id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.313 Rolnummer: A. 100117/X-10123 Zaak: Arrest 184313 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 18/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-02 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:14 Fiche Arrest nr 184.313 van 18 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.313 van 18 juni 2008 in de zaak A. 100.117/X-10.
- In zake :
- Paula BEERDEN,
- Benjamin COLEMONT, die woonplaats kiezen bij advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paula BEERDEN en Benjamin COLEMONT op 5 februari 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 13 juli 2000 van de Vlaamse regering, houdende verlenging van de termijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk, en van het besluit van 6 oktober 2000 van de Vlaamse regering, houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-de-Stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 december 2000; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 5 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; X-10.123-1/27 Gelet op de beschikking van 21 maart 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 25 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat S. VANDEWIELE, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De eerste verzoekster is onder meer eigenaar van gronden gelegen te Genk die volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Hasselt-Genk, zoals het is vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, gelegen zijn in woonuitbreidingsgebied. Deze gronden zijn kadastraal bekend, sectie F, nrs. 1344/p/29, 1344/d/30, 1344/x/29 en 1344/y/
- De tweede verzoeker is eveneens eigenaar van een grond die volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Hasselt-Genk, gelegen is in woonuitbreidingsgebied. Deze grond is kadastraal bekend, sectie F, nr. 1344/y/
- De voormelde percelen maken deel uit van een nog niet aangesneden woonuitbreidingsgebied dat ten zuiden grenst aan het woongebied van De Schom en ten noorden aan het natuurgebied De Maten. 1.
- Bij besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 wordt het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-de-Stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal, voorlopig vastgesteld. Het betrokken woonuitbreidings-gebied, waarin onder meer de gronden van de verzoekende partijen zijn gelegen, krijgt de bestemming natuurgebied. X-10.123-2/27 Dit besluit overweegt terzake : “Overwegende dat het grensgebied van het natuurreservaat ‘De Maten’ best wordt aangepast aan de morfologische grens aansluitend aan de bouwstrook langs de Hasseltsesteenweg en anderzijds eveneens ter verbetering van de bescherming van het vogelrichtlijngebied het grensgebied wordt aangepast door drie aansluitende woonuitbreidingsgebiedjes de bestemming natuurgebied te geven”. 1.
- Van 18 oktober 1999 tot en met 16 december 1999 wordt het ontwerpplan aan een openbaar onderzoek onderworpen. 1.
- Op 20 januari 2000 adviseert de stad Genk de voorgestelde wijziging gunstig mits met de volgende opmerkingen rekening wordt gehouden : “(...) Wat betreft de omvorming van woonuitbreidingsgebied naar natuurgebied ter plaatse Kneippstraat en De Schom dient erop gewezen dat, indien de oorspronkelijke bestemming niet behouden blijft, de eigenaars alleszins de nodige planschade bekomen”. 1.
- Op 19 januari 2000 en 26 januari 2000, na afloop van het openbaar onderzoek, dienen de verzoekende partijen bezwaar in tegen de geplande wijziging. 1.
- Op 10 februari 2000 brengt de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg advies uit over het ontwerpgewestplan. 1.
- Op 22 februari 2000 wordt door de regionale commissie van advies een verlenging van de adviestermijn gevraagd met 60 dagen. Bij ministerieel besluit van 14 maart 2000 wordt de gevraagde termijnverlenging toegestaan. 1.
- Op 5 juni 2000 brengt de regionale commissie van advies haar eindadvies uit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld : “2.
- De Maten Het natuurgebied ‘De Maten’ wordt uitgebreid door de wijziging van drie woonuitbreidingsgebieden in natuurgebied. (...) Het gedeelte woonuitbreidings- gebied aan de Schomstraat dient voor de helft zijn huidige bestemming te behouden. Het gedeelte eigendom van de gemeente tot aan de westgrens, uitlopend in een punt, van het gebied kan als natuurgebied worden ingekleurd”. X-10.123-3/27 De gronden van de verzoekende partijen behoren tot die helft van het gedeelte woonuitbreidingsgebied aan de Schomstraat ten aanzien waarvan de regionale commissie van advies voorstelt de oorspronkelijke bestemming te behouden. 1.
- Op 13 juli 2000 beslist de Vlaamse regering de vervaltermijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk te verlengen met 60 dagen. Dit is het eerste bestreden besluit. 1.
- Op 28 september 2000 brengt de afdeling wetgeving van de Raad van State, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State advies uit. Het verzoek om spoedbehandeling is gemotiveerd door de omstandigheid “dat overeenkomstig artikel 11 voor definitieve vaststelling van gewestplan- wijzigingen een vervaltermijn geldt; dat in huidig geval de termijn is gestart op 16 december 1999, met name de einddatum van het openbaar onderzoek; dat de termijn, behoudens verlenging van de adviestermijn waarover de regionale commissie beschikt, 180 dagen bedraagt; dat overeenkomstig de decretale bepalingen de adviescommissie van die 180 dagen 120 dagen ter beschikking heeft voor het uitbrengen van zijn advies; dat de Vlaamse regering op tijdig verzoek van de bevoegde minister heeft beslist om de vaststellingstermijn met 60 dagen te verlengen, zodat de vervaltermijn thans verstrijkt op 11 oktober 2000; dat de verlenging is ingegeven door verschillende motieven, waaronder de noodzaak van bijkomend onderzoek en overleg omtrent planopties waarover de regionale commissie een omstandig advies heeft uitgebracht; dat uiteraard de administratieve voorbereiding van een definitieve vaststelling, het onderzoek van het advies van de commissie, het onderzoek van bezwaren en opmerkingen, en de besprekingen met betrekking tot de planopties de nodige tijd in beslag nemen; dat thans een advies gevraagd wordt aan de Raad van State, afdeling wetgeving, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, met name een vraag om advies op drie dagen, omdat het alternatief, met name een adviestermijn van één maand conform artikel 84, eerste lid, 1/ van de gecoör-dineerde wetten op de Raad van State, geen garantie biedt dat het advies tijdig wordt ontvangen zodat het nog kan onderzocht worden met het oog op eventuele aanpassingen in het voor advies voorgelegde besluit”. 1.
- Op 6 oktober 2000 beslist de Vlaamse regering tot de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt- Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-de-Stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, X-10.123-4/27 Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal. Dit is het tweede bestreden besluit. De gronden van de verzoekende partijen behouden de bestemming natuurgebied, zoals voorzien in het ontwerpgewestplan. Het tweede bestreden besluit overweegt terzake wat volgt : “Overwegende dat, ten dele in afwijking van het advies van de Regionale Commissie, het grensgebied van het natuurreservaat ‘De Maten’, te Genk het ontwerpplan behouden blijft met de aanduiding van natuurgebieden in plaats van woonuitbreidingsgebieden aangepast aan de morfologische grens; dat de natuurwaarden op de grens van het natuurreservaat primeren op niet prioritaire woonuitbreidingsgebieden; dat de motivering louter op basis van eigendoms- structuren binnen het woonuitbreidingsgebied voor het gedeelte ten zuiden niet kan worden ingevolgd; dat in het gebied geen infrastructuur aanwezig is; dat evenwel een technische grenscorrectie aangebracht wordt teneinde een volwaardige bouwstrook langs de bestaande straat, De Schom, te garanderen”. 1.
- Het tweede bestreden besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 december
- De ontvankelijkheid van het beroep 2.
- De ontvankelijkheid van het beroep ratione temporis 2.1.
- De verwerende partij formuleert de volgende exceptie van laattijdigheid : “Artikel 4 lid 3 van het Besluit van de Regent tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State (hierna genoemd het ‘Procedurereglement R.v.St.’) bepaalt dat beroepen tot nietig- verklaring op straffe van niet-ontvankelijkheid moeten ingesteld worden binnen zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. Deze termijn gaat in daags na de bekendmaking van de bestreden beslissing. De vervaldag wordt in de termijn gerekend. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het de postdatum is waarmee terzake rekening moet gehouden worden. - Het besluit van de Vlaamse regering van 6 oktober 2000 houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-De-Stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal, werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 december 2000 (...). X-10.123-5/27 Op straffe van niet-ontvankelijkheid diende het beroep tot nietigverklaring ingesteld te worden binnen zestig dagen na deze bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Het verzoekschrift tot nietigverklaring diende derhalve uiterlijk op woensdag 31 januari 2001 ter post aangeboden te worden, opdat het beroep tot nietig- verklaring ontvankelijk zou zijn. - De verzoekende partijen vorderen de nietigverklaring van het besluit van 06.10.2000 bij niet-gedateerd verzoekschrift. Het verzoekschrift tot nietigverklaring werd in casu ter post aangeboden op maandag 05.02.2001, en draagt derhalve de postdatum van 05.02.
- Het verzoekschrift tot nietigverklaring werd afgestempeld door de diensten van de griffie van de Raad van State op dinsdag 06.02.
- - Rekening houdend met artikel 4 lid 3 van het Procedurereglement R.v.St., de bekendmaking van het bestreden besluit van 06.10.2000 in het Belgisch Staatsblad van 02.12.2000 en de postdatum van 05.02.2001, is het verzoekschrift tot nietigverklaring niet ontvankelijk. Zie ondermeer:* (...) De door de procedureregeling opgelegde verplichting om het inleidende verzoekschrift te dateren is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Het is de postdatum waarmee ter zake moet rekening gehouden worden. * (...) Art. 4 van het procedurereglement doet de termijn voor een annulatieberoep ingaan na de betekening, de bekendmaking of de feitelijke kennis van de bestreden beslissing, niet met het ontstaan van het belang bij de vernietiging van die beslissing, laat staan met het zich rekenschap geven van dat belang. Het beroep tot vernietiging van (ee)n artikel van een K.B., ingesteld meer dan 60 dagen nadat het in het B.S. werd bekendgemaakt, is niet ontvankelijk”. 2.1.
- In de memorie van wederantwoord repliceren de verzoekende partijen op de exceptie als volgt : “Verwerende partij beweert dat het verzoekschrift uiterlijk op woensdag 31.01.2001 ter post diende te worden aangeboden. Verzoekende partijen zijn vanzelfsprekend van oordeel dat het verzoek tot nietigverklaring tijdig werd ingediend en wel om de volgende redenen. Indien verschillende, bijzondere vormen van bekendmaking worden opgelegd, gaat de beroepstermijn slechts in nadat de bekendmaking op diverse wijzen is gebeurd. De bekendmaking van de streek - en de gewestplannen is tweeledig ingevolge artikel 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22.10.
- Zij behelst niet alleen een bekendmaking van het besluit bij uittreksel en een volledige mededeling van het advies van de regionale commissie voor advies in het Belgisch Staatsblad, maar ook de neerlegging van het besluit en van het gewestplan van elke gemeente die bij het plan betrokken is, na aankondiging ervan door aanplakking op initiatief van de provinciegouverneur. De bekendmaking van het gewestplan is slechts volledig wanneer niet alleen de bestemmingsplannen maar ook de kaarten met de juridische toestand en de orthofotoplannen ter inzage liggen in elk van de betrokken gemeenten en de neerlegging is bekendgemaakt. X-10.123-6/27 De beroepstermijn gaat ten aanzien van betrokken inwoners, met uitzondering van de gemeente, bijgevolg in van zodra de beide bekendmakingen zijn gebeurd. Verzoekende partijen verwijzen naar de bevestiging van ter inzagelegging door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Genk dd. 08.01.
- (...) Het volgende wordt verklaard door (...) het college van burgemeester en schepenen: ‘Het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Genk verklaart dat : Het besluit van de Vlaamse Regering van 6 oktober 2000 houdende de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt- Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-de-Stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal, tesamen met het plan en de planologische voorschriften en het advies van de Regionale Commissie van Advies vanaf 13.12.2000 in het gemeentehuis ter inzage liggen.’ Het verzoekschrift tot nietigverklaring diende dus uiterlijk op dinsdag 13 februari 2001 ter post aangeboden worden en gelet op het feit dat dit reeds op maandag 05 februari 2001 werd verricht, is het beroep ontvankelijk. De eerste exceptie van onontvankelijkheid is derhalve niet gegrond”. 2.1.3.
- Artikel 11, § 9, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : “coördinatiedecreet”), bepaalt : “De definitieve vaststelling van het plan door de Vlaamse regering wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt waarin tevens het advies van de Regionale Commissie van Advies wordt opgenomen. Het plan treedt in werking binnen 15 dagen na zijn bekendmaking. Binnen 15 dagen na zijn bekendmaking ligt het advies met de normatieve delen van het plan na overmaking door de minister ter inzage van de bevolking in elk betrokken gemeentehuis. De niet-normatieve delen zijn ter inzage op het hoofdbestuur en de provinciale buitendiensten van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse regering bepaalt welke delen van het plan normatief dan wel niet-normatief zijn”. 2.1.3.
- De bekendmaking van het gewestplan is slechts volledig nadat is voldaan aan de dubbele formaliteit van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad én de ter inzagelegging van de bevolking in elk betrokken gemeentehuis. 2.1.3.
- Wat het ogenblik van voldaan zijn van deze bekendmaking betreft, verwijzen de verzoekende partijen naar de bevestiging van de terinzagelegging door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Genk van 8 januari 2001, waarin het volgende wordt verklaard : X-10.123-7/27 “Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Genk verklaart dat : Het besluit van de Vlaamse regering van 6 oktober 2000 houdende de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-de-Stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal, tesamen met het plan en de bijhorende planologische voorschriften en het advies van de regionale commissie van advies vanaf 13 december 2000 in het gemeentehuis ter inzage liggen”. 2.1.3.
- Aangezien eerst op 13 december 2000 aan de dubbele formaliteit van bekendmaking werd voldaan, is het op 5 februari 2001 ingediende annulatie- beroep tijdig. De exceptie is niet gegrond. 2.
- De ontvankelijkheid van het beroep gericht tegen het eerste bestreden besluit 2.2.
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep ratione materiae in zoverre het is gericht tegen de eerste bestreden beslissing van de Vlaamse regering van 13 juli 2000 houdende verlenging van de termijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk : “De verzoekende partijen vorderen tevens de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 13.07.2000 houdende verlenging van de vervaltermijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk met een termijn van 60 dagen. Om ontvankelijk te zijn moet het annulatieberoep gericht zijn tegen een uitvoerbare beslissing. De uitvoerende beslissing is de handeling waarbij beoogd wordt rechts- gevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen. m.a.w. waarbij wordt beoogd wijziging aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten (...). Administratieve maatregelen die per se geen uitvoerbare kracht hebben en geen gevolg hebben op de rechtstoestand van de verzoeker, komen niet in aanmerking voor vernietiging. Het besluit van de Vlaamse regering van 13.07.2000 houdende verlenging van de vervaltermijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk met een termijn van 60 dagen, heeft als dusdanig geen uitvoerbare kracht en geen gevolg op de rechtstoestand van de verzoekende partijen, zodat het annulatieberoep gericht tegen dit besluit niet ontvankelijk is”. 2.2.
- De verzoekende partijen beantwoorden deze exceptie als volgt : X-10.123-8/27 “Verwerende partij is van oordeel dat het besluit van de Vlaamse regering dd. 13.07.2000 houdende verlenging van de vervaltermijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk met een termijn van 60 dagen geen uitvoerbare kracht heeft en geen gevolg op de rechtstoestand van de verzoekende partijen zodat het annulatieberoep hiertegen gericht onontvankelijk is. Aangezien verzoekende partijen van oordeel zijn dat het besluit van 13.07.2000 wel uitvoerbare kracht heeft en een belangrijke invloed heeft gehad op de rechtstoestand van verzoekende partijen. Het besluit van de Vlaamse regering van 13.07.2000 bepaalt immers uitdrukkelijk dat zij de vervaltermijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk voorlopig vastgesteld op 08.06.1999 verlengt met 60 dagen. (...) Dit impliceert dat het Vlaams Gewest zelf deze termijn, zoals ingeschreven in het artikel 11 § 7 lid 4 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening dd. 22.10.1996, als een termijn van verval interpreteert. Artikel 11 § 7, lid 4 luidt als volgt (...): ‘Op gemotiveerd verzoek van de minister, ten laatste 30 dagen voor het verstrijken van de termijn van 180 dagen behoudens de verlenging in § 5, zoals bepaald in § 7, beslist de Vlaamse Regering over de verlenging met 60 dagen van de termijn waarbinnen zij het plan dient vast te stellen.’ Door het besluit van 13.07.2000 betreffende de verlenging van de beslissingstermijn en c.q. de definitieve vaststelling bij besluit dd. 06.10.2000 is er een wijziging van het gewestplan tot stand gekomen dewelke onmisken- baar nadelig is voor verzoekende partijen en a fortiori een invloed heeft op hun rechtstoestand (wijziging van de bestemming van woonuitbreidingsgebied naar natuurgebied). Indien de beslissing tot verlenging van de termijnen niet rechtsgeldig is dan lijkt ook de definitieve vaststelling van de wijziging van het gewestplan niet geldig aangezien men dan buiten de termijn tot definitieve vaststelling is overgaan hetgeen overeenkomstig artikel 11 § 8 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening dd. 22.10.1996 het verval van het ontwerpgewestplan met zich brengt. (de Vlaamse regering sprak zelf reeds van een vervaltermijn) Het besluit van 13.07.2000 bepaalt mee de eindbeslissing zijnde het besluit van 06.10.2000 en vormt derhalve een uitvoerbare beslissing van een admini- stratieve overheid dewelke vatbaar is voor vernietiging overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De tweede exceptie van onontvankelijkheid is eveneens niet gegrond”. 2.2.
- In hun laatste memorie betogen de verzoekende partijen dat zij zich, wat dit aspect betreft, naar de wijsheid van de Raad gedragen. 2.2.
- Het beroep is niet ontvankelijk in zoverre de nietigverklaring wordt gevorderd van het eerste bestreden besluit van 13 juli 2000 houdende verlenging van de termijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk. Een beslissing tot verlenging van de termijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan moet immers worden aangemerkt als een louter voorbereidende handeling, deel uitmakend van een complexe administratieve rechtshandeling, die onlosmakelijk verbonden is met en voorbereidend is aan de X-10.123-9/27 later te nemen beslissing waarbij het gewestplan definitief wordt vastgesteld, maar die op zichzelf geen enkele invloed heeft op de inhoud van die beslissing. Dergelijk besluit kan niet met een afzonderlijk annulatieberoep worden bestreden, zodat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing. 2.
- De ontvankelijkheid van het beroep gericht tegen het tweede bestreden besluit in zijn geheel De verzoekende partijen vragen de vernietiging van het tweede bestreden besluit in zijn geheel. De verzoekende partijen blijken zich evenwel enkel gegriefd te achten in zoverre bedoeld besluit hun gronden, kadastraal bekend, sectie F, nrs. 1344/p/29, 1344/d/30, 1344/x/29, 1344/y/29 en 1344/y/80 tot natuurgebied bestemt. Het annulatieberoep dient tot dat onderdeel van het aangevochten plan te worden beperkt aangezien niet blijkt en de verwerende partij evenmin opwerpt dat terzake het gewestplan een geheel vormt, en de gedeeltelijke vernietiging ervan niet denkbaar en alzo niet toelaatbaar is omdat de vernietiging geen betrekking of uitwerking heeft op een vanuit planologisch standpunt isoleerbaar gebied binnen het gewest, zodat een gedeeltelijke vernietiging tot gevolg zou hebben de algehele economie van het plan aan te tasten. In het huidige geval dient te worden aangenomen dat de bestemming welke het aangevochten gewestplan aan die gronden heeft gegeven, kan worden vervangen, zonder aan de algemene economie van dat plan afbreuk te doen. Het beroep is uit dat oogpunt en uit het oogpunt van het vereiste belang in die mate ontvankelijk.
- De gegrondheid van het beroep gericht tegen het tweede bestreden besluit 3.
- Eerste middel 3.1.
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 11, § 7, vierde lid, van het coördinatiedecreet, en van het motiveringsbeginsel : “doordat uit de bestreden besluiten niet blijkt of de minister tijdig en afdoende gemotiveerd een verzoek aan de Vlaamse Regering heeft gericht om de beslissingstermijn te verlengen en evenmin het besluit van de Vlaamse Regering d.d. 13/07/2000 houdende de termijnverlenging afdoende gemotiveerd werd. 3.1.
- Toelichting X-10.123-10/27 De raadsman van verzoekers is het dossier van de gewestplanwijziging gaan inzien op het provinciehuis. Ook aan de afdeling ruimtelijke planning is bijkomende info gevraagd (...), doch daarop is geen antwoord gekomen. Daaruit blijkt dat er geen tijdig en gemotiveerd verzoek is gedaan door de Minister van ruimtelijke ordening om de beslissingstermijn te verlengen met 60 dagen wat een inbreuk is op artikel 11 § 7, lid
- Dit artikel schrijft immers expressis verbis: ‘Op gemotiveerd verzoek van de minister, ten laatste 30 dagen voor het verstrijken van de termijn van 180 dagen, behoudens de verlenging in § 5, zoals bepaald in § 7, beslist de Vlaamse Regering over de verlenging met 60 dagen van de termijn waarbinnen zij het plan dient vast te stellen.’ *Voor zover het verzoek toch tijdig en afdoende gemotiveerd zou gedaan zijn, quod non, stellen verzoekende partijen dat de verlenging niet werd gemotiveerd, minstens niet op afdoende en pertinente wijze. Uit het besluit van de Vlaamse Regering van 13/07/2000 blijkt helemaal niet waarom de beslissingstermijn werd verlengd wat ook een inbreuk is op de in dit middel aangehaalde bepalingen. Dat besluit is niet gemotiveerd zodat het onwettig is en ook vernietigd moet worden, minstens moet het buiten toepassing gehouden worden”. 3.1.
- De verwerende partij antwoordt in haar memorie van antwoord dat de verzoekende partijen nalaten aan te tonen op welke wijze de in het middel aangevoerde bepaling geschonden werd. 3.1.
- De verzoekende partijen dupliceren in hun memorie van wederantwoord wat volgt : “Verzoekende partijen stellen eenvoudig vast dat er geen enkel gemotiveerd verzoek van de bevoegde minister tot termijnverlenging voorligt en dat dit ook niet wordt bijgebracht in het administratief dossier van verwerende partij. Dit versterkt het vermoeden dat er eenvoudig geen gemotiveerd verzoek voorligt en kan voorgelegd worden, niettegenstaande de decretale bepaling, met name artikel 11 § 7, lid 4 van het Decreet van 22.10.1996, dit uitdrukkelijk voorschrijft. Het algemene principe zoals neergelegd in de rechtsspreuk ‘Patere legem quem ipse fecisti’, schrijft voor dat de bestuursoverheid de door haar vast- gestelde reglementen moet naleven wanneer zij een bijzondere beslissing neemt. De Vlaamse overheid schreef in haar decreet expliciet een motiverings- verplichting in voor de verlenging van de termijnen voor de definitieve vaststelling van de ontwerpgewestplannen bestaande uit een ‘gemotiveerd verzoek van de bevoegde Minister’ maar heeft deze in het voorliggende geval niet gerespecteerd. Het is aan de verwerende partij om aan te tonen dat er een dergelijk gemotiveerd verzoek is geweest, hetgeen tot op heden niet is gebeurd. Het eerste middel betreffende de schending van artikel 11 § 7, lid 4 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening van 22.10.1996 en het motiverings- beginsel is derhalve gegrond”. X-10.123-11/27 3.1.
- In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen met betrekking tot de gegrondheid van dit middel niets aan hun argumentatie toe. 3.1.5.
- In een nota van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, gericht aan de leden van de Vlaamse regering en in ontwerpvorm gevoegd bij een brief van de directeur-generaal van de administratie ROHM van 25 mei 2000, worden de volgende redenen voor het verzoek tot verlenging van de termijn voor de definitieve vaststelling met 60 dagen aangevoerd : “- De termijnverlenging toegestaan aan de streekcommissie van advies waardoor het advies uiterlijk op 13 juni dient voorgelegd - Het plan tijdig en buiten de vakantieperiode ter beslissing te kunnen voorleggen aan de Vlaamse regering - De omvang en complexiteit van de problematiek van de gewestplan- wijziging - Het nog in te winnen advies van de Raad van State”. 3.1.5.
- Het voormelde stuk maakt het betoog van de verzoekende partijen dat het eerste bestreden besluit tot verlenging van de termijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan niet werd voorafgegaan door een tijdig en afdoende gemotiveerd verzoek van de bevoegde Vlaamse minister, niet aannemelijk. 3.1.5.
- Noch uit artikel 11, § 7, vierde lid, van het coördinatiedecreet, noch uit enige andere bepaling of beginsel vloeit voort dat de eerste bestreden beslissing tot verlenging van de termijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan zelf een formele motivering betreffende de termijnverlenging dient te bevatten. Het middel is niet gegrond. 3.
- Tweede middel 3.2.
- In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 3, § 1 en artikel 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State : “doordat het bestreden besluit is tot stand gekomen na een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State op drie dagen in toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; terwijl de dringende noodzakelijkheid niet (zeker niet afdoende) werd gemotiveerd met bijzondere redenen en het beroep op dat artikel 84 eerste lid, 2/ niet verantwoord was, minstens de aanvraag daartoe niet (afdoende) gemotiveerd was. X-10.123-12/27 3.2.
- Toelichting Het openbaar onderzoek na de goedkeuring van de ontwerp-gewest- planwijziging werd gehouden van 18 oktober 1999 t/m 16 december 1999 Krachtens artikel 11 §4 van het Stedenbouwdecreet gecoördineerd op 22/10/1996 moet de Regionale Commissie van Advies (RCA) dan advies uitbrengen binnen een termijn van 120 dagen te rekenen vanaf 17 december
- Voor deze termijn werd een verlenging aangevraagd op 22/02/2000 (...). Deze termijnverlenging werd toegestaan op 14/03/2000 door een Ministerieel Besluit van de heer Van Mechelen (...) De RCA heeft uiteindelijk op 05/06/2000 haar advies uitgebracht. Uit de alhier bestreden besluiten blijkt dat de termijn waarbinnen de Vlaamse Regering de gewestplanwijziging definitief moest vaststellen eveneens verlengd werd en dit tot 11 oktober
- Uit het dossier blijkt echter nergens waarom de Regering op vier maanden tijd niet de mogelijkheid had om tijdig een advies op één maand aan de Raad van State te vragen. (art.
- eerste lid l/) Waarom heeft men een advies op drie dagen gevraagd? De redenen die daarvoor in het bestreden besluit aangehaald worden, beletten niet dat een advies op één maand had kunnen aangevraagd worden. Men kan niet de eigen traagheid of die van de eigen administratie aanwenden o(m) een beroep te doen op de adviestermijn op drie dagen. Te meer daar uit het advies van de RCA zelf alsook uit het bestreden besluit blijkt dat het advies van de RCA reeds omstandig was, zodat niet veel bijkomend onderzoek nodig was. De administratieve voorbereiding van een definitieve vaststelling, het onderzoek van het advies van de RCA, bezwaren en opmerkingen en de besprekingen m.b.t. de planopties zijn normale aspecten van een wijzigings- procedure en rechtvaardigen op zich niet een verlenging van de beslissings- termijn en nog minder dat dan enkel het advies op drie dagen aan de Raad van State kan gevraagd (...) worden. Die aspecten doen zich in elke wijzigingsprocedure voor en zijn niet specifiek aan de alhier bestreden wijzigingsprocedure. M.a.w. indien de tegenpartij tijdig aan de Raad van State gevraagd had om een advies op één maand te vragen, had dit advies er zeker geweest en had men zeker de garantie gehad dat het tijdig ontvangen zou zijn zodat het ook nog kon onderzocht worden met het oog op eventuele aanpassingen. In die omstandig- heden zou de afdeling wetgeving ook een veel uitgebreider advies hebben kunnen maken”. 3.2.
- De verwerende partij antwoordt in haar memorie van antwoord dat de afdeling wetgeving van de Raad van State, rekening houdend met de door de wet voorgeschreven termijnen voor de totstandkoming van de gewestplannen, overeen-komstig artikel 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een advies heeft uitgebracht binnen een termijn van ten hoogste drie dagen. 3.2.
- In hun memorie van wederantwoord verwijzen de verzoekende partijen naar het gestelde in hun verzoekschrift. In hun laatste memorie stellen zij nog het volgende : X-10.123-13/27 “
- Verzoekende partijen nemen kennis van de stelling van de Auditeur dat de bestreden beslissing het tweede middel niet schendt, waarbij in essentie wordt gewezen op het feit dat het advies van de regionale commissie van advies ‘vrij omstandig’ was en op het verstrijken van de vervaltermijn op 11 oktober 2000, terwijl het advies van de Afdeling Wetgeving door de verwerende partij werd aangevraagd op 25 september 2000 (...).
- Verzoekende partijen kunnen alleen maar vaststellen dat, ingeval de bestendige deputatie en de regionale commissie van advies (verder: RCA) de temporele bevoegdheid om advies te verstrekken die artikel 11 van het decreet van 22 oktober 1996 hen toekent, integraal zouden hebben benut, de verwerende partij dan in regel binnen 60 dagen na ontvangst van het advies van de RCA een beslissing tot definitieve vaststelling diende te nemen. In casu werd door de verwerende partij beslist tot een verlenging van de termijn met 60 dagen en bovendien werd het advies van de RCA reeds op 5 juni 2005 verstrekt terwijl de RCA in principe tot 15 juni 2005 de tijd had om advies te verstrekken (...). Uiteindelijk had de verwerende partij dus 130 dagen de tijd om de bestreden beslissing te nemen terwijl zij in regel slechts 60 dagen ter beschikking zou hebben gehad en, ingeval de RCA haar adviestermijn volledig had uitgeput, maximaal 120 dagen. Het advies van de RCA mag bovendien wel vrij omstandig zijn geweest, zoals althans in het Auditoraatsverslag wordt vermeld, dat neemt niet weg dat de bestreden beslissing slechts een wijziging van een gewestplan betreft, beperkt tot het grondgebied van bepaalde gemeenten. Er zijn m.a.w. territoriaal gezien veel ingrijpendere beslissingen m.b.t. definitieve vaststellingen van gewestplannen denkbaar, waarbij rekening moet worden gehouden met een veelvoud van opmerkingen en bezwaren dan i.c. het geval was, en derhalve met een omvangrijker advies van de bestendige deputatie en een lijviger advies van de RCA dan het i.c. uitgebrachte advies, waarbij nochtans dezelfde termijnen moeten worden gerespecteerd door de verwerende partij. Men kan zich derhalve toch terecht de vraag stellen of de overheid haar verplichting om de bestuurlijke besluitvorming op een dusdanige wijze te organiseren dat de mogelijkheid wordt geschapen de normale adviesverplichting na te leven wel heeft vervuld dan wel of zij het dringend karakter niet zelf in de hand heeft gewerkt door pas op 25 september 2000 een vraag tot advies te richten tot de Afdeling Wetgeving (...). De motivering van de hoogdringendheid ‘dat de verlenging is ingegeven door verschillende motieven, waaronder de noodzaak van bijkomend onderzoek en overleg omtrent planopties waarover de regionale commissie een omstandig advies he(ef)t uitgebracht,; dat uiteraard de administratieve voorbereiding van de definitieve vaststelling, het onderzoek van het advies van de commissie, het onderzoek van bezwaren en opmerkingen, en de besprekingen met betrekking tot de planopties de nodige tijd in beslag nemen; en vooral het gebruik van de term ‘uiteraard’ indiceert trouwens dat de verwerende partij van oordeel is dat het evident is dat bij het nemen van een beslissing tot definitieve vaststelling van een gewestplan de normale adviesprocedure die één maand in beslag neemt (art. 84) geen toepassing kan vinden... Bovendien zijn de opgegeven motieven ook dermate algemeen dat zij op iedere beslissing tot vaststelling van een (wijziging van een) gewestplan van toepassing zou kunnen zijn... Conform art. 3 §1 van de gecoördineerde wetten moet het geval van hoogdringendheid nochtans met bijzondere redenen omkleed worden. In die optiek moeten de ingeroepen motieven ook voldoende duidelijk en concreet zijn (...). Het middel is derhalve gegrond”. X-10.123-14/27 3.2.4.
- Artikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt : “Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domein- verrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers (...), ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. (...)”. 3.2.4.
- Artikel 84, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, bepaalt dat het onderzoek van de zaken plaatsvindt in volgorde van inschrijving op de rol, uitgezonderd, onder meer, “wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4”. In dit geval moet de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, worden overgenomen in de aanhef van het besluit. Het komt in de eerste plaats aan de afdeling wetgeving van de Raad van State toe te oordelen over de rechtmatigheid en de gegrondheid van de “bijzondere redenen” die in de bij haar ingediende adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van het spoedeisend karakter ervan. Aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, de afdeling wetgeving van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert. De overheid die het advies heeft aangevraagd, mag er met toepassing van meervermeld artikel 84, eerste lid, in principe op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten. Dit principe is echter niet absoluut. De overheid kan er zich met name niet op beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving onvolledig heeft voorgelicht omtrent de “bijzondere redenen” die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht. In dat geval kan de overheid immers niet staande houden dat haar vertrouwen werd beschaamd. 3.2.4.
- In casu werd de Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 25 september 2000 door de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media erom verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie X-10.123-15/27 dagen, van advies te dienen over een ontwerp van besluit van de Vlaamse regering “houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-de-stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal”. Ter voldoening aan het vereiste in artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt in de adviesaanvraag het spoedeisend karakter hiervan gemotiveerd door de omstandigheid “dat overeenkomstig artikel 11 voor definitieve vaststelling van gewestplanwijzigingen een vervaltermijn geldt; dat in huidig geval de termijn is gestart op 16 december 1999, met name de einddatum van het openbaar onderzoek; dat de termijn, behoudens verlenging van de adviestermijn waarover de regionale commissie beschikt, 180 dagen bedraagt; dat overeenkomstig de decretale bepalingen de adviescommissie van die 180 dagen 120 dagen ter beschikking heeft voor het uitbrengen van zijn advies; dat de Vlaamse regering op tijdig verzoek van de bevoegde minister heeft beslist om de vaststellingstermijn met 60 dagen te verlengen, zodat de vervaltermijn thans verstrijkt op 11 oktober 2000; dat de verlenging is ingegeven door verschillende motieven, waaronder de noodzaak van bijkomend onderzoek en overleg omtrent planopties waarover de regionale commissie een omstandig advies heeft uitgebracht; dat uiteraard de administratieve voorbereiding van een definitieve vaststelling, het onderzoek van het advies van de commissie, het onderzoek van bezwaren en opmerkingen, en de besprekingen met betrekking tot de planopties de nodige tijd in beslag nemen; dat thans een advies gevraagd wordt aan de Raad van State, afdeling wetgeving, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, met name een vraag om advies op drie dagen, omdat het alternatief, met name een adviestermijn van één maand conform artikel 84, eerste lid, 1/ van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State, geen garantie biedt dat het advies tijdig wordt ontvangen zodat het nog kan onderzocht worden met het oog op eventuele aanpassingen in het voor advies voorgelegde besluit”. 3.2.4.
- De afdeling wetgeving heeft op 28 september 2000 een beperkt advies uitgebracht, gelet op de korte termijn die haar voor het uitbrengen van haar advies was toegemeten. 3.2.4.
- Artikel 11 van het coördinatiedecreet schrijft voor dat de Vlaamse regering over de definitieve vaststelling van het plan moet beslissen binnen 180 X-10.123-16/27 dagen na het einde van het openbaar onderzoek, behoudens twee mogelijke verlengingen van telkens 60 dagen, namelijk één voorzien voor de regionale commissie van advies en één voor de Vlaamse regering voor de definitieve vaststelling van het plan. Op 16 december 1999 eindigde het openbaar onderzoek. Zoals blijkt uit de feitenuiteenzetting en uit de aangehaalde motivering in de aanhef van het besluit werd aan de regionale commissie van advies een termijnverlenging toegestaan en verlengde ook de Vlaamse regering de termijn voor definitieve vaststelling van het plan. De termijn werd aldus verlengd met 120 dagen wat betekent dat de laatste nuttige dag voor definitieve vaststelling van het plan 11 oktober 2000 was. 3.2.4.
- Uit het verzoek om termijnverlenging door de regionale commissie van advies blijkt dat in 16 van de 17 betrokken gemeenten wijzigingen werden doorgevoerd, dat het belang en de verscheidenheid van de wijzigingen groot zijn, dat 3200 tijdige bezwaarschriften werden ingediend en dat de deputatie en de gemeentebesturen veelal uitgebreide adviezen hebben uitgebracht. Het advies dat de regionale commissie van advies op 5 juni 2000 heeft verstrekt, is om die redenen omstandig. De uitgebreidheid van het advies van de regionale commissie van advies en de “noodzaak van bijkomend onderzoek en overleg omtrent planopties waarover de regionale commissie een omstandig advies heeft uitgebracht”, wordt door de verwerende partij als een geldig motief voor de verlenging van de termijn voor definitieve vaststelling van het gewestplan aangevoerd. De uitgebreidheid van dit advies en de tijd nodig voor “de administratieve voorbereiding van een definitieve vaststelling, het onderzoek van het advies van de commissie, het onderzoek van bezwaren en opmerkingen, en de besprekingen met betrekking tot de planopties”, verantwoorden op afdoende wijze de tijdsspanne van minder dan vier maanden om tot een ontwerp te komen dat klaar is voor voorlegging aan de afdeling wetgeving. 3.2.4.
- In het licht van het verstrijken van de vervaltermijn op 11 oktober 2000, vermocht de verwerende partij op 25 september 2000 de afdeling wetgeving een advies binnen een termijn van ten hoogste drie dagen te vragen. Uit niets mag blijken dat de verwerende partij de afdeling wetgeving niet correct zou hebben voorgelicht omtrent de “bijzondere redenen” die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht. Het middel is niet gegrond. X-10.123-17/27 3.
- Derde middel 3.3.
- In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 11, § 7, derde lid, van het coördinatiedecreet, en van het motiverings- beginsel : “Doordat de Vlaamse Regering in het tweede alhier bestreden besluit afgeweken is van een advies van de regionale commissie van advies en geen rekening heeft gehouden met de bezwaren van onder meer verzoekende partijen, de gemeente Genk en nog andere bezwaarindieners en dit zonder dat de Vlaamse Regering haar beslissing afdoende gemotiveerd heeft op basis van in rechte en in feite pertinente motieven. 3.3.
- Toelichting * In het besluit van de Vlaamse Regering houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk, wordt m.b.t. het gebied waarin verzoekende partijen eigen- dommen hebben, gesteld dat het grensgebied van het natuurreservaat ‘De Maten’ best wordt aangepast aan de morfologische grens, aansluitend aan de bouwstrook van de Hasseltsesteenweg. Deze motivatie heeft geen betrekking op verzoekende partijen aangezien hun eigendom niet grenst aan de Hasseltsesteenweg. Anderzijds wordt in het ontwerpplan gesteld dat de drie aansluitende woonuitbreidingsgebiedjes de bestemming natuurgebied zouden moeten krijgen ter versterking van de bescherming van het vogelrichtlijngebied. Tegen die bestemmingswijziging worden bezwaren ingediend. Op basis van die bezwaren gaat de Regionale Commissie voor Advies niet akkoord met al de voorgestelde wijzigingen aan het natuurgebied ‘De Maten’. De Commissie stelt dat het gedeelte woonuitbreidingsgebied aan de Schomstraat voor de helft zijn huidige bestemming dient te behouden. Dit is belangrijk voor verzoekende partijen, aangezien zij binnen die helft vallen. Bijgevolg adviseert voor verzoekende partijen de Regionale Commissie van Advies om het woonuitbreidingsgebied te behouden. Het gedeelte, eigendom van de gemeente, tot aan de westgrens, uitlopend in een punt van het gebied, kan als natuurgebied worden ingekleurd. In dit gedeelte zijn verzoekende partijen geen eigenaar. Wanneer dan de definitieve gewestplanwijziging bekeken wordt, stellen wij vast dat van de motivering die in het ontwerpplan naar voor was gebracht i.v.m. het vogelrichtlijngebied, niets meer terug te vinden is. Het is ook begrijpelijk, aangezien het vogelrichtlijngebied zich niet uitstrekt tot de eigendommen van verzoekende partijen. Anderzijds wordt in de definitieve gewestplanwijziging wel niet gesteld waarom de helft als woonuitbreidingsgebied niet kan behouden worden, zoals de RCA adviseerde. Dit is een motiveringsgebrek. * De motivering in de definitieve gewestplanwijziging is bovendien in feite fout, in die zin dat de woonuitbreidingsgebieden niet liggen binnen het natuurreservaat. Dit is op zich dus al een in feite onjuiste motivering. * Verder stelt het definitief gewestplan dat in het woonuitbreidingsgebied ten zuiden (hierin liggen verzoekende partijen), geen infrastructuur aanwezig is. Ook deze motivering is in feite onjuist, aangezien de Schoorbosheide grenst aan de percelen van verzoekende partijen (oostzijde) en aangezien ten zuiden het betreffende gebied grenst aan De Schomstraat. X-10.123-18/27 Daarenboven ligt er een voetbalveld met toegangsweg midden in het vroegere woonuitbreidingsgebied. * Bovendien wordt niet gemotiveerd in welke mate het betreffende woonuitbreidingsgebied natuurwaarden bezit. Ook is geenszins duidelijk wat bedoeld wordt met de morfologische grens en aanpassen aan die grens, aangezien de echte grens van het natuurgebied ter plaatse toch duidelijk zichtbaar is, en met name in tweeërlei opzicht. Enerzijds wordt het natuurgebied begrensd door de Stiemerbeek en anderzijds door een bos dat op een tiental meter verder naar de eigendommen van verzoekende partij toe ligt. Op basis van de bijgebrachte foto is duidelijk te zien waar het bos begint. Het is logisch dat van daar liet natuurgebied begint, zoals het in casu reeds was in het gewestplan Hasselt-Genk. Bovendien wordt in genen dele gemotiveerd waarom het betreffende woonuitbreidingsgebied natuurwaarden zou bevatten en wat die natuurwaarden dan ook zijn. Op basis van de foto’s blijkt dat het enkel gaat om lage struiken en grasbegroeiing. Bovendien kan men moeilijk stellen dat een voetbalveld met een vervallen kantine natuurwaarde heeft. Verzoekende partijen willen benadrukken dat het natuurreservaat ‘De Maten’ reeds t.o.v. het woonuitbreidingsgebied een buffer had, m.n. het natuurgebied met daarin de Stiemerbeek en het betreffende bos. (...) Bovendien blijkt op basis van stuk 17 dat de natuurwaarden zeer sterk moeten gerelativeerd worden, rekeninghoudende met de bebouwing in de onmiddellijke omgeving ten oosten en ten zuiden. * Krachtens artikel 11 paragraaf 7 alinea 3 moet de Vlaamse Regering indien zij afwijkt van het advies van de regionale commissie van advies haar beslissing motiveren. Dit is niet gebeurd, zeker niet op afdoende en pertinente wijze. Dit middel is dan ook gegrond”. 3.3.
- De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord als volgt : “De verzoekende partijen zijn van oordeel dat artikel 11 § 7 lid 3 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening zoals gecoördineerd op 22.10.1996 en het motiveringsbeginsel geschonden werden. Overeenkomstig artikel 11 § 7 lid 3 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22.10.1996, moeten afwijkingen van het advies van de Regionale Commissie van Advies in het vaststellingsbesluit gemotiveerd (...) worden. Het bestreden besluit van 06.10.2000 motiveerde de afwijking van het advies van de Regionale Commissie als volgt (...): ‘(...) Overwegende dat, ten dele in afwijking van het advies van de Regionale Commissie, het grensgebied van het natuurreservaat ‘De Maten’ te Genk het ontwerpplan behouden blijft met de aanduiding van natuurgebieden in plaats van woonuitbreidingsgebieden aangepast aan de morfologische grens: dat de natuurwaarden op de grens van het natuurreservaat primeren op niet prioritaire woonuitbreidingsgebieden; dat de motivering louter op basis van eigendomsstructuren binnen het woonuitbreidingsgebied voor het gedeelte ten zuiden niet kan worden ingevolgd; dat in het gebied geen infrastructuur aanwezig is; dat evenwel een technische grenscorrectie X-10.123-19/27 aangebracht wordt teneinde een volwaardige bouwstrook langs de bestaande straat, De Schom, te garanderen. (...)’ Zoals uit de motivering blijkt, werd in het vaststellingsbesluit afgeweken van het advies van de Regionale Commissie omdat het advies niet gebaseerd is op ruimtelijke aspecten doch louter op eigendomsstructuren. Het gebied ten zuiden van het natuurreservaat DE MATEN te GENK, waarin de percelen van de verzoekende partijen gelegen zijn, is nog niet ontsloten en qua terreingesteldheid aansluitend bij dit natuurreservaat. Andere percelen in dezelfde omgeving, die ontsloten worden langs bestaande wegen, zijn wel als woongebied aangeduid. De percelen van de verzoekende partijen zijn niet begrepen in een behoorlijk vergunde en niet-vervallen verkaveling. De verzoekende partijen verwijzen in het verzoekschrift naar de woonbehoeftenstudie, waaruit blijkt dat het woonuitbreidingsgebied voorlopig niet wordt aangesneden. De gemeenteraad van GENK adviseerde op 20.01.2000 gunstig met betrekking tot de voorgestelde herbestemming van woonuitbreidingsgebied naar natuurgebied: ‘De Raad adviseert het voorliggend ontwerp-gewestplan HASSELT- GENK gunstig mits rekening wordt gehouden met volgende opmerkingen: (...) 7) Wat betreft de omvorming van woonuitbreidingsgebied naar natuurgebied ter plaatse Kneippstraat en De Schom dient erop gewezen dat, indien de oorspronkelijke bestemming niet behouden blijft, de eigenaars alleszins de nodige planschade bekomen. (...)’”. 3.3.
- In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen het volgende : “Verzoekende partijen volharden in hun standpunt zoals uiteengezet In het verzoekschrift tot nietigverklaring. Verwerende partij stelt in navolging van het bestreden besluit van 06.10.2000 dat : - de afwijking van het advies van de Regionale Commissie van advies werd ingegeven door het feit dat dit advies niet gebaseerd was op ruimtelijke aspecten doch louter op eigendomsstructuren - de percelen van verzoekende partijen nog niet ontsloten zijn en qua terreingesteldheid aansluiten bij het natuurreservaat. - de percelen van verzoekende partijen niet begrepen zijn in een behoorlijk vergunde en niet-vervallen verkaveling Verzoekende partijen wensen als volgt deze argumenten te weerleggen: - De motivering van de Regionale Commissie luidde als volgt : ‘Het gedeelte woonuitbreidingsgebied aan de Schomstraat dient voor de helft zijn huidige bestemming te behouden. Het gedeelte eigendom van de gemeente tot aan de westgrens uitlopend in een punt van het gebied kan als natuurgebied worden ingekleurd.’ De Minister wijkt af van het advies door te stellen dat de Regionale Commissie ten onrechte eigendomsstructuren als basis heeft genomen en niet de ruimtelijke aspecten. Verzoekende partijen merken op dat in het bestreden besluit van 06.10.2000 op geen enkele wijze is gemotiveerd waarom dit dan ten X-10.123-20/27 onrechte zou zijn en waarom de indeling op grond van ruimtelijke aspecten vereist dat het gehele woonuitbreidingsgebied als natuurgebied zou worden ingekleurd. Dit is een motiveringsgebrek. - Verzoekende partijen hebben in het verzoekschrift tot nietigverklaring als aangegeven dat er wel degelijk infrastructuur aanwezig was en dat op geen enkele manier kan worden aangetoond dat de percelen van verzoekende partijen qua terreingesteldheid beter aansluiten bij een natuurreservaat dan bij een woonuitbreidingsgebied. Verzoekende partijen herinneren er ten overvloede aan dat het gebied geen waardevolle of specifieke biotoop bezit dewelke de indeling als natuurgebied zou rechtvaardigen. Verzoekende partijen hebben er overigens geen enkel probleem mee om beschermenswaardige gebieden te aanvaarden en af te staan als natuur- gebied, hetgeen blijkt uit stuk 6 van het administratief dossier, met name de overeenkomst van 1989 voor een tijdelijk beheer gesloten tussen eerste verzoekende partij en de Belgische Natuur en Vogelreservaten V.Z.W.. Maar in casu betreft het percelen waarvan de begroeiing enkel bestaat uit (helm)gras en een gedeelte laag struikgewas en waar er een amateur- voetbalveld met bouwvallige kantine het landschap siert. Vanzelfsprekend zijn verzoekende partijen van oordeel dat deze percelen geen beschermenswaardig gebied uitmaken en a fortiori geen aansluiting bij een natuurgebied vereisen. Verwerende partij motiveert de beslissing dan ook niet afdoende in die zin dat zij niet aangeeft welke beschermenswaardige natuurwaarden er zouden aanwezig zijn en om welke reden de percelen van verzoekende partijen qua terreingesteldheid beter zouden aansluiten bij een natuurreservaat dan bij een woonuitbreidingsgebied. Dit is een motiveringsgebrek. - Verwerende partij werpt op dat de percelen niet in een behoorlijk vergunde en niet - vervallen verkaveling liggen. Dit is correct maar is ter zake niet relevant aangezien de essentie van woonuitbreidingsgebieden, ingevolge artikel
- van het K.B. van 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen, is dat dit reservegebieden uitmaken die maar mogen worden aangesproken indien de woongebieden verwezenlijkt zijn. De planvoorschriften blijven bovendien gelden tot zij door andere worden vervangen en men kan zich er dan ook niet op beroepen dat het betrokken woonuitbreidingsgebied toch niet zal gerealiseerd worden via een verkaveling. Verzoekende partijen zijn van oordeel dat dit geen pertinente motivering is van de herbestemming van het woonuitbreidingsgebied naar een natuurgebied”. 3.3.
- In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen nog wat volgt : “
- In het Auditoraatsverslag wordt gesteld dat de verwerende partij niet de verplichting had nader te preciseren welke natuurwaarden in het gebied aanwezig zijn of wat zij verstaat onder ‘morfologische grens’. Verder wordt overwogen dat verzoekers niet aantonen dat de motivering in feite onjuist is. X-10.123-21/27 Daarbij wordt vermeld dat de in het woonuitbreidingsgebied aanwezige infrastructuur slaat op wegenissen gesitueerd binnen het aangrenzende woongebied en op een toegangsweg naar het voetbalveld die volgens de Auditeur op geen enkel zich in het dossier bevindend plan is aangeduid.
- In de bestreden beslissing wordt ter afwijking van het advies van de RCA in essentie uitgegaan van de stelling dat er op het gedeelte van het woonuitbreidingsgebied waar de gronden van verzoekers gelegen zijn geen infrastructuur aanwezig is terwijl er daar wel verschillende bijzondere natuurwaarden aanwezig zijn (...). Verzoekende partijen hebben in hun argumentatie, opgenomen in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord, dan ook de juistheid van dat (dubbele) uitgangspunt betwist. Daarbij hebben zij benadrukt dat er in het betrokken gebied een voetbalveld met kantine en met toegangsweg ligt en dat er (derhalve) nauwelijks of geen bijzondere natuurwaarden aanwezig zijn. Zij hebben die argumentatie gestaafd aan de hand van foto’s en een plan (...). Het feit dat de toegangsweg, het voetbalveld en de kantine niet worden aangeduid op de plannen die door de verwerende partij worden bijgebracht - zoals in het Auditoraatsverslag op pag. 26 wordt overwogen - doet niet ter zake. Die stukken spreken immers voor zich ! Op de door verzoekende partijen bijgebrachte plannen en foto’s staat immers toch duidelijk o.a. een voetbalveld en een kantine afgebeeld (...). Bovendien stond het voetbalveld en de kantine reeds afgebeeld op het verdelingsplan d.d. 22/08/1998, opgesteld door de gezworen landmeter Leo BIJNENS, dat eerste verzoekster bij haar bezwaarschrift d.d. 19.01.2000 had gevoegd (stuk 9: het voetbalveld staat op het plan ingetekend met stippellijnen en de kantine bevindt zich op lot 2). Voor alle duidelijkheid voegen verzoekers dat plan dat bij stuk 9 gevoegd was, nog eens als aanvullend stuk bij deze memorie en werd het gekleurd voor alle duidelijkheid. (...) Bij dat stuk 9 was verder ook nog een brief van de gemeente GENK d.d. 21.01.1999 gevoegd, gericht aan de notaris van eerste verzoekende partij, waarin wordt gemeld dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Denk geen bezwaar heeft tegen de verdeling van haar gronden (...). Het feit dat er geen bezwaar werd geformuleerd, indiceerde eens te meer dat ook de gemeente GENK van oordeel was dat er op dat ogenblik (= minder dan 6 maanden voorafgaandelijk aan het besluit tot voorlopige vaststelling van het ontwerpgewestplan d.d. 08.06.1999) geen bijzondere natuurwaarden in het betrokken gedeelte van het woonuitbreidingsgebied aanwezig waren die het aansnijden ervan zouden kunnen beletten. Tenslotte kan worden benadrukt dat in de memorie van antwoord van de verwerende partij geen poging werd ondernomen om de aanwezigheid van de toegangsweg, van de kantine en van het voetbalveld te betwisten (...). De stukken die verzoekende partijen bijbrachten waren immers duidelijk... In het Auditoraatsverslag wordt met de verschillende bewijselementen die verzoekende partijen bijbrachten dan ook ten onrechte geen rekening gehouden. Die elementen tonen immers aan dat de motivering van de bestreden beslissing steunt op onjuiste feitelijke elementen (nl. de zgn. afwezigheid van infrastructuur en de zgn. aanwezigheid van bijzondere natuurwaarden), minstens dat de aangebrachte motivering niet afdoende is om te verantwoorden dat het gehele woonuitbreidingsgebied als natuurgebied wordt ingekleurd. Ten overvloede willen verzoekende partijen nog enkele bijkomende foto’s voorleggen van het voetbalveld waarop ook de woning van tweede verzoeker duidelijk is te zien; alsook een huurovereenkomst, gesloten tussen eerste verzoekster en de heer Huygen Marcel op 01.09.1974 waarbij zij het voetbalterrein verhuurt aan laatstgenoemde (...). X-10.123-22/27 Het middel is gegrond”. 3.3.5.
- Artikel 11, § 7, derde lid van het coördinatiedecreet, luidt : “(...) Indien de Vlaamse Regering afwijkt van het advies van de Regionale Commissie van Advies dient zij haar beslissing te motiveren. (...)”. Deze bepaling schrijft voor dat de Vlaamse regering zich richt naar het advies van de regionale commissie, tenzij er gegronde, met de stedenbouw en de ruimtelijke ordening verband houdende redenen voorhanden zijn om ervan af te wijken en dat de Vlaamse regering, in geval van afwijking van het commissieadvies, de redenen van die afwijking uiteenzet in het besluit waarbij zij het gewestplan definitief vaststelt. 3.3.5.
- Het ontwerpgewestplan van 8 juni 1999 wijzigt de bestemming van de gronden van de verzoekende partijen van woonuitbreidingsgebied in natuurgebied. In afwijking van het eindadvies van 5 juni 2000 van de regionale commissie van advies om de oorspronkelijke bestemming woonuitbreidingsgebied voor het gedeelte aan de Schomstraat, waartoe ook de gronden van de verzoekende partijen behoren, te behouden, bevestigt het tweede bestreden besluit de in het ontwerpgewestplan voorgestelde bestemmingswijziging in natuurgebied voor deze gronden. De overwegingen in het tweede bestreden besluit dat de wijziging van de bestemming van de gronden van de verzoekende partijen in natuurgebied een aanpassing aan de morfologische grens betreft, dat de natuurwaarden primeren op niet-prioritaire woonuitbreidingsgebieden en dat de motivering louter op basis van eigendomsstructuren binnen het woonuitbreidingsgebied voor het gedeelte ten zuiden niet kan worden ingevolgd, motiveren op afdoende wijze het behoud van de in het ontwerpplan voorziene bestemming natuurgebied voor deze gronden. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de voormelde motieven in feite onjuist zouden zijn, terwijl de overweging dat in het gebied geen infrastructuur aanwezig is, als een overtollig motief dient te worden beschouwd. Bovendien betreft de “infrastructuur” die volgens de verzoekende partijen in het woonuitbreidingsgebied aanwezig is, een wegenis die zich binnen het aangrenzende woongebied situeert, een “toegangsweg” die op geen enkel zich in het dossier bevindend plan is aangeduid en een bouwvallige kantine en een voetbalplein, die in redelijkheid niet kunnen X-10.123-23/27 begrepen worden als “infrastructuur” die de wijziging van de bestemming woonuitbreidingsgebied in natuurgebied vermag te verhinderen. Het derde middel is niet gegrond. 3.
- Vierde middel 3.4.
- In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het beginsel van de gewekte verwachtingen : “3.4.
- Toelichting Wanneer men het plan bekijkt dat bij het ontwerpplan tot wijziging en bij het definitief wijzigingsplan is gevoegd, zal men zien dat er een grenscorrectie is doorgevoerd t.a.v. een aantal percelen, gelegen in de Schomstraat (links t.o.v. verzoekende partijen). In het plan gevoegd bij het ontwerp van gewestplan-wijziging (...) was de grens van het natuurgebied volledig recht. In het definitief plan (...) is die grens niet meer recht, teneinde een volwaardige bouwstrook langs de bestaande straat De Schom te garanderen. Zonder objectief onderscheid te maken zijn verzoekende partijen uitgesloten van die grenscorrectie, alhoewel de percelen die kunnen genieten van die grenscorrectie maar enkele tientallen meters verwijderd zijn van de percelen van eerste verzoekende partij. Er wordt door die grenscorrectie een grote ongelijkheid gecreëerd, Waarom is die grenscorrectie niet over de hele lengte doorgevoerd ? Zonder enige motivering worden verzoekende partijen uitgesloten van het voordeel van die grenscorrectie. Dit is dan ook een schending van het gelijkheidbeginsel. * Wanneer de bijgebrachte plannen worden bekeken inzonderheid plannen 16 en 17, blijkt dat er heel wat verkavelingen zijn in de onmiddellijke omgeving van de percelen van verzoekende partijen. Zo bestond er in de jaren ’90 ook een verkavelingsplan om de percelen van verzoekende partijen te gaan verkavelen, doch gelet op de plannen tot gewestplanwijziging is dit niet doorgegaan, zoals blijkt uit stuk 9, waarin de gemeente Genk verklaart geen bezwaar te hebben tegen de verdeling, zoals op het bijgevoegd plan is voorgesteld. De Schoorbosheidestraat zou dan doorgetrokken worden teneinde de percelen van verzoekende partijen op een voldoende uitgeruste weg te kunnen bereiken. Rekeninghoudende met alle omliggende bebouwing, vooral ten oosten van de percelen van de verzoekende partijen, is het onredelijk om nu die percelen als natuurgebied te gaan inkleuren, vooral ook rekening houdende met het feit dat zowel de achterliggende bos als de Stiemerbeek een natuurlijke grens vormen van het natuurgebied. Een zorgvuldig bestuur zou toch met die opmerkingen rekening gehouden hebben en niet zijn overgegaan tot een gewestplanwijziging zoals ze nu is gebeurd”. 3.4.
- De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord dat de percelen van de verzoekende partijen niet zijn begrepen in een behoorlijk vergunde en niet-vervallen verkaveling, dat uit de woonbehoeftenstudie, waarnaar X-10.123-24/27 de verzoekende partijen in hun verzoekschrift verwijzen, blijkt, dat het woon- uitbreidingsgebied voorlopig niet zou aangesneden worden en dat er derhalve geen verwachtingen in hoofde van de verzoekende partijen werden gewekt. 3.4.
- In de memorie van wederantwoord verwijzen de verzoekende partijen naar hun verzoekschrift. 3.4.
- In hun laatste memorie wijzen de verzoekende partijen er nog op dat op hun percelen, zoals bij de bespreking van het derde middel werd aangetoond, wel degelijk infrastructuur aanwezig is. 3.4.5.
- Een schending van het gelijkheidsbeginsel kan slechts worden aangenomen indien de verzoekende partijen met feitelijke en concrete gegevens aantonen dat in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk behandeld werden, zonder dat er een objectieve verantwoording voor deze ongelijke behandeling bestaat. Het betoog van de verzoekende partijen dat de percelen die genieten van de grenscorrectie van het natuurgebied in het definitief gewestplan maar enkele tientallen meters verwijderd zijn van de percelen van de eerste verzoekster, kan daartoe niet volstaan. 3.4.5.
- De verwerende partij is vreemd aan de afwezigheid van bezwaar op 21 januari 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Genk tegen het plan tot verdeling van de gronden van de verzoekende partijen, zodat een schending van het vertrouwensbeginsel in haren hoofde niet kan worden aangenomen. 3.4.5.
- De afwezigheid van voormeld bezwaar en het betoog van de verzoekende partijen dat hun gronden, vooral ten oosten, in de onmiddellijke omgeving van bebouwing zijn gelegen en het achterliggende bos en de Stiemerbeek, die zich achter deze gronden bevinden, een natuurlijke grens van het natuurgebied vormen, tonen tenslotte noch de kennelijke onredelijkheid noch de onzorgvuldigheid van de tweede bestreden beslissing aan. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- X-10.123-25/27 Het beroep wordt verworpen. X-10.123-26/27 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-10.123-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.313 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div