← België

Arrest 184410 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.410 Rolnummer: Zaak: Arrest 184410 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-05 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:15 Fiche Arrest nr 184.410 van 23 juni 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.410 van 23 juni 2008 in de zaak A. 153.806/IX-4596 A. 158.782/IX-

  1. In zake : Dirk MAHIEU, wonende te BRUGGE, Jan Moritoenstraat 2/3 tegen : de POST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dirk MAHIEU op 15 juli 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 24 maart 2004 van de Employee & Union Relations Director waarbij hem voor het evaluatiejaar 2002 de evaluatie “B” geweigerd wordt (zaak A.153.806/IX-4596); Gezien het verzoekschrift dat Dirk MAHIEU op 27 december 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
  2. het voorstel van 17 mei 2004 van zijn onmiddellijke hiërarchische meerdere om hem af te danken wegens beroepsongeschiktheid;
  3. het advies van 29 september 2004 van de commissie van beroep om hem af te danken wegens beroepsongeschiktheid;
  4. de beslissing van 20 oktober 2004 van de Employee & Union Relations Director waarbij hij met ingang van de eerste van de maand volgend op de ondertekening van die beslissing afgedankt wordt wegens beroepsongeschiktheid en waarbij hem een ontslagvergoeding toegekend wordt gelijk aan twee derden van zijn jongste activiteitsjaarwedde (zaak A.158.782/IX-4748); Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 26 maart 2008 door de verzoekende partij in de zaken A. 153.806/IX-4596 en A. 158.782/IX-4748; IX-4596-1/14 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de “memorie van wederantwoord” in de zaak A. 158.782/IX-4748; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. NEUTS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories in de zaak A. 158.782/IX-4748; Gezien de laatste memorie van de verzoeker en het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging in de zaak A. 153.806/IX-4596; Gelet op de beschikkingen van 21 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VAN OLMEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de samenvoeging.
  5. Luidens het auditoraatsverslag is er reden tot samenvoeging van de zaken A.153.806/IX-4596 en A.158.782/IX-4748, vermits de vaststellingen en de hieraan verbonden gevolgtrekkingen in de zaak A.158.782/IX-4748 een onmiskenbare weerslag hebben op de zaak A.153.806/IX-
  6. IX-4596-2/14
  7. In zijn laatste memorie in beide zaken verzet verzoeker zich tegen die samenvoeging. Hij stelt dat samenvoeging enkel bevolen kan worden indien een goede rechtsbedeling zich hier niet tegen verzet, dat principieel, in het belang van een goede rechtsbedeling, van de overzichtelijkheid en van de vlotte afwikkeling van de zaak, elke vordering afzonderlijk moet worden behandeld en dat van die regel slechts kan worden afgeweken wanneer de wezenlijke elementen van de verschillende vorderingen een zodanige samenhang vertonen dat de goede rechtsbedeling ertoe noopt die vorderingen als één zaak te behandelen en er met één arrest uitspraak over te doen. Hij betoogt dat de afzonderlijke behandeling van de zaak A.153.806/IX-4596 van primordiaal belang is, vermits de vernietiging van de beslissing van 24 maart 2004 van de Employee & Union Relations Director, die strijdig is met het unanieme advies van 4 februari 2004 van de commissie van beroep om hem de evaluatie “B” toe te kennen, ertoe zou leiden dat het afdankings- voorstel van 17 mei 2004 voorbarig zou zijn en niet rechtsgeldig bij gebrek aan drie opeenvolgende jaren van een evaluatie “C”.
  8. Het beroep in de zaak A.153.806/IX-4596 is gericht tegen de weigering om verzoeker voor het evaluatiejaar 2002 de evaluatie “B” toe te kennen. Het beroep in de zaak A.158.782/IX-4748 is gericht tegen het voorstel, het advies en de eindbeslissing om verzoeker af te danken wegens beroepsongeschiktheid als gevolg van drie opeenvolgende evaluaties “C”, daarin begrepen de evaluatie “C” voor het evaluatiejaar
  9. Zoals gesteld in het auditoraatsverslag en zoals hierna zal blijken, hebben de vaststellingen en de hiermee verbonden gevolgtrekkingen in de zaak A.158.782/IX-4748 een onmiskenbare weerslag op de zaak A.153.806/IX-
  10. Met het oog op een goede rechtsbedeling worden de twee zaken samengevoegd. Over de rechtspleging.
  11. In de zaak A.158.782/IX-4748 heeft verzoeker op 8 juni 2005 een tweede memorie van wederantwoord ingediend. Vermits de termijn van zestig dagen om een memorie van wederantwoord in te dienen in die zaak een aanvang nam op 8 april 2005 en verstreek op 7 juni 2005, is die tweede memorie van wederantwoord laattijdig en dient zij uit de debatten te worden geweerd. IX-4596-3/14 Over de gegevens van de zaak 5.
  12. Verzoeker is inspecteur bij het postkantoor Roeselare I. 5.
  13. Voor de evaluatiejaren 2000 en 2001 wordt hem telkenmale de evaluatie “C” toegekend. Verzoeker bestrijdt beide evaluaties voor de Raad van State in de zaak A.133.771/IX-
  14. Bij arrest nr.153.757 van 16 januari 2006 wordt het beroep verworpen. 5.
  15. Met een brief van 17 januari 2003 wordt verzoeker uitgenodigd door de postmeester voor een evaluatiegesprek op 22 januari 2003 met betrekking tot het evaluatiejaar
  16. Verzoeker, die van deze uitnodiging pas kennis neemt op 24 januari 2003, biedt zich niet aan voor dit gesprek op 22 januari 2003 en neemt ook nadien geen contact op met de postmeester. 5.
  17. Op 28 januari 2003 beslist de Regional Manager Mail verzoeker de evaluatie “C” toe te kennen voor het evaluatiejaar
  18. 5.
  19. Op 1 april 2003 stelt verzoeker beroep in tegen die beslissing bij de commissie van beroep. 5.
  20. Na verzoeker te hebben gehoord, beslist de commissie van beroep op 10 december 2003 dat zij niet over alle nuttige gegevens beschikt om reeds een advies te kunnen verstrekken en stelt zij vast dat er belangrijke stukken in het dossier ontbreken. Overeenkomstig het reglement worden die stukken opgevraagd. 5.
  21. Op 4 februari 2004 adviseert de commissie van beroep unaniem aan verzoeker de evaluatie “B” toe te kennen. Zij stelt dat alle door haar opgevraag- de stukken “niet werden toegezonden of niet meer konden worden overgemaakt” en voorts is zij «van oordeel dat betrokkene voor zijn slecht functioneren in het kantoor andermaal, en dit voor de derde opeenvolgende maal, in feite een evaluatie “C” verdient maar dat men gelet [op] de vele procedurefouten in dit dossier -geen IX-4596-4/14 onderhoud, ontbreken van stukken - adviseert om hem, en enkel om die reden, een evaluatie “B” toe te kennen». 5.
  22. Op 24 maart 2004 beslist de Employee & Union Relations Director om af te wijken van dit advies en de evaluatie “C” te behouden. Deze weigering om voor het evaluatiejaar 2002 de beoordeling “B” toe te kennen, vormt de bestreden beslissing in de zaak A.153.806/IX-
  23. 5.
  24. Op 17 mei 2004 stelt zijn onmiddellijke chef voor om verzoeker af te danken wegens beroepsongeschiktheid naar aanleiding van drie opeenvolgende evaluaties “C”, met name voor de evaluatiejaren 2000, 2001 en
  25. Dit is de eerste bestreden beslissing in de zaak A.158.782/IX-
  26. 5.
  27. Verzoeker tekent beroep aan tegen dit voorstel bij de commissie van beroep. 5.
  28. Op 29 september 2004 verklaart de commissie van beroep zich unaniem akkoord met het voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid. Dit is de tweede bestreden beslissing in de zaak A.158.782/IX-
  29. 5.
  30. Op 20 oktober 2004 beslist de Employee & Union Relations Director om verzoeker met ingang van de eerste van de maand volgend op de ondertekening van die beslissing af te danken wegens beroepsongeschiktheid en om hem een ontslagvergoeding toe te kennen gelijk aan twee derden van zijn jongste activiteitsjaarwedde. Dit is de derde bestreden beslissing in de zaak A.158.782/IX-
  31. Onderaan die beslissing staat volgende vermelding: “Per ter post aangetekend schrijven kan een beroep voor de afdeling administratie van de Raad van State worden gebracht. Elke partij welke doet IX-4596-5/14 blijken van een benadeling of van een belang kan, binnen de termijn van 60 dagen vanaf de betekening van de beslissing, het beroep indienen.” Een voor eensluidend verklaard afschrift van die beslissing wordt aan verzoeker betekend op 22 oktober
  32. Over de ontvankelijkheid van de beroepen.
  33. In haar memorie van antwoord in de zaak A.158.782/IX-4748 werpt de verwerende partij op dat het beroep tegen de eerste en de tweede bestreden beslissing in die zaak onontvankelijk is, vermits het voorstel van 17 mei 2004 van zijn onmiddellijke chef tot afdanking van verzoeker wegens beroepsongeschiktheid slechts een voorbereidende handeling is die zijn rechtspositie niet wijzigt en vermits het advies van de commissie van beroep van 29 september 2004 om verzoeker af te danken wegens beroepsongeschiktheid een niet-bindend advies is.
  34. In zijn memorie van wederantwoord in de zaak A.158.782/IX-4748 antwoordt verzoeker hierop dat zijn beroepschrift van 24 mei 2004 tegen het afdankingsvoorstel, waarvan zijn onmiddellijke chef op 25 mei 2004 de ontvangst bevestigd heeft, zich niet in het administratief dossier bevindt, evenmin als het advies van zijn onmiddellijke chef en van de sectieverantwoordelijke inzake dit bezwaar. Verzoeker verwijst naar de valsheidsvordering overeenkomstig artikel 29 van het wetboek van Strafvordering die hij in voormeld beroepschrift en voor de commissie van beroep aangevoerd heeft naar aanleiding van flagrante valsheid in hoofde van zijn evaluatoren met betrekking tot de evaluatiejaren 2000 tot 2004, welk bedrog zou blijken uit een e-mail van 4 februari 2003 in het dossier waarover de commissie van beroep beschikte maar die zich niet in het administratief dossier bevindt. Voorts betoogt hij dat het voorstel tot afdanking als intentieverklaring en het advies van de commissie van beroep als principiële beslissing maatregelen van inwendig bestuur en orde zijn die in werkelijkheid een uitvoerbare beslissing “maskeren” en die in principe kunnen worden aangevochten voor de Raad van State wanneer zij een ernstig nadeel berokkenen, een verkapte tuchtstraf zijn of de rechtspositie van de betrokkene wijzigen.
  35. In zijn laatste memorie in de zaak A.158.782/IX-4748 stelt verzoeker dat het advies van de commissie van beroep in het kader van een georganiseerde beroepsprocedure overeenkomstig artikel 135 van het Administratief Statuut van de Postambtenaren meer is dan een louter voorbereidende handeling, IX-4596-6/14 vermits dit advies hem definitieve schade berokkend heeft, aangezien het afbreuk doet aan de vorige unanieme adviezen van die commissie waarbij telkenmale de evaluatie “B” werd voorgesteld, met name het advies van 2 oktober 2002 en van 4 februari 2004, vermits hij van de bestreden beslissing in de zaak A.153.806/IX-4596 slechts de eerste bladzijde heeft ontvangen en vermits de terugzetting in graad zelfs niet aan de orde was. Hij is van oordeel dat het annulatieberoep op die wijze dient te worden geïnterpreteerd dat het eveneens strekt tot vernietiging van het onderliggende advies van de commissie van beroep.
  36. Artikel 134, § 2, van het Administratief Statuut van de Post- ambtenaren luidt als volgt : “De ambtenaar aan wie twee opeenvolgende jaren een evaluatie “D” wordt toegekend, wordt door de onmiddellijke chef voorgesteld voor afdanking wegens beroepsongeschiktheid. De ambtenaar die, onverminderd de bepalingen van het eerste lid, gedurende drie opeenvolgende jaren de evaluatie “D” of “C” bekomt, wordt door de onmiddellijke chef voorgesteld voor afdanking wegens beroepsong- eschiktheid. Nochtans de ambtenaar die gedurende drie opeenvolgende jaren de evaluatie “C” bekomt wordt door de onmiddellijke chef voor afdanking wegens beroeps-ongeschiktheid of terugzetting in graad voorgesteld.” Artikel 135 van dit statuut luidt als volgt : “De ambtenaar beschikt over een termijn van tien kalenderdagen om een beroep in te stellen en hij moet daartoe een gemotiveerd verzoekschrift aan zijn onmiddellijke chef richten. De onmiddellijke chef meldt hem daar ontvangst van en hij stuurt het verzoekschrift, samen met zijn eventuele opmerkingen binnen de tien kalenderdagen naar de commissie van beroep. Deze commissie verstrekt haar advies binnen de drie maanden.” Artikel 136 van dit statuut luidt als volgt : “De Raad van Bestuur of zijn afgevaardigde, voor de ambtenaren van de rangen 17, 16 en 15 en de Gedelegeerd Bestuurder of zijn afgevaardigde voor de ambtenaren van de overige rangen beslissen over de terugzetting in graad van de ambtenaar of over zijn afdanking wegens beroepsongeschiktheid.”
  37. Uit deze bepalingen blijkt dat een georganiseerd administratief beroep voorzien is tegen een voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid. Verzoeker heeft dit beroep uitgeput. IX-4596-7/14 IX-4596-8/14 Wanneer een georganiseerd administratief beroep is ingesteld, kan geenszins de nietigverklaring worden gevorderd van eerdere beslissingen, laat staan van eerdere voorstellen. In dergelijke gevallen kan nog alleen op ontvankelijke wijze worden opgekomen tegen de beslissing die over dat beroep is genomen. Te dezen is na het beroep van verzoeker een eindbeslissing genomen door de Employee & Union Relations Director op 20 oktober
  38. Bijgevolg is het beroep gericht tegen de eerste bestreden beslissing in de zaak A.158.782/IX-4748 onontvankelijk.
  39. Het niet-bindend advies van de commissie van beroep is een louter voorbereidende handeling. Als dusdanig is dit advies geen voor beroep vatbare bestuurshandeling. Ook het beroep gericht tegen de tweede bestreden beslissing in de zaak A.158.782/IX-4748 is onontvankelijk.
  40. In zijn verzoekschrift in de zaak A.158.782/IX-4748 stelt verzoeker met betrekking tot de tijdigheid van het beroep gericht tegen de derde bestreden beslissing, dat de mondelinge kennisgeving van die beslissing na niet- medegedeeld advies van de commissie van beroep niet rechtsgeldig genotificeerd werd, vermits besluiten waarbij iemands rechtstoestand op fundamentele wijze wordt gewijzigd aan de betrokkene persoonlijk moeten worden aangezegd, ook al schrijft geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling dit voor. Bijgevolg heeft de verjaringstermijn bij gebrek aan rechtsgeldige betekening volgens hem nog geen aanvang genomen overeenkomstig artikel 2, 4/, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Voorts benadrukt hij dat het beroep bij de commissie van beroep suspensief is en een stuitende werking heeft tot aan de mededeling aan de betrokkene van het gevolg van zijn beroep.
  41. In haar memorie van antwoord in de zaak 158.782/IX-4748 betwist de verwerende partij dat de derde bestreden beslissing in die zaak niet op rechtsgeldige wijze aan verzoeker ter kennis gebracht zou zijn, aangezien die beslissing hem persoonlijk overhandigd werd en hij op 22 oktober 2004 uitdrukke- lijk verklaard heeft een eensluidend afschrift van de beslissing van 20 oktober 2004 ontvangen te hebben, waarbij de verwerende partij beklemtoont dat de kennisgeving IX-4596-9/14 niet onderworpen is aan bepaalde vormvereisten, behoudens andersluidende bepalingen. Zij is van oordeel dat ook voldaan is aan de vereiste gesteld door artikel 19 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en gesteld door artikel 2, 4/, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaar- heid van bestuur, om bij de betekening van een akte met individuele strekking melding te maken van de beroepsmogelijkheden, vermits onderaan de beslissing van 20 oktober 2004 en voorafgegaan door de woorden “belangrijk” uitdrukkelijk wordt vermeld dat per ter post aangetekend schrijven beroep kan worden ingesteld bij de afdeling administratie van de Raad van State. Zij stelt dat het annulatieberoep tegen voormelde beslissing bijgevolg laattijdig is, aangezien de beroepstermijn van zestig dagen wel degelijk een aanvang nam op 22 oktober 2004 en dus verstreek op 21 december 2004, terwijl het verzoekschrift in de zaak A.158.782/IX-4748 ingediend is op 27 december
  42. In zijn memorie van wederantwoord in de zaak 158.782/IX-4748 stelt verzoeker dat hij overeenkomstig artikel 135 van het Administratief Statuut van de Postambtenaren beroep heeft aangetekend tegen het voorstel tot afdanking, dat dit een georganiseerd beroep betreft dat opschortend is naar analogie met artikel 37 van dit statuut, dat de zaak op de rol geplaatst werd van de zitting van 29 september 2004 van de commissie van beroep, dat op die zitting zijn raadsman een duidelijke “apologie” heeft neergelegd en dat noch hijzelf noch zijn raadsman een afschrift hebben ontvangen van de navolgende beslissing, maar dat hem pas na schriftelijke sommatie van 23 oktober 2004 een kopie van het advies van de beroepscommissie toegezonden is bij schrijven van 28 oktober
  43. Vermits een georganiseerd beroep eerst dient te worden uitgeput vooraleer een annulatieberoep kan worden ingesteld, betoogt verzoeker dat de beroepstermijn gestuit werd door het georganiseerd beroep en dat die stuiting geacht wordt voort te duren tot aan de mededeling van het gevolg dat aan dit beroep werd gegeven.
  44. In zijn laatste memorie in beide zaken stelt verzoeker ter zake in essentie dat de termijn van zestig dagen om een annulatieberoep in te stellen tegen de derde bestreden beslissing in de zaak A.158.782/IX-4748 door het georganiseerd administratief beroep bij de commissie van beroep gestuit werd tot op het ogenblik dat hij in kennis gesteld werd van het advies van die commissie en dat die kennisgeving met name plaats vond met een brief van 28 oktober 2004, waardoor die beroepstermijn slechts een aanvang zou hebben genomen op 29 oktober 2004 IX-4596-10/14 met als gevolg dat voormeld annulatieberoep, dat ingesteld werd op 27 december 2004, wel degelijk ontvankelijk zou zijn ratione temporis.
  45. Luidens artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State verjaren de annulatieberoepen zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt, noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop verzoeker er kennis heeft van gehad. Te dezen wordt niet betwist dat verzoeker van de derde bestreden beslissing in de zaak 158.782/IX-4748 in kennis moest worden gesteld bij betekening. Deze betekening heeft plaatsgevonden op 22 oktober
  46. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op die datum uitdrukkelijk verklaart een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing van 20 oktober 2004 houdende zijn afdanking wegens beroepsongeschiktheid te hebben ontvangen. Vermits deze beslissing zelf de beroepsmogelijkheid vermeldt, de instantie waarbij beroep kan worden ingesteld, de vormvoorschriften en de beroepstermijn, is de verwerende partij op afdoende wijze tegemoet gekomen aan de bepalingen van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, alsmede van artikel 2, 4/, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en is de betekening op correcte wijze gebeurd.
  47. Verzoeker betwist echter de rechtsgeldigheid van voormelde betekening, doordat op dat ogenblik het advies van de commissie van beroep hem nog niet betekend was, waardoor de termijn van zestig dagen om een annulatiebe- roep in te stellen op die datum geen aanvang zou hebben genomen. Deze zienswijze van verzoeker kan niet worden bijgevallen. Uit de hiervóór geciteerde artikelen 134, § 2, 135 en 136 van het Administratief Statuut van de Postambtenaren blijkt dat in het kader van het georganiseerd administratief beroep tegen het voorstel tot afdanking wegens beroepsongeschiktheid niet de commissie van beroep, maar wel de Raad van Bestuur, de Gedelegeerd Bestuurder of hun afgevaardigden de eindbeslissing nemen. De commissie van beroep heeft slechts een adviesbevoegdheid. Dit advies is een louter voorbereidende handeling. Voorbereidende handelingen moeten niet mee ter kennis worden gebracht aan de betrokkene opdat er sprake zou kunnen zijn van een rechtsgeldige betekening. IX-4596-11/14 Aangezien het georganiseerd administratief beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen het voorstel van 17 mei 2004 om hem af te danken wegens beroepsonge- schiktheid finaal heeft geleid tot de beslissing van 20 oktober 2004 van de Employee & Union Relations Director, kon de verwerende partij volstaan met de betekening van deze eindbeslissing.
  48. Uit het voorgaande volgt dat de betekening aan verzoeker op 22 oktober 2004 van een voor eensluidend verklaard afschrift van de derde bestreden beslissing in de zaak A.158.782/IX-4748 de termijn van zestig dagen om die beslissing aan te vechten voor de Raad van State heeft doen ingaan. Dit betekent dat die termijn een aanvang heeft genomen op 23 oktober 2004 en is verstreken op 21 december
  49. Aldus heeft verzoeker voormelde beslissing laattijdig aan- gevochten door zijn verzoekschrift pas in te dienen op 27 december
  50. Het beroep gericht tegen de derde bestreden beslissing in de zaak A.158.782/IX-4748 is onontvankelijk.
  51. In zijn verzoekschrift in de zaak A.153.806/IX-4596 stelt verzoeker dat hij een persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij die zaak, aangezien de opeenvolgende toekenning van de evaluatie “C” verstrekkende gevolgen heeft voor hem op moreel en materieel vlak, en op professioneel vlak. In zijn laatste memorie in die zaak bevestigt hij dit belang, zelfs wanneer het beroep in de zaak A.158.782/IX-4748 onontvankelijk zou zijn, vermits de eventuele doorbreking van de opeenvolging van ongunstige evaluaties tot de vaststelling zal leiden dat het overhaaste voorstel om hem af te danken wegens beroepsongeschiktheid voorbarig en ondoordacht is. Bijgevolg acht hij het beroep in de zaak A.153.806/IX-4596 ontvankelijk.
  52. Wat zijn materieel belang betreft bij de zaak A.153.806/IX-4596, wordt dit door verzoeker verbonden aan de opeenvolging van ongunstige evaluaties die mogelijks op grond van het Administratief Statuut van de Postambtenaren tot zijn afdanking wegens beroepsongeschiktheid kan leiden. Aangezien verzoeker, zoals blijkt uit wat voorafgaat, niet op ontvankelijke wijze de beslissing van 20 oktober 2004 om hem af te danken wegens beroepsongeschiktheid bestreden heeft, is die beslissing definitief. In die zin kan de eventuele vernietiging van de weigering om verzoeker de gunstige evaluatie “B” toe te kennen, hem niet meer tot voordeel strekken. IX-4596-12/14
  53. Wat zijn moreel belang betreft in de zaak A. 153.806/IX-4596, is het ook hier van belang erop te wijzen dat verzoeker dat beroep heeft ingesteld, zich uitdrukkelijk beroepend op de gevolgen van de opeenvolgende toekenningen van de evaluatie “C”, onder meer op moreel gebied. Nu verzoekers afdanking wegens beroepsongeschiktheid definitief is, zal in rechte echter steeds vaststaan dat aan verzoekers aanstelling een einde is gesteld wegens drie opeenvolgende evaluaties “C”. Anders dan het geval is met een beslissing in tuchtzaken, is de evaluatie geen sanctiemiddel, maar alleen een motiverend instrument ter begeleiding van de personeelsleden in hun functioneren binnen het bestuur. Ten aanzien van tuchtstraffen kan de betrokkene een gekwalificeerd moreel belang doen gelden om zijn naam te zuiveren met betrekking tot bepaalde tuchtvergrijpen of zelfs misdrijven die hem ten laste worden gelegd, ook indien hij intussen de hoedanigheid van ambtenaar verloren heeft. Ten aanzien van een ongunstige evaluatie kan de betrokkene geen moreel belang van dezelfde intensiteit inroepen, omdat een dergelijke evaluatie niet steunt op het moreel laakbaar karakter van het gedrag van de betrokkene. In de gegeven omstandigheden kan de Raad van State niet aannemen dat verzoeker nog een moreel belang zou hebben bij het bestrijden van een evaluatie die hem de gunstige evaluatie “B” voor het evaluatiejaar 2002 ontzegt, althans niet een moreel belang dat voldoende zwaarwichtig is om na zijn afdanking nog een beoordeling ten gronde van het beroep te kunnen verantwoorden.
  54. Verzoeker doet niet langer blijken van het rechtens vereiste belang in de zaak A.153.806/IX-
  55. Het beroep in die zaak is derhalve onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  56. De zaken A.153.806/IX-4596 en A.158.782/IX-4748 worden samengevoegd. IX-4596-13/14 Artikel
  57. De beroepen worden verworpen. Artikel
  58. De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 juni 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-4596-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.410 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.