← België

Arrest 184352 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.352 Rolnummer: A. 96444/XII-2799 Zaak: Arrest 184352 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:15 Fiche Arrest nr 184.352 van 19 juni 2008 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.352 van 19 juni 2008 in de zaak A. 96.444/XII-

  1. In zake : Jacques VAN WALLE, die woonplaats kiest bij advocaat F. Carron, kantoor houdende te Tielt, Nieuwstraat 6 tegen : de STAD GENT. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jacques Van Walle op 13 oktober 2000 heeft ingediend waarin hij “om nietigverklaring [verzoekt] wegens overtreding van de substantiële, hetzij van op straffe van nietigheid voorgeschreven voren, houdende het veroorzaken en in stand houden van tegenstrijdige beslissingen in verband met de gelijkluidende functiebeschrijving van graden van verschillend niveau, voor het uitoefenen van hetzelfde werk, anomalie ontstaan op het ogenblik dat de geslaagden voor het bevorderingsexamen van controleur in hun functie zijn benoemd, en het niet respecteren van de voorgeschreven termijn van aankondiging van een examendeel”. Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 28 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 21 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2008; XII-2799-1/10 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Carron, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. Van Fraechem, die loco advocaat P. Devers verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : 1.
  2. Verzoeker is vast benoemd als adjunct-controleur, een uitdovende graad van het niveau C, bij de stad Gent. 1.
  3. Op 2 december 1999 keurt het college van burgemeester en schepenen een voorstel van een ambtelijke coördinatiecommissie goed om voor de titularissen van de uitdovende graad van adjunct-controleur C1 C2 C3, die geen houder zijn van een HOKT-diploma dat vereist wordt voor de nieuwe graad van controleur (niveau B), een examen voor toegang tot die graad (van controleur) in te richten waarbij eenmalig de genoemde diplomavereiste niet gesteld zou worden. 1.
  4. Op 20 december 1999 keurt ook de gemeenteraad dit voorstel goed. Op diezelfde dag keurt de gemeenteraad ook het examenprogramma en de functiebeschrijving -zijnde de door de gemeenteraad op 22 juni 1998 goedgekeurde functiebeschrijving voor de graad van controleur- goed. 1.
  5. Bij circulaire PI 582 van 26 januari 2000 verschijnt een oproep tot de kandidaten voor genoemd examen. Zowel de functie-inhoud als het functieprofiel voor het te begeven ambt worden in extenso opgegeven. Verzoeker kandideert op 8 februari
  6. 1.
  7. In de psychotechnische test wordt verzoeker door een extern bureau, blijkens een proces-verbaal van 13 juni 2000, “geschikt” bevonden. XII-2799-2/10 Voor het mondeling examendeel wordt verzoeker blijkens een proces-verbaal van 28 juni 2000 van hetzelfde bureau niet geslaagd verklaard. Van beide beoordelingen neemt het college van burgemeester en schepenen akte op respectievelijk 13 juni 2000 en 17 augustus
  8. Bij schrijven van 17 augustus 2000 wordt aan verzoeker medegedeeld : “Geachte heer Van Walle Onlangs nam u deel aan de mondelinge proef van bovengenoemd examen. De firma De Witte en Morel deelde ons mee dat u niet slaagde voor dit deel. U behaalde 44/100 Om te slagen is 50% van de punten vereist. Wij kunnen uw kandidatuur voor dit examen daarom niet verder in aanmerking nemen. Hoogachtend”. 1.
  9. Op 17 augustus 2000 neemt het college eveneens akte van de rangorde van de geslaagde kandidaten en stelt het dienovereenkomstig de wervingsreserve vast.
  10. Verzoeker zet over de grond van de zaak in het inleidend verzoekschrift uiteen wat volgt : “2.
  11. De functiebeschrijving moet op het niveau van de betrekking worden vastgesteld Nog voor de inrichting van het bevorderingsexamen wordt het bestuur door enkele kandidaat controleurs attent gemaakt op de anomalie die ontstaat wanneer niet iedereen slaagt voor het examen, ten gevolge van de gelijke functiebeschrijving (bijlagen 2 en 10). Het bestuur houdt vol dat verschillende functiebeschrijvingen op te maken niet opportuun is omdat hetzelfde werk wordt gedaan (bijlagen 6 en 12), ondanks het feit dat de Gouverneur van Oost-Vlaanderen het stadsbestuur op de tekortkomingen heeft gewezen. De brief gericht aan de personeelsleden die de bezwaren geuit hebben bij de gouverneur, is nooit bij hen terecht gekomen via de administratieve weg, doch ingevolge navraag veel later via fax (bijlage 9). 2.
  12. Andere benadering voor andere personeelsleden Het stadsbestuur hanteert twee standaarden, aangezien het voor andere personeelsleden in een gelijkaardige situatie, zij het op een ander niveau en met een groter aantal, dus meer gewicht, wel een bevordering mogelijk is. Daarbij wordt een reden aangehaald die lijnrecht staat tegenover de verklaringen in verband met het bevorderingsexamen van controleur (bijlagen 20 en 21). 2.
  13. De minimum termijn voor aankondiging van het tweede deel werd niet gerespecteerd. De aankondiging is gedateerd op vrijdag 9 juni 2000, maandag 12 juni was een feestdag (2de pinksteren), de datum van het examen was maandag 26 juni 2000 en kon bijgevolg onmogelijk binnen de wettelijk gestelde minimumtermijn van XII-2799-3/10 14 dagen toekomen, zoals gesteld in artikel 8 van het examenreglement (bijlage 15)”. 3.
  14. Verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat zij er van uit moet gaan “dat het annulatieberoep niet gericht is tegen de aktename door het College van Burgemeester en Schepenen [van] 17 augustus 2000 van de uitslag van het vergelijkend examen voor controleur (niveau B) ergo het niet geslaagd zijn van de verzoeker in dat examen”, “maar wel tegen een rechtssituatie die het gevolg is van, zo wordt door de verzoeker aangegeven, menigvuldige beslissingen, door de verzoeker aangemerkt als tegenstrijdig en verband houdende met gelijkluidende functiebeschrijvingen voor de graden van adjunct-controleur (uitdovende graad van niveau C) en controleur (niveau B)”. Volgens verwerende partij is het beroep “zo gezien” onontvankelijk, want laattijdig. Vervolgens betwist of moduleert verwerende partij de ontvankelijkheid van de drie aangevoerde middelen. Nopens de eerste hiervoor sub
  15. overgeschreven grief “de functiebeschrijving moet op het niveau van de betrekking worden vastgesteld”, werpt verwerende partij op dat verzoeker er niet toe komt voldoende en duidelijk te omschrijven welke de beweerd overtreden rechtsregel of rechtsbeginsel is en tevens te verduidelijken op welke wijze die regel of dat beginsel volgens hem is geschonden zodat het middel niet ontvankelijk is. Het tweede middel is volgens verwerende partij “in hetzelfde bedje ziek” omdat verzoeker -aangenomen dat een schending van het gelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd- niet verduidelijkt welke precieze categorieën van stadsambtenaren ongelijk worden behandeld. Het derde middel is volgens verwerende partij niet ontvankelijk omdat het annulatieberoep niet gericht is tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 17 augustus 2000 over verzoekers niet geslaagd zijn. Mocht de Raad die beslissing evenwel toch als voorwerp van het beroep aanvaarden, zo betoogt verwerende partij, dan heeft verzoeker geen actueel belang bij het middel omdat verzoeker heeft nagelaten het besluit aan te vechten houdende de samenstelling van en rangschikking in de wervingsreserve, noch de bevorderingen van alle in die reserve voorkomende kandidaten tot controleur. De geldigheidsduur van de wervingsreserve is ondertussen verstreken. Verzoeker heeft XII-2799-4/10 aldus volgens verwerende partij hangende het beroep zijn belang verloren, omdat hij niet meer kan worden opgenomen in een verlopen wervingsreserve. 3.
  16. Verzoeker gaat op het probleem van de ontvankelijkheid -van het beroep of van de afzonderlijke middelen- in de memorie van wederantwoord enkel in door te betogen dat de “anomalie ten gevolge van de gelijke functiebeschrijving” pas ontstaan is toen het college van burgemeester en schepenen akte nam van de uitslag van het examen. In de laatste memorie voegt verzoeker daar nog aan toe dat hij “overduidelijk” beroep indient “tegen de beslissingen dd. 17.08.2000 en alle voorgaande noodzakelijk en aan de basis liggende van die beslissing, inclusief o.a. de gemeenteraadsbeslissingen dd. 22.06.1998 en dd. 2 en 20.12.1998, de circulaire PI582 dd. 26.01.2000 en het schrijven dd. 09.06.2000”. 3.
  17. Het eerste wat vastgesteld kan worden is dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift allerminst “overduidelijk” is geweest wat het aanwijzen betreft van het voorwerp van zijn beroep. Het volstaat te verwijzen naar het hiervoor gegeven citaat uit het inleidend verzoekschrift. In het beschikkend gedeelte van zijn verzoekschrift vraagt hij dan weer “de bestreden akte” -enkelvoud- te vernietigen. De Raad zal hierna dan ook moeten nagaan of het voorwerp van het beroep bepaalbaar is aan de hand van de sub 2 overgeschreven grieven die in het verzoekschrift zijn aangevoerd. Tegelijk dient hij de ontvankelijkheidsbezwaren van verwerende partij te onderzoeken.
  18. Artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift onder meer een uiteenzetting van de feiten en de middelen dient te bevatten. Volgens vaste rechtspraak, die verwerende partij parafraseert, moet onder “middel” worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsnorm en van de wijze waarop die norm door de bestreden beslissing wordt geschonden. XII-2799-5/10 5.
  19. Verzoeker heeft, met de ambitie controleur te worden, een daartoe speciaal voor de adjunct-controleurs uitgeschreven examen afgelegd. Verzoeker voelt zich luidens het eerste middel thans gegriefd door “de anomalie die ontstaat wanneer niet iedereen slaagt voor het examen, ten gevolge van de gelijke functiebeschrijving”, anomalie waarvan hij later preciseert dat ze -volgens hem- slechts ontstaan is wanneer vaststond dat hij niet geslaagd is verklaard. Verzoeker is inderdaad niet geslaagd voor het examen en blijft dus bekleed met de uitdovende graad van adjunct-controleur, zodat die grief begrepen moet worden als volgt : als adjunct-controleur moet ik mij aan dezelfde functiebeschrijving houden als collega’s die controleur zijn, wat een graad is van een ander niveau. 5.
  20. De Raad van State stelt mét verwerende partij vast, dat in het middel noch uitdrukkelijk een geschonden rechtsregel is genoemd, noch concreet is uiteengezet waarom die “anomalie” van gelijke functiebeschrijvingen van controleur en adjunct-controleur in het licht van het toepasselijke recht een onwettigheid uitmaakt. Uit de door verzoeker gebezigde bewoordingen en rekening houdende met de sub 5.
  21. gemaakte vaststellingen, mag evenwel worden aangenomen dat verzoeker een schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert omdat twee volgens hem ongelijke situaties op een gelijke wijze worden behandeld bij de vaststelling van de functiebeschrijvingen van controleur en adjunct- controleur. Dat verzoeker zich aan dezelfde functiebeschrijving te houden heeft, is het gevolg van de beslissing die de verwerende partij eerder, meer dan zestig dagen voor het indienen van het beroep, heeft genomen om voor de adjunct-controleurs dezelfde functiebeschrijving aan te nemen als die welke zij had opgesteld voor de controleurs. Aldus richt verzoeker deze grief laattijdig tegen een beslissing die los staat van de examenprocedure en die, anders dan verzoeker het meent, niet als een onderdeel van een complexe rechtshandeling kan worden beschouwd of die pas zou zijn “ontstaan” door zijn niet-slagen op het examen. De vaststelling door het gemeentebestuur van, eensdeels, de functiebeschrijving die van toepassing is op de controleurs en, anderdeels, de functiebeschrijving die van toepassing is op de adjunct-controleurs is immers, zoals verzoeker het overigens zélf schrijft, een “organieke of reglementaire bepaling”. XII-2799-6/10 5.
  22. Het middel zou eventueel ook zo begrepen kunnen worden dat verzoeker tegen zijn niet geslaagd verklaard zijn vraagt de wegens schending van het gelijkheidsbeginsel eventueel onwettig bevonden functiebeschrijving van adjunct-controleur niet toe te passen, zulks op grond van artikel 159 van de Grondwet. Daargelaten nog dat verzoeker laatstgenoemde grondwetsbepaling niet vermeldt en hij zijn middel ook zeker niet ondubbelzinnig zo formuleert, dient in dat geval te worden vastgesteld dat zijn grief hoe dan ook niet relevant is. De eerste grief vertrekt immers van de premisse dat verzoeker niet geslaagd is en trekt dat niet geslaagd zijn niet in twijfel. De grief moet en kan niet worden betrokken op dit examen. Er kan ook niet worden ingezien waarom een eventueel onwettige functiebeschrijving voor adjunct-controleurs de uitslag van een examen voor controleur onwettig kan maken. Het eerste middel is niet ontvankelijk.
  23. Ook de tweede grief is niet ontvankelijk. Aangenomen mag worden dat andermaal een schending van het gelijkheidsbeginsel aan de orde wordt gebracht. Daargelaten de vraag op welke rechtshandeling dit middel betrokken moet worden, stelt de Raad vast dat verzoeker heeft mogen deelnemen aan een examen, zodat voor hem alleszins “wel een bevordering mogelijk [was]”. Verzoeker laat voorts na te preciseren om welke “andere personeelsleden” het gaat en hij doet met de toegeving dat het personeelsleden betreft “op een ander niveau”, zelf twijfel rijzen over de vergelijkbaarheid van de beweerd “gelijkaardige situatie”. De stukken waarnaar verzoeker verwijst als bijlagen 20 en 21 zijn artikelen uit een krant. De losse bewering van verzoeker dat het stadsbestuur “twee standaarden” hanteert vormt aldus geen ontvankelijk onderbouwd en uitgewerkt middel. 7.
  24. Het derde middel dient naar zijn bewoordingen volgens het auditoraatsverslag te worden betrokken op de mededeling door het college dat verzoeker niet slaagde op het examen. Verzoeker betwist deze interpretatie van het verzoekschrift niet en hij spreekt niet tegen dat hij noch de samenstelling van de wervingsreserve heeft aangevochten, noch de benoemingen tot controleur op grond van die reserve. Hij erkent ook dat de wervingsreserve een geldigheidsduur heeft van drie jaar die met maximum twee jaar kan worden verlengd. Op dit ogenblik is de wervingsreserve dan ook verstreken, zelfs indien tot die verlenging zou zijn besloten. XII-2799-7/10 In het middel voert verzoeker tegen zijn niet geslaagd verklaren aan dat hem te weinig tijd is gegeven om zich op het examen voor te bereiden. 7.
  25. De Raad stelt vast dat verzoeker enkel de vernietiging gevorderd heeft van zijn eigen examenuitslag en niet van de uitslag van de geslaagde kandidaten, van de wervingsreserve of van de benoeming van de laureaten, hoewel die beslissingen het eindpunt vormen van de benoemingsprocedure waarvan hij uitgesloten is geworden. Verzoeker voert met het derde middel ook geen grief aan die de Raad van State er toe kan brengen het examen in zijn geheel te vernietigen. Gezien het feit dat de geldigheidsduur van de werfreserve heden verstreken is, wordt niet ingezien welk voordeel verzoeker nog kan putten uit de gevraagde nietigverklaring die voor hem niet meer tot opname in die wervingsreserve en dienvolgens tot enige bevordering kan leiden. Het initieel belang van verzoeker bij dit middel is dan ook verloren gegaan. Verzoeker oppert nog dat hij op grond van een vernietigingsarrest een eis tot schadeloosstelling kan indienen en dat hij een blijvend moreel belang heeft. Hij alludeert daarmee evenwel niet op een voordeel dat rechtstreeks verband houdt met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer, maar op de morele genoegdoening bij het horen gegrond verklaren van een middel en de vaststelling van de fout van het bestuur. Dit vormt een onrechtstreeks belang dat niet volstaat om alsnog het belang van verzoeker te schragen. De exceptie is gegrond. Het middel is onontvankelijk.
  26. In de laatste memorie voert verzoeker een vierde middel aan waarin hij, voor het eerst, de formele en de materiële motiveringsplicht en de rechten van verdediging geschonden noemt omdat het hem “een volstrekt raadsel” is waarom hij slechts 44% behaalde op het tweede examengedeelte. Verzoeker had deze grief reeds in het inleidend verzoekschrift kunnen, en dus moeten, aanbrengen. In de laatste memorie is dit te laat, zodat ook dit vierde middel niet ontvankelijk is. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : XII-2799-8/10 Artikel
  27. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  28. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-2799-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien juni 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2799-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.352 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.