangeduide wetsartikelen niet meer overeenstemmen met deze van het coördinatiedecreet; Dat zulks niet belet dat voldoende duidelijk is op welke wetsartikelen het verhaal van eisers slaat; Dat het Coördinatiedecreet trouwens inhoudelijk geen vroegere wetgeving heeft afgeschaft, hetgeen trouwens door verwerende partij in hun memorie wordt toegegeven, waar zij de aangeduide wetsartikels als een “herneming” van reeds voorafbestaande wetsartikelen beschouwt (...) - Aangezien het anderzijds slechts van redelijkheid zou getuigd hebben dat verwerende partij - geconfronteerd met een regularisatievoorstel op de grens van kavels binnen en buiten een BPA - de regelgeving zou hebben gevolgd, die van toepassing is op de betrokken eigendommen met een minder-beschermd statuut, in casu de kavels buiten het BPA”. 4.1.1.4. De tussenkomende partij merkt op dat de door de verzoekende partijen aangehaalde wetsbepalingen geen formele openbaarmaking voorzien. 4.1.1.5. De verzoekers voeren in hun laatste memorie niets meer toe aan hetgeen zij met betrekking tot het eerste middel reeds hebben uiteengezet. 4.1.2. Onderzoek van het middel X-8861-6/15 4.1.2.1. Een middel in de zin van artikel 2, § 1, 2) (thans: artikel 2, §1, 3/) van het procedurereglement is slechts ontvankelijk wanneer het voldoende duidelijk aangeeft welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel door de bestreden handeling is geschonden en op welke wijze die regel of dat beginsel worden geschonden. 4.1.2.2. In casu roepen de verzoekers de schending in van de artikelen “45-§3-2 en 57-§1-1” zonder daarbij aan te geven van welke wet, decreet, besluit of reglementaire akte die artikelen deel uitmaken. Gelet op de aard van het bestreden besluit kan geredelijk worden aangenomen dat de verzoekers de artikelen 45 en 57 van de wet van 29 maart 1962 bedoelen, op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit de artikelen 43 en 55 van het coördinatiedecreet. Deze artikelen bepaalden echter niets over een “in kennis stellen” van de “aanpalende eigenaar(s)” inzake een “ingediende aanvraag tot bouwvergunning”. De tweede verwerende partij stelt dan ook terecht in haar memorie van antwoord dat ze “tevergeefs in deze bepalingen passages (heeft) gezocht die het standpunt van verzoekers in rechte zouden kunnen staven”. Het eerste middel is niet ontvankelijk. 4.2. Tweede middel 4.2.1. Standpunt van de partijen 4.2.1.1. In het verzoekschrift voeren de verzoekers een tweede middel aan: “Nu vaststaat (cfr. stukken 4 tot 6 der overtuigingsstukken) dat de Gemeente Keerbergen op de hoogte was van de tussen verzoekers en de N.V. ‘KIBEKA’ gerezen moeilijkheden, is bezwaarlijk met de beginselen van “behoorlijk bestuur” (te verenigen) dat de Gemeente eerst verzoekers naar de burgerlijke rechter verwijst (cfr. stuk 6), daarna 1) op 10 september 1998 voorstelt af te wijken van het bestaande verkavelingsplan en 2) op 23 december 1998 een regularisatie-bouwvergunning verleent - zonder verzoekers hiervan op enige wijze in kennis te stellen, laat staan erbij te betrekken”. 4.2.1.2. De tweede verwerende partij antwoordt samengevat dat er in hoofde van de gemeente op generlei wijze een schending van het principe van behoorlijk bestuur te noteren valt. X-8861-7/15 4.2.1.3. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekers onder de hoofding “betreffende de miskenning van de principes van behoorlijk bestuur”: “Aangezien het feit dat de op burgerlijk vlak voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven aangespannen procedure een eigen voorwerp heeft - o.m. ‘de re integranda’ de teruggave te bekomen van de ten onrechte ingepalmde grond en het herstel van de toestand in zijn oorspronkelijke staat - niet belet dat de houding van de Gemeente Keerbergen, er in bestaande eisers te verwijzen naar de burgerlijke rechter terwijl men zelf op administratief vlak een regularisatievergunning indient, steunt en uitvaardigt eerder als een handelswijze ter kwader trouw moet worden gekenmerkt, laat staan als een aanfluiting van de principes van behoorlijk bestuur: - men kan de gevolgde handelswijze bezwaarlijk overeen brengen met het principe van ‘fairplay’ tussen bestuur en burger (...); - in tegendeel wordt grof te kort gekomen aan de informatieverplichting van de overheid ten overstaan van zijn rechtsonderhorigen (...)”. 4.2.1.4. De tussenkomende partij stelt dat er in hoofde van het gemeentebestuur geen verplichting bestond om de verzoekers in de vergunningsprocedure te betrekken of te kennen, en dat het bestaan van een burgerrechtelijk geschil daar niets aan wijzigt. 4.2.1.5. In hun laatste memorie voeren de verzoekers inzake het tweede middel nog aan: “Verzoekers benadrukken dat de gemeente perfect op de hoogte was van de gegronde argumenten tegen de uitgevoerde constructie van de vrijwillig tussenkomende partij (lichtinval, wateroverlast, veiligheid, schending van de privacy en zinloosheid van de constructie) en toch worden deze nergens weerlegd of besproken in de motivatie die nodig is om een afwijking van de verkavelingsvoorschriften te bekomen. De enige motivatie die aangehaald wordt is het in harmonie zijn van het gebruikte materiaal qua vormgeving, inplanting, aard en kleur zonder hierin onderscheid te maken tussen P1, P2 en P3 of over de bijhorende profielwijzigingen te spreken. Nergens worden de vroegere of nieuwe hoogtes of afstanden tot de grenslijn besproken. Behoorlijk bestuur vraagt toch dat men aan de mensen, die vroeger reeds degelijke argumenten naar voren brachten om een constructie niet te vergunnen, de kans geeft die naar voren te brengen of dat men op zijn minst deze argumenten bestudeert”. 4.2.2. Onderzoek van het middel De verzoekers voeren in hun verzoekschrift de schending aan van “de beginselen van behoorlijk bestuur”. Op basis van hun uiteenzetting kan evenwel X-8861-8/15 niet worden vastgesteld op welk beginsel van behoorlijk bestuur zij zich beroepen om betrokken te worden in een administratieve procedure waarin zij geen partij zijn. Met de verduidelijkingen die hierover worden gegeven in de memorie van wederantwoord (“principe van fairplay”) en in de laatste memorie kan geen rekening worden gehouden, aangezien deze verduidelijkingen reeds in het verzoekschrift tot nietigverklaring hadden kunnen worden aangevoerd. Een initieel onontvankelijk middel kan niet ontvankelijk worden gemaakt door aanvullingen in latere memories. Met verwijzing naar hetgeen reeds onder randnummer 4.1.2.1. is vermeld, dient dan ook te worden vastgesteld dat de verzoekers op onvoldoende duidelijke wijze aangeven welke rechtsregel zij door de bestreden handeling geschonden achten. Het tweede middel is eveneens niet ontvankelijk. 4.3. Derde middel 4.3.1. Standpunt van de partijen 4.3.1.1. In hun verzoekschrift voeren de verzoekers een derde middel aan: “Deze tekortkoming aan de beginselen van ‘behoorlijk bestuur’ en ‘openbaarheid van bestuursdocumenten’ is in het concrete geval des te flagranter, nu - in tegenstelling van wat het geval is voor de geburen van wie aanvangt met bouwwerken - de aandacht van verzoekers op geen enkele wijze kan gaande gemaakt worden vermits de werken, waarvoor regularisatie gevraagd wordt, voltooid zijn; terwijl de eersten gebruik kunnen maken van het inzagerecht, hun verleend bij art. 63-§1-2 van de Wet op Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening dd. 29 maart 1962 en art. 2 dd. 6 februari 1971, blijkt zulks voor verzoekers dode letter, nu ze niet kunnen merken wat als het ware ‘binnenkamers’ bekokstoofd wordt”. 4.3.1.2. De tweede verwerende partij antwoordt samengevat dat het middel dermate verwarrend en tegenstrijdig is geformuleerd dat het als ongegrond dient te worden afgewezen. 4.3.1.3. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekers onder de hoofding “betreffende de miskenning van de principes van behoorlijk bestuur en inzagerecht”: “- Aangezien verwerende partij in de eerste plaats een loutere verschrijving in de dactylografie van het verzoekschrift aangrijpt om de niet-ontvankelijkheid van het middel te pleiten; X-8861-9/15 Dat uit het betoog van verwerende partij nochtans duidelijk blijkt dat zij wel degelijk beseffen waarop het middel van eisers slaat. - Aangezien verwerende partij echter met geen woord rept over het inhoudelijke aspect van het middel, namelijk dat eisers, voor wie de voltooide bouwwerken een voldragen en voltooid feit zijn, in een zwakkere situatie verkeren dan het geval zou zijn wanneer de betwiste bouwwerken nog zouden worden aangevat, laat staan dat er nog stedenbouwkundige toelating voor diende te worden aangevraagd; Dat het verwijt van verwerende partij als zouden eisers maar regelmatig de bouwvergunning hebben moeten controleren, dan ook geen hout snijdt”. 4.3.1.4. De tussenkomende partij stelt dat de vergunningverlenende overheid bij de behandeling van het aanvraagdossier niets te verwijten valt, gezien alle wettelijke en reglementaire bepalingen werden nageleefd. 4.3.1.5. In hun laatste memorie voegen de verzoekers niets meer toe aan hetgeen zij met betrekking tot het derde middel reeds hebben uiteengezet. 4.3.2. Onderzoek van het middel Zoals bij de vorige twee middelen moet ook met betrekking tot het derde middel worden vastgesteld dat de verzoekers in hun uiteenzetting in het verzoekschrift niet op voldoende duidelijke wijze aangeven welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel zij geschonden achten en de wijze waarop dit zou zijn geschied. Het derde middel is niet ontvankelijk. 4.4. Vierde middel 4.4.1. Standpunt van de partijen 4.4.1.1. In hun verzoekschrift voeren de verzoekers een vierde middel aan: “Nog meer wordt aan het beginsel van ‘behoorlijk bestuur’ getornd, nu 1) de regularisatieaanvraag de rechtzetting van een in principe onrechtmatige situatie en van eigenmachtig ingrijpen betrof, 2) deze regularisatie bij evidentie van aard was een bestaande toestand, waarop verzoekers mochten rekenen, alleszins in hun nadeel te wijzigen”. 4.4.1.2. De tweede verwerende partij antwoordt samengevat dat het enig nadeel dat verzoekers zouden kunnen lijden ten gevolge van de ophogingswerken het voorwerp moet uitmaken van een procedure voor de burgerlijke rechtbank en dat X-8861-10/15 er een wettelijk en reglementair kader bestaat waarbinnen een regularisatievergunning kan worden uitgereikt of geweigerd. 4.4.1.3. In hun memorie van wederantwoord voeren de verzoekers niets specifiek aan inzake het vierde middel. 4.4.1.4. De tussenkomende partij beantwoordt dit middel niet. 4.4.1.5. In hun laatste memorie voeren de verzoekers met betrekking tot hun vierde middel nog aan: “Verzoekers benadrukken dat aan beginselen van behoorlijk bestuur wordt getornd. Hoe kan men zeggen dat het om een weigering gaat van een bouwvergunning, als drie van de vier punten worden vergund, toevallig de drie punten die reeds bestaan, terwijl het vierde punt dat nog niet gerealiseerd is geweigerd wordt. Bovendien schrijft de Gemeente Keerbergen op 28/1/1999 (...) aan de firma KIBEKA zelf: “Wij hebben het genoegen U te melden dat het schepencollege in de zitting van 23 december 1998 een gunstig gevolg heeft verleend aan uw verzoek.” Er wordt zelfs niet gesproken over P4. De vergunning werd duidelijk vergund op basis van reeds uitgevoerde werken zonder degelijke motivering. Door het herhaaldelijk aanhalen van de weigering van P4, en aangezien dit het enige punt van de regularisatieaanvraag is dat nog niet werd uitgevoerd, wordt alleszins de indruk gegeven dat de beslissing niet genomen werd op basis van een gegronde motivering. Een ongunstig advies voor de profielen P1, P2 en P3 leveren had tevens betekend dat de gemeente zich diende te engageren om de constructie te laten afbreken, wat werk en kosten met zich meebrengt. Het beginsel van behoorlijk bestuur wordt hier wel degelijk geschonden”. 4.4.2. Onderzoek van het middel Ook met betrekking tot dit middel moet worden vastgesteld dat de verzoekers geen ontvankelijke wettigheidskritiek aanvoeren. Ze geven immers niet aan welk beginsel van behoorlijk bestuur zij precies geschonden achten. Het vierde middel is niet ontvankelijk. 4.5. Vijfde middel 4.5.1. Standpunt van de partijen 4.5.1.1. In hun verzoekschrift voeren de verzoekers een vijfde middel aan: X-8861-11/15 “De hierbij aangevochten beslissing dd. 23 december 1998 beantwoordt - evenmin trouwens als het advies van de gemachtigde ambtenaar dd. 16 december 1998 - aan de ‘motiveringsverplichting’, die geldt sinds de wet van 29 juli 1991 en het decreet (...); zowel het advies van de gemachtigde ambtenaar, als het bestreden gemeenteraadsbesluit dd. 23 december 1998, bevatten slechts niet-verifieerbare gemeenplaatsen; zelfs indien het advies van de gemachtigde ambtenaar als voldoende gemotiveerd zou worden beschouwd (quod non), dan nog volstaat de loutere verwijzing hiernaar (
  2. in)het bestreden besluit als motivering niet”. 4.5.1.2. De tweede verwerende partij antwoordt samengevat dat de verzoekers op afdoende wijze geïnformeerd waren over de juiste draagwijdte van de bouwvergunning door de overname van het integrale advies van de gemachtigde ambtenaar. 4.5.1.3. In hun memorie van wederantwoord stellen de verzoekers onder de hoofding “betreffende de miskenning van de motiveringsverplichting”: “Aangezien - in tegenstelling met wat verwerende partij beweert - de bestreden beslissing van de Gemeente Keerbergen als enig motivering een verwijzing naar het conform advies van de gemachtigde ambtenaar bevat en derhalve niet of onvoldoende gemotiveerd is - zeker wanneer deze aan de betrokken rechtsonderhorige niet bekend is - zoals in casu; Dat algemeen aanvaard wordt dat zulke motivering niet beantwoordt aan de motiveringsverplichting, gesteld bij de wet van 29 juli 1991 en het decreet dd. 23 oktober 1991 (...)”. 4.5.1.4. De tussenkomende partij stelt dat het bestreden besluit uitdrukkelijk vermeldt dat de vormgeving, de inplanting, de aard en de kleur van de materialen zoals voorzien door het voorgestelde project in harmonie zijn met de omgeving, en wat betreft de weigering van profiel 4, dat het uitdrukkelijk het advies van de gemachtigde ambtenaar heeft overgenomen, zodat ten onrechte wordt gesteld dat het bestreden besluit slechts “niet verifieerbare gemeenplaatsen” bevat. 4.5.1.5. In hun laatste memorie voeren de verzoekers inzake hun vijfde middel nog aan: “Er wordt duidelijk tekort geschoten aan de motiveringsverplichting. Het is heel makkelijk om naar fotomateriaal, plannen en een omgevingskaart te verwijzen als men deze dan niet grondig bestudeert of bespreekt. Slechts enkele gemeenplaatsen zoals vormgeving, inplanting, aard en kleur van het materialengebruik worden besproken. Alle andere elementen (veiligheid, lichtinval, wateroverlast, privacy en nut van de constructie) komen niet aan bod. X-8861-12/15 Naar veiligheid toe had men bij een degelijk(
  3. e)analyse kunnen vaststellen dat een constructie met een hoogte van 2,53 m onmogelijk op zijn plaats kan gehouden worden door deze 20 cm in de grond te steken, zoals aangegeven op de door de tussenkomende partij ingediende plans, zeker indien deze mogelijk door boomwortels kan weggeduwd worden. Naar privacy toe moet men toch beseffen dat personen die zich op de 2m50 hoge toegangsweg bevinden rechtstreeks in de slaap- en of badkamer binnenkijken alsook op het terras in de diepte. Op de omgevingskaart kan men vaststellen dat de constructie aan de zuidkant van het perceel R-K ligt zodat deze 3m70 hoge muur (2m50 keerwand + 1m20 dichtgegroeide afsluiting) het terras en de aangrenzende ruimtes in de schaduw stelt. Als men het ter beschikking zijnde materiaal slechts oppervlakkig bestudeert, kan men slechts tot een gebrekkige motivatie en besluitvorming komen, die slechts enkele gemeenplaatsen bevat. Ondanks het ter beschikking gestelde materiaal bevat de besluitvorming geen enkel verifieerbaar gegeven. P1, P2 en P3 worden niet apart besproken en nergens wordt er noch door de gemachtigde ambtenaar, noch door het College van de gemeente KEERBERGEN op gewezen dat noch P1, P2 en P3 reeds uitgevoerde werken betroffen en P4 nog niet uitgevoerde werken. Bovendien wordt nergens onderzocht of het beoogde doel ook kon bereikt worden middels een andere constructie. In die zin is het deskundig eindverslag, dat werd neergelegd in de burgerlijke procedure, van uitzonderlijk belang waarin duidelijk aangetoond wordt dat het beoogde doel duidelijk op een andere manier kon worden bekomen. Dit deskundig eindverslag wordt dan ook als bijkomend stuk neergelegd, evenals de synthesebesluiten neergelegd voor het Hof van Beroep te BRUSSEL. Bijgevoegd laten verzoekers U het stuk 12 geworden, zijnde een brief van hun landmeter de heer VAN IMPE aan het ministerie van de vlaamse gemeenschap en de gemeente KEERBERGEN dd. 20 februari 1999, waarin hij duidelijk stelt geen inzage te hebben gekregen in het regularisatiedossier. Bovendien worden hierin de problemen waarmee verzoekers kampen uitdrukkelijk besproken. Uit bovenvermeld deskundig eindverslag blijkt bovendien heel duidelijk: ‘dat de opmetingen van de architecten HELSEN-VAN COM (p 8/12) voor de regularisatieaanvraag niet stroken met de opmetingen uitgevoerd door de landmeter expert MICHIELS, aangesteld door de Rechtbank.’ Bovendien blijkt uit dit deskundig eindverslag eveneens duidelijk (p. 12/12) dat: de regularisatie niet is opgemaakt overeenstemmend met de bestaande toestand. Deze regularisatie kan aldus niet als juist aanzien worden. Dit is een objectief gegeven. In huidige procedure krijgt de tussenkomende partij de kans haar argumenten naar voren te brengen. Ze worden vermeld en besproken. Ditzelfde recht had verzoekende partij graag gehad bij het tot stand komen van de regularisatie”. 4.5.2. Onderzoek van het middel 4.5.2.1. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekers voorhouden bevat het bestreden besluit, naast de verwijzing naar het advies van de gemachtigde ambtenaar, ook een eigen redengeving van het college van burgemeester en X-8861-13/15 schepenen van de gemeente Keerbergen. De tweede verwerende partij en de tussenkomende partij stellen dan ook terecht dat het betrokken college van burgemeester en schepenen zich inzake de motivering niet heeft beperkt tot de loutere verwijzing naar het gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. Het vijfde middel mist dan ook feitelijke grondslag. 4.5.2.2. De voor het eerst in de laatste memorie ter betwisting van de motivering aangevoerde argumenten die reeds in het verzoekschrift hadden kunnen worden aangevoerd, zijn, om de hiervoor reeds uiteengezette redenen, niet ontvankelijk. 4.5.2.3. Het vijfde middel wordt verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekers, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, X-8861-14/15 A. TRUYENS. R. STEVENS. X-8861-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.