← België

Arrest 184314 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 18/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.314 Rolnummer: A. 100050/X-10096 Zaak: Arrest 184314 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 18/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:14 Fiche Arrest nr 184.314 van 18 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.314 van 18 juni 2008 in de zaak A. 100.050/X-10.096. In zake : 1. de v.z.w. COMITÉ RECREATIEGEBIED HET LAER, TE OPGLABBEEK, 2. Leo ADAM, 3. Clementina VERMEIREN, 4. Marc LEENEN, 5. Aline HUYSENTRUYT, 6. Sanno VISSER, die woonplaats kiezen bij advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. COMITÉ RECREATIEGEBIED HET LAER, TE OPGLABBEEK, Leo ADAM, Clementina VERMEIREN, Marc LEENEN, Aline HUYSENTRUYT en Sanno VISSER op 2 februari 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 oktober 2000 van de Vlaamse regering, houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-de-Stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 december 2000 en van de beslissing van 13 juli 2000 van de Vlaamse regering, houdende verlenging van de termijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; X-10.096-1/31 Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 21 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat S. VANDEWIELE, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Het gebied Het Laer in Opglabbeek is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Hasselt-Genk, zoals het was vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, gelegen in recreatiegebied. In dit recreatiegebied bevinden zich meerdere weekendhuisjes waarvoor geen vergunning blijkt te zijn afgegeven. De eerste verzoekende partij heeft blijkens artikel 3 van haar statuten tot doel : “

  1. a)De vrijwaring van de bestemming van het recreatiegebied verdedigen.
  2. b)Het nemen van initiatieven voor de erkenning van het bestaande gebruik van haar eigendom voor al haar leden.
  3. c)Het bevorderen van het recreatief gebruik binnen het recreatiegebied het Laer te Opglabbeek.
  4. d)Het leggen van de nodige contacten met overheden, met andere groeperingen en diensten die bijdragen tot het recreatief gebruik”. X-10.096-2/31 De verzoekende partijen 2 tot en met 6 zijn eigenaars van een perceel met weekendverblijf gelegen in dit gebied. 1.2. Bij besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 wordt het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-de-Stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal, voorlopig vastgesteld. Met betrekking tot het recreatiegebied Het Laer overweegt het voormelde besluit het volgende : “Overwegende dat de ruiling van een recreatiegebied te Opglabbeek met een natuurgebied ten noordoosten van de gemeente enerzijds een versterking betekent van de natuurlijke structuur van het buitengebied tussen Opglabbeek en Opoeteren en anderzijds de uitbreiding van de jeugdaccommodatie aansluitend bij het bestaande recreatiegebied mogelijk maakt”. 1.3. Het ontwerpplan wordt van 18 oktober 1999 tot en met 16 december 1999 aan een openbaar onderzoek onderworpen. Tal van bezwaarschriften worden ingediend, waaronder door de tweede, de vierde, de vijfde en de zesde verzoekende partijen. 1.4. De gemeente Opglabbeek brengt geen advies uit. De regionale commissie van advies vraagt op 22 februari 2000 een verlenging van de adviestermijn met 60 dagen. Bij ministerieel besluit van 14 maart 2000 wordt de gevraagde termijnverlenging toegestaan. 1.5. Op 5 juni 2000 brengt de regionale commissie van advies haar eindadvies uit : “(...) I. Advies van de Commissie over het plangebied (...) 2.2. Opglabbeek 2.2.1. Het Laer De commissie brengt een gunstig advies uit voor de wijziging van dit recreatiegebied in natuurgebied omwille van de ligging in een bestaand natuurgebied en de aanwezigheid van landduinen in dit gebied. De aanwezigheid van weekendhuisjes in dit gebied, allen zonder vergunning, is onvoldoende reden om het recreatiegebied te behouden. Hierbij wordt wel opgemerkt dat er jarenlang een gedoogbeleid is gevoerd door de bevoegde overheden. De commissie vraagt dan ook om een soepele regeling uit te werken met de eigenaars bij de eventuele sanering van dit gebied. 2.2.2. Jeugdparadijs X-10.096-3/31 Voor het recreatiegebied ‘Jeugdparadijs’ wordt een uitbreiding voorzien door wijziging van een gedeelte natuurgebied en agrarisch gebied. De commissie adviseert deze uitbreiding ongunstig omdat de noodzaak voor deze uitbreiding niet is aangetoond. De commissie gaat enkel akkoord met de opname van de huidige parking (illegaal in natuurgebied) bij het recreatiegebied. De overige gedeelten dienen hun huidige bestemming te behouden. (...) IV. Advies over de bezwaarschriften: (...) In het advies wordt gevraagd een soepele houding aan te nemen ten opzichte van de eigenaars van de weekendhuisjes bij de eventuele sanering van het gebied. Het feit dat deze weekendhuisjes reeds meer dan 30 jaar bestaan zonder vergunning geeft geen verworven recht op het behoud ervan. De eigenaars hebben nagelaten een bouwvergunning aan te vragen gedurende al de jaren dat het Laar was ingekleurd als recreatiegebied. Het initiatief daartoe moest door de eigenaars worden genomen. (...)”. 1.6. Op 13 juli 2000 beslist de Vlaamse regering de vervaltermijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk te verlengen met 60 dagen. Dit is het tweede bestreden besluit. 1.7. Op 28 september 2000 brengt de afdeling wetgeving van de Raad van State, met toepassing van het op dat ogenblik geldende artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, advies uit. Het verzoek om spoedbehandeling is gemotiveerd door de omstandigheid “dat overeenkomstig artikel 11 voor definitieve vaststelling van gewestplanwijzigingen een vervaltermijn geldt; dat in huidig geval de termijn is gestart op 16 december 1999, met name de einddatum van het openbaar onderzoek; dat de termijn, behoudens verlenging van de adviestermijn waarover de regionale commissie beschikt, 180 dagen bedraagt; dat overeenkomstig de decretale bepalingen de adviescommissie van die 180 dagen 120 dagen ter beschikking heeft voor het uitbrengen van zijn advies; dat de Vlaamse regering op tijdig verzoek van de bevoegde minister heeft beslist om de vaststellingstermijn met 60 dagen te verlengen, zodat de vervaltermijn thans verstrijkt op 11 oktober 2000; dat de verlenging is ingegeven door verschillende motieven, waaronder de noodzaak van bijkomend onderzoek en overleg omtrent planopties waarover de regionale commissie een omstandig advies heeft uitgebracht; dat uiteraard de administratieve voorbereiding van een definitieve vaststelling, het onderzoek van het advies van de commissie, het onderzoek van bezwaren en opmerkingen, en de besprekingen met betrekking tot de planopties de nodige tijd in beslag nemen; dat thans een advies gevraagd wordt aan de Raad van State, afdeling wetgeving, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, met name een vraag om advies op drie dagen, omdat het alternatief, met name een adviestermijn van één maand conform artikel 84, eerste lid, 1/ van de X-10.096-4/31 gecoördineerde wetten op de Raad van State, geen garantie biedt dat het advies tijdig wordt ontvangen zodat het nog kan onderzocht worden met het oog op eventuele aanpassingen in het voor advies voorgelegde besluit”. 1.8. Op 6 oktober 2000 beslist de Vlaamse regering tot de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt- Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-de-Stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal. Dit is het eerste bestreden besluit. Met betrekking tot Het Laer overweegt het wat volgt : “Overwegende dat voor het recreatiegebied jeugdparadijs te Opglabbeek enkel de beperkte uitbreiding met de bestaande parking nog relevant is; dat voor het geruilde gebied Het Laer een ‘recreatiegebied met nabestemming natuurgebied’ onder een bijzonder voorschrift wordt voorzien, waarin een uitdovend beleid ten aanzien van de in het gebied aanwezige weekendverblijven geëxpliciteerd wordt; dat dit ten dele tegemoet komt aan de ingediende bezwaren en aan het advies van de Regionale Commissie; dat de waarde van het gebied als onderdeel van de natuurlijke structuur van het buitengebied tussen Opglabbeek en Opoeteren de bestemming natuurgebied op termijn verrechtvaardigt en de aanwezige natuurwaarden in het gebied dermate zijn dat deze in elk geval dienen beschermd en versterkt”. Artikel 24 van de aanvullende voorschriften luidt als volgt : “Artikel 24. Recreatiegebied met nabestemming natuur. In deze gebieden wordt een uitdovingsbeleid gevoerd ten aanzien van de aanwezige weekendverblijven. Dit betekent dat geen nieuwe stedenbouwkundige vergunningen worden afgeleverd. De bestaande natuurwaarden in het gebied worden minstens behouden, zoniet hersteld en/of ontwikkeld”. 1.9. Het eerste bestreden besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 december 2000. 2. De ontvankelijkheid van het beroep 2.1. De ontvankelijkheid van het beroep ratione temporis 2.1.1. De verwerende partij formuleert de volgende exceptie van laattijdigheid : “Artikel 4 lid 3 van het Besluit van de Regent tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State (hierna genoemd het ‘Procedurereglement R.v.St.’) bepaalt dat beroepen tot X-10.096-5/31 nietigverklaring op straffe van niet-ontvankelijkheid moeten ingesteld worden binnen zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden. gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. Deze termijn gaat in daags na de bekendmaking van de bestreden beslissing. De vervaldag wordt in de termijn gerekend. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het de postdatum is waarmee terzake rekening moet gehouden worden. - Het besluit van de Vlaamse regering van 6 oktober 2000 houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan HASSELT-GENK op liet grondgebied van de gemeenten Alken. As, Beringen. Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-De-Stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal, werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 december 2000 (...). Op straffe van niet-ontvankelijkheid diende het beroep tot nietigverklaring ingesteld te worden binnen zestig dagen na deze bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Het verzoekschrift tot nietigverklaring diende derhalve uiterlijk op woensdag 31 januari 2001 ter post aangeboden te worden, opdat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk zou zijn. - De verzoekende partijen vorderen de nietigverklaring van het besluit van 06.10.2000 bij niet-gedateerd verzoekschrift. Het verzoekschrift tot nietigverklaring werd in casu ter post aangeboden op vrijdag 02.02.2001, en draagt derhalve de postdatum van 02.02.2001. Het verzoekschrift tot nietigverklaring, werd afgestempeld door de diensten van de griffie van de Raad van State op maandag 05.02.2001. - Rekening houdend met artikel 4 lid 3 van het Procedurereglement R.v.St., de bekendmaking van het bestreden besluit van 06.10.2000 in het Belgisch Staatsblad van 02.12.2000 en de postdatum van 02.02.2001, is het verzoekschrift tot nietigverklaring niet ontvankelijk. (...) De door de procedureregeling opgelegde verplichting om het inleidende verzoekschrift te dateren is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven. Het is de postdatum waarmee ter zake moet rekening gehouden worden. (...) Art. 4 van het procedurereglement doet de termijn voor een annulatieberoep ingaan na de betekening, de bekendmaking of de feitelijke kennis van de bestreden beslissing, niet met het ontstaan van het belang bij de vernietiging van die beslissing, laat staan met het zich rekenschap geven van dat belang. Het beroep tot vernietiging van (een) artikel van een K.B., ingesteld meer dan 60 dagen nadat het in het B.S. werd bekendgemaakt, is niet ontvankelijk”. 2.1.2. In de memorie van wederantwoord repliceren de verzoekende partijen op de exceptie als volgt : “Verzoekende partijen hebben het verzoekschrift tot nietigverklaring tegen het besluit van de Vlaamse Regering van 06.10.2000 verschenen in het Belgisch Staatsblad ter post aangeboden op 02.02.2001. Verwerende partij werpt op dat dit buiten de termijn zoals voorzien in artikel 4, lid 3 van het Procedurereglement is gebeurd aangezien dit bepaalt dat de beroepen tot nietigverklaring op straffe van niet-ontvankelijkheid moeten X-10.096-6/31 ingesteld worden binnen zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Verwerende partij beweert dat het verzoekschrift uiterlijk op woensdag 31.01.2001 ter post diende te worden aangeboden. Verzoekende partijen zijn vanzelfsprekend van oordeel dat het verzoek tot nietigverklaring tijdig werd ingediend en wel om de volgende redenen. Indien verschillende, bijzondere vormen van bekendmaking worden opgelegd, gaat de beroepstermijn slechts in nadat de bekendmaking op diverse wijzen is gebeurd. De bekendmaking van de streek - en de gewestplannen is tweeledig ingevolge artikel 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22.10.1996 . Zij behelst niet alleen een bekendmaking van het besluit bij uittreksel en een volledige mededeling van het advies van de Regionale Commissie voor advies in het Belgisch Staatsblad, maar ook de neerlegging van het besluit en van het gewestplan van elke gemeente die bij het plan betrokken is, na aankondiging ervan door aanplakking op initiatief van de provinciegouverneur. De bekendmaking van het gewestplan is slechts volledig wanneer niet alleen de bestemmingsplannen maar ook de kaarten met de juridische toestand en de orthofotoplannen ter inzage liggen in elk van de betrokken gemeenten en de neerlegging is bekendgemaakt. De beroepstermijn gaat ten aanzien van betrokken inwoners, met uitzondering van de gemeente, bijgevolg in van zodra de beide bekendmakingen zijn gebeurd. Verzoekende partijen verwijzen naar de bevestiging van ter inzagelegging door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Opgla(b)beek. (...) Het volgende wordt verklaard door de het college van burgemeester en schepenen : ‘Het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Opgla(b)beek verklaart dat: Het besluit van de Vlaamse Regering van 6 oktober 2000 houdende de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-de-Stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opgla(b)beek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal, tesamen met het plan en de planologische voorschriften en het advies van de Regionale Commissie van Advies vanaf 07.12.2000 in het gemeentehuis ter inzage liggen.’ Het verzoekschrift tot nietigverklaring diende dus uiterlijk op dinsdag 07 februari 2001 ter post aangeboden (
  5. te)worden en gelet op het feit dat dit reeds op maandag 02 februari 2001 werd verricht, is het beroep ontvankelijk. De eerste exceptie van onontvankelijkheid is derhalve niet gegrond”. 2.1.3.1. Artikel 11, § 9, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : “coördinatiedecreet”), bepaalt : “De definitieve vaststelling van het plan door de Vlaamse regering wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt waarin tevens het advies van de Regionale Commissie van Advies wordt opgenomen. Het plan treedt in werking binnen 15 dagen na zijn bekendmaking. X-10.096-7/31 Binnen 15 dagen na zijn bekendmaking ligt het advies met de normatieve delen van het plan na overmaking door de minister ter inzage van de bevolking in elk betrokken gemeentehuis. De niet-normatieve delen zijn ter inzage op het hoofdbestuur en de provinciale buitendiensten van de Administratie voor Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse regering bepaalt welke delen van het plan normatief dan wel niet-normatief zijn”. 2.1.3.2. De bekendmaking van het gewestplan is slechts volledig nadat is voldaan aan de dubbele formaliteit van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad én ter inzagelegging van de bevolking in elk betrokken gemeentehuis. 2.1.3.3. Wat het ogenblik van voldaan zijn van deze bekendmaking betreft, verwijzen de verzoekende partijen naar de bevestiging van de terinzagelegging door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Opglabbeek van 7 december 2000, waarin het volgende wordt verklaard : “Het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Opglabbeek verklaart dat : Het besluit van de Vlaamse regering van 6 oktober 2000 houdende de definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-de-Stad, Heusden- Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal, tesamen met het plan en de bijhorende planologische voorschriften en het advies van de Regionale Commissie van Advies vanaf 07-12-2000 in het gemeentehuis ter inzage liggen”. 2.1.3.4. Aangezien eerst op 7 december 2000 aan de dubbele formaliteit van bekendmaking werd voldaan, is het op 2 februari 2001 ingediende annulatieberoep tijdig. De exceptie is niet gegrond. 2.2. De ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het is gericht tegen de tweede bestreden beslissing 2.2.1. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep ratione materiae in zoverre het is gericht tegen de tweede bestreden beslissing van de Vlaamse regering van 13 juli 2000 houdende verlenging van de termijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk : “De verzoekende partijen vorderen tevens de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 13.07.2000 houdende verlenging van de X-10.096-8/31 vervaltermijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan HASSELT-GENK met een termijn van 60 dagen. Om ontvankelijk te zijn, moet het annulatieberoep gericht zijn tegen een uitvoerbare beslissing. De uitvoerende beslissing is de handeling waarbij beoogd wordt rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen, m.a.w. waarbij wordt beoogd wijziging aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand. dan wel zodanige wijziging te beletten (...). Administratieve maatregelen die per se geen uitvoerbare kracht hebben en geen gevolg hebben op de rechtstoestand van de verzoeker, komen niet in aanmerking voor vernietiging. Het besluit van de Vlaamse regering van 13.07.2000 houdende verlenging van de vervaltermijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan HASSELT-GENK met een termijn van 60 dagen, heeft als dusdanig geen uitvoerbare kracht en geen gevolg op de rechtstoestand van de verzoekende partijen, zodat het annulatieberoep gericht tegen dit besluit niet ontvankelijk is”. 2.2.2. De verzoekende partijen beantwoorden deze exceptie als volgt : “Verwerende partij is van oordeel dat het besluit van de Vlaamse regering dd. 13.07.2000 houdende verlenging van de vervaltermijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk met een termijn van 60 dagen geen uitvoerbare kracht heeft en geen gevolg op de rechtstoestand van de verzoekende partijen zodat het annulatieberoep hiertegen gericht onontvankelijk is. Aangezien verzoekende partijen van oordeel zijn dat het besluit van 13.07.2000 wel uitvoerbare kracht heeft en een belangrijke invloed heeft gehad op de rechtstoestand van verzoekende partijen. Het besluit van de Vlaamse regering van 13.07.2000 bepaalt immers uitdrukkelijk dat zij de vervaltermijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk voorlopig vastgesteld op 08.06.1999 verlengt met 60 dagen. (...) Dit impliceert dat het Vlaams Gewest zelf deze termijn, zoals ingeschreven in het artikel 11 § 7 lid 4 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening dd. 22.10.1996, als een termijn van verval interpreteert. Artikel 11 § 7, lid 4 luidt als volgt (...) : ‘Op gemotiveerd verzoek van de minister ten laatste 30 dagen voor het verstrijken van de termijn van 180 dagen behoudens de verlenging in § 5, zoals bepaald in § 7, beslist de Vlaamse Regering over de verlenging met 60 dagen van de termijn waarbinnen zij het plan dient vast te stellen.’ Door het besluit van 13.07.2000 betreffende de verlenging van de beslissingstermijn en c.q. de definitieve vaststelling bij besluit dd. 06.10.2000 is er een wijziging van het gewestplan tot stand gekomen dewelke onmiskenbaar nadelig is voor verzoekende partijen. A fortiori heeft dit een invloed op hun rechtstoestand, met name door de bestemmingswijziging naar recreatiegebied met nabestemming natuurgebied dreigen de zomerhuisjes wel zonevreemd te worden bij de realisatie van het natuurgebied ‘op termijn’. Indien de beslissing tot verlenging van de termijnen niet rechtsgeldig is dan lijkt ook de definitieve vaststelling van de wijziging van het gewestplan niet geldig aangezien men dan buiten de termijn tot definitieve vaststelling is over(ge)gaan hetgeen overeenkomstig artikel 11 § 8 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening dd. 22.10.1996 het verval van het X-10.096-9/31 ontwerpgewestplan met zich brengt. (de Vlaamse regering sprak zelf reeds van een vervaltermijn) Het besluit van 13.07.2000 bepaalt mee de eindbeslissing zijnde het besluit van 06.10.2000 en vormt derhalve een uitvoerbare beslissing van een administratieve overheid dewelke vatbaar is voor vernietiging overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat de tweede exceptie van onontvankelijkheid eveneens niet gegrond is”. 2.2.3. In hun laatste memorie betogen de verzoekende partijen dat zij zich, wat dit aspect betreft, naar de wijsheid van de Raad gedragen. 2.2.4. Het beroep is niet ontvankelijk in zoverre de nietigverklaring wordt gevorderd van de tweede bestreden beslissing tot verlenging van de termijn voor de definitieve vaststelling van het gewestplan Hasselt-Genk. Een beslissing tot verlenging van de termijn tot definitieve vaststelling van het gewestplan moet immers worden aangemerkt als een louter voorbereidende handeling, deel uitmakend van een complexe administratieve rechtshandeling, die onlosmakelijk verbonden is met en voorbereidend is aan de later te nemen beslissing waarbij het gewestplan definitief wordt vastgesteld, maar die op zichzelf geen enkele invloed heeft op de inhoud van die beslissing. Dergelijke beslissing kan niet met een afzonderlijk annulatieberoep worden bestreden, zodat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. 2.3. De ontvankelijkheid van het beroep wat betreft het belang van de verzoekende partijen 2.3.1. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partijen als volgt : “De verzoeker moet doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, griefhoudend en geoorloofd belang. In het verzoekschrift tot nietigverklaring tonen de verzoekende partijen op generlei wijze aan waarin hun persoonlijk, rechtstreeks, griefhoudend en geoorloofd belang gelegen is om de beslissingen van 13.07.2000 en 06.10.2000 aan te vechten. - De verzoekende partijen 2 tot en met 6 zijn eigenaars van een perceel gelegen in liet gebied HET LAER in Opglabbeek. Overeenkomstig het gewestplan HASSELT-GENK, vastgesteld bij K.B. van 03.04.1979, is HET LAER gelegen in een recreatiegebied. Op hun percelen, gelegen in recreatiegebied, hebben de verzoekende partijen 2 tot en met 6 wederrechtelijk weekendhuisjes opgericht in de jaren ‘70. De eigenaars van deze weekendhuisjes hebben nagelaten een bouwvergunning aan te vragen gedurende al de jaren dat HET LAER was ingekleurd als recreatiegebied. Het initiatief daartoe moest door de eigenaars worden genomen. X-10.096-10/31 - HET LAER krijgt door de gewestplanwijziging de bestemming ‘Recreatiegebied met nabestemming natuurgebied’ (...). In dit gebied wordt een uitdovingbeleid gevoerd ten aanzien van de aanwezige weekendverblijven. De verzoekende partijen zullen derhalve de tijd hebben om te voorzien in een alternatief voor hun thans bestaande weekendhuisjes en het recreatief verblijf ter plaatse. Bij gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partijen, dient het verzoekschrift tot nietigverklaring onontvankelijk verklaard te worden”. 2.3.2. De verzoekende partijen beantwoorden deze exceptie als volgt : “Verzoekende partijen zijn eigenaars van percelen grond met chalets dewelke gelegen waren in recreatiegebied, hetgeen wordt erkend door verwerende partij. Voornamelijk inzake stedebouw en ruimtelijke ordening zal de hoedanigheid van eigenaar bepalend zijn of de bestuurde een belang heeft bij de bestreden beslissing. Zo heeft een eigenaar ongetwijfeld belang bij betwistingen die rechtstreeks zijn eigendom betreffen, zoals het bestrijden van bestemmingsvoorschriften in plannen van aanleg. (en c.q. gewestplannen.) Een verzoeker wiens gronden zijn gelegen binnen de omschrijving van een plan van aanleg (mutatis mutandis : gewestplan) heeft belang om de nietigverklaring te vorderen van een bestemmingsvoorschrift dat hem grieft. Verzoekende partijen hebben als eigenaars onmiskenbaar een belang bij de vernietiging van het bestreden besluit. Ingevolge de artikelen 16.5.0 en 16.5.2 van het K.B. van 24.10.1978 betreffende de inrichting en de Toepassing van de ontwerp - gewestplannen en gewestplannen recreatiegebieden zijn deze gebieden bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccomodatie bestaande uit oa. gegroepeerde chalets. Bij de opmaak van het gewestplan Hasselt-Genk zoals vastgesteld bij M.B. van 08.04.1976 heeft de gemeente Opgla(b)beek mee aangedrongen op de toekenning van de bestemming ‘recreatiegebied’ aan Het Laar aangezien er reeds een concentratie weekendverblijven aanwezig was. Er werd door de eigenaars in 1974 een aanvraagdossier tot regularisatie van de weekendverblijven ingediend hetgeen mogelijk was onder de geldende reglementering van de Stedebouwwet van 29.03.1962. Artikel 65 § 3 van de Stedebouwwet voorzag in het verlenen van een regularisatievergunning waarvoor 2 voorwaarden werden gesteld, enerzijds dat de overtreding niet mocht bestaan in het uitvoeren van werken in strijd met de plannen van aanleg, de ter uitvoering van de wet vastgestelde verordeningen of van een verkavelingsvergunning en anderzijds dat de werken stroken met een goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De staatssecretaris Luc DHOORE deelde mee per brief dd. 08.06.1976 dat de nadere modaliteiten voor een eigenlijke regularisatie in het kader van deze regeling zouden worden onderzocht. Verzoekende partijen mochten echter in de periode 1976 - 2001, zijnde 25 jaar geen bericht meer ontvangen betreffende de stand van de regularisatievergunning, niettegenstaande de chalets gelegen waren in een recreatiegebied en tevens strookten met het idee van de ruimtelijke ordening in dergelijke gebieden. De uitgevoerde werken beantwoorden aan de voorschriften voor een recreatiegebied en zijn uitgevoerd zonder voorafgaande vergunning. X-10.096-11/31 De werken zijn voor het overige vergunbaar gelet op de verblijfsrecreatie in aaneengesloten chalets en het feit dat er geen plan van aanleg, verordening of verkavelingsvergunning van toepassing was. Meer nog, de gemeente Opgla(b)beek heeft zelf aangedrongen op de opname van het gebied ‘Het Laar’ als recreatiegebied in het initiële gewestplan vastgelegd op 03.04.1979. In de huidige regelgeving van artikel 158 van het Decreet van 18.05.1999 zal het na betalen van de transactiesom de vergunning kunnen worden aangevraagd. Verzoekende partijen worden nu geconfronteerd met de realisatie van de nabestemming tot natuurgebied van hun eigendom, hetgeen met zich brengt dat de uitgevoerde werken in natuurgebied komen te liggen en vanzelfsprekend niet meer in aanmerking komen voor een vergunning aangezien de chalets niet passen in een natuurgebied. Verzoekende partijen zullen derhalve : 1. geen regularisatie van de verblijfstoestand door betaling van een transactiesom kunnen bekomen 2. geen vergunningsaanvraag voor de aaneengesloten chalets in natuurgebied verkrijgen 3. geconfronteerd worden met lagere verkoopprijs aan derden ingevolge de nakende realisatie van de nabestemming. Verzoekende partijen menen dat door het besluit van 06.10.2000 hen de mogelijkheid zal worden ontzegd om een regularisatie van de toestand via de betaling van een transactiesom wordt ontnomen en de mogelijkheid om nadien een vergunning aan te vragen voor de chalets op hun eigendom in natuurgebied. Verzoekende wensen derhalve geen met dwingende wetbepalingen strijdige toestand behouden of te creëren door middel van de nietigverklaring van het bestreden besluit. Verzoekende partijen wensen enkel door de nietigverklaring de mogelijkheid te bewaren om een regularisatie van de bestaande toestand te betrachten middels een vergunning hetgeen een wettig belang vormt. De derde exceptie tot onontvankelijkheid is dan ook ongegrond”. 2.3.3.1. De verwerende partij voert niet aan op welke gronden zij het belang van de eerste verzoekende partij betwist. 2.3.3.2. Aangezien het stedenbouwkundig voorschrift van artikel 24 van het gewestplan de overige verzoekende partijen, allen eigenaar van een perceel grond met weekendverblijf binnen het recreatiegebied Het Laer, de mogelijkheid ontneemt om nog een stedenbouwkundige vergunning te verkrijgen, dient te worden aangenomen dat bedoeld bestemmingsvoorschrift grievend is en zij een belang hebben bij de gevraagde nietigverklaring. De exceptie is niet gegrond. 2.4. De ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het is gericht tegen het eerste bestreden besluit in zijn geheel X-10.096-12/31 De verzoekende partijen vragen de nietigverklaring van het eerste bestreden besluit in zijn geheel. Zij blijken zich evenwel enkel gegriefd te achten in zoverre bedoeld besluit het recreatiegebied Het Laer te Opglabbeek tot “recreatiegebied met nabestemming natuurgebied” bestemt. Het annulatieberoep dient tot dat onderdeel van het aangevochten plan te worden beperkt aangezien niet blijkt en de verwerende partij evenmin opwerpt dat terzake het gewestplan een geheel vormt, en de gedeeltelijke nietigverklaring ervan niet denkbaar en alzo niet toelaatbaar is omdat de nietigverklaring geen betrekking of uitwerking heeft op een vanuit planologisch standpunt isoleerbaar gebied binnen het gewest, zodat een gedeeltelijke nietigverklaring tot gevolg zou hebben de algehele economie van het plan aan te tasten. In het huidige geval dient te worden aangenomen dat de bestemming welke het aangevochten gewestplan aan die gronden heeft gegeven, kan worden vervangen, zonder aan de algemene economie van dat plan afbreuk te doen. Het beroep is vanuit dat oogpunt en vanuit het oogpunt van het vereiste belang in die mate ontvankelijk. 3. De gegrondheid van het beroep gericht tegen het eerste bestreden besluit 3.1. Eerste middel 3.1.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 3, § 1 en artikel 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State : “doordat het bestreden besluit is tot stand gekomen na een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State op drie dagen in toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; terwijl de dringende noodzakelijkheid niet (afdoende) werd gemotiveerd met bijzondere redenen en het beroep op dat artikel 84 eerste lid, 2/ niet verantwoord was, minstens de aanvraag daartoe niet (afdoende) gemotiveerd was. 3.1.2. TOELICHTING Het openbaar onderzoek na de goedkeuring van de ontwerp-gewestplanwijziging werd gehouden van 18 oktober 1999 t/m 16 december 1999 Krachtens artikel 11 §4 van het Stedenbouwdecreet gecoördineerd op 22/10/1996 moet de Regionale Commissie van Advies (RCA) dan advies uitbrengen binnen een termijn van 120 dagen te rekenen vanaf 17 december 1999. Voor deze termijn werd een verlenging aangevraagd op 22/02/2000 (...). Deze termijnverlenging werd toegestaan op 14/03/2000 door een Ministerieel Besluit van de heer Van Mechelen (...) De RCA heeft uiteindelijk op 05/06/2000 haar advies uitgebracht. X-10.096-13/31 Uit het alhier bestreden besluit en uit stuk 4a blijkt dat de termijn waarbinnen de Vlaamse Regering de gewestplanwijziging definitief moest vaststellen eveneens verlengd werd en dit tot 11 oktober 2000. Uit het dossier blijkt echter nergens waarom de Regering op vier maanden tijd niet de mogelijkheid had om tijdig een advies op één maand aan de Raad van State te vragen. (art. 84, eerste lid l/) Waarom heeft men een advies op drie dagen gevraagd ? De redenen die daarvoor in het bestreden besluit aangehaald worden, beletten niet dat een advies op één maand had kunnen aangevraagd worden. Men kan niet de eigen traagheid of die van de eigen administratie aanwenden o(
  6. m)een beroep te doen op de adviestermijn op drie dagen. Te meer daar uit het advies van de RCA zelf alsook uit het bestreden besluit blijkt dat het advies van de RCA reeds omstandig was, zodat niet veel bijkomend onderzoek nodig was. De administratieve voorbereiding van een definitieve vaststelling, het onderzoek van het advies van de RCA, bezwaren en opmerkingen en de besprekingen m.b.t. de planopties zijn normale aspecten van een wijzigingsprocedure en rechtvaardigen op zich niet een verlenging van de beslissingstermijn en nog minder dat dan enkel het advies op drie dagen aan de Raad van State dient gevraagd te worden. Die aspecten doen zich in elke wijzigingsprocedure voor en zijn niet specifiek aan de alhier bestreden wijzigingsprocedure. M.a.w. indien de tegenpartij tijdig aan de Raad van State gevraagd had om een advies op één maand te vragen, had dit advies er zeker geweest en had men zeker de garantie gehad dat het tijdig ontvangen zou zijn zodat het ook nog kan onderzocht worden met het oog op eventuele aanpassingen. In die omstandigheden zou de afdeling wetgeving ook een veel uitgebreider advies hebben kunnen maken”. 3.1.2. De verwerende partij antwoordt op dit middel als volgt : “In het eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 3 § 1 en artikel 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12.01.1973. Artikel 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12.01.1973 luidt als volgt: ‘Het onderzoek van de zaken vindt plaats in de volgorde van de inschrijving ervan op de rol, uitgezonderd: ( ... ) 2/ wanneer, in spoedeisende gevallen, die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2 §4. In dit geval wordt de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, overgenomen in de aanhef van de verordening. (...)’ Rekening houdend met de door de wet voorgeschreven termijnen voor de totstandkoming van de gewestplannen, werd overeenkomstig artikel 84 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State advies uitgebracht door de afdeling wetgeving van de Raad van State binnen een termijn van ten hoogste drie dagen (artikel 84 lid 1, 2/)”. X-10.096-14/31 3.1.3. In hun memorie van wederantwoord verwijzen de verzoekende partijen naar het gestelde in hun verzoekschrift. In hun laatste memorie stellen zij nog het volgende : “3. Verzoekende partijen nemen kennis van de stelling van de Auditeur dat de bestreden beslissing het eerste middel niet schendt, waarbij in essentie wordt gewezen op het feit dat het advies van de regionale commissie van advies ‘vrij omstandig’ was en op het verstrijken van de vervaltermijn op 11 oktober 2000, terwijl het advies van de Afdeling Wetgeving door de verwerende partij werd aangevraagd op 25 september 2000 (...). 4. Verzoekende partijen kunnen alleen maar vaststellen dat, ingeval de bestendige deputatie en de regionale commissie van advies (verder: RCA) de temporele bevoegdheid om advies te verstrekken die artikel 11 van het decreet van 22 oktober 1996 hen toekent, integraal zouden hebben benut, de verwerende partij dan in regel binnen 60 dagen na ontvangst van het advies van de RCA een beslissing tot definitieve vaststelling diende te nemen. In casu werd door de verwerende partij beslist tot een verlenging van de termijn met 60 dagen en bovendien werd het advies van de RCA reeds op 5 juni 2005 verstrekt terwijl de RCA in principe tot 15 juni 2005 de tijd had om advies te verstrekken (...). Uiteindelijk had de verwerende partij dus 130 dagen de tijd om de bestreden beslissing te nemen terwijl zij in regel slechts 60 dagen ter beschikking zou hebben gehad en, ingeval de RCA haar adviestermijn volledig had uitgeput, maximaal 120 dagen. Het advies van de RCA mag bovendien wel vrij omstandig zijn geweest, zoals althans in het Auditoraatsverslag wordt vermeld, dat neemt niet weg dat de bestreden beslissing slechts een wijziging van een gewestplan betreft, beperkt tot het grondgebied van bepaalde gemeenten. Er zijn m.a.w. territoriaal gezien veel ingrijpendere beslissingen m.b.t. definitieve vaststellingen van gewestplannen denkbaar, waarbij rekening moet worden gehouden met een veelvoud van opmerkingen en bezwaren dan i.c. het geval was, en derhalve met een omvangrijker advies van de bestendige deputatie en een lijviger advies van de RCA dan het i.c. uitgebrachte advies, waarbij nochtans dezelfde termijnen moeten worden gerespecteerd door de verwerende partij. Men kan zich derhalve toch terecht de vraag stellen of de overheid haar verplichting om de bestuurlijke besluitvorming op een dusdanige wijze te organiseren dat de mogelijkheid wordt geschapen de normale adviesverplichting na te leven wel heeft vervuld dan wel of zij het dringend karakter niet zelf in de hand heeft gewerkt door pas op 25 september 2000 een vraag tot advies te richten tot de Afdeling Wetgeving (...). De motivering van de hoogdringendheid ‘dat de verlenging is ingegeven door verschillende motieven, waaronder de noodzaak van bijkomend onderzoek en overleg omtrent planopties waarover de regionale commissie een omstandig advies (heeft) uitgebracht; dat uiteraard de administratieve voorbereiding van de definitieve vaststelling, het onderzoek van het advies van de commissie, het onderzoek van bezwaren en opmerkingen, en de besprekingen met betrekking tot de planopties de nodige tijd in beslag nemen;’ en vooral het gebruik van de term ‘uiteraard’ indiceert trouwens dat de verwerende partij blijkbaar van oordeel is dat het evident is dat bij het nemen van een beslissing tot definitieve vaststelling van een gewestplan de normale adviesprocedure die één maand in beslag neemt (art. 84) geen toepassing kan vinden... X-10.096-15/31 Bovendien zijn de opgegeven motieven ook dermate algemeen dat zij op iedere beslissing tot vaststelling van een (wijziging van een) gewestplan van toepassing zou kunnen zijn... Conform art. 3 §1 van de gecoördineerde wetten moet het geval van hoogdringendheid nochtans met bijzondere redenen omkleed worden. In die optiek moeten de ingeroepen motieven ook voldoende duidelijk en concreet zijn (...). Het middel is gegrond”. 3.1.4.1. Artikel 3, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, bepaalt : “Buiten het met bijzondere redenen omklede geval van hoogdringendheid en de ontwerpen betreffende begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen en het legercontingent uitgezonderd, onderwerpen de Ministers (...), ieder wat hem betreft, aan het met redenen omkleed advies van de afdeling wetgeving de tekst van alle voorontwerpen van wet, decreet, ordonnantie of van ontwerpen van reglementaire besluiten. (...)”. 3.1.4.2. Artikel 84, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, zoals dit gold op het ogenblik van de bestreden besluiten, bepaalt dat het onderzoek van de zaken plaatsvindt in volgorde van inschrijving op de rol, uitgezonderd, onder meer, “wanneer, in spoedeisende gevallen die in de aanvraag met bijzondere redenen worden omkleed, de overheid die de afdeling wetgeving adieert, vraagt dat het advies of het voorontwerp wordt meegedeeld binnen een termijn van ten hoogste drie dagen of binnen een termijn van ten hoogste acht dagen in het geval bedoeld in artikel 2, § 4”. In dit geval moet de motivering die in de aanvraag wordt opgegeven, worden overgenomen in de aanhef van het besluit. Het komt in de eerste plaats aan de afdeling wetgeving van de Raad van State toe te oordelen over de rechtmatigheid en de gegrondheid van de “bijzondere redenen” die in de bij haar ingediende adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van het spoedeisend karakter ervan. Aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, de afdeling wetgeving van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert. De overheid die het advies heeft aangevraagd, mag er met toepassing van meervermeld artikel 84, eerste lid, in principe op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten. Dit principe is echter niet absoluut. De overheid kan er zich met name niet op beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving onvolledig heeft voorgelicht omtrent de “bijzondere redenen” die haar X-10.096-16/31 tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht. In dat geval kan de overheid immers niet staande houden dat haar vertrouwen werd beschaamd. 3.1.4.3. De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, werd op 25 september 2000 door de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media erom verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over het ontwerp van besluit van de Vlaamse regering “houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt Genk op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-de-stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal”. Ter voldoening aan het vereiste in artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt in de adviesaanvraag het spoedeisend karakter hiervan gemotiveerd door de omstandigheid “dat overeenkomstig artikel 11 voor definitieve vaststelling van gewestplanwijzigingen een vervaltermijn geldt; dat in huidig geval de termijn is gestart op 16 december 1999, met name de einddatum van het openbaar onderzoek; dat de termijn, behoudens verlenging van de adviestermijn waarover de regionale commissie beschikt, 180 dagen bedraagt; dat overeenkomstig de decretale bepalingen de adviescommissie van die 180 dagen 120 dagen ter beschikking heeft voor het uitbrengen van zijn advies; dat de Vlaamse regering op tijdig verzoek van de bevoegde minister heeft beslist om de vaststellingstermijn met 60 dagen te verlengen, zodat de vervaltermijn thans verstrijkt op 11 oktober 2000; dat de verlenging is ingegeven door verschillende motieven, waaronder de noodzaak van bijkomend onderzoek en overleg omtrent planopties waarover de regionale commissie een omstandig advies heeft uitgebracht; dat uiteraard de administratieve voorbereiding van een definitieve vaststelling, het onderzoek van het advies van de commissie, het onderzoek van bezwaren en opmerkingen, en de besprekingen met betrekking tot de planopties de nodige tijd in beslag nemen; dat thans een advies gevraagd wordt aan de Raad van State, afdeling wetgeving, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, met name een vraag om advies op drie dagen, omdat het alternatief, met name een adviestermijn van één maand conform artikel 84, eerste lid, 1/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geen garantie biedt dat het advies tijdig wordt ontvangen zodat het nog kan onderzocht worden met het oog op eventuele aanpassingen in het voor advies voorgelegde besluit”. X-10.096-17/31 3.1.4.4. De afdeling wetgeving heeft op 28 september 2000 een beperkt advies uitgebracht, gelet op de korte termijn die haar voor het uitbrengen van haar advies was toegemeten. 3.1.4.5. Artikel 11 van het coördinatiedecreet, schrijft voor dat de Vlaamse regering over de definitieve vaststelling van het plan moet beslissen binnen 180 dagen na het einde van het openbaar onderzoek, behoudens twee mogelijke verlengingen van telkens 60 dagen, namelijk één voorzien voor de regionale commissie van advies en één voor de Vlaamse regering voor de definitieve vaststelling van het plan. Op 16 december 1999 eindigde het openbaar onderzoek. Zoals blijkt uit de feitenuiteenzetting en uit de aangehaalde motivering in de aanhef van het besluit werd aan de regionale commissie van advies een termijnverlenging toegestaan en verlengde ook de Vlaamse regering de termijn voor definitieve vaststelling van het plan. De termijn werd aldus verlengd met 120 dagen, wat betekent dat de laatste nuttige dag voor definitieve vaststelling van het plan 11 oktober 2000 was. 3.1.4.6. Uit het verzoek om termijnverlenging door de regionale commissie van advies blijkt dat in 16 van de 17 betrokken gemeenten wijzigingen werden doorgevoerd, dat het belang en de verscheidenheid van de wijzigingen groot zijn, dat 3200 tijdige bezwaarschriften werden ingediend en dat de deputatie en de gemeentebesturen veelal uitgebreide adviezen hebben uitgebracht. Het advies dat de regionale commissie van advies op 5 juni 2000 heeft verstrekt, is om die redenen omstandig. De uitgebreidheid van het advies van de regionale commissie van advies en de “noodzaak van bijkomend onderzoek en overleg omtrent planopties waarover de regionale commissie een omstandig advies heeft uitgebracht”, wordt door de verwerende partij als een geldig motief voor de verlenging van de termijn voor definitieve vaststelling van het gewestplan aangevoerd. De uitgebreidheid van dit advies en de tijd nodig voor “de administratieve voorbereiding van een definitieve vaststelling, het onderzoek van het advies van de commissie, het onderzoek van bezwaren en opmerkingen, en de besprekingen met betrekking tot de planopties”, verantwoorden op afdoende wijze de tijdsspanne van minder dan vier maanden om tot een ontwerp te komen dat klaar is voor voorlegging aan de afdeling wetgeving. X-10.096-18/31 3.1.4.7. In het licht van het verstrijken van de vervaltermijn op 11 oktober 2000, vermocht de verwerende partij op 25 september 2000 de afdeling wetgeving een advies binnen een termijn van ten hoogste drie dagen te vragen. Uit niets mag blijken dat de verwerende partij de afdeling wetgeving niet correct zou hebben voorgelicht omtrent de “bijzondere redenen” die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht. Het middel is niet gegrond. 3.2. Tweede middel 3.2.1. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 11, §7, vierde lid, van het coördinatiedecreet, en van het motiveringsbeginsel : “doordat uit de bestreden besluiten niet blijkt of de minister tijdig een verzoek aan de Vlaamse Regering heeft gericht om de beslissingstermijn te verlengen, minstens dat verzoek niet afdoende is gemotiveerd en evenmin het besluit van de Vlaamse Regering d.d. 13/07/2000 houdende de termijnverlenging afdoende gemotiveerd werd. 3.2.2. TOELICHTING * De raadsman van verzoeker is het dossier van de gewestplanwijziging gaan inzien op het provinciehuis. Ook aan de afdeling ruimtelijke planning is bijkomende info gevraagd (...), doch daarop is geen antwoord gekomen. Daaruit blijkt dat er geen verzoek is gedaan door de Minister van ruimtelijke ordening om de beslissingstermijn te verlengen met 60 dagen wat een inbreuk is op artikel 11 §7, lid 4. Voor zover het verzoek toch zou gedaan zijn, stelt verzoekende partij dat het niet voldoende en pertinent werd gemotiveerd. * Uit het besluit van de Vlaamse Regering van 13/07/2000 blijkt helemaal niet waarom de beslissingstermijn werd verlengd wat ook een inbreuk is op de in dit middel aangehaalde regels. Dat besluit is niet gemotiveerd zodat het onwettig is en ook vernietigd moet worden, minstens moet het buiten toepassing gehouden worden. Evenmin blijkt uit het eerste bestreden besluit of en in welke mate artikel 11 §7, lid 4 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening zoals gecoördineerd op 22.10.1996 en het motiveringsbeginsel zijn nageleefd”. 3.2.2. De verwerende partij antwoordt op dit middel als volgt : “De verzoekende partijen putten het tweede middel uit de schending van artikel 11 § 7 lid 4 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening zoals gecoördineerd op 22.10.1996 en van het motiveringsbeginsel. Enkel dit middel heeft betrekking op het besluit van 13.07.2000. Artikel 11 §7 lid 4 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening. gecoördineerd op 22.10.1996, bepaalt: ‘Op gemotiveerd verzoek van de minister, ten laatste 30 dagen voor het verstrijken van de termijn van 180 dagen, behoudens de verlenging in§5, X-10.096-19/31 zoals bepaald in §7, beslist de Vlaamse regering over de verlenging met 60 dagen van de termijn waarbinnen zij het plan dient vast te stellen.’ De verzoekende partijen laten na aan te tonen op welke wijze dit artikel geschonden werd”. 3.2.3. De verzoekende partijen dupliceren in hun memorie van wederantwoord als volgt : “Verzoekende partijen stellen eenvoudig vast dat er geen enkel gemotiveerd verzoek van de bevoegde minister tot termijnverlenging voorligt en dat dit ook niet wordt bijgebracht in het administratief dossier van verwerende partij. Dit versterkt het vermoeden dat er eenvoudig geen gemotiveerd verzoek voorligt en kan voorgelegd worden, niettegenstaande de decretale bepaling, met name artikel 11 § 7 , lid 4 van het Decreet van 22.10.1996, dit uitdrukkelijk voorschrijft. Het algemene principe zoals neergelegd in de rechtsspreuk ‘Patere legem quem ipse fecisti’ schrijft voor dat de bestuursoverheid de door haar vastgestelde reglementen moet naleven wanneer zij een bijzondere beslissing neemt. De Vlaamse overheid schreef in haar decreet expliciet een motiveringsverplichting in voor de verlenging van de termijnen voor de definitieve vaststelling van de ontwerpgewestplannen bestaande uit een ‘gemotiveerd verzoek van de bevoegde Minister’ maar heeft deze in het voorliggende geval niet gerespecteerd. Het is aan de verwerende partij om aan te tonen dat er een dergelijk gemotiveerd verzoek is geweest, hetgeen tot op heden niet is gebeurd. Het eerste middel betreffende de schending van artikel 11 § 7, lid 4 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening van 22.10.1996 en het motiveringsbeginsel is derhalve gegrond”. 3.2.4. In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen met betrekking tot de gegrondheid van het middel niets aan hun argumentatie toe. 3.2.5.1. In een nota van de Vlaamse minister van economie, ruimtelijke ordening en media, gericht aan de leden van de Vlaamse regering en in ontwerpvorm gevoegd bij een brief van de directeur-generaal van de administratie ROHM van 25 mei 2000, worden de volgende redenen voor het verzoek tot verlenging van de termijn voor de definitieve vaststelling van het plan met 60 dagen aangevoerd : “- De termijnverlenging toegestaan aan de streekcommissie van advies waardoor het advies uiterlijk op 13 juni dient voorgelegd - Het plan tijdig en buiten de vakantieperiode ter beslissing te kunnen voorleggen aan de Vlaamse regering - De omvang en complexiteit van de problematiek van de gewestplanwijziging - Het nog in te winnen advies van de Raad van State”. X-10.096-20/31 3.2.5.2. Het voormelde stuk maakt deel uit van het administratief dossier in de zaak A. 99.977/X-10.079, waarin de raadslieden van de huidige verzoekende partijen eveneens zijn opgetreden en een identiek middel hebben aangevoerd als het huidige. Het stuk was de verzoekende partijen minstens bij de indiening van hun laatste memorie op 25 februari 2005 bekend of diende hun op die datum bekend te zijn, gelet op de mededeling van de, weliswaar laattijdige, indiening van het administratief dossier in de zaak A. 99.977/X-10.079 aan de raadslieden van de verzoekende partijen bij brief van de griffie van de Raad van State van 10 januari 2002 en de aangetekende kennisgeving door de griffie van de Raad van State van de neerlegging van het dossier in de laatste vermelde zaak aan de raadslieden van de verzoekende partijen op 17 januari 2005. Het stuk maakt het betoog van de verzoekende partijen dat het tweede bestreden besluit tot verlenging van de termijn tot definitieve vaststelling van het gewestplan niet werd voorafgegaan door een tijdig en afdoende gemotiveerd verzoek van de bevoegde Vlaamse minister, niet aannemelijk. 3.2.5.3. Noch uit artikel 11, §7, vierde lid, van het coördinatiedecreet noch uit enige andere bepaling of beginsel vloeit voort dat de tweede bestreden beslissing tot verlenging van de termijn tot definitieve vaststelling van het gewestplan zelf een formele motivering betreffende de termijnverlenging dient te bevatten. Het middel is niet gegrond. 3.3. Derde middel 3.3.1. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 11, §7, derde lid, van het coördinatiedecreet, en van het motiveringsbeginsel : “doordat de Vlaamse Regering afgeweken is van het advies van de regionale commissie van advies zonder haar beslissing afdoende te motiveren op basis van in rechte en in feite pertinente motieven; en doordat de reden om een gewestplanwijziging door te voeren, zoals verwoord in de voorlopige vaststelling van het ontwerp tot gewestplanwijziging, in het definitieve plan is weggevallen zonder dat dit afdoende werd gemotiveerd 3.3.2. TOELICHTING: * In het besluit van de Vlaamse Regering d.d. 08/06/1999 houdende de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk werd als duidelijke bedoeling van de gewestplanwijzing omschreven dat het recreatiegebied het JEUGDPARADIJS X-10.096-21/31 diende uitgebreid te worden en dat daardoor blijkens de gebruiken van de overheid een ruiling moest komen met een bestaand recreatiegebied, zijnde recreatiegebied HET LAER. Dit recreatiegebied HET LAER moest dan maar de bestemming natuurgebied krijgen wat een versterking zou betekenen van de natuurlijke structuur van het buitengebied tussen Opglabbeek en Opoeteren. Die ruiling van recreatiegebied is echter niet doorgegaan omdat in het alhier bestreden besluit houdende de definitieve gewestplanwijziging de uitbreiding van het recreatiegebied HET JEUGDPARADIJS te Opglabbeek niet is doorgegaan. Een logisch gevolg (een ruiling was immers niet meer nodig) daarvan was geweest dat ook de bestemming van het recreatiegebied HET LAER niet zou gewijzigd zijn, quod non. Nergens is op afdoende en pertinente wijze gemotiveerd waarom de gewestplanwijziging van het recreatiegebied HET LAER nog noodzakelijk was rekeninghoudende met het feit dat het recreatiegebied het JEUGDPARADIJS niet is uitgebreid en er dus geen compensatie meer nodig was. Wanneer men van een ruiling spreekt en één van de te ruilen delen uitsluit of niet meer wenst te ruilen, kan men het andere deel ook niet meer aanwenden in het kader van die ruiling. De werkelijke reden voor de oorspronkelijk voorgestelde gewestplanwijziging was een vestigingsplaats zoeken voor Chiro Vlaanderen. Deze zou komen in het JEUGDPARADIJS te Opglabbeek, waardoor een uitbreiding van dat recreatiegebied noodzakelijk was. Doch, Chiro Vlaanderen heeft intussen in Dilsen-Stokkem een vestigingsplaats gevonden zodat de reden voor de gewestplanwijziging verviel. In de individuele bezwaren betreffende de wijziging van het reereatiegebied HET LAER is hierin uitvoerig op ingegaan door de bezwaarindieners, doch is daarop niet afdoende geantwoord, noch door de streekcommissie voor advies, noch door de Vlaamse Regering. In feite is dus het ontwerp plan tot wijziging van het gewestplan gewijzigd zonder dat dit afdoende is gemotiveerd, alhoewel dit wettelijk gezien noodzakelijk is * In het besluit van de Vlaamse Regering houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Hasselt-Genk werd het recreatiegebied HET LAER gewijzigd met een bijzondere voorschrift, zodanig dat de bestemming nu is ‘recreatiegebied met nabestemming natuurgebied’. In concreto komt dit aanvullend voorschrift erop neer dat in die gebieden een uitdovingsbeleid wordt gevoerd ten aanzien van de aanwezige weekendverblijven. Dit betekent dat geen nieuwe stedenbouwkundige vergunningen worden afgeleverd en dat de bestaande natuurwaarden in het gebied minstens worden behouden, zo niet hersteld en/of ontwikkeld dienen te worden. Hiermee meent de Vlaamse Regering ten dele tegemoet te komen aan de ingediende bezwaren en aan het advies van de regionale commissie. De aandacht dient gevestigd te worden op het feit dat de regionale commissie een gunstig advies heeft uitgebracht voor de wijziging van het recreatiegebied in natuurgebied omwille van de ligging in een bestaand natuurgebied en de aanwezigheid van landduinen in dit gebied. De Vlaamse Regering is dus afgeweken van dit advies en heeft in strijd met dat advies de bestemming recreatiegebied behouden maar met nabestemming natuurgebied. Het uitdovend beleid dat voorzien is, is in feite een lege doos aangezien er aan de bestaande weekendhuisjes geen enkele vergunningsplichtige werken meer zullen kunnen uitgevoerd worden. Het dient benadrukt te worden dat de huisjes meer dan 30 jaar geleden gebouwd werden en derhalve vergunningsplichtige werken kunnen en zullen nodig zijn om ze te handhaven X-10.096-22/31 Er wordt ook geenszins op afdoende wijze gemotiveerd waarom het gebied een bijzondere waarde zal hebben die de bestemming natuurgebied op termijn verrechtvaardigt. Uit deze redenering blijkt al dat op heden er eigenlijk geen ‘natuurgebied’ is; dit is ook juist want de huidige feitelijke toestand was ook aanwezig op het moment van het vaststellen van het ontwerp gewestplan en het definitief gewestplan Hasselt-Genk. In dat verband is het van belang te wijzen op het arrest van de Raad van State (...) waarin uw Raad gesteld heeft dat bij het opstellen van plannen van aanleg wel degelijk rekening dient gehouden te worden met de bestaande toestand en dat daarbij geen onderscheid moet gemaakt worden tussen eventuele met vergunning of zonder vergunning opgerichte bouwwerken. Dit arrest is mutatis mutandis ook toepasselijk op een gewestplanwijziging. Er was dus alle reden om het recreatiegebied niet van bestemming te doen veranderen. In het advies van de regionale commissie wordt gesproken over de ligging in een bestaand natuurgebied en de aanwezigheid van de landduinen in dit gebied. Dit is manifest onjuist, zoals blijkt uit de bijgebrachte foto’s. Reeds meer dan 30 jaar zijn de weekendhuisjes gelegen in een bosrijk recreatiegebied met enkele open velden, maar niet in de omgeving van landduinen. Bij de totstandkoming van het gewestplan Hasselt-Genk in de jaren ’70 was het Laer qua uitzicht en qua natuurwaarde quasi dezelfde als nu. Waarom heeft de overheid in de jaren ’70 geoordeeld dat de bestemming recreatiezone moest worden en wijzigt zij nu haar standpunt ? De natuurwaarden die aldaar aanwezig zijn (en al waren 30 jaar geleden), zijn niet dermate dat zij in elk geval dienen beschermd en versterkt te worden aangezien de natuurwaarden ter plaatse zeer klein zijn. Hoe kan men nu spreken van een natuurgebied daar waar er ongeveer 20 weekendhuisjes gelegen zijn en er van landduinen in dat gebied geen sprake is. De regionale commissie van advies, daarin gevolgd door de Vlaamse Regering, geeft een onjuiste weergave van de feitelijke toestand wat ook een inbreuk betekent op de in dit middel aangehaalde regels”. 3.3.2. De verwerende partij antwoordt op dit middel als volgt : “De verzoekende partijen zijn van oordeel dat artikel 11 §7 lid 3 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening zoals gecoördineerd op 22.10.1996 en het motiveringsbeginsel geschonden werden. Overeenkomstig artikel 11 §7 lid 3 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22.10.1996, moeten afwijkingen van het advies van de Regionale Commissie van Advies in het vaststellingsbesluit gemotiveerd te worden. - In het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan HASSELT-GENK op het grondgebied van de gemeenten Alken, As, Beringen, Diepenbeek, Genk, Halen, Ham, Hasselt, Herk-De-Stad, Heusden-Zolder, Leopoldsburg, Lummen, Opglabbeek, Tessenderlo, Zonhoven en Zutendaal, werd met betrekking tot het recreatiegebied HET LAER in OPGLABBEEK een herbestemming tot natuurgebied voorgesteld. - De streekcommissie adviseerde deze herbestemming gunstig: ‘(...) 2. Buitengebiedstructuren 2.2. Opglabbeek 2.2.1. Het Laer X-10.096-23/31 De commissie brengt een gunstig advies uit voor de wijziging van dit recreatiegebied in natuurgebied omwille van de ligging in een bestaand natuurgebied en de aanwezigheid van landduinen in dit gebied. De aanwezigheid van weekendhuisjes in dit gebied, allen zonder vergunning, is onvoldoende reden om het recreatiegebied te behouden. Hierbij wordt wel opgemerkt dat er jarenlang een gedoogbeleid is gevoerd door de bevoegde overheden. De commissie vraagt dan ook om een soepele regeling uit te werken met de eigenaars bij de eventuele sanering van dit gebied. ( ... )’ - Het vaststellingsbesluit van 06.10.2000 bestemde HET LAER tot recreatiegebied met nabestemming natuurgebied (...) : ‘(...) Overwegende dat voor hel recreatiegebied jeugdparadijs te Opglabbeek enkel de beperkte uitbreiding met de bestaande parking nog relevant is; dat voor het geruilde gebied Het Laer een ‘recreatiegebied met nabestemming natuurgebied’ onder een bijzonder voorschrift wordt voorzien, waarin een uitdovend beleid ten aanzien van de in het gebied aanwezige weekendverblijven geëxpliciteerd wordt; dat dit ten dele tegemoet komt aan de ingediende bezwaren en aan liet advies van de Regionale Commissie; dat de waarde van het gebied als onderdeel van de natuurlijke structuur van het buitengebied tussen Opglabbeek en Opoeteren de bestemming natuurgebied op termijn rechtvaardigt en de aanwezige natuurvoorwaarden in het gebied dermate zijn dat deze in elk geval dienen beschermd en versterkt; (...)’ Zoals uit de motivering blijkt, werd HET LAER in het vaststellingsbesluit bestemd tot ‘recreatiegebied met nabestemming natuurgebied’, om tegemoet te komen aan de ingediende bezwaren. In deze gebieden wordt een uitdovingbeleid gevoerd ten aanzien van de aanwezige weekendverblijven. Aangezien in het vaststellingsbesluit tegemoet gekomen werd aan de ingediende bezwaren door de verzoekende partijen, kunnen zij niet op gegronde wijze de bestemming van HET LAER tot ‘recreatiegebied met nabestemming natuurgebied’ aanvechten. Er werd rekening gehouden met de bestaande toestand ter plaatse. Bovendien werden de aanwezige weekendhuisjes wederrechtelijk opgericht door de verzoekende partijen. Zij hebben geen initiatief genomen tot regularisatie van deze toestand gedurende al de jaren dat het gebied bestemd was tot recreatiegebied”. 3.3.3. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen het volgende: “Verwerende partij meent dat het vaststellingsbesluit van 06.10.2000 is tegemoetgekomen aan de ingediende bezwaren en dat de verzoekende partijen om deze reden niet op gegronde wijze de bestemming tot recreatiegebied met nabestemming natuurgebied kunnen aanvechten. Bovendien meent verwerende partij dat er ‘rekening werd gehouden met de plaatselijke toestand’. Ten eerste is slechts ten dele tegemoetgekomen aan de ingediende bezwaren tegen het advies van de Regionale Commissie in die zin dat verzoekende partijen aandrongen op het behoud van ‘Het Laar’ als recreatiegebied. Door de X-10.096-24/31 toevoeging van de nabestemming ‘natuurgebied’ wordt dan weer afbreuk gedaan (aan) de tegemoetkoming. Om deze reden kunnen de verzoekende partijen wel op een gegronde manier de bestemmingswijziging aanvechten en zij verwijzen hiervoor naar hun standpunt zoals dit werd geformuleerd in het verzoekschrift tot nietigverklaring. Ten tweede werd er geen rekening gehouden met de plaatselijke toestand aangezien men er zonder enige motivering van uit gaat dat ‘Het Laar’ bijzondere natuurwaarden heeft dewelke een opname van de nabestemming als natuurgebied zouden rechtvaardigen. De motivering uitgaande van de Regionale Commissie, daarin gevolgd door de Vlaamse Regering, heeft rekening gehouden met de aanwezigheid van landduinen in ‘Het Laar’, hetgeen echter manifest onjuist is en aangeeft dat men geen rekening heeft gehouden met de plaatselijke toestand. Het dossier bevat geen enkel concreet gegeven waaruit die ‘bijzondere natuurwaarden’ zouden blijken. Het derde middel is gegrond”. 3.3.4. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen nog wat volgt : “8. Verzoekende partijen volharden in hun argumentatie zoals uiteengezet in het verzoekschrift tot nietigverklaring en in de memorie van wederantwoord. In het ontwerpgewestplan en in de adviezen was er telkens sprake van de bestemming natuurgebied. De reden die hieraan ten grondslag heeft gelegen is in werkelijkheid altijd dezelfde geweest: de bestemming van het gebied van ‘Het Laer’ (initieel recreatiegebied) werd geruild zodat het recreatiegebied van ‘Het Jeugdparadijs’ kon worden uitgebreid (...): ‘Overwegende dat de ruiling van een recreatiegebied te Opglabbeek met een natuurgebied noordoosten van de gemeente enerzijds een versterking betekent van de natuurlijke structuur van het buitengebied tussen Opglabbeek en Opoeteren en anderzijds de uitbreiding van de jeugdaccommodatie aansluitend bij het bestaande recreatiegebied mogelijk maakt;’ (...) Dat de zgn. ruiling een belangrijk motief was om de wijziging van de bestemming van recreatiegebied naar natuurgebied te verantwoorden blijkt trouwens ook nog expliciet uit de bestreden beslissing: ‘...dat voor het geruilde gebied Het Laer een recreatiegebied met nabestemming natuurgebied –... wordt voorzien...’ (...) Dit motief is echter feitelijk onjuist, minstens een onvolledige voorstelling van de realiteit. Bij het nemen van de bestreden beslissing was er al lang geen sprake meer van een ruiling van gebieden met een vergelijkbare oppervlakte. De gevraagde uitbreiding van het recreatiegebied ‘Het Jeugdpaleis’ werd door de RCA immers voor het overgrote deel ongunstig geadviseerd en zij werd hierin gevolgd door de verwerende partij: - advies van de RCA: ‘Voor het recreatiegebied ‘Jeugdparadijs’ wordt een uitbreiding voorzien door wijziging van een gedeelte natuurgebied en agrarisch gebied. De Commissie adviseert deze uitbreiding ongunstig omdat de noodzaak voor deze uitbreiding niet is aangetoond. De commissie gaat enkel akkoord met de opname van de huidige parking (illegaal in natuurgebied) bij het recreatiegebied. De overige gedeelten dienen hun huidige bestemming te behouden’ (...) - bestreden besluit: X-10.096-25/31 ‘Overwegende dat voor het recreatiegebied jeugdparadijs te Opglabbeek enkel de beperkte uitbreiding met de bestaande parking nog relevant is;’ De bestreden beslissing is dan ook behept met een duidelijk motiveringsgebrek. 9. In het Auditoraatsverslag wordt trouwens ook te weinig aandacht besteed aan het gegeven dat de bestreden beslissing dan maar plots aan het gebied ‘Het Laer’ een bestemming geeft (recreatiegebied met nabestemming natuurgebied) die noch in het ontwerpgewestplan noch in de adviezen van de streekcommissie en de regionale commissie van advies is geopperd. Bovendien voorziet de bestreden beslissing in haar motivering dan ook nog eens in ‘bijzondere voorschriften’ waarin een uitdovend beleid t.a.v. de in het gebied aanwezige weekendverblijven geëxpliciteerd zou worden: ‘...dat voor het geruilde gebied Het Laer een ‘recreatiegebied met nabestemming natuurgebied’ onder een bijzonder voorschrift wordt voorzien, waarin een uitdovend beleid ten aanzien van de in het gebied aanwezige weekendverblijven geëxpliciteerd wordt;’ Het is alsof de verwerende partij plots een hoop elementen uit haar hoed tovert waarvan voorheen nooit sprake is geweest - niet tijdens het openbaar onderzoek en evenmin in de uitgebrachte adviezen - en de zaak wel eens eventjes definitief zal regelen door het geweer van schouder te veranderen.... (van natuurgebied naar recreatiegebied met natuurgebied als nabestemming). Zulk een handelswijze miskent het oogmerk van de procedure van openbaar onderzoek voorzien in art. 11 van het DRO van 22/10/96. Tenslotte mag nog worden benadrukt dat er door de eigenaars van de weekendverblijven wel degelijk aanvragen tot regularisatie zijn gericht tot de administratieve overheid, maar dat de behandeling van die aanvragen door deze op subtiele wijze op lange termijn is uitgesteld (...). Een dergelijke regularisatie-aanvraag is door de eigenaar van de parking in het gebied ‘Het Jeugdpaleis’ nooit gericht geworden tot de administratieve overheid alhoewel betrokkene in natuurgebied (dus niet in recreatiegebied) een parking had aangelegd. Het bestreden besluit beloont bovendien de eigenaar van de parking in ‘het Jeugdpaleis’ ten koste van verzoekers die wel regularisatiepogingen hebben ondernomen. Door de bestreden beslissing wordt immers een mogelijkheid tot regularisatie van de parking geschapen (wordt recreatiegebied) en dit juist via een ruiling met de niet bebouwde percelen in het Laer (worden natuurgebied). Deze ruiling getuigt dan ook van een oneerlijke en ongelijke behandeling van verzoekers. Het middel is gegrond”. 3.3.5.1. Artikel 11, §7, derde lid, van het coördinatiedecreet, luidt : “Indien de Vlaamse regering afwijkt van het advies van de Regionale Commissie van Advies dient zij haar beslissing te motiveren”. Deze bepaling schrijft voor dat de Vlaamse regering zich richt naar het advies van de regionale commissie, tenzij er gegronde, met de stedenbouw en de ruimtelijke ordening verband houdende redenen voorhanden zijn om ervan af te wijken en dat de Vlaamse regering, in geval van afwijking van het commissieadvies, de redenen van die afwijking uiteenzet in het besluit waarbij zij het gewestplan definitief vaststelt. X-10.096-26/31 De Vlaamse regering mag aan het ontwerpgewestplan geen wijzigingen aanbrengen die niet in de bezwaren, opmerkingen en adviezen werden voorgesteld of daarin neergelegd zijn of er noodzakelijk of logisch aan gebonden zijn of uit voortvloeien. Zij mag, als die voorwaarde niet vervuld is, geen wijzigingen aanbrengen die niet vooraf aan de formaliteit van het openbaar onderzoek en van de raadpleging van de betrokken gemeenteraden, van de deputatie en van de regionale commissie van advies, zijn onderworpen. 3.3.5.2. Het ontwerpgewestplan van 8 juni 1999 wijzigt de bestemming van Het Laer van recreatiegebied in recreatiegebied met nabestemming natuur. 3.3.5.3. De bestemming recreatiegebied met nabestemming natuur, volgens dewelke een uitdovingsbeleid ten aanzien van de aanwezige weekendverblijven wordt gevoerd en geen nieuwe stedenbouwkundige vergunningen worden afgeleverd en de bestaande natuurwaarden in het gebied minstens moeten worden behouden, zo niet worden hersteld of ontwikkeld, vloeit op een logische wijze voort uit het advies van de regionale commissie van advies over het plangebied en de ingediende bezwaarschriften, waarbij, enerzijds, de wijziging van het recreatiegebied in natuurgebied omwille van de ligging in een bestaand natuurgebied en de aanwezigheid van landduinen in dit gebied wordt voorgesteld en, anderzijds, een soepele houding ten aanzien van de eigenaars van de weekendhuisjes bij de eventuele sanering van het gebied wordt geadviseerd. Een dergelijke wijziging van het ontwerpgewestplan vindt op afdoende wijze steun in het advies van de regionale commissie van advies en is mogelijk zonder dat het eerste bestreden definitieve vaststellingsbesluit een nadere formele motivering behoeft. De schending van artikel 11, § 7, derde lid, van het coördinatiedecreet, kan om die reden niet worden aangenomen. 3.3.5.4. De verzoekende partijen voeren tevens een schending aan van het materiële motiveringsbeginsel, overeenkomstig hetwelk het eerste bestreden besluit, zoals iedere overheidsbeslissing, dient te zijn gesteund op in rechte en in feite aanvaardbare motieven die, zoniet uit het bestreden besluit, dan toch uit het administratief dossier moeten blijken. Bij het onderwerpen van een gebied aan een bestemmingsvoorschrift, beschikt de bevoegde overheid, in het licht van de doelstellingen van de ruimtelijke ordening zoals die op het ogenblik van het nemen van het eerste bestreden besluit waren bepaald in artikel 4 van het decreet van X-10.096-27/31 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, over een ruime appreciatiebevoegdheid. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd na te gaan of de bevoegde overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Het is zaak van de verzoekende partijen ter zake aanwijzingen te verschaffen. 3.3.5.5. De verzoekende partijen tonen te dezen niet aan, noch maken zij aannemelijk, dat het gebied Het Laer geen bestaande natuurwaarden zou bezitten waarvan artikel 24 van de stedenbouwkundige voorschriften het behoud, zo niet het herstel en/of de ontwikkeling vermag te beschermen. Het betoog van de verzoekende partijen dat de overheid in de jaren ’70 heeft geoordeeld dat het gebied Het Laer tot recreatiezone moest worden bestemd, toont de afwezigheid van bestaande natuurwaarden in dit gebied niet aan. Het betoog van de verzoekende partijen dat zich in het gebied reeds meer dan 30 jaar weekendhuisjes bevinden en dat het gebied een bosrijk recreatiegebied met enkele open velden betreft, dat evenwel geenszins in de omgeving van landduinen is gelegen, kan evenmin volstaan om de afwezigheid van natuurwaarden in het betreffende gebied aan te tonen. De afwezigheid van landduinen wordt door de fotoreportage van de verzoekende partijen immers niet op afdoende wijze aangetoond, terwijl hun betoog voorts een loutere appreciatie blijkt in te houden, die geenszins de feitelijke onjuistheid of de kennelijke onredelijkheid van het eerste bestreden besluit vermag aan te tonen. 3.3.5.6. De verzoekende partijen tonen evenmin aan, noch maken zij aannemelijk, dat de beslissing om het gebied Het Laer in een recreatiegebied met nabestemming natuur onder te brengen, louter ingevolge de beperking van de uitbreiding van het recreatiegebied Het Jeugdparadijs tot de bestaande parkeerplaats, kennelijk onredelijk zou zijn. 3.3.5.7. De verzoekende partijen betogen in hun laatste memorie nog oneerlijk en ongelijk te zijn behandeld en voeren aldaar voor het eerst een schending van het gelijkheidsbeginsel aan. Zij hadden de schending van dit beginsel, dat niet de openbare orde raakt, reeds eerder, in hun verzoekschrift, kunnen aanvoeren, zodat dit onderdeel van hun middel onontvankelijk is. Het middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. X-10.096-28/31 3.4. Vierde middel 3.4.1. In een vierde middel voeren de verzoekende partijen aan dat het bestreden besluit hun eigendomsrechten schendt en hun niet meer de mogelijkheid geeft om op een menswaardige wijze daar te blijven en te leven : “* Eerste verzoekende partij zet zich in voor het behoud van het recreatiegebied HET LAER. Gelet op de gewestplanwijziging zal haar doelstelling op termijn zonder voorwerp worden aangezien het de bedoeling is om natuurgebied op termijn te krijgen. * De andere verzoekende partijen zijn eigenaars van een perceel grond en weekendverblijf dat niet zonevreemd was op het moment dat het werd opgericht en ook niet gedurende de tientallen jaren nadien waarin het werd in stand gehouden en gebruikt. Gelet op de gewestplanwijziging dreigen de weekendhuisjes echter wel zonevreemd te worden en is het vooral niet meer mogelijk om vergunningsplichtige werken uit te voeren, wat nochtans in vele gevallen noodzakelijk zal zijn gelet op de vrij oude constructies. Uit het bestreden besluit blijkt dat geen enkele rekening is gehouden met het gebruik van de zone door de eigenaars om op een gezonde wijze in gezinsverband los van het massatoerisme tot rust te komen en vakantie te nemen. De investering van gewone burgers wordt daardoor ernstig gehypothekeerd(.) Het gebied verleende de mogelijkheid aan verzoekers om sociale contacten te onderhouden waardoor de dagdagelijkse werkatmosfeer doorbroken kon worden. De kinderen konden op educatieve wijze genieten van de omgeving. Potentiële kopers van de eigendommen van cliënt zullen niet meer geïnteresseerd zijn minstens zullen zij enkel maar bereid zijn de prijs te betalen van natuurgebied die aanzienlijk minder is dan diegene van recreatiegebied. De toekomstwaarde wordt volledig op de helling gezet. Door het huidige gebruik wordt de bestaande begroeiing en natuur op een voortreffelijke manier onderhouden. Wanneer de nabestemming ‘natuurgebied’ zal gerealiseerd worden zal het een wildernis worden waardoor de waarde van de eigendommen van de verzoekende partijen aanzienlijk zal dalen. Verzoekende partijen kunnen hun eigendommen niet meer gebruiken op een ongestoorde wijze aangezien zij nu ook moreel zullen lijden onder het feit dat zij zonevreemd worden. Verzoekende partijen zullen daardoor een schuldgevoel ontwikkelen en zullen ook het risico lopen om veroordeeld te worden wegens bouwmisdrijven. Met de vorige bestemming van recreatiegebied was het immers perfect mogelijk om een vergunning te bekomen. Het is duidelijk dat verzoekende partijen niet meer op een menswaardige wijze hun leven zullen kunnen leiden, wat een inbreuk is op artikel 23 van de grondwet en op het eigendomsrecht zoals voorzien in artikel 544 B.W.”. 3.4.2. De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord wat volgt : “Het vierde middel is afgeleid uit de schending van de eigendomsrechten van de verzoekende partijen. Zij zijn van oordeel dat zij niet meer de X-10.096-29/31 mogelijkheid hebben om op een menswaardige wijze ter plaatse te verblijven en te leven. - De verzoekende partijen 2 tot en met 6 zijn eigenaar van een perceel in het gebied HET LAER. Op hun percelen hebben zij in de jaren ‘70 weekendhuisjes opgericht, zonder de daartoe bij de wet vereiste voorafgaande schriftelijke vergunning aan te vragen bij de bevoegde overheid. Evenmin hebben zij een regularisatieaanvraag ingediend gedurende al de jaren dat HET LAER was ingekleurd als recreatiegebied. De verzoekende partijen hebben geen verworven recht op het behoud van de weekendhuisjes. Niettegenstaande de wederrechtelijke toestand. heeft de tegenpartij rekening gehouden met de situatie ter plaatse bij de totstandkoming van de gewestplanwijziging. Er werd in het gebied een uitdovingbeleid voorzien ten aanzien van de aanwezige weekendverblijven, zodat de verzoekende partijen de gelegenheid en de mogelijkheid hebben om te zoeken naar een alternatief voor het recreatief verblijf dat zij de voorbije jaren genoten hebben in het gebied HET LAER. - De verzoekende partijen stellen dat zij het risico zullen lopen om veroordeeld te worden wegens bouwmisdrijven. Dit risico is geen gevolg van de gewestplanwijziging, maar van de houding die de verzoekende partijen hebben aangenomen. namelijk door op wederrechtelijke wijze ter plaatse weekendverblijven op te richten. en geen regularisatieaanvraag in te dienen gedurende al die jaren dat het gewestplan HASSELT-GENK, vastgesteld bij K.B. van 03.04.1979, van kracht was en het gebied was ingekleurd als recreatiegebied”. 3.4.3. In hun memorie van wederantwoord en in hun laatste memorie verwijzen de verzoekende partijen naar hun uiteenzetting in hun verzoekschrift. 3.4.4.1. In zoverre de verzoekende partijen zich beroepen op de schending van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, beroepen zij zich op de schending van burgerrechtelijke regels omtrent het eigendomsrecht, waarvan de beoordeling bij uitsluiting tot de rechtsmacht van de rechtscolleges van de rechterlijke orde behoort en is het middel niet ontvankelijk. 3.4.4.2. Daargelaten de vraag naar de directe werking van artikel 23 van de Grondwet, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen niet uiteenzetten waarom deze bepaling een grondrecht zou omvatten om zich in de natuur te recreëren. Het middel is niet gegrond. X-10.096-30/31 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 1041,18 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een zesde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-10.096-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.314 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.