← België

Arrest 184301 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.301 Rolnummer: A. 188499/X-13801 Zaak: Arrest 184301 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-20 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:14 Fiche Arrest nr 184.301 van 17 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.301 van 17 juni 2008 in de zaak A. 188.499/X-13.

  1. In zake :
  2. Bart VANSCHOEBEKE,
  3. Leen DESMET, die woonplaats kiezen bij advocaat K. VRIJGHEM, kantoor houdende te 8530 HARELBEKE, Kortrijksesteenweg 387 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  4. tussenkomende partij : de n.v. BELGACOM MOBILE, die woonplaats kiest bij advocaten H. DE BAUW en K. LEUS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan
  5. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bart VANSCHOEBEKE en Leen DESMET op 9 juni 2008 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 13 mei 2008 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar houdende afgifte aan de n.v. BELGACOM MOBILE van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een telecommunicatiestation op een perceel gelegen te Dentergem, Kapellestraat, kadastraal bekend sectie B, nr. 771/v; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 10 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; X-13.801-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VRIJGHEM, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat V. TOLLENAERE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat S. VAN HOECKE, die loco advocaat H. DE BAUW verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  6. De rechtspleging Met een verzoekschrift van 13 juni 2008 heeft de n.v. BELGACOM MOBILE gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
  7. De feiten 2.
  8. Op 21 juni 2007 vraagt de tussenkomende partij aan de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar een stedenbouwkundige vergunning om op het boven vermelde perceel een telecommunicatiestation bestaande uit een buismast van 26 m hoogte en technische installaties aan de voet van de pyloon, op te richten. Het perceel is volgens het gewestplan Roeselare-Tielt gelegen in een woongebied. De installatie wordt gepland op de rand van een voetbalterrein en zal een bestaande verlichtingspyloon van 13,71 m hoogte vervangen. De verzoekende partijen wonen op een perceel dat paalt aan het kwestieuze perceel. Hun woning is circa 80 m in rechte lijn verwijderd van de vergunde constructie. 2.
  9. De FOD Mobiliteit en Vervoer verleent op 13 augustus 2007 een gunstig advies. X-13.801-2/12 2.
  10. Tijdens het openbaar onderzoek worden 293 bezwaren ingediend, waaronder 251 identieke bezwaarschriften. 2.
  11. Het college van burgemeester en schepenen verleent op 14 september 2007 gunstig advies. 2.
  12. Op 13 mei 2008 wordt de bestreden beslissing genomen, welke de aanvraag inwilligt.
  13. De schorsingsvoorwaarden Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat een ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kan verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  14. De uiterst dringende noodzakelijkheid 4.
  15. De verzoekende partijen voeren omtrent de hoogdringendheid het volgende aan : “
  16. Verzoekers vrezen dat het vergunde telecommunicatiestation, zijnde de plaatsing van een buispyloon en de realisatie van een betonplaat in een zeer korte tijdspanne kunnen worden opgericht. Desbetreffend is immers weinig voorbereidingswerk vereist, te meer daar de aanvraag reeds dateert van 16.07.2007 en de aanvrager - die bovendien zeer vertrouwd is met dergelijke realisaties - derhalve ongetwijfeld reeds alle voorbereidingen getroffen heeft zodat onmiddellijk na het verloop van de acht dagen vanaf de kennisgeving van de aanvatting van de werken, de oprichting - die evenmin veel tijd in beslag zal nemen - zal plaats vinden. In hoofde van verzoekers is dan ook de terechte vrees aanwezig dat, wanneer zij de afloop van een gewone schorsingsprocedure bij de Raad van State dienen af te wachten, de constructie reeds zal aanwezig zijn en de afhandeling van de zaak met inachtneming van de gewone schorsingsprocedure derhalve onmiskenbaar te laat zou komen.
  17. Verzoekers hebben vanwege het gemeentebestuur bij brief van 03.06.2008, ontvangen op 04.06.2008, kennis genomen van het bestreden besluit en waarna dus prompt de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is opgestart (...)”. X-13.801-3/12 4.
  18. Deze uiteenzetting overtuigt. De verwerende en de tussenkomende partijen betwisten wel dat een gewone schorsingsprocedure geen afdoende rechtsbescherming zou bieden, doch brengen geen concrete elementen aan waaruit zou kunnen blijken dat ten deze het bouwwerk niet kan zijn opgericht voor de beëindiging van dergelijke procedure. De desbetreffende schorsingsvoorwaarde is vervuld.
  19. Een ernstig middel 5.1.
  20. De verzoekende partijen voeren in hun eerste middel onder meer het volgende aan : “SCHENDING VAN: S ART. 5.1.0 (...) VAN HET K.B. VAN 28 DECEMBER 1972 BETREFFENDE DE INRICHTING EN DE TOEPASSING VAN DE ONTWERP-GEWESTPLANNEN EN GEWESTPLANNEN (HIERNA HET INRICHTINGENBESLUIT) (...) S ARTIKEL 2-3 WET 29 JULI 1991 BETREFFENDE DE UITDRUKKELIJKE MOTIVERING VAN BESTUURSHANDELING, VAN HET ALGEMEEN RECHTSBEGINSEL HOUDENDE FORMELE EN MATERIËLE MOTIVERING VAN BESTUURSHANDELINGEN
  21. De vergunde constructie zal in woongebied (art. 5.1.0 van het Inrichtingenbesluit) worden opgericht (zie het gewestplan Roeselare-Tielt - nr. 6). Woongebieden zijn bestemd voor (zie de omzendbrief van 08.07.1997 betreffende de inrichting en de toepassing van ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, gewijzigd via omzendbrief d.d. 24/1/2002 en 25/10/2002) wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voorzover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. De beoordeling van de stedenbouwkundige aanvraag moet derhalve de toetsing doorstaan (...) met de goede plaatselijke ordening. (...) De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Uit deze bepalingen volgt dat enkel met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan gehouden worden. In de motivering mag de overheid zich niet beperken tot inhoudsloze en nietszeggende stijlformules. Ze moet dus concreet en precies zijn, toegespitst op de voorliggende situatie (...).
  22. In het bestreden besluit is enkel vermeld dat (...) ‘de aanvraag principieel in overeenstemming is met het geldende plan, zoals hoger omschreven.’ Het bestreden besluit bevat geen concrete motivering over de nochtans vereiste verenigbaarheid van de beoogde constructie met de algemene bestemming van X-13.801-4/12 woongebied (...). Het verwijst enkel naar het advies van het college van burgemeester en schepenen van 01.09.
  23. Het vermeldt letterlijk (...): ‘Er zijn 293 [bezwaren] gerezen naar aanleiding van het openbaar onderzoek, waarvan 251 identieke petities/bezwaarschriften. De bezwaren handelen over plaatsing in zone voor sport en spel; visuele vervuiling, waardevermindering van onroerende goederen in de omgeving; gezondheid; gebrek aan bundeling operatoren en gebrek aan zorgvuldig handelen en onpartijdigheid van de gemeente. Evaluatie bezwaren Het college van burgemeester en schepenen heeft in zitting van 1/09/2007 alle bezwaren met redenen omkleed als ongegrond verklaard. Mijn administratie sluit zich aan met dit standpunt.’ Dat advies van het college van burgemeester en schepenen geeft inzake de verenigbaarheid met de omgeving enkel aan dat de beoogde constructie in woongebied het gebruik van het recreatie/voetbalterrein en het potentiële toekomstige gebruik als woonzone niet hypothekeert. Nog in het advies wordt voorgehouden dat de constructie wordt gerealiseerd nabij de bestaande bedrijfsgebouwen en de bestaande constructie op het voetbalterrein, waarbij geen visuele hinder wordt veroorzaakt aan de dichtstbij gelegen woning (van verzoekers) op ongeveer 80 meter (...). Aldus wordt echter niet op concreet en correct gemotiveerde wijze de toepassing van art. 5.1.0 (...) verantwoord (zie hierna), zodat de loutere beaming van het advies van het College van burgemeester en schepenen in het bestreden besluit niet dienend is, nu uit de inhoud ervan blijkt dat de al dan niet verenigbaarheid van de constructie met de onmiddellijke omgeving/het gebied niet concreet is gemotiveerd.
  24. Immers: het bestreden besluit, dat louter verwijst naar het advies van het college van burgemeester en schepenen: S (...) S negeert dat - met toepassing van het Inrichtingenbesluit (...) moet aangetoond worden dat dergelijke constructie concreet verenigbaar is met de algemene bestemming van het gebied en met de onmiddellijke omgeving”. 5.1.
  25. De verwerende partij repliceert : “Eerste onderdeel : verenigbaarheid met onmiddellijke omgeving
  26. De verzoekende partijen voeren aan dat het bestreden besluit geen concrete motivering zou bevatten over de verenigbaarheid van de constructie met de algemene bestemming woongebied (...)
  27. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit zich geenszins beperkt tot een verwijzing naar het advies van het college van burgemeester en schepenen waar het de goede ruimtelijke ordening beoordeelt. De verzoekende partijen verwijzen enkel naar de passage over het openbaar onderzoek en gaan volledig voorbij aan de rest van het bestreden besluit. In casu ligt de aanvraag in een woonzone conform het gewestplan Roeselare-Tielt (goedgekeurd bij KB van 17 december 1979). In deze zone gelden de stedenbouwkundige voorschriften van artikel 5.1.
  28. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (verder Inrichtingsbesluit) . X-13.801-5/12 ‘De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving.’ De bestreden beslissing besluit hieruit terecht dat de aanvraag principieel in overeenstemming is met het geldende plan. De verzoekende partijen betwisten trouwens niet dat het voorwerp van de aanvraag een openbare nutsvoorziening is (...). ( ... ) Conform het van toepassing zijnde artikel 5.1.
  29. van het Inrichtingsbesluit dient wel te worden nagegaan of het telecommunicatiestation verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving. In de bestreden beslissing wordt dit als volgt weergegeven : ‘Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en de aanvraag Het voorstel strekt tot het bouwen van een telecommunicatiestation bestaande uit een buismast van
  30. 00m hoogte en technische ruimten aan de basis voor 2 operatoren. De pyloon vervangt een bestaande verlichtingspyloon in vakwerk van 13.71m hoogte. Er wordt een antenne geplaatst voor Proximus en voor Base. Er komt ook nieuwe verlichting op de pyloon ten behoeve van de omliggende speelvelden. De dichtst bijzijnde woning ligt op circa
  31. 00m. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Gelet op de ligging in een geëigende zone volgens het gewestplan. De locatie voorziet in de plaatsing op de rand van een voetbalterrein. Deze inplanting en ontwerp is gekozen en doorgesproken in overleg met het gemeentebestuur. Het betreft een uiterst ranke pylon van 26.00m met radiotransparante kapconstructie, waarachter de antennes worden bevestigd. Via deze plaatsing worden de antennes aan het zicht onttrokken en blijft het geheel een esthetisch voorkomen hebben. Gelet dat de inplanting aansluiting zoekt met omvangrijke bedrijfsgebouwen op aanpalende percelen. Gelet dat het voorstel verenigbaar is met zijn omgeving. Gelet op de ongegrond bevonden bezwaren. Verwijzende naar gunstige adviezen van het gemeentebestuur, de cel Onroerend Erfgoed van het Agentschap R-O Vlaanderen inzake het archeologisch patrimonium en van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer - Luchtvaart.’
  32. De Raad van State vermag in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht niet zijn beoordeling van de verenigbaarheid met de algemene bestemming van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij kan enkel nagaan of de overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend. De Raad van State beschikt in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid. Bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving dient derhalve uitgegaan te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de X-13.801-6/12 bijzondere bestemming die het bijzonder plan van aanleg van het gebied aan die omgeving heeft gegeven. Uit het voorgaande blijkt dat door de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar werd nagegaan of het project in overeenstemming is met de onmiddellijke omgeving. Uit wat de verzoekende partijen aanvoeren blijkt niet dat deze beoordeling kennelijk onredelijk zou zijn. Zij formuleren enkel opmerkingen over het advies van het college van burgemeester en schepenen waarin de bezwaren werden behandeld en stellen dat de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar dit advies louter zou ‘beamen’. Zij formuleren geen kritiek op de inhoud van de bestreden beslissing zelf. Het eerste middel is niet ernstig”. 5.1.
  33. De tussenkomende partij verwijst daarnaast nog naar het advies van het college van burgemeester en schepenen over de ingediende bezwaren. 5.2.
  34. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. Uit deze bepalingen volgt dat enkel met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden. Openbare nutsvoorzieningen zijn in beginsel niet onverenigbaar met de gewestplanbestemming “woongebied”. Artikel 5.1.0 van het Inrichtingsbesluit bepaalt immers dat die gebieden onder meer bestemd zijn voor openbare nutsvoorzieningen, “voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving”. Gelet op het hierboven gestelde moet die verenigbaarheid blijken uit de bestreden beslissing zelf. Er kan dan ook geen rekening worden gehouden met de niet in die beslissing overgenomen beantwoording van de bezwaren door het college van burgemeester en schepenen, in zoverre die beantwoording al zou kunnen worden beschouwd als het onderzoek van de bedoelde verenigbaarheid. 5.2.
  35. Naast een beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en de aanvraag, die op zich geen toetsing van de aanvraag aan de goede plaatselijke ordening en de onmiddellijke omgeving inhoudt, vergenoegt de verwerende partij er zich in het bestreden besluit, onder de hoofding “Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening”, mee vast te stellen dat de aanvraag zich situeert “op de rand van een voetbalterrein”, dat de “inplanting” en het ontwerp werden “gekozen en X-13.801-7/12 doorgesproken in overleg met het gemeentebestuur”, dat de pyloon een “rank” en “esthetisch voorkomen” heeft en dat de antennes “aan het zicht onttrokken” zijn door een kapconstructie bovenaan, en dat de “inplanting aansluiting zoekt met omvangrijke bedrijfsgebouwen op aanpalende percelen”. Aldus blijkt prima facie niet dat de verwerende partij zorgvuldig de verenigbaarheid van het bouwwerk met de onmiddellijke omgeving heeft onderzocht. De opvatting dat “de inplanting aansluiting zoekt met omvangrijke bedrijfsgebouwen op aanpalende percelen” lijkt, gelet op de hoogte van die gebouwen in vergelijking met de ontworpen pyloon, niet te worden bevestigd door de gegevens van het dossier, en lijkt hoogstens te kunnen opgaan voor de met de pyloon samengaande technische cabine. Er blijkt uit de motivering ook niet dat de verwerende partij de gevolgen van de aanvraag voor het woonklimaat van de dichtste omwonenden in haar besluitvorming heeft betrokken. De loutere vermelding in de beschrijving van “de omgeving” dat de “dichtst bijzijnde woning (...) op circa 80.00 m (ligt).” lijkt er op te wijzen dat nauwelijks rekening werd gehouden met die dichtstbijgelegen woningen in het algemeen, en, meer in het bijzonder, met het feit dat de woning van de verzoekende partijen van de plaats waar de pyloon zal worden opgericht enkel gescheiden is door een landschap, bestaande hoofdzakelijk uit een voetbaloefenterrein, en met het feit dat die partijen uitzicht zullen hebben op de pyloon in kwestie. Het middel is in die mate ernstig.
  36. Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 6.1.
  37. De verzoekende partijen voeren onder meer het volgende aan : “a) visuele vervuiling en landschapsverontreiniging veroorzaakt door de constructie:
  38. De kwestieuze constructie en in het bijzonder de pyloon van 18 meter met een antennegedeelte met kap van ongeveer 8 meter wordt op geen enkele wijze gemaskeerd door bestaande gebouwen, hoogstammige bomen of andere schermen in de naaste omgeving. Achter de kwestieuze pyloon is enkel wat verwilderd laag groen voorhanden (...) en een niet benut industriegebouw met een nokhoogte van maximaal 7,6 meter, ofwel amper 1/4de van de totale hoogte van de pyloon. Dat gebouw reikt derhalve niet eens boven het lage groen uit zodat dit gebouw al evenmin ‘beschermend’ zou kunnen werken ten opzichte van de omgeving. Dit klemt des te meer vermits de hoogte van de huidige paal slechts 13 meter bedraagt en dus wordt verdubbeld, wat zonder meer een visuele aanslag vormt voor de omgeving. Bovendien stelt ook de aanvrager zelf in zijn nota dat het gebied geen voldoende hoge constructies in de onmiddellijke nabijheid heeft, wat X-13.801-8/12 vanzelfsprekend het visueel verloederend karakter van de beoogde constructie enkel nog benadrukt. Dat dit terecht is, blijkt trouwens uit het verleden vermits alsdan mede om die reden de plaatsing van een dergelijke pyloon in de naaste omgeving van de nu geviseerde plaats is tegengehouden door de gemeentelijke overheid (...). De woning van verzoekers - zie de foto’s en het schattingsverslag (...) bevindt zich binnen de verkaveling Baliekouter op het einde van een doodlopende straat in een zeer rustige omgeving en in de onmiddellijke nabijheid van agrarisch gebied met de Mandeldalroute. De zuidzijde van hun tuin paalt aan het voetbalplein, wat zorgt voor een ruimer zicht in vergelijking met een woning tussen 2 andere huizen (...) en hen - mede gelet op de rust en het pure zicht - ertoe bracht om aldaar te bouwen. Ten gevolge van de vergunde constructie zal er onmiskenbaar ernstige visuele vervuiling voorhanden zijn gelet op de beperkte afstand - ongeveer 80 meter (zijnde nagenoeg de breedte van het veld) - in rechte lijn tussen de mast en hun woning met tuin naast het voetbalplein. Vanuit hun tuin hebben ze immers rechtstreeks zicht op die constructie”. en, “
  39. Deze nadelen hebben een onherstelbaar karakter. Eenmaal de constructie is opgericht, kunnen de aangevoerde nadelen alleen hersteld worden door de afbraak ervan, zodat het nadeel in hoofde van verzoekers in de gegeven omstandigheden moet worden beschouwd als moeilijk te herstellen”. 6.1.
  40. De verwerende partij antwoordt : “
  41. De verzoekende partijen voeren rechtstreekse visuele hinder aan. Wat ze bedoelen met ‘landschapsverontreiniging’ is niet duidelijk.
  42. De verzoekende partijen wonen op meer dan 80 meter van het telecommunicatiestation. Tussen het perceel van de verzoekende partijen en de mast zit het voetbalveld van KFC Wakken en de oefenterreinen. Aan de overkant en de zijkant van de sportterreinen bevinden zich bedrijfsgebouwen. Aan de overkant (vanaf de woning van de verzoekende partijen bekeken) zijn de bedrijfsgebouwen deels 16.84 meter hoog en deels 7.60 meter hoog en in totaal meer dan 100 meter breed. Op de plaats waar de mast zal komen, staat nu reeds een verlichtingsmast van 13.71 meter hoog. Op andere plaatsen aan het veld staan andere verlichtingsmasten tot 18 meter hoog (zoals de verzoekende partijen zelf aantonen). De verzoekende partijen beweren dat de rust en het pure zicht hen er toe deed besluiten om te bouwen op de plaats waar thans hun woning staat. Dit pure zicht zou nu verdwijnen. Uit het voorgaande blijkt dat niet kan worden aangenomen dat de verzoekende partijen thans over een ‘puur zicht’ beschikken, waar zij uitkijken op bedrijfsgebouwen / loodsen tot 16.84 meter hoog. Uit de paar door de verzoekende partij voorgelegde foto’s blijkt daarenboven dat de verzoekende partijen thans niet alleen naar de verlichtingspaal kijken, maar ook op palen met netten aan de rand van X-13.801-9/12 het voetbalveld. Deze staan veel dichter zodat zij onmiddellijk veel hoger lijken dan de verplichtingspaal van 13.71 meter op meer dan 80 meter afstand. De aangevoerde onmiddellijke nabijheid van het agrarisch gebied is evenmin van belang, nu dit gebied geenszins vanuit de woning of vanop het perceel van de verzoekende partijen zichtbaar is. Het vergunde project kan derhalve geen visuele hinder meebrengen. Het is dan ook niet omdat men een mast ziet dat dit per definitie visuele hinder meebrengt die een ernstig nadeel kan ondersteunen in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid (...). Zo zou elke constructie die zichtbaar is, onmiddellijk visuele hinder impliceren en zou een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zo goed als automatisch aanwezig zijn. De verzoekende partijen werken het beweerde ernstig visueel nadeel uit als was er enkel een zicht in een rechte lijn, van de woning recht naar de mast. Dat zij vanuit hun woning / tuin ook zicht hebben op bedrijfsgebouwen, lichtpylonen tot 18 meter hoog en andere constructies van het voetbalveld die veel dichter staan, wordt volledig genegeerd. (...)
  43. De verzoekende partijen zijn verplicht in hun verzoekschrift de feiten aan te geven die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten beslissing inderdaad een ernstig nadeel kan meebrengen, het zijn de verzoekers die de bewijslast dragen van het bestaan van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Deze feitelijke elementen moeten met stukken aangetoond worden. Uit de door de verzoekende partijen aangevoerde visuele hinder in het verzoekschrift en de voorgelegde foto’s blijkt niet dat deze beweerde hinder een ernstig nadeel inhoudt in hoofde van de verzoekende partijen”. 6.1.
  44. De tussenkomende partij stelt in dit verband : “
  45. Wat de visuele hinder betreft, verwijzen verzoekers louter naar het feit dat hun tuin paalt aan het voetbalplein en dat zij gelet op het pure zicht en de rust aldaar gebouwd hebben. Verzoekers verwijzen enkel naar de beperkte afstand tussen de tuin en de beoogde constructie teneinde de visuele hinder te verantwoorden.
  46. Het is verzoekster tot tussenkomst volstrekt onduidelijk hoe verzoekers kunnen voorhouden dat hun rust en pure zicht door het telecommunicatiestation in het gedrang zou worden gebracht. Tussen de tuin van verzoekers en de beoogde constructie bevindt zich immers het voetbalveld dat reeds door hoge constructies zoals verlichtingspalen wordt omgeven. Echt rustig kan men tevens een voetbalterrein niet noemen.
  47. Voorts halen verzoekers aan dat de pyloon niet zou gemaskeerd zijn door bestaande gebouwen, hoogstammige bomen of andere schermen in de naaste omgeving. Uit de plannen gevoegd bij het aanvraagdossier blijkt evenwel duidelijk dat er rond de pyloon wel degelijk hoogstammige bomen aanwezig zijn (nl. 10 m) en een bedrijfsgebouw/loods met een nokhoogte van 16,84 m. Verzoekers kunnen derhalve moeilijk ontkennen dat de pyloon voor een groot stuk gemaskeerd wordt door deze constructies. Bovendien ligt tussen de tuin van verzoekers en de pyloon het voetbalveld zodat zij op geen enkele wijze aannemelijk maken dat er sprake is van een visuele hinder. X-13.801-10/12
  48. (...) Verder kunnen de door verzoekers aangebrachte foto’s evenmin uitsluitsel geven over het feit dat verzoekers persoonlijk daadwerkelijke visuele hinder zullen ondervinden”. 6.
  49. In tegenstelling tot hetgeen de verwerende en de tussenkomende partijen aanvoeren, blijkt uit de door de verzoekende partijen aangereikte gegevens en foto’s voldoende dat zij vanuit hun woning en tuin een rechtstreeks uitzicht hebben op de geplande pyloon. Rekening houdend met de karakteristieken van de onmiddellijke omgeving, kan die visuele hinder in casu als ernstig in de zin van de gecoördineerde wetten op de Raad van State worden aangemerkt. De bedrijfsgebouwen waarnaar de tussenkomende partij verwijst situeren zich niet in het gezichtsveld van de verzoekende partijen tussen hun woning en het kwestieuze perceel en maskeren dus geenszins hun uitzicht op de pyloon. Ook het rasterwerk dat moet beletten dat de ballen het voetbaloefenterrein verlaten, belemmert het uitzicht van de verzoekende partijen niet in die mate dat kan worden gesteld dat zij ook nu reeds visuele hinder ondervinden. 6.
  50. De verwerende en de tussenkomende partijen voeren nog aan dat het nadeel niet moeilijk herstelbaar is, omdat, wanneer de pyloon snel kan worden opgericht, hij even snel kan worden verwijderd na gebeurlijke vernietiging. Zij gaan aldus evenwel voorbij, vooreerst, aan de hinder die moet worden ondergaan gedurende de annulatieprocedure, en, vooral, aan het feit dat, ook al is een constructie bouwtechnisch gemakkelijk te verwijderen, het juridisch afdwingen van de afbraak van een bouwwerk voor een derde belanghebbende hoe dan ook moeilijk is. 6.
  51. Ook de derde voorwaarde is vervuld. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  52. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. BELGACOM MOBILE in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. X-13.801-11/12 Artikel
  53. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van 13 mei 2008 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar houdende afgifte aan de n.v. BELGACOM MOBILE van de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een telecommunicatiestation op een perceel gelegen te Dentergem, Kapellestraat, kadastraal bekend sectie B, nr. 771/v. Artikel
  54. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien juni 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-13.801-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.301 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.863 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.