← België

Arrest 184527 - Handelsvestigingen - 24/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.527 Rolnummer: A. 184862/X-14772 Zaak: Arrest 184527 - Handelsvestigingen - 24/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:16 Fiche Arrest nr 184.527 van 24 juni 2008 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.527 van 24 juni 2008 in de zaak A. 184.862/X-13.

  1. In zake : de n.v. FUN BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEFREYNE, kantoor houdende te 8870 IZEGEM, Papestraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Economie en door het Interministerieel Comité voor de Distributie, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg
  2. tussenkomende partij : de n.v. VERMO IMMO, die woonplaats kiest bij advocaten P. FLAMEY en P.-J. VERVOORT, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan
  3. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de n.v. FUN BELGIUM op 20 augustus 2007 heeft ingediend en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van de beslissing van 20 juni 2007 van het Interministerieel Comité voor de Distributie waarbij het beroep ingediend door ten minste 7 van de 18 leden van het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie tegen de gunstige beslissing van 14 mei 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard en waarbij aan de n.v. VERMO IMMO de “machtiging voor de vorming van een handelscomplex door de toevoeging van twee handelszaken, een dierenspeciaalzaak (Zoomart) van 766 m² en een handelszaak met een ruim non- food assortiment (Dreamland) van 2000 m², naast een meubel- en binnenhuisinrichtingszaak, gelegen langs de Torhoutsesteenweg 694 te Oostende, tot een totale nettoverkoopruimte van 5066m², unaniem (wordt) toegestaan”; X-13.422-1/5 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 5 november 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 november 2007; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN HEUVEN die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat J.-F. DE BOCK die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P.-J. VERVOORT die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. Rechtspleging 1.
  5. Met een verzoekschrift van 19 september 2007 heeft de n.v. VERMO IMMO gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
  6. Ontvankelijkheid 2.
  7. De tussenkomende partij werpt in haar verzoekschrift tot tussenkomst bij wege van exceptie, samengevat, op dat het enig verzoekschrift wat betreft de vordering tot schorsing onontvankelijk is omdat het is ingediend na een eerste enig verzoekschrift dat door dezelfde verzoekende partij is ingesteld met betrekking tot dezelfde bestreden beslissing, terwijl bij het instellen van het tweede X-13.422-2/5 enig verzoekschrift niet expliciet en evenmin -“voorzover dit al mogelijk zou zijn”- impliciet afstand is gedaan van het eerdere annulatieberoep, doch integendeel zelfs de samenvoeging wordt gevraagd. 2.2.
  8. Overeenkomstig artikel 17, §1, vijfde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan “de verzoeker (...) op straffe van niet- ontvankelijkheid noch gelijktijdig noch opeenvolgend in zijn in § 3 bedoeld verzoekschrift andermaal de schorsing vorderen”. Onder het “in § 3 bedoeld verzoekschrift” wordt het enig verzoekschrift verstaan. Artikel 17, §3, derde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat “eenmaal een beroep tot nietigverklaring is ingediend, (...) een navolgende vordering tot schorsing niet ontvankelijk (is), onverminderd de mogelijkheid in hoofde van de verzoeker om, indien de beroepstermijn nog niet is verstreken, een nieuw beroep tot nietigverklaring in te stellen waar een vordering tot schorsing is bijgevoegd op de wijze bepaald in dit artikel”. Onder “op de wijze bepaald in dit artikel” wordt verstaan dat een enig verzoekschrift voorzien van het vereiste opschrift wordt ingediend. In de memorie van toelichting van het wetsontwerp van 10 mei 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is bij de artikelsgewijze bespreking met betrekking tot het wijzigingsartikel 6, 3/ (Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, p. 29, tweede alinea), waarbij ondermeer het huidige artikel 17, §3, derde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ter vervanging van het vroegere artikel 17, §3, eerste lid van die wetten is ingevoegd, vermeld: “Net als thans reeds het geval is, blijft het indienen van een vordering tot schorsing (al dan niet bij uiterst dringende noodzakelijkheid) nadat reeds een beroep tot nietigverklaring is ingediend, niet mogelijk. Zoals het Arbitragehof opmerkte, is de schorsing niet afhankelijk van de verwezenlijking, maar van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Een verzoeker is normalerwijze in staat om het bestaan van een dergelijk risico in te schatten zodra hij heeft voorgenomen de nietigverklaring van de voor hem griefhoudende handeling te vorderen (Arbitragehof, nr. 79/99, 30 juni 1999). Zoals het Arbitragehof in voormeld arrest heeft gesteld (overw. B.5.2.), is het zo dat, ‘bovendien en buiten beschouwing gelaten de mogelijkheden zich tot de gewone rechter in kort geding te wenden, moet worden opgemerkt dat de verzoeker die bovenvermeld risico niet heeft ingeschat op het ogenblik dat hij het beroep instelde, indien de termijn niet is verstreken, een nieuw beroep kan instellen en er een vordering tot schorsing kan bijvoegen’, zonder dat de afstand van het eerste beroep al toegewezen hoeft te zijn (R.v.St., Leporck, nr. 85.697, 29 februari 2000 dat ook bovenstaand arrest citeert en toepast). In overeenstemming met het advies van de Raad van State, afdeling wetgeving, wordt thans uitdrukkelijk in de tekst opgenomen dat eenmaal een beroep tot X-13.422-3/5 nietigverklaring is ingediend, een navolgende vordering tot schorsing onontvankelijk is, onverminderd de mogelijkheid om – in overeenstemming met de voormelde rechtspraak van het Arbitragehof – indien de beroepstermijn nog niet is verstreken, een nieuw beroep tot nietigverklaring in te stellen waar een vordering tot schorsing is bijgevoegd op de wijze als hiervoor is uiteengezet. De verzoeker zal in dit geval moeten optreden overeenkomstig de hiervoor geschetste rechtspraak van het Arbitragehof”. 2.2.
  9. De verzoekende partij heeft binnen de beroepstermijn twee enige verzoekschriften -één op 16 juli 2007 en één op 20 augustus 2007- ingediend met betrekking tot hetzelfde voorwerp. Bij het instellen van het enig verzoekschrift in onderhavige zaak heeft ze geen afstand gedaan van haar eerste enig verzoekschrift. Integendeel, in haar tweede enig verzoekschrift stelt ze dat haar “eerste beroep en vordering ontvankelijk is” en vraagt ze de samenvoeging van de beide beroepen. Dit impliceert, zowel, dat ze gelijktijdig met de vordering tot schorsing die deel uitmaakt van het eerste enig verzoekschrift andermaal de schorsing heeft gevorderd in haar tweede enig verzoekschrift, als, dat ze een vordering tot schorsing heeft ingediend nadat er al een beroep tot nietigverklaring is ingediend. De afwijkingsmogelijkheid die in artikel 17, §3, derde lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is voorzien om “een nieuw beroep tot nietigverklaring in te stellen waar een vordering tot schorsing is bijgevoegd” is in casu dan ook niet toepasselijk. De exceptie is gegrond. De vordering tot schorsing is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  10. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. VERMO IMMO in het geding wordt ingewilligd. Artikel
  11. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-13.422-4/5 Artikel
  12. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-13.422-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.527 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.