← België

Arrest 184320 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.320 Rolnummer: A. 102890/X-10241 Zaak: Arrest 184320 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 18/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-02 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:14 Fiche Arrest nr 184.320 van 18 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.320 van 18 juni 2008 in de zaak A. 102.890/X-10.241. In zake : de n.v. MEUBELHOF, die woonplaats kiest bij advocaat R. TERWINGEN, kantoor houdende te 3630 MAASMECHELEN, Koninginnelaan 107 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. MEUBELHOF op 4 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 april 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 17 oktober 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij haar de regularisatievergunning wordt verleend voor een reclamepyloon op een perceel gelegen te Maasmechelen, Rijksweg 477, kadastraal bekend sectie B, nr. 956. Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-10.241-1/13 Gelet op de beschikking van 1 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. VAN DIEVOET, die loco advocaat R. TERWINGEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat M. VAN DER HASSELT, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 8 februari 1993 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen volgend besluit: “VERGUNNING - TOT HET PLAATSEN VAN EEN LICHTRECLAME Het College van Burgemeester en Schepenen, Gelet op de aanvraag van: ‘t Meubelhof, Rijksweg 477, 3630 Maasmechelen tot het plaatsen van: een dubbelzijdig verlicht uithangbord gelegen Rijksweg 477 met tekst ‘t Meubelhof; Gelet op het K.B. dd. 28.06.1963 tot wijziging van het K.B. dd. 14.12.1959 waarbij regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken; Gelet op de ministeriële omzendbrieven van 10.06.1965 en 31.07.1966; Gelet op de gemeenteraadsbeslissing van 25.01.1975, houdende politiereglement op de reclamepanelen; Gelet op het advies van de Verkeersdienst der Politie; dd. 13.07.1992, ref. 256/92; Gelet op het advies van het Ministerie van Openbare Werken, dienst Bruggen en Wegen dd. 25.01.1993, ref. VL/D6/E314/5002/93/VL/60700/J. FOSSION; Besluit: Bovenvermelde aanvraag toe te staan. (...)”. X-10.241-2/13 1.2. Bij aangetekend schrijven van 5 juni 1996 wordt de verzoekende partij door de administratie Wegen en Verkeer aangemaand de publiciteit te verwijderen wegens “inbreuk op wetgeving inzake aankondigingen langsheen de verkeersinfrastructuur”. 1.3. Op 25 maart 1996 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij bij het gemeentebestuur van Maasmechelen een bouwaanvraag in strekkende tot de regularisatie van de opgerichte pyloon. 1.4. Op 25 maart 1996 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen een gunstig pre-advies over de aanvraag: “- gelet op de bijgebrachte plannen; - gezien de aanvrager bij besluit van 08.02.1993 van het college vergunning heeft gekregen voor het plaatsen van een lichtreclame na advies van Bruggen en Wegen; - overwegende dat een hoge pyloon noodzakelijk is gezien de ligging aan de autosnelweg en de hoge beplanting langs de snelweg; - gezien de pyloon met reclamebord een est(h)etisch uitzicht heeft; - gezien deze grote handelszaak een goede, zichtbare reclamezuil nodig heeft”. 1.5. Op 23 mei 1996 brengt de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies uit: “ONGUNSTIG Mijn ongunstig advies van 29 september 1995 werd onvoldoende weerlegd. Ten opzichte van de rest van bebouwing rond de gewestweg betekent het gedogen van deze pyloon een visuele vervuiling van het gehele gebied hetgeen niet kan aanvaard worden”. 1.6. Op 17 juni 2006 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen de vergunning om de reden opgegeven in het advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.7. Op 17 oktober 1996 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg het administratief beroep van de verzoekende partij in en wordt de aangevraagde bouwvergunning verleend. Deze beslissing overweegt hetgeen volgt : X-10.241-3/13 “Overwegende dat het beroep ertoe strekt vergunning te bekomen voor de regularisatie van een reclamepyloon bij de handelszaak ‘Meubelhof’, gesitueerd aan de afrit van de autosnelweg en langs de Rijksweg 477; dat de te regulariseren pyloon een hoogte heeft van 17,80 m; Overwegende dat het bouwperceel volgens het goedgekeurd gewestplan Limburgs Maasland gesitueerd is in een KMO-zone volgens het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen bestemd zijn voor ambachtelijke bedrijven; dat in deze zone ook complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de industriële of ambachtelijke activiteit kunnen toegestaan worden; dat handelsvestigingen voor particuliere verkoop in deze zone in principe niet thuishoren; dat door de regularisatievergunning, verleend bij Ministerieel Besluit van 16 juni 1994, de bestemming van een winkelruimte aldaar werd toegelaten; Overwegende dat belanghebbende reeds bij besluit van het Schepencollege, dd. 8 februari 1993 en na gunstig advies van het Bestuur Bruggen en Wegen een bouwvergunning verkreeg voor het plaatsen van een dubbelzijdig verlicht uithangbord; Overwegende dat de bestendige deputatie van mening is dat de argumenten in het gunstig advies van het Schepencollege kunnen bijgetreden worden”. 1.8. Bij aangetekend schrijven van 30 oktober 1996 tekent de gemachtigde ambtenaar bij de Vlaamse regering beroep aan tegen het voornoemde besluit van de bestendige deputatie van 17 oktober 1996. Kopie van het beroepsschrift wordt op dezelfde datum betekend aan de aanvrager. 1.9. Bij besluit van 4 april 1997 willigt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het beroep van de gemachtigde ambtenaar in, vernietigt hij de beslissing van 17 oktober 1996 van de bestendige deputatie en weigert hij de gevraagde vergunning. Dit is het bestreden besluit waarin onder meer het volgende wordt overwogen: “Overwegende dat de aanvrager op 8 februari 1993 vergunning verkreeg tot het plaatsen van een dubbelzijdig verlicht uithangbord, dit in toepassing van het koninklijk besluit van 28 juni 1963 tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 december 1959 waarbij regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken; Overwegende dat nu de regulariserende bouwaanvraag voorligt voor een 17,80 meter hoge pyloon met bovenaan het logo van de NV Meubelhof; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Limburgse Maaskant, vastgesteld bij koninklijk besluit van 1 september 1980, gelegen is in een gebied voor ambachtelijke, kleine en middelgrote ondernemingen; dat overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de gebieden bestemd voor ambachtelijke bedrijven en voor kleine en middelgrote ondernemingen mede bestemd zijn voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard; X-10.241-4/13 Overwegende dat de kwestieuze pyloon, gericht op het verkeer van de gewestweg; afrit en autosnelweg, een totaal andere visuele impact heeft dan het eerder vergund uithangbord; dat de bestendige deputatie, zonder eigen motivering, enkel verwijst naar het gunstig standpunt van de gemeente dat in de eerste plaats stoelt op redenen van commerciële aard; Overwegende dat het gaat om een door hoogte en opvatting zeer bepalend element in het uitzicht van de omgeving; dat hoewel de NV Meubelhof op die plaats een bestemming als winkelruimte heeft verkregen bij middel van bouwvergunningen voor de gebouwen zelf, het betreffend gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen en voor ambachtelijke bedrijven zoveel mogelijk in zijn kleinindustriële en wettige planologische bestemming moet bewaard blijven; dat de gerealiseerde pyloon door zijn opmerkelijke verschijning en beoogde visuele impact een te bezwarende ruimtelijke weerslag legt op betrokken gebied door zijn bedenkelijke esthetische waarde en door de onbetwistbare nadruk van commercieel karakter die op de omgeving wordt gelegd; dat in die zin verder afbreuk wordt gedaan aan de evenwichtige uitbouw van het gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen en voor ambachtelijke bedrijven; Overwegende dat om deze redenen geen vergunning kan gegeven worden; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar dient bijgetreden”. 2. Ontvankelijkheid 2.1. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij als exceptie van onontvankelijkheid op dat de beslissing van het bevoegde orgaan van de verzoekende partij om in rechte te treden niet wordt bijgebracht. 2.2. In antwoord op een schrijven uitgaande van de griffie van de Raad van State van 10 april 2001, brengt de verzoekende partij als bijlage bij een aangetekend schrijven van 23 april 2001 een uittreksel uit de notulen van de vergadering van de Raad van Bestuur van 13 februari 2001 bij waaruit blijkt dat geldig is beslist tot het instellen van een annulatieberoep bij de Raad van State. 2.3. De exceptie wordt verworpen. 3. Eerste middel 3.1. Standpunt van de partijen over het eerste middel 3.1.1. In haar verzoekschrift voert de verzoekende partij het volgende eerste middel aan: “a. Schending van het beginsel van rechtszekerheid, het vertrouwensbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel. X-10.241-5/13 Verzoekster heeft op 8 februari 1993 een bouwvergunning gekregen (...), na het vereiste advies van de gemachtigde ambtenaar (...) en heeft overeenkomstig de haar verleende bouwvergunning de reclamepyloon geplaatst. De verleende vergunning heeft een subjectief recht doen ontstaan in hoofde van verzoekster, waar de overheid niet zonder meer kan op terugkomen. De gemachtigde ambtenaar heeft nooit beroep aangetekend tegen de verleende bouwvergunning doch komt meer dan 3 jaar na de bouwvergunning eenvoudig stellen dat er een inbreuk werd begaan door het plaatsen van de pyloon (...). De overheid heeft de verplichting een gerechtvaardigde verwachting in hoofde van verzoekster - te weten dat de verkregen bouwvergunning definitief was en niet meer kon worden ingetrokken na het verstrijken van de wettelijke termijnen - te honoreren. Verzoekster moet kunnen vertrouwen op wat door haar niet anders dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid kan worden opgevat (...). Ten onrechte heeft hetzelfde College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Maasmechelen, dat drie jaar eerder op 8 februari 1993 een bouwvergunning heeft afgeleverd (...), op 17 juni 1996 plots een bouwvergunning geweigerd (...) voor de reclamepyloon die er reeds drie jaar lang - met bouwvergunning - stond. Daar waar de bouwvergunning aanvankelijk werd gesteund op een (verplicht) gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, nl. de dienst Wegeninfrastructuur en Verkeer van het Ministerie van Vlaamse Gemeenschap (...) , werd de weigering tot verlenen van een bouwvergunning eveneens gesteund op een - nu plots - ongunstig advies van dezelfde gemachtigde ambtenaar (...). Het spreekt voor zich dat verzoekster als rechtsonderhorige niet het slachtoffer kan zijn van de grillen van de administratieve overheid. Verzoeker is misleid door de overheid die het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden”. 3.1.2. In haar memorie van antwoord beantwoordt de verwerende partij het eerste middel als volgt: “- Op 8 februari 1993 werd aan de verzoekende partij een vergunning verleend door het college van burgemeester en schepenen voor het oprichten van een dubbelzijdig verlicht reclamebord aan haar handelszaak, in toepassing van het koninklijk besluit van 28 juni 1963 tot wijziging van het K.B. van 14 december 1959 waarbij regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken. Er werd een pyloon opgericht met een hoogte van ongeveer 17 m. Een eerste regularisatieaanvraag voor deze wederrechtelijk opgerichte pyloon werd geweigerd door het college van burgemeester en schepenen bij beslissing van 09.10.1995. Een tweede regularisatieaanvraag werd ingediend door de verzoekende partij. Deze aanvraag heeft ingevolge administratief beroep geleid tot de bestreden beslissing van 4 april 1997. In hoofde van de verzoekende partij werd op geen enkel ogenblik een gerechtvaardigde verwachting gewekt. De verzoekende partij heeft op 14.03.1996 een aanvraag ingediend met als voorwerp ‘Regularisatie pyloon’. Gelet op deze regularisatieaanvraag was de verzoekende partij zich ervan bewust dat de pyloon werd opgericht zonder de voorafgaande vereiste schriftelijke stedenbouwkundige vergunning. X-10.241-6/13 De gemachtigde ambtenaar heeft een vordering tot herstel geformuleerd met betrekking tot deze bouwinbreuk (...). De verzoekende partij stelt in haar verzoekschrift, op pagina 4, dat zij ‘niet het slachtoffer kan zijn van de grillen van de administratieve overheid’, aangezien het college van burgemeester en schepenen op 08.02.1993, een bouwvergunning heeft verleend en op 17.06.1996 een bouwvergunning heeft geweigerd. De bouwvergunning die werd verleend op 08.02.1993, had als voorwerp een dubbelzijdig verlicht uithangbord. De vergunning die werd geweigerd op 17.06.1996, strekte tot regularisatie van de pyloon. Het betreft derhalve twee duidelijk onderscheiden bouwdossiers. Bovendien was de weigeringsbeslissing van 17.06.1996 niet definitief. Tegen deze beslissing werd immers administratief beroep ingesteld door de verzoeker, welk beroep werd ingewilligd door de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg. Tegen deze beslissing houdende inwilliging van het beroep van MEUBELHOF NV, werd vervolgens beroep aangetekend door de gemachtigde ambtenaar. Ingevolge deze administratieve beroepen werd de beslissingsbevoegdheid overgedragen naar respectievelijk de bestendige deputatie en de Vlaamse regering”. 3.1.3. Met betrekking tot het eerste middel repliceert de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt: “1. Ten onrechte tracht tegenpartij voor te houden dat de vergunning, verleend door het Schepencollege van de gemeente Maasmechelen d.d. 8/2/1993 een ander voorwerp zou hebben, dan de regularisatieprocedure, waarop huidige vordering betrekking heeft. Eén en ander is wel degelijk niet het geval: Het ‘dubbelzijdige verlicht reclamebord’, waarvan sprake in de beslissing van het College van Burgemeester en Schepen(

  1. en)d.d. 8/2/1993, is wel degelijk hetzelfde ‘voorwerp’ als de ‘pyloon’ waarvan sprake in de regularisatieaanvraag. Eén en ander blijkt duidelijk uit: - stuk 1 zijnde de oorspronkelijke aanvraag tot vergunning, zoals ingediend door verzoekster bij het College van Burgemeester en Schepenen te Maasmechelen, waarin door verzoekster vergunning gevraagd wordt voor het plaatsen van ‘een dubbelzijdig verlicht uithangbord met pyloon’; m.n. dient verwezen naar de bijlage van deze aanvraag, zijnde een plan van de op te richten constructie. - bijkomend stuk 19, zijnde het P.V. van vaststelling van een beweerde bouwovertreding, met daaraan gehecht foto’s van de kwestieuze lichtreclame; het is dit P.V. dat de aanleiding vormde voor verzoekster om huidige regularisatie-procedure op te starten. Besluit: Hetgeen in de oorspronkelijke vergunningsaanvragen en vergunningen een ‘dubbelzijdig verlicht uithangbord met pyloon’ werd genoemd, werd in de regularisatieprocedure waarop huidige vordering betrekking heeft tout-court een ‘pyloon’ genoemd; duidelijk is echter wel dat het telkenmale over dezelfde constructie gaat. De kwestieuze reclame-pyloon werd nu net door verzoekster opgericht nadat het College van Burgemeester en Schepenen hun goedkeuring hiervoor gegeven hadden, in een beslissing van 8/2/1993. 2. X-10.241-7/13 Dienaangaande dient trouwens ook vastgesteld dat de Minister in zijn thans aangevochten M.B. van 4/4/1997, op blz. 2 alinea 6 dezelfde fout maakt: ‘Overwegend dat de kwestieuze pyloon, gericht op het verkeer van de gewestweg; afrit en autosnelweg, een totaal andere visuele impact heeft dan het eerder vergund uithangbord;...’ Ook de Minister ging er dus ten onrechte vanuit dat het vergund ‘uithangbord’ verschilde van de op(ge)richte pyloon; andermaal dient erop gewezen dat het wel degelijk gaat om dezelfde constructie. Eén van de doorslaggevende motieven van Dhr. Minister in zijn besluit van 4/4/1997 is dus gestoeld op een totaal verkeerde feitelijke voorstelling van de zaken; de motiveringsplicht van het thans aangevocht(
  2. en)Ministerieel Besluit is dus niet voldaan. Huidige vordering dient gegrond verklaard te worden. Algemeen besluit: Het door het Schepencollege van de gemeente Maasmechelen vergunde ‘dubbelzijdig verlicht uithangbord’ is wel degelijk dezelfde constructie als het voorwerp van de naderhand door verzoekster ingediende regularisatieaanvraag, die heeft geleid tot huidige vordering. Ten onrechte stelt tegenpartij dat het zou gaan om twee verschillende constructies. Eén en ander blijkt ontegensprekelijk uit de vergelijking van de plannen gevoegd bij de oorspronkelijke vergunningsaanvraag door verzoekster (...) en de foto’s gevoegd bij het P.V. van vaststelling van een beweerde bouwovertreding d.d. 1/7/1996 (...). De argumenten van tegenpartij om het eerste middel van verzoekster te on(t)krachten zijn dus feitelijk en juridisch niet correct. Dit middel dient alleszins weerhouden te worden”. 3.2. Beoordeling van het eerste middel 3.2.1. In zoverre de verzoekende partij voorhoudt dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen op 8 februari 1993 een stedenbouwkundige vergunning zou hebben verleend voor de pyloon met bovenaan een dubbelzijdig verlicht uithangbord met de tekst “‘t Meubelhof”, mist het middel feitelijke grondslag, daar het college op die datum de aanvraag voor het plaatsen van “een dubbelzijdig verlicht uithangbord (...) met tekst ‘t Meubelhof” heeft toegestaan in toepassing van het gemeentelijk politiereglement op de reclamepanelen van 25 januari 1975 en daarbij enkel heeft geoordeeld dat de aanvraag overeenstemt met dit reglement en met het koninklijk besluit van 14 december 1959 waarbij regelen worden gesteld op het aanplakken en reclame maken. 3.2.2. Voornoemd koninklijk besluit van 14 december 1959 geeft uitvoering aan artikel 200 van het Wetboek diverse rechten en taksen. Het eerste lid van laatstgenoemd artikel 200 bepaalt het volgende: X-10.241-8/13 “Ten einde de schoonheid der gebouwen, monumenten, zichten en landschappen te vrijwaren, wordt de regering gemachtigd de aanplakking van alle hoe ook genaamde plakbrieven die een zekere grootte te buiten gaan, op bepaalde plaatsen te verbieden”. 3.2.3. In het Verslag aan de Koning bij voornoemd koninklijk besluit van 14 december 1959 (Belgisch Staatsblad van 4 januari 1960) wordt onder meer het volgende gesteld: “Tevens dient aangestipt dat onderhavig besluit niets afdoet aan (...) de wets- of reglementaire voorschriften die het uitvoeren van een bouwwerk (...) aan een vergunning onderwerpen”. 3.2.4. De reglementeringen waarop de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen van 8 februari 1993 gesteund is, hebben een beperktere draagwijdte dan het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening, zowel wat betreft het toepassingsgebied als wat betreft de inhoudelijke beperkingen waaraan het bestuur de rechtsonderhorige kan onderwerpen. De door de eerstgenoemde reglementeringen ingestelde verboden hebben enkel betrekking op de “plakbrieven” en de daarmee gelijk te stellen visuele reclame- of publiciteitsmiddelen zelf en bijvoorbeeld niet op de gebouwen of pylonen waarop deze “plakbrieven” worden aangebracht. Het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening heeft een veel ruimer toepassingsgebied, al was het maar omdat artikel 42 ervan een voorafgaande vergunningsplicht instelt voor een hele reeks werken, waaronder het bouwen en een grond gebruiken voor het plaatsen van een vaste inrichting, zoals een gebouw of een pyloon. Inhoudelijk wil het koninklijk besluit van 14 december 1959 bepaalde landschappen, sommige bossen en bepaalde verkeerswegen en waterlopen vrijwaren van visueel storende “plakbrieven”. Daartegenover stelt het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening op het grondgebied van het hele Vlaamse Gewest uitgebreide voorwaarden voor het afgeven van een stedenbouwkundige vergunning, bijvoorbeeld dat de inplanting van de inrichting dient overeen te stemmen met de plannen van aanleg en met de goede plaatselijke ordening. 3.2.5. Uit de toelating van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen van 8 februari 1993 kan de verzoekende partij geen gerechtvaardigde verwachting - laat staan een subjectief recht - putten dat de vergunningverlenende overheid haar een stedenbouwkundige regularisatievergunning zal verlenen voor een pyloon met bovenaan een X-10.241-9/13 dubbelzijdig verlicht uithangbord met de tekst “‘t Meubelhof”. Overigens duidt de verzoekende partij geen motief van de bestreden beslissing aan dat in tegenspraak zou zijn met een motief van de toelating van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen van 8 februari 1993. 3.2.6. De verzoekende partij voert in de memorie van wederantwoord voor het eerst de schending van de motiveringsplicht aan. Het blijkt niet dat dit middel slechts kon worden aangevoerd na inzage van het administratief dossier. Het nieuwe middel is niet op ontvankelijke wijze aangevoerd. 3.2.7. Het eerste middel is niet gegrond. 4. Tweede middel 4.1. Standpunt van de partijen over het tweede middel 4.1.1. In haar verzoekschrift voert de verzoekende partij het volgende tweede middel aan: “Schending van de zorgvuldigheidsplicht Bovendien heeft de overheid, en met name het Ministerie van Vlaamse Gemeenschap, departement Leefmilieu en Infrastructuur administratie Ruimtelijke ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen de zorgvuldigheidsplicht geschonden door het beginsel van de redelijke termijn niet te respecteren. Hogergenoemde overheid wacht eerst drie jaar na een verleende bouwvergunning om vast te stellen dat de bouwvergunning niet correct zou zijn: Pas op 5 juni 1996 ontvangt verzoekster van de gemachtigde ambtenaar een schrijven (...) terwijl de bouw vergunning reeds op 8 februari 1993 (...) werd afgeleverd. Het spreekt voor zich dat verzoekster in haar belang is geschaad door deze eenzijdige meningswijziging van de overheid. Verzoekster heeft een kostelijke reclamepyloon gezet, nadat zij de hele procedure tot het bekomen van een bouwvergunning hiervoor heeft doorlopen, en dreigt deze pyloon thans te moeten afbreken met alle kosten vandien en met mogelijk verlies van cliënteel. Het thans aangevochten ministerieel besluit werd reeds genomen op 04/04/97. De overheid wacht echter meer dan drie jaar, en met name tot 5 februari 2001 (...) om dit M.B. te betekenen aan verzoekster. De overheid heeft opnieuw een beginsel van behoorlijk bestuur en met name het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. De beslissingnemende overheid heeft enkele substantiële vormen niet nageleefd en het ministrieel besluit moet op deze gronden worden vernietigd”. 4.1.2. In haar memorie van antwoord beantwoordt de verwerende partij het tweede middel als volgt: X-10.241-10/13 “In het tweede middel stelt de verzoekende partij dat de zorgvuldigheidsplicht werd geschonden aangezien het beginsel van de redelijke termijn niet gerespecteerd werd. - Zij licht dit middel toe, vooreerst stellende dat de overheid drie jaar wacht na een verleende bouwvergunning om vast te stellen dat de bouwvergunning niet correct zou zijn. Op 5 juni 1996 heeft de verzoekende partij van de gemachtigde ambtenaar een brief ontvangen, terwijl de bouwvergunning verleend werd bij beslissing van 08.02.1993. De tegenpartij stelt vast dat dit onderdeel van het tweede middel geen betrekking heeft op het bestreden besluit van 4 april 1997 zodat het niet kan leiden tot de nietigverklaring van dit besluit. Dit onderdeel, dat wordt aangevoerd om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 04.04.1997, mist elke relevantie. Daarenboven werd op 08.02.1993 een vergunning verleend voor een dubbelzijdig verlicht uithangbord en niet voor een pyloon. - Daarnaast voert de verzoekende partij in het tweede middel aan dat het ministerieel besluit van 04.04.1997 slechts genotificeerd werd bij brief van 05.02.2001. De wet voorziet geen termijn binnen dewelke de beslissing ter kennis moet gebracht worden van de aanvrager, zodat het zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden werd. Bovendien werd de aanvrager bij brief van 30.10.1996 (...) in kennis gesteld van het beroepschrift dat de gemachtigde ambtenaar had ingediend tegen de beslissing van 17.10.1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg. De aanvrager wist derhalve dat de beslissing van 17.10.1996 niet definitief verleend was”. 4.1.3. Met betrekking tot het tweede middel repliceert de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt: “1. Ook hier voert tegenpartij, ter ontkrachting van het door verzoekende partij ingeroepen middel, aan dat het in casu zou gaan om twee verschillende constructies : hierboven werd er reeds op gewezen dat één en ander niet correct is en dat het ‘dubbelzijdig verlicht hangbord’ vergund door het Schepencollege van de Gemeente Maasmechelen in een beslissing van 8/2/1993 wel degelijk hetzelfde voorwerp is als de regularisatie-aanvraag, die uiteindelijk geleid heeft tot huidige procedure. Het argument van tegenpartij dient andermaal als feitelijk niet-correct beschouwd te worden en mist dus alle juridische relevantie. Verzoekende partij mocht er dienvolgens wel degelijk terecht van uitgaan dat de door haar gerealiseerde reclamepyloon vergund was. 2. Tegenpartij stelt terecht dat er voor de kennisgeving van een M.B. in regularisatiedossiers geen wettelijke termijn voorzien is. Eén en ander neemt echter niet weg dat een laattijdige mededeling van een dergelijke beslissing dient beschouwd te worden als een onzorgvuldigheid in hoofde van de betrokken overheid, hetgeen een reden tot vernietiging kan vormen. Dat de mededeling van een M.B. bijna 4 jaar nadat dit M.B. is genomen laattijdig is behoeft geen betoog. Dat één en ander een schending van de zorgvuldigheidsverplichting in hoofde van tegenpartij is is duidelijk. X-10.241-11/13 Besluit : Ook het tweede door verzoekende partij opgeworpen middel is terecht en relevant. De argumenten van tegenpartij om dit middel te ontkrachten houden geen steek en zijn zelfs feitelijk niet-correct. Ook dit middel dient weerhouden te worden”. 4.2. Beoordeling van het tweede middel 4.2.1. In zoverre de verzoekende partij voorhoudt dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen op 8 februari 1993 een stedenbouwkundige vergunning zou hebben verleend, mist het middel, om de hiervoor (overweging 3.2.1) uiteengezette redenen, feitelijke grondslag. 4.2.2. In zoverre de verzoekende partij de wettigheid bekritiseert van de aanmaning van 5 juni 1996 (overweging 1.2), is het middelonderdeel onontvankelijk daar die kritiek geen betrekking heeft op het bestreden besluit en het niet blijkt dat deze aanmaning een voorbereidende handeling zou uitmaken op het bestreden besluit. 4.2.3. Een eventuele tekortkoming in de kennisgeving tast in beginsel de wettigheid van een beslissing niet aan. De verzoekende partij heeft geen gebruik gemaakt van de haar door artikel 53, § 2, vierde lid, van het op 22 oktober 1996 gecoördineerde decreet betreffende de ruimtelijke ordening geboden mogelijkheid om de zaak bij de verwerende partij te rappelleren. In die omstandigheden vermag zij zich niet te beroepen op de ingeroepen schending van de “zorgvuldigheidsplicht”. 4.2.4. Het tweede middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. X-10.241-12/13 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-10.241-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.320 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.