id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.525 Rolnummer: A. 184832/X-14773 Zaak: Arrest 184525 - Handelsvestigingen - 24/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:16 Fiche Arrest nr 184.525 van 24 juni 2008 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.525 van 24 juni 2008 in de zaak A. 184.832/X-13.
- In zake :
- de v.z.w. UNIZO (UNIE VAN ZELFSTANDIGE ONDERNEMERS),
- de v.z.w. UNIZO REGIO NOORD-WEST-VLAANDEREN, die woonplaats kiezen bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie en door het Interministerieel Comité voor de Distributie, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg
- tussenkomende partij : de n.v. VERMO IMMO, die woonplaats kiest bij advocaten P. FLAMEY en P. VERVOORT, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan
- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de v.z.w. UNIZO (UNIE VAN ZELFSTANDIGE ONDERNEMERS) en de v.z.w. UNIZO REGIO NOORD- WEST-VLAANDEREN op 17 augustus 2007 hebben ingediend en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van de beslissing van 20 juni 2007 van het Interministerieel Comité voor de Distributie waarbij het beroep ingediend door ten minste 7 van de 18 leden van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie tegen de gunstige beslissing van 14 mei 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard en waarbij aan de n.v. VERMO IMMO de “machtiging voor de vorming van een handelscomplex door de toevoeging van twee handelszaken, een dierenspeciaalzaak (Zoomart) van 766 m² en een handelszaak met een ruim non- food assortiment (Dreamland) van 2000 m², naast een meubel- en binnenhuis- X-13.419-1/7 inrichtingszaak, gelegen langs de Torhoutsesteenweg 694 te Oostende, tot een totale nettoverkoopruimte van 5066 m², unaniem (wordt) toegestaan”. Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 6 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P.-J. VERVOORT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Rechtspleging Met een verzoekschrift van 21 september 2007 heeft de n.v. VERMO IMMO gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
- Feiten 2.
- Het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende verleent op 17 juli 2006 aan de tussenkomende partij, die dan nog optreedt onder de benaming “VERHAEGHE MOTORS”, de stedenbouwkundige vergunning voor X-13.419-2/7 “het bouwen van handelsruimtes en het aanleggen van een parking” op percelen gelegen aan de Torhoutsesteenweg 692-696, kadastraal bekend sectie A, nrs. 328/b, 335/m, 336/a en 337/b. 2.
- Na een aanvraag daartoe door de tussenkomende partij op 8 augustus 2006 en na ongunstig advies op 20 september 2006 door het Nationaal Sociaal-economisch Comité voor de Distributie (hierna: “NSECD”), verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende op 16 oktober 2006 een “socio-economische machtiging SE2 voor de inplanting van een handelsvestiging met een totale netto-verkoopoppervlakte (kassa’s en front-end inbegrepen) van 5.066m² op het adres Torhoutsesteenweg 694 in 8400 Oostende”. Zowel het NSECD als acht van de achttien leden van het NSECD tekenen daartegen op 8 november 2006 beroep aan bij het Interministerieel Comité voor de Distributie (hierna “ICD”). Het ICD verklaart op 6 december 2006 het beroep ingesteld door het NSECD niet ontvankelijk en het beroep ingesteld door de acht leden van het NSECD ontvankelijk en gegrond. De machtiging wordt bijgevolg geweigerd. 2.
- Daarop dient de tussenkomende partij op 28 december 2006 een nieuwe aanvraag in die strekt tot het verkrijgen van een socio-economische machtiging SE.1 voor de herlokalisatie (van Torhoutsesteenweg nr. 600 naar Torhoutsesteenweg nr. 694) en uitbreiding (van 947 m² netto-verkoopoppervlakte naar 2.300 m², kassa’s en front-end inbegrepen) van een bestaande handelsvestiging “Leen Bakker”. Na gunstig advies van het NSECD op 31 januari 2007, verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende op 19 februari 2007 de vergunning. Na een -eveneens nieuwe- aanvraag daartoe door de tussen- komende partij op 19 maart 2007 en na ongunstig advies op 25 april 2007 door het NSECD, verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende op 14 mei 2007 “de socio-economische vergunning voor de eenheden “ZOOMART” met een netto-verkoopoppervlakte van 766 m² en “DREAMLAND” met een netto-verkoopoppervlakte van 2.000 m² binnen het handelscomplex gelegen aan de Torhoutsesteenweg 694 (...). Het betreft een uitbreiding bij de bestaande vergunde handelszaak “LEEN BAKKER” met een netto-verkoopoppervlakte van 2.300 m² tot een handelsgeheel van drie vestingseenheden met een totale netto- verkoopoppervlakte van 5.066 m²”. X-13.419-3/7 Tegen dat vergunningsbesluit stellen zeven leden van het NSECD op 31 mei 2007 beroep in bij het ICD. Bij de bestreden beslissing van 20 juni 2007 wordt het beroep ontvankelijk maar ongegrond verklaard en aan de n.v. VERMO IMMO de “machtiging voor de vorming van een handelscomplex door de toevoeging van twee handelszaken, een dierenspeciaalzaak (Zoomart) van 766 m² en een handelszaak met een ruim non-food assortiment (Dreamland) van 2000 m², naast een meubel- en binnenhuisinrichtingszaak, gelegen langs de Torhoutsesteenweg 694 te Oostende, tot een totale nettoverkoopruimte van 5066 m², unaniem toegestaan”
- Ontvankelijkheid De verwerende en de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is.
- Over de grondvoorwaarden tot schorsing 4.1.
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.1.
- Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan X-13.419-4/7 berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit die bepalingen volgt dat de verzoekende partijen in hun enig verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ondergaan of dreigen te ondergaan en dat alleen met hetgeen in dit verzoekschrift is uiteengezet en de erbij gevoegde stukken rekening kan worden gehouden. De verzoekende partijen mogen zich daarbij niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dienen integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan of dreigen te ondergaan. 4.2.
- Wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, voeren de verzoekende partijen aan: “Ingevolge de bestreden beslissing is het mogelijk om het handelsgeheel te openen, in het bijzonder de door de bestreden beslissing vergunde bijkomende winkels DREAMLAND en ZOOMART. Door de opening van deze winkels zullen alle nadelen t.a.v. de concurrentie en mobiliteit zich meteen voordoen. In alle aanvragen werd de problematiek van de mobiliteit en het overaanbod van hetzelfde gamma benadrukt en in vraag gesteld. De nieuwe handelseenheid zou gevestigd worden langs de Torhoutsesteenweg. Nu reeds is deze gewestweg bijzonder druk bereden en zal alle bijkomend verkeer zorgen voor een verkeersinfarct. Een te hoge verkeersdruk leidt tot verkeersonveiligheid en -onleefbaarheid. In het besluit van het Interministerieel Comité voor de Distributie van 6 december 2006 werd benadrukt dat door de huidige verkeerscongestie van de Torhoutsesteenweg het binnenkomen van de Stad OOSTENDE vanuit Gistel steeds problematischer wordt. Het is duidelijk dat dit schadelijk is voor de belangen van de zelfstandige ondernemers en KMO’s gevestigd in het centrum van de stad en in de omliggende omgeving. De bestreden beslissing, waarbij een socio-economische vergunning wordt verleend voor de nieuwe handelseenheid, is van aard om de zelfstandige ondernemers en dus ook hun gezinnen en hun personeel minstens in de omgeving van de vestiging en in de Stad OOSTENDE op onmiddellijke en onherstelbare wijze te raken in hun commerciële belangen, d.w.z. in hun bestaanszekerheid, hun beroepsinkomen en hun persoonlijke vrijheid van zelfstandige ondernemer. Het is een economische wetmatigheid dat de sociale onrust, die ongetwijfeld veroorzaakt (is) en blijft door het voorgenomen project, op zich een commercieel verlies en een leegloop van personeel en cliënteel met zich meebrengt. Het verlies van zelfstandige ondernemers ingevolg de oneerlijke concurrentie betekent ook een verlies van het aantal leden van verzoekende partijen en een aantasting van haar doel de belangen van haar leden te behartigen”. X-13.419-5/7 4.2.
- De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten dat de betrokken schorsingsvoorwaarde is vervuld. 4.3.
- Om dienstig te kunnen worden ingeroepen dient het aangevoerde nadeel persoonlijk te zijn. 4.3.
- Volgens hun statuten hebben de verzoekende partijen als “centrale doelstelling” om “de zelfstandige ondernemers en de kandidaat-zelfstandige ondernemers te verenigen, te informeren en te adviseren, hun belangen te behartigen en aangepaste sociale en bedrijfseconomische dienstverlening aan te bieden, (dit) alles met het oogmerk de kansen voor de zelfstandige ondernemers te optimaliseren”. Als verenigingen kunnen zij in rechte opkomen voor de collectieve belangen van hun leden. 4.3.
- In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat “het verlies van zelfstandige ondernemers ingevolg de oneerlijke concurrentie” een “verlies van het aantal leden” en “een aantasting van (het) doel de belangen van (de) leden te behartigen” zal betekenen, dient te worden vastgesteld dat het gaat om een vage en hypothetische bewering die niet door concrete en precieze gegevens wordt gestaafd, en derhalve niet als een ernstig nadeel kan worden aangenomen. 4.3.
- Voor het overige voeren de verzoekende partijen nadelen aan die geen nadeel in hunnen hoofde, maar hoogstens in hoofde van hun leden individueel zouden kunnen uitmaken. Deze nadelen zijn dan ook niet persoonlijk en kunnen om deze reden niet dienstig worden ingeroepen. 4.3.
- De uiteenzetting van de verzoekende partijen bevat geen concrete en precieze gegevens die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Uit het vorenstaande blijkt dat niet is voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen. X-13.419-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. VERMO IMMO wordt ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-13.419-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.525 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.217.419 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.