← België

Arrest 184350 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 19/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.350 Rolnummer: A. 123165/XII-3587 Zaak: Arrest 184350 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 19/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-03 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:15 Fiche Arrest nr 184.350 van 19 juni 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.350 van 19 juni 2008 in de zaak A. 123.165/XII-

  1. In zake : de GEMEENTE SINT-GENESIUS-RODE, die woonplaats kiest bij advocaat J. Sohier, kantoor houdende te 1000 Brussel, Emile de Motlaan 19 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te 8000 Brugge, Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Sint-Genesius-Rode op 28 juni 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
  3. Het Ministerieel Besluit van 26 april 2002 houdende gedeeltelijke inwilliging van het beroep van de gemeente Sint-Genesius-Rode van 27 maart 2001 tegen het besluit van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams-Brabant van 7 maart 2001 houdende wijziging en definitieve vaststelling van de gemeenterekening 2000;
  4. De beslissing van de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams- Brabant van 7 maart 2002 houdende definitieve vaststelling van de gemeenterekening 2000”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-3587-1/10 Gelet op de beschikking van 5 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat Chr. Knockaert, die loco advocaat J. Sohier verschijnt voor verzoekster, en van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feitelijke gegevens van de zaak
  5. Op 26 juni 2001 stelt de gemeenteraad van Sint-Genesius-Rode de rekening 2000 vast. Bij besluit van 7 maart 2002 keurt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de rekening goed, behoudens wat een bedrag van 53.896 frank betreft dat verband houdt met verkiezingsdrukwerk. Overwogen wordt dat wanneer de oproepingsbrieven voor de gemeente- en provincieraadsverkiezingen van 8 oktober 2000 op een onwettige wijze verstuurd of afgegeven zijn, de gemaakte kosten eveneens onwettig zijn en uit de rekening verworpen dienen te worden. Naar verwerende partij in de memorie van antwoord verklaart, zonder dat het door verzoekster wordt tegengesproken, had de gemeente de oproepingsbrieven ten dele in het Frans verstuurd, zonder het verzoek af te wachten van de betrokken inwoner om een oproepingsbrief in het Frans te krijgen. De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid willigt op 26 april 2002 het beroep van verzoekster tegen het besluit van de deputatie gedeeltelijk in. Het door de deputatie XII-3587-2/10 verworpen bedrag wordt verminderd met 33.903 frank, namelijk in zoverre het bedrag andere uitgaven blijkt te betreffen dan met betrekking tot de oproepings- brieven. De rekening 2000 wordt dienovereenkomstig vastgesteld. De procesbevoegdheid van verzoekster
  6. Volgens de memorie van antwoord is het beroep onontvankelijk bij gebreke aan een besluit van het college van burgemeester en schepenen om zich in rechte te voorzien: “Het voorleggen van een machtiging van de gemeenteraad [...] kan uiteraard het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen als zodanig niet vervangen”. In de laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat er eerst expliciet moet worden besloten een geding in te leiden alvorens de mogelijkheid bestaat om daartoe een ambtenaar of een advocaat aan te duiden, dat des te strikter dient te worden gehandeld in de randgemeenten, dat in principe uit de aanstelling van een advocaat om een bepaalde opdracht uit te voeren niet besloten kan worden dat glashelder vaststaat dat een gemeente beroep bij de Raad van State zal instellen, dat nonchalance terzake uit den boze is, dat de eis om een expliciete beslissing voor te leggen een terechte eis is.
  7. Overeenkomstig, toentertijd, de artikelen 123, 8/, respectievelijk 270, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, is het college van burgemeester en schepenen belast met het voeren van de rechtsgedingen waarbij de gemeente betrokken is en behoeft het voor het instellen van een annulatieberoep de machtiging van de gemeenteraad. Volgens artikel 107 van dezelfde wet beslist het college van burgemeester en schepenen in de randgemeenten bedoeld in artikel 7 van de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken bij consensus en wordt bij gebrek aan consensus de zaak door de burgemeester ter beslissing aan de gemeenteraad voorgelegd.
  8. Te dezen stelde het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Genesius-Rode op 2 mei 2002 vast dat er geen consensus was met betrekking tot het voorstel van de burgemeester om tegen het ministerieel besluit van 26 april 2002 een beroep in te stellen bij de Raad van State. Bij afzonderlijke beslissingen van 23 mei 2002, besloot de gemeenteraad eerst het college van burgemeester en schepenen “te machtigen om bij de afdeling administratie van de XII-3587-3/10 Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen het in artikel 1 vermeld besluit van de heer Vlaams Minister van Binnenlandse Aangelegenheden dd. 26.4.2002”, en vervolgens “Advokaat Jérôme Sohier [...] aan te stellen als raadsman van de gemeente in het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen het besluit dd. 26.4.2002 van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden inzake de verwerping van een uitgave uit de gemeenterekening, dienstjaar 2000”. Aldus zijn de precieze omstandigheden van de zaak volstrekt vergelijkbaar met deze van het beroep -vanwege dezelfde verzoekende partij- dat beslecht is geworden met het arrest nr. 140.805 van 17 februari
  9. Conform de opvatting die de Raad van State in dat arrest aannam, moet het eerste gemeenteraadsbesluit begrepen worden als de in artikel 270, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet bedoelde machtiging van de gemeenteraad en het tweede gemeenteraadsbesluit als de bij artikel 123, 8/, bedoelde beslissing om in rechte te treden. Wat meer bepaald het tweede gemeenteraadsbesluit betreft staat genoegzaam vast dat door te beslissen een advocaat aan te stellen “in het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State”, de gemeenteraad op niet mis te verstane wijze tevens besluit dat beroep in te stellen.
  10. Weliswaar blijkt dat de machtiging en de beslissing om in rechte te treden alleen slaan op het eerste voorwerp van het beroep. Het beroep is derhalve niet ontvankelijk wat de beslissing van 7 maart 2002 van de deputatie betreft. De exceptie wordt voor het overige verworpen. XII-3587-4/10 De grond van het beroep Standpunt van verzoekster
  11. Wat de grond van de zaak betreft, is het auditoraatsverslag beperkt tot een onderzoek van het “Derde middel, gedeeltelijk samengelezen met het tweede middel”. Het derde middel is afgeleid uit de schending van artikel 264 van de nieuwe gemeentewet en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Het richt zich tegen de volgende passus in het ministerieel besluit: “Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 2 september 2000 betreffende het taalgebruik oproepingsbrief gemeente- en provincieraadsverkiezingen van 8 oktober 2000; Gelet op het besluit van het college van 28 juli 2000 houdende vaststelling van de voorwaarden en de wijze van gunnen voor het drukken van kiezerslijsten en de oproepingskaarten; gelet op het besluit van het college van 25 augustus 2000 houdende toewijzing van deze opdracht; [...] Overwegende dat de collegebesluiten van 28 juli 2000 en 25 augustus 2000 en het gemeenteraadsbesluit van 2 september 2000 werden opgevraagd door de toezichthoudende overheid; dat volgens de gemeente de toezichthoudende overheid de onwettigheid van deze besluiten diende op te werpen binnen de termijn van 40 dagen zoals deze door de wet is voorgeschreven; dat echter noch uit de opgevraagde collegebesluiten noch uit het opgevraagde gemeenteraadsbesluit kon worden opgemaakt dat de drukkerij initieel de opdracht had gekregen om de kiesbrieven in functie van de taalaanhorigheid op te stellen; dat echter door het niet optreden van de toezichthoudende overheid de onwettelijke uitvoering van deze beslissingen, namelijk de onwettelijke uitgave, wordt weggenomen”. Het middel voert hiertegen aan dat artikel 264 van de nieuwe gemeentewet voorschrijft dat een schorsingsbesluit genomen moet worden binnen veertig dagen nadat de beslissing van de gemeenteoverheid op het provinciaal gouvernement is ingekomen, dat uit de gemeenteraadsbeslissing van 2 september 2000 duidelijk blijkt dat de gemeente besliste om de onderrichtingen van 24 juli 2000 van de federale minister van Binnenlandse Zaken betreffende het taalgebruik van de oproepingsbrieven voor de gemeente- en provincieraadsverkiezingen van 8 oktober 2000 toe te passen, dat die onderrichtingen impliceren dat de kiesbrieven opgesteld worden in functie van de taalaanhorigheid, dat ook een brief van 26 september 2000 van de federale minister van Binnenlandse Zaken aan de burgemeester van de gemeente Sint-Genesius-Rode “impliceert dat men er bij de XII-3587-5/10 toezichthoudende overheid toen reeds van op de hoogte was dat de oproepings- brieven volgens de taalaanhorigheid verzonden werden”. Zelfs indien de toezicht- houdende overheid pas kennis zou hebben genomen van de vermeende onwettigheid toen zij de rekening 2000 ontving, dan nog is, aldus verzoekster, de wettelijke termijn van veertig dagen niet gerespecteerd. Ten slotte noemt verzoekster het laatste zinsdeel van het hiervoor vermelde citaat “onduidelijk”. In het tweede middel doet verzoekster onder meer gelden dat het ministerieel besluit van 26 april 2002 het artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schendt door te hebben overwogen : “dat de onderrichtingen van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, de heer A. Duquesne, dd. 24 juli 2000 inzake het taalgebruik van de oproepingsbrieven voor de gemeente- en provincieraadsverkiezingen van 8 oktober 2000 zich eigenlijk beperkt tot het herhalen van de artikelen 12 en 25 S.W.T. hetgeen niet in strijd is met de wet op zich. Door zich te onthouden van enigerlei interpretatie, is ze eve[n]min in strijd met de interpretatie die door de omzendbrief Peeters van 16 december 1997 aan de wet wordt gegeven; dat de minister van Binnenlandse Zaken in zijn brief van 26 september 2000 aan de gemeente niets anders doet dan zijn omzendbrief bevestigen; door te bekennen dat zij de oproepingsbrieven op basis van taalaanhorigheid hebben verstuur[d], geeft de gemeente een onjuiste interpretatie aan die onderrichtingen”. Deze motivering is volgens het middel niet afdoende; de onderrichtingen van de federale minister van Binnenlandse Zaken bepalen “ondubbelzinnig” “dat de oproepingsbrieven op basis van de taalaanhorigheid dienen verzonden te worden”. Beoordeling
  12. Het in het derde middel aangevoerde artikel 264 van de nieuwe gemeentewet bepaalde toentertijd onder meer dat voor de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de provinciegouverneur de uitvoering kan schorsen van de beslissing waarbij een gemeenteoverheid haar bevoegdheid te buiten gaat, de wet schendt of het algemeen belang schaadt, dat het schorsingsbesluit moet worden genomen binnen veertig dagen nadat het besluit op het provinciaal gouvernement is ingekomen, en dat van het schorsingsbesluit dadelijk kennis wordt gegeven aan de gemeenteoverheid. XII-3587-6/10 In de visie van verzoekster mocht verwerende partij in het aangevochten ministerieel besluit van 26 april 2002 niet meer de uitgave in verband met de oproepingsbrieven verwerpen, nu de gebeurlijke onwettigheid ervan teruggaat op de gemeenteraadsbeslissing van 2 september 2000 om de onderrichtingen van de federale minister van Binnenlandse Zaken toe te passen, en nu niet tijdig tegen die gemeenteraadsbeslissing is opgetreden op grond van de bevoegdheid waarin artikel 264 van de nieuwe gemeentewet voorzag.
  13. In zijn, in het Belgisch Staatsblad van 27 juli 2000 gepubliceerde, onderrichtingen van 24 juli 2000 voor de voorzitters van de hoofdbureaus bij de gemeenteraadsverkiezingen, schrijft de minister van Binnenlandse Zaken : “
  14. Volgens de vaste rechtspraak van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht moeten de oproepingsbrieven voor de kiezers, alsook trouwens de oproepingsbrieven geadresseerd aan de bijzitters van kiesbureaus, als betrekkingen met particulieren worden beschouwd in de zin van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. Daaruit volgt dat in de 19 gemeenten van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en de gemeenten met een speciale regeling, d.w.z. de 6 randgemeenten, de 10 taalgrensgemeenten, de 9 gemeenten uit het Duitse taalgebied en de 2 gemeenten uit het Malmedyse die oproepingsbrieven uitsluitend gesteld moeten worden in de taal (Nederlands of Frans; in de 9 gemeenten van het Duitse taalgebied is de oproepingsbrief in het Duits, tenzij de particulier de Franste taal vraagt; in de gemeenten Malmedy en Waimes is de oproepingsbrief in het Frans, tenzij de particulier de Duitse taal vraagt) waarvan de betrokken particulier gebruik maakt in zijn betrekking met de plaatselijke overheid”. Artikel 25, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken schrijft voor : “In hun betrekkingen met een particulier gebruiken [de plaatselijke diensten die gevestigd zijn in de randgemeenten] de door de betrokkene gebruikte taal voor zover die taal het Nederlands of het Frans is”.
  15. Het volstaat de onderrichtingen in het aangehaalde nr. 31, tweede lid, te toetsen aan het artikel 25, eerste lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, om vast te stellen, zoals op pertinente en afdoende wijze in het bestreden besluit van 26 april 2002 gebeurt, dat de betrokken instructies “eigenlijk” alleen maar “herhalen” wat de wetten op de talen in bestuurszaken vereisen met betrekking tot de zogenaamde randgemeenten. Als zodanig doen de instructies niet kennen “dat de oproepingsbrieven op basis van de taalaanhorigheid dienen XII-3587-7/10 verzonden te worden” en kunnen zij bezwaarlijk met de wetten op de talen in bestuurszaken strijdig zijn. Evenmin kan dan uit de enkele beslissing van 2 september 2000 van de gemeenteraad om die onderrichtingen “toe te passen”, worden begrepen dat verzoekster de oproepingsbrieven volgens deze taalaanhorigheid zou opstellen en dat de beslissing aangetast is door een schending van de meer vermelde wetten op de talen in bestuurszaken, welke schending desgevallend een optreden ex artikel 264 van de nieuwe gemeentewet kon hebben verantwoord.
  16. Bijgevolg neemt de Raad van State aan, met het aangevochten ministerieel besluit, dat uit de gemeenteraadsbeslissing van 2 september 2000 niet kon worden opgemaakt “dat de drukkerij initieel de opdracht had gekregen om de kiesbrieven in functie van de taalaanhorigheid op te stellen”. Er was voor de verwerende partij dan ook geen reden om op die grond tegen de gemeenteraadsbeslissing op te treden in het kader van het algemeen administratief toezicht: niet binnen veertig dagen nadat de op 2 oktober 2000 opgevraagde beslissing op het provinciaal gouvernement inkwam en des te minder nog ná het verstrijken van de voorgeschreven termijn, bijvoorbeeld nadat de deputatie op 10 juli 2001 de rekening 2000 ontving, of nadat de verwerende partij -ter gelegenheid van verzoeksters beroep van 28 maart 2002 tegen het besluit van 7 maart 2002 van de deputatie- kennis had kunnen nemen van de brief van 26 september 2000 van de minister van Binnenlandse Zaken aan de burgemeester van de gemeente Sint-Genesius-Rode.
  17. In zoverre de initiële opdracht aan de drukkerij “om de kiesbrieven in functie van de taalaanhorigheid op te stellen” effectief op de gemeenteraads-beslissing terug te voeren zou zijn en in zoverre door die opdracht de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken geschonden worden, moet de schending dan blijkbaar als een foutieve uitvoering van de gemeenteraadsbeslissing worden aangemerkt. Het is, evident, een onwettigheid die niet wordt goedgemaakt doordat -terecht- niet is opgetreden op basis van artikel 264 van de nieuwe gemeentewet tegen de gemeenteraadsbeslissing. Het is kennelijk deze elementaire wijsheid die verwerende partij heeft willen uitdrukken in de zinsnede “dat echter door het niet optreden van de XII-3587-8/10 toezichthoudende overheid de onwettelijke uitvoering van deze beslissingen, namelijk de onwettelijke uitgave, wordt weggenomen”. De onduidelijkheid die verzoekster deze zinsnede verwijt, wordt hierdoor veroorzaakt dat het bijwoord van ontkenning “niet” is weggevallen tussen “uitgave,” en “wordt weggenomen”. Het gaat klaarblijkelijk om een materiële vergissing (zie de nota van 24 april 2002 van de administratie aan de Vlaamse minister; stuk 5 van het adm. doss.). Zij is niet van aard de wettigheid van het ministerieel besluit in het gedrang te brengen.
  18. Uit wat voorafgaat volgt dat het besproken “Derde middel, gedeeltelijk samengelezen met het tweede middel” niet gegrond is en niet de oplossing van het geschil mogelijk maakt. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  19. De debatten worden heropend. Artikel
  20. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek. XII-3587-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juni 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3587-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.350 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.780 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.