← België

Arrest 184413 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.413 Rolnummer: A. 72784/IX-1504 Zaak: Arrest 184413 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-29 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:15 Fiche Arrest nr 184.413 van 23 juni 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.413 van 23 juni 2008 in de zaak A. 72.784/IX-

  1. In zake : Kathleen VANDAMME, wonende te GENT, Sint-Elisabethplein 1/B tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Kathleen VANDAMME op 8 januari 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 18 november 1996 van de minister van Ambtenarenzaken waarbij haar de tuchtstraf van de terechtwijzing opgelegd wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 28 oktober 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekster; Gelet op de beschikking van 21 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-1504-1/7 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  2. Op het tijdstip van de bestreden beslissing is verzoekster bestuursassistent bij het ministerie van Ambtenarenzaken, Dienst van Algemeen Bestuur. 1.
  3. Met een brief van 30 april 1996 wordt zij opgeroepen om zich in het kader van een eventuele tuchtprocedure voor de administrateur-generaal te verantwoorden met betrekking tot het feit dat zij op 23 april 1996 haar dienst tijdens de stamtijden heeft verlaten. 1.
  4. Op 21 mei 1996 wordt verzoekster gehoord. 1.
  5. Op 4 juni 1996 betekent de administrateur-generaal aan verzoekster een voorlopig voorstel om haar de tuchtstraf van de blaam op te leggen. Aan verzoekster wordt ten laste gelegd dat haar ongewettigde afwezigheid tijdens de stamtijden er toe heeft geleid dat bepaalde gegevens die zij dringend diende te verstrekken niet tijdig konden worden verkregen en dat hierdoor de goede werking van de dienst in het gedrang is gekomen. 1.
  6. Op 17 juni 1996 wordt verzoekster door de directieraad gehoord. De directieraad doet een definitief voorstel om aan verzoekster de tuchtstraf van de terechtwijzing op te leggen. Het voorstel wordt gemotiveerd “door de onachtzaamheid van mevr. VAN DAMME, die enerzijds haar hiërarchische meerdere had moeten verwittigen alvorens naar het V.W.S. te gaan en zich anderzijds, vooraleer definitief haar bureau te verlaten, ervan had moeten vergewissen of er aanvullende taken waren door zulks ter plaatse te gaan verifiëren”. IX-1504-2/7 1.
  7. Met een brief van 1 juli 1996 stelt verzoekster tegen dit definitief voorstel beroep in bij de departementale raad van beroep. 1.
  8. Op 29 oktober 1996 oordeelt de departementale raad van beroep met negen stemmen tegen twee dat de feiten zoals zij voorgelegd werden niet van die aard zijn dat zij de voorgestelde sanctie van de terechtwijzing rechtvaardigen. Bijgevolg adviseert de raad de voorgestelde sanctie niet te bevestigen. 1.
  9. Op 18 november 1996 beslist de minister van Ambtenarenzaken aan verzoekster de tuchtstraf van de terechtwijzing op te leggen, “Rekening houdend met de argumenten die door de Directieraad werden ingeroepen in haar (zijn) vergadering van 17 juni 1996”. Dit is de bestreden beslissing. Over de ontvankelijkheid van het beroep
  10. De verwerende partij werpt als exceptie op dat verzoekster niet langer doet blijken van het rechtens vereiste belang, vermits luidens artikel 80 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijksperso- neel (hierna: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937) de tuchtstraf van de terechtwijzing van ambtswege uitgewist wordt na een termijn van zes maanden die aanvangt op de datum waarop de straf is uitgesproken, wat betekent dat de sanctie in het individueel dossier van de ambtenaar geschrapt wordt en dat er niet langer rekening mee mag worden gehouden, noch bij de appreciatie van de aanspraken op bevordering van de ambtenaar, noch bij de toekenning van de beoordeling. Bijgevolg is de verwerende partij van oordeel dat door die uitwissing van de tuchtstraf alle negatieve gevolgen ervan voor de verdere loopbaan van verzoekster “uitgewist” zijn.
  11. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster, samen- gevat, dat de uitwissing de tuchtstraf intrekt noch opheft, maar enkel gevolgen heeft voor de toekomst, dat een tuchtstraf een griefhoudend karakter heeft en zij derhalve nog steeds over een moreel belang beschikt bij deze zaak en dat het belang bij een annulatieberoep niet teloor gaat door het loutere feit dat de bestreden beslissing reeds haar uitwerking heeft gehad. IX-1504-3/7
  12. Artikel 80 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, luidt als volgt: “§
  13. Elke tuchtstraf behalve de afzetting wordt in het persoonlijk dossier van de ambtenaar uitgewist onder de in § 2 bepaalde voorwaarden. Onverminderd de uitvoering van de straf, heeft de uitwissing tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden inzonderheid bij de appreciatie van de aanspraken op bevordering van de ambtenaar, noch bij de toekenning van de beoordeling. §
  14. De uitwissing van de tuchtstraffen geschiedt van ambtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op : - zes maanden voor de terechtwijzing; - (...) De termijn loopt vanaf de datum waarop de straf is uitgesproken.” Uit deze bepalingen blijkt dat een terechtwijzing in het persoonlijk dossier van de ambtenaar van ambtswege wordt uitgewist na een termijn van zes maanden vanaf de datum waarop de straf is uitgesproken en dat die uitwissing de tuchtstraf zelf niet ongedaan maakt, maar enkel belet dat er in de toekomst rekening mee wordt gehouden in een aantal ambtelijke situaties. Bijgevolg beschikt verzoekster nog steeds over een moreel belang om de vernietiging van de uitgewiste tuchtstraf te vorderen. De exceptie wordt verworpen.
  15. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster bovendien dat zij naar aanleiding van het onderhavige verzoekschrift door de verwerende partij overgeplaatst werd naar de telefooncentrale en wenst zij deze maatregel, die volgens haar een verkapte tuchtstraf is, eveneens aan te vechten.
  16. Overeenkomstig artikel 2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State bevat het inleidend verzoekschrift onder meer het voorwerp van het vernietigingsberoep. In beginsel kan het voorwerp dan ook niet worden uitgebreid. Wel wordt aanvaard dat het voorwerp van het beroep in de loop van de procedure uitgebreid kan worden tot nagekomen beslissingen die een directe en nauwe band vertonen met de oorspronkelijk bestreden beslissing. IX-1504-4/7 De beslissing van 18 november 1996, die het voorwerp uitmaakt van het oorspronkelijk beroep, heeft betrekking op het straffen van verzoekster om reden van haar afwezigheid tijdens de stamtijden op 23 april
  17. De aanwijzing van verzoekster voor de functie van verantwoordelijke voor het telefonisch onthaal, die zij in haar memorie van wederantwoord bestrijdt, is blijkens de nota van 23 januari 1997 van de administrateur-generaal, gegrond op de vaststelling dat haar functie binnen de Dienst Boekhouding slechts in zeer geringe mate overeenstemt met haar interesses en met haar verwachtingen binnen de Dienst van Algemeen Bestuur en dient zich bijgevolg aan als een maatregel van inwendige orde. Deze maatregel kan niet beschouwd worden als het noodzakelijk gevolg van de eerste beslissing, en de eventuele nietigverklaring van de eerste beslissing brengt ook niet mee dat die maatregel noodzakelijk hetzelfde lot moet ondergaan. De band tussen de eerste beslissing om aan verzoekster een tuchtstraf op te leggen en de tweede beslissing om haar aan te wijzen voor een nieuwe functie is aldus niet van die aard dat verzoekster de tweede beslissing door middel van uitbreiding van het beroep tegen de eerste beslissing kan aanvechten. Over de gegrondheid van het beroep
  18. In een tweede middel voert verzoekster aan dat de tuchtoverheid het advies van de departementale raad van beroep negeert en het op die wijze reduceert tot een vrijblijvende formaliteit waarvan de zin aan eenieder ontsnapt.
  19. De verwerende partij antwoordt dat het advies van de departemen- tale raad van beroep geenszins de tuchtoverheid bindt en dat zij dit advies niet genegeerd heeft, maar wel een beslissing genomen heeft die er niet mee in overeenstemming is. Zij stelt dat de verplichting van de minister overeenkomstig artikel 94, tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 om elke met het advies van de raad van beroep niet overeenstemmende beslissing te motiveren, te dezen nageleefd werd en dat niet blijkt dat de minister op andere feiten steunt dan die waarop voormeld advies steunt.
  20. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat uit geen enkel stuk blijkt dat de minister rekening heeft gehouden met het advies van de raad van beroep, terwijl dit advies niet zonder meer genegeerd mag worden, zelfs indien het niet-bindend is en dat evenmin uit enig document blijkt dat de verplichting van IX-1504-5/7 de minister overeenkomstig artikel 94 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 om afwijkende beslissingen te motiveren, werd nageleefd.
  21. Te dezen wijkt de bestreden beslissing af van het advies van de departementale raad van beroep. In dit verband dient dan ook rekening te worden gehouden met artikel 94, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, dat luidt als volgt: “Is het advies van de raad van beroep gunstig, dan wordt de beslissing altijd door de minister genomen of definitief voorgesteld. De minister motiveert elke met het advies van de raad van beroep niet overeenstemmende beslissing. Hij kan geen andere feiten ter sprake brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben. De minister of zijn gemachtigde notificeert de beslissing van de raad van beroep.” De formele motiveringsplicht, neergelegd in voormeld artikel 94, tweede lid, is erop gericht de rechten van de betrokken ambtenaar te waarborgen en hem expliciet in kennis te stellen van de redenen die de minister ertoe hebben aangezet af te wijken van het advies van de raad van beroep. Slechts in die omstandigheden is het mogelijk dat de betrokkene, terdege geïnformeerd, de eindbeslissing op een zinvolle wijze kan aanvechten. De bestreden beslissing wordt enkel gemotiveerd door de verwijzing naar de argumenten van de directieraad. Ongeacht de vraag of de argumenten van de directieraad aan verzoekster medegedeeld werden, maakt de loutere verwijzing naar de motieven van de directieraad niet duidelijk om welke redenen de minister die motieven als doorslaggevend beschouwt en ze laat prevaleren op de zienswijze van de departementale raad van beroep. Aldus is verzoekster niet expliciet in kennis gesteld van de redenen die de minister ertoe hebben aangezet af te wijken van het advies van de raad van beroep. Het middel is gegrond. IX-1504-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  22. Vernietigd wordt de beslissing van 18 november 1996 van de minister van Ambtenarenzaken waarbij aan Kathleen VANDAMME de tuchtstraf van de terechtwijzing wordt opgelegd. Artikel
  23. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 juni 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-1504-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.