← België

Arrest 184315 - Plannen van aanleg - 18/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.315 Rolnummer: A. 107896/X-10460 Zaak: Arrest 184315 - Plannen van aanleg - 18/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:14 Fiche Arrest nr 184.315 van 18 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.315 van 18 juni 2008 in de zaak A. 107.896/X-10.

  1. In zake : Frans DE BRABANDERE, wonende te 8531 BAVIKHOVE, Drieshoek 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Frans DE BRABANDERE op 24 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 mei 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “BPA nr. 61: sectoraal BPA zonevreemde bedrijven - fase I” genaamd, van de stad Harelbeke, “maar alleen voor wat betreft het deelplan ‘55 - De Brabandere’”; Gelet op het arrest nr. 104.075 van 28 februari 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 17 april 2002 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 31 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.460-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, en van advocaat C. ROMMELAERE, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten De verzoeker is eigenaar en mede-uitbater van het landbouwbedrijf “Ter Coutere”, gelegen te Harelbeke (Bavikhove), Vierkeerstraat
  4. De hoeve en de omliggende gronden zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgesteld gewestplan Kortrijk in natuurgebied gelegen. De gemeenteraad van Harelbeke heeft op 19 januari 1998 beslist tot de opmaak van een sectoraal bijzonder plan van aanleg voor de zonevreemde bedrijven op haar grondgebied. Bij besluit van 20 november 2000 heeft de gemeenteraad het ontwerp “BPA nr. 61: sectoraal BPA zonevreemde bedrijven” genaamd, bestaande uit een overzichtsplan, een bijkomende toelichtingsnota, Deel 1 “inventaris en globale benadering” en Deel 2 “planmatige weergave van de uitbreidingsmogelijkheden per bedrijf”, omvattende 15 deelplannen met de stedenbouwkundige voorschriften, de bestaande toestand, de juridische toestand en het bestemmingsplan, definitief aangenomen, met uitzondering van het deelplan “4-Tibergyn”. Het bestemmingsplan en de bijhorende stedenbouwkundige voorschriften voor het deelplan “55 - De Brabandere” voorziet X-10.460-2/10 in een bestemmingswijziging ter bestendiging en uitbreiding van de bestaande toestand, zijnde een landbouwbedrijf. De commissie van advies voor de ruimtelijke ordening voor de streek West- Vlaanderen heeft op 20 en 26 oktober 2000 advies uitgebracht. De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen heeft op 7 december 2000 een gunstig advies uitgebracht. De Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media heeft bij het bestreden besluit van 7 mei 2001 het bijzonder plan van aanleg “BPA nr. 61: sectoraal BPA zonevreemde bedrijven - fase I” genaamd, goedgekeurd, “met uitsluiting van de met een blauwe rand omzoomde plandelen en de met blauwe rand omzoomde delen van de stedenbouwkundige voorschriften”, waaronder het deelplan “55 - De Brabandere”.
  5. De gegrondheid van het beroep 2.
  6. Derde middel 2.1.
  7. In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van de motiveringsplicht : “3.
  8. De beslissing is oa gesteund op een verwijzing naar een omzendbrief (RO 2001/01) Dit is strijdig met de onderliggende wetgeving. Een omzendbrief zelf heeft als dusdanig geen verordenende kracht. Hij kan enkel gelden als richtlijn voor de administratie maar niet als bindende norm tov rechtsonderhorigen. Deze omzendbrief is niet voorgelegd aan de Raad v. State, afdeling Wetgeving. 3.
  9. De beslissing bevat oa ook een verwijzing naar groenschermen. Hofplaats (en akker/weiden errond) zijn omgeven met een degelijk groenscherm (Meidoorn-Liguster-Populier-Salix) dat op die manier een oppervlakte van 4 ha insluit. (ook deels te zien op het bestemmingsplan in bijlage.) Voor de nieuwe wijken naast de hoeve (ten O) werd door ‘stedenbouw’ ook een eigen groenscherm geëist, dat er niet of slechts gedeeltelijk is. Voor aanpalend ambachtelijk bedrijf werd recent een groenscherm geëist, wat er ook niet is, en voor de wijk juist naast de hofstede (ten Z) heeft de verkavelaar verwezen naar het bestaande (ons) groenscherm(!) Tenslotte stellen verscheidene buren zich zeer onverdraagzaam op tov dit groenscherm. Al deze elementen wijzen erop dat het groenscherm rond de hoeve in meer dan voldoende mate aanwezig is. 3.
  10. Verwijzing naar de afbakening van het regionaal stedelijk gebied Kortrijk. Deze afbakening is nog niet aanvaard of goedgekeurd en is dus nog altijd hypothetisch. In dit afbakeningsproces werd voorgesteld het gebied tussen de huidige N 36 en de toekomstige N 36 als ‘grenszone’ te beschouwen. X-10.460-3/10 Dit is onwettelijk, want zo blijft onduidelijkheid bestaan, waar het juist de bedoeling van de afbakening was om duidelijkheid te scheppen. Hiertegen hebben wij in de gepaste periode (tijdens de informatieronde) bezwaar ingediend bij de bevoegde overheid (...) Men weigert dus goedkeuring aan ons deelplan in het sectoraal BPA omwille van een afbakening die nog niet aanvaard is, die onwettig is want zeer vaag, waartegen bezwaren lopende zijn, en die daarenboven stelt dat in deze ‘grenszone’ landbouw maximaal aanwezig moet blijven! (‘Dit gebied wordt maximaal gevrijwaard en behoudt in hoofdzaak zijn functie als landbouwgebied. Het krijgt een duidelijke rol als open ruimtewig die (diep) doordringt in het stedelijk weefsel’ uit: voorstel van afbakening van het regionaalstedelijk gebied-maart 2000-WES/Leiedal p86)”. 2.1.
  11. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord als volgt : “3.
  12. In het derde middel wordt de schending aangevoerd van de motiveringsplicht. 3.
  13. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de materiële en de formele motiveringsplicht. De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven, waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. De formele motiveringsplicht betekent dat in het besluit zelf, op uitdrukkelijke wijze, de redenen dienen te worden vermeld die ten grondslag liggen van de beslissing. Deze motivering dient afdoende te zijn, hetgeen betekent dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen. 3.
  14. In casu lijkt verzoekende partij een schending aan te voeren van de materiële motiveringsplicht. De motieven die aan de beslissing ten grondslag liggen zijn immers uitdrukkelijk verwoord in het bestreden besluit, terwijl verzoekende partij bovendien op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift kennis had van de motieven van de bestuurshandeling, en aldus niet in haar belangen is geschaad. 3.
  15. Het bestreden besluit stelt ten aanzien van deelplan 55: ‘(...) dat het bedrijf in kwestie een landbouwbedrijf is; dat er geen afwegingskader aanwezig is in de toelichting voor zonevreemde landbouwbedrijven te herbestemmen; dat de omzendbrief RO 2000/01 duidelijk stelt dat landbouwbedrijven niet in aanmerking komen om opgenomen te worden in een sectoraal BPA zonevreemde bedrijven; dat in het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Kortrijk werd gesteld dat mogelijke ontwikkelingen in het gebied tussen de huidige N36 en het toekomstig tracé moeten worden gekaderd binnen een visie op dit gebied.’ Alhoewel het bestreden besluit uitdrukkelijk naar de omzendbrief RO 2000/01 verwijst, wordt hierdoor de motiveringsplicht niet geschonden, vermits de overwegingen die aan de grondslag van de omzendbrief liggen concreet worden toegepast op ‘deelplan 55’. Zo liggen de overwegingen dat er geen afwegingskader aanwezig is in de toelichting en dat mogelijke ontwikkelingen in het gebied tussen de huidige N36 en het toekomstig tracé moeten worden gekaderd binnen een visie op dit gebied, -zoals gesteld in het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Kortrijk-, volledig in de lijn van voormelde omzendbrief, die onder meer stelt dat om de ruimtelijke afweging van landbouwbedrijven te maken, een veel ruimer afwegingskader nodig is, met name een visie op recreatief medegebruik in de open ruimte en op de landbouw. X-10.460-4/10 Er dient ook te worden opgemerkt dat de bestreden beslissing volledig in de lijn ligt van de verstrekte adviezen. Zo stelt de Afdeling ruimtelijke planning in haar advies dd. 5 mei 1999 bij de opmerkingen bij deel 1 dat : ‘Gelet op de aard van de bedrijven meent de ARP dat bepaalde bedrijven niet kunnen worden opgenomen in het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven. Zo heeft het sectoraal BPA niet tot doel oplossing te bieden aan zonevreemde agrarische activiteiten.(...). Het betreft n/ (...) 55.’ terwijl ze bij de opmerkingen bij deel II per bedrijf stelt: ‘
  16. Gelet op de aard van de activiteiten komt het betrokken bedrijf niet in aanmerking voor opname in een sectoraal BPA.’ Ten aanzien van de uiteenzetting van verzoekende partij inzake ‘de verwijzing van de Vlaamse Regering in de bestreden beslissing naar de afbakening van het regionaal stedelijk gebied Kortrijk’, dient te worden opgemerkt dat de Vlaamse Regering niet expliciet verwijst naar de afbakening, noch er rekening mee houdt. Ze overweegt enkel, in de lijn van haar beleid dat een eventuele oplossing voor de zonevreemdheid van het landbouwbedrijf dient te kaderen binnen een visie op het gebied waarin het landbouwbedrijf is gesitueerd, zoals dit reeds werd gesteld in het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Kortrijk. Wat betreft de uiteenzetting van verzoekende partij inzake de groenschermen, kan worden volstaan met de opmerking dat deze uiteenzetting niet van belang is om de zogenaamde schending van de motiveringsplicht te staven. Het derde middel is ongegrond”. 2.1.
  17. De verzoeker dupliceert in zijn memorie van wederantwoord als volgt: “De schending van de motiveringsplicht is duidelijk, zoals aangetoond vooral in 3.1 en 3.3, van mijn verzoekschrift. Er worden inderdaad zogenaamde ‘motieven’ naar voor geschoven, maar de ‘motieven’ waarop de Heer Minister steunt zijn onecht: - Een eigen omzendbrief, d.i. een eigen interpretatie: De betreffende omzendbrief is onwettig, en pseudo- wetgeving omdat het in strijd is met het gelijkheidsprincipe landbouwbedrijven van de toepassing van het BPA uit te sluiten terwijl het decreet dit niet voorziet. De overheid mag niet per omzendbrief nieuwe regels aan decreten toevoegen, noch het toepassingsgebied van een decreet verengen. Volgens de Raad van State moeten verordenende omzendbrieven met eigenlijke rechtsregels gelijkgesteld worden en zijn ze vatbaar voor vernietiging door de Raad van State: 1) Indien zij nieuwe regels aan de bestaande toevoegen (‘het BPA kan niet dienen voor landbouwbedrijven’ is een nieuwe regel); 2) Indien de overheid die richtlijnen verplicht wil stellen; 3) Indien zij bevoegd is om degene die ze moet toepassen te binden; 4) Indien zij over de middelen beschikt om zelf de handhaving van de richtlijnen af te dwingen. (...) Deze voorwaarden zijn in geval van de omzendbrief vervuld. - De afbakening van het regionaalstedelijk gebied Kortrijk die virtueel is want aanvechtbaar en nog niet aanvaard. Aldus is het schrijnend dat het opheffen van de zonevreemdheid van dit bedrijf wordt geweigerd op basis van onechte ‘motieven’, zodat aan de motiveringsplicht niet voldaan is”. X-10.460-5/10 2.1.
  18. De verzoeker sluit zich in zijn laatste memorie aan bij het standpunt van de auditeur. 2.1.
  19. De verwerende partij stelt in haar laatste memorie nog wat volgt: “
  20. In antwoord op het in dit verslag gegrond bevonden derde middel, volhardt verwerende partij dat het bestreden besluit de onthouding van goedkeuring aan het deelplan ‘55-De Brabandere’ afdoende motiveert. 1.
  21. Zoals uiteengezet onder het eerste middel, opteert de Vlaamse overheid bij het verhelpen van het probleem van de zonevreemdheid voor een duurzaam beleid en een lange-termijnvisie inzake ruimtelijke ordening. In die zin is men van oordeel dat een sectoraal BPA niet geschikt is voor landbouwbedrijven, gezien men om voor deze inrichtingen een ruimtelijke afweging te maken, een veel ruimer afwegingskader nodig heeft, en met name een visie op de landbouw, zodat één en ander beter wordt gekaderd in de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. De bevoegde overheid, die een grote discretionaire bevoegdheid heeft bij het vaststellen van een sectoraal BPA, stippelde voor zichzelf aldus een gedragslijn uit, waarbij ze de zonevreemdheid van landbouwbedrijven wenst op te lossen in het kader van de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, en niet door de opname in een sectoraal BPA. In de lijn hiervan overweegt het bestreden besluit dat bij het verhelpen van de zonevreemdheid van landbouwbedrijven een ander planologisch instrument is aangewezen dan bij het oplossen van de zonevreemdheid van industriële of ambachtelijke bedrijven. In deze zijn de hoeve en de omringende gronden van verzoekende partij bovendien gelegen in een natuurgebied, en derhalve fundamenteel planologisch zonevreemd, zodat een oplossing voor de zonevreemdheid niet vanzelfsprekend is. 1.
  22. In de nota van de Afdeling Ruimtelijke Planning ten aanzien van deelplan 55 aan de Vlaamse Minister van Ruimtelijke Ordening werd onder meer het volgende gesteld : ‘(...) De administratie is evenwel van oordeel dat er een ruimtelijk verantwoorde oplossing kan worden gezocht voor het bestendigen van deze historische hoeve. Een oplossing moet wel worden gekaderd binnen een visie op het grensgebied van het regionaalstedelijk gebied Kortrijk tussen het huidige en toekomstige tracé van de N36.’ Het bestreden besluit stelt ten aanzien van deelplan 55 onder meer : ‘(...) dat in het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Kortrijk werd gesteld dat mogelijke ontwikkelingen in het gebied tussen de huidige N36 en het toekomstig tracé moeten worden gekaderd binnen een visie op dit gebied.’ In tegenstelling tot hetgeen het auditoraatsverslag stelt, wordt de bestreden weigeringsbeslissing wel degelijk gemotiveerd op grond van ruimtelijke afwegingen. Er wordt daarin immers overwogen, in de lijn van het vooropgestelde beleid (cfr. ruimer afwegingskader), dat een eventuele oplossing voor de zonevreemdheid van het betrokken landbouwbedrijf dient te worden gekaderd binnen een visie op het gebied waarin het landbouwbedrijf is gesitueerd, zoals dit reeds werd gesteld in het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Kortrijk. Gezien deze visie op het ogenblik van de totstandkoming van het bestreden besluit nog niet volledig concreet is uitgewerkt, onthoudt het besluit de goedkeuring aan het deelplan nr. 55, teneinde tegenstrijdige ruimtelijke afwegingen te vermijden. In die zin werd er in de memorie van antwoord gesteld dat het bestreden besluit niet expliciet X-10.460-6/10 verwijst naar de afbakening, noch er expliciet rekening mee houdt. Door de goedkeuring aan voormeld deelplan te onthouden, voorkomt het bestreden besluit dat de totstandkoming van een ruime visie op het betrokken gebied zou worden gehypothekeerd, en anticipeert het op de evolutie daaromtrent, hetgeen dient te worden beschouwd als een ruimtelijke afweging. Het derde middel is aldus niet gegrond”. 2.1.6.
  23. De eis van materiële motivering houdt in dat een overheidsbeslissing gesteund moet zijn op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren bewezen is en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. 2.1.6.
  24. Het bestreden besluit verantwoordt de niet-goedkeuring van het deelplan “55-De Brabandere” als volgt : “Overwegende dat het bestemmingsplan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften voor het deelplan ‘55-De Brabandere’ voorziet in een bestemmingswijziging ter bestendiging en uitbreiding van de bestaande toestand; dat het bedrijf in kwestie een landbouwbedrijf is; dat er geen afwegingskader aanwezig is in de toelichting voor zonevreemde landbouwbedrijven te herbestemmen; dat de omzendbrief RO 2000/01 duidelijk stelt dat landbouwbedrijven niet in aanmerking komen om opgenomen te worden in een sectoraal BPA zonevreemde bedrijven; dat in het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Kortrijk werd gesteld dat mogelijke ontwikkelingen in het gebied tussen de huidige N36 en het toekomstig tracé moeten gekaderd worden binnen een visie op dit gebied; dat derhalve de goedkeuring aan dit deelplan wordt onthouden”. Uit de voorgaande overwegingen mag blijken dat de uitsluiting van landbouwbedrijven van opname in een sectoraal BPA, zoals bepaald door de omzendbrief RO 2000/01 van 29 september 2000 over het planologisch attest, het bedrijfs-BPA en het sectoraal BPA-zonevreemde bedrijven, een decisief motief uitmaakt om het deelplan “55-De Brabandere” niet goed te keuren. 2.1.6.
  25. Onder punt 2 “Welke bedrijven komen in aanmerking?”, 2.1 “Aard en type van de bedrijven” vermeldt voormelde omzendbrief wat volgt : “Het sectoraal BPA is vooral bedoeld als een voorafname op het gemeentelijke structuurplanningsproces ten behoeve van dringende, ruimtelijke problematieken, welke niet kunnen wachten op de afronding van het gemeentelijke structuurplanningsproces. Het betreft in eerste instantie de industriële en ambachtelijke bedrijven. De opname van agrarisch toeleverende en agrarisch verwerkende bedrijven, welke de gemeenschappelijke noemer van de zgn. para-agrarische bedrijven zijn ontgroeid en eerder behoren tot de ambachtelijke of industriële sector, is ook mogelijk en veelal aangewezen. X-10.460-7/10 Het sectoraal BPA is echter niet gericht op de horeca, landbouwbedrijven, recreatieve inrichtingen en/of kleinhandel. Om voor deze inrichtingen, andere dan ambachtelijke of industriële bedrijven, een ruimtelijke afweging te maken is immers een veel ruimer afwegingskader nodig (met name een visie op de kleinhandel, op recreatief medegebruik in de open ruimte, op de landbouw, enz...). In deze hypothese is het beter dit te kaderen in de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan”. 2.1.6.
  26. Artikel 14, vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, ingevoegd bij artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, luidde ten tijde van het bestreden goedkeuringsbesluit als volgt : “Gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, kan het bijzonder plan van aanleg afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen”. 2.1.6.
  27. De voormelde decreetsbepaling maakt, wat betreft de mogelijkheid tot opname van een zonevreemd bedrijf in een sectoraal BPA, geen onderscheid naar gelang van de aard van de economische activiteit van het zonevreemde bedrijf en sluit landbouwbedrijven niet a priori van deze mogelijkheid uit. De omzendbrief RO 2000/01 doet dit wel, waar hij stelt dat het sectoraal BPA niet gericht is op de horeca, landbouwbedrijven, recreatieve inrichtingen en/of kleinhandel en voegt zodoende een voorwaarde toe aan artikel 14, vijfde lid, van voormeld decreet. Het op deze bepaling van de omzendbrief gestoelde weigeringsmotief van het bestreden besluit, luidende “dat de omzendbrief RO 2000/01 duidelijk stelt dat landbouwbedrijven niet in aanmerking komen om opgenomen te worden in een sectoraal BPA zonevreemde bedrijven”, is onwettig. 2.1.6.
  28. Dat het bestreden besluit de goedkeuring aan het deelplan 55 mede onthoudt op grond van de overweging “dat in het afbakeningsproces van het regionaalstedelijk gebied Kortrijk werd gesteld dat mogelijke ontwikkelingen in het gebied tussen de huidige N36 en het toekomstig tracé moeten gekaderd worden binnen een visie op dit gebied”, en derhalve, volgens de verwerende partij, wil voorkomen dat de totstandkoming van een ruime visie op het betrokken gebied wordt gehypothekeerd, vermag de onwettigheid van de beslissing tot niet- goedkeuring van het deelplan voor verzoekers landbouwbedrijf wegens de niet X-10.460-8/10 decretaal voorziene uitsluiting van een dergelijk bedrijf van opname in een sectoraal BPA, niet goed te maken. Zoals uit de uiteenzetting van de verwerende partij mag blijken, is het motief tot vrijwaring van een ruime visie op het betrokken gebied immers eveneens gestoeld op de in de kwestieuze omzendbrief RO 2000/01 vooropgestelde beleidslijn van de verwerende partij dat de zonevreemdheid van landbouwbedrijven niet middels een sectoraal BPA kan worden opgelost. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  29. Vernietigd wordt het besluit van 7 mei 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “BPA nr. 61: sectoraal BPA zonevreemde bedrijven - fase I” genaamd, van de stad Harelbeke, in zoverre bedoeld besluit het deelplan “55-De Brabandere” niet goedkeurt. Artikel
  30. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  31. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-10.460-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-10.460-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.315 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.104.075 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.