id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.533 Rolnummer: A. 108530/X-10496 Zaak: Arrest 184533 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:16 Fiche Arrest nr 184.533 van 24 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.533 van 24 juni 2008 in de zaak A. 108.530/X-10.
- In zake : de c.v. INDIANA, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de c.v. INDIANA op 6 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media van 9 mei 2000 (lees : 2001) waarbij haar beroep wordt verworpen en de vergunning wordt geweigerd voor de regularisatie van het aanleggen en uitbreiden van bestaande sportinfrastructuur op een terrein gelegen aan de Hondeléstraat 13 te De Pinte, kadastraal gekend sectie A, nrs. 232/c, 234/c en 235/d; Gelet op het arrest nr. 103.356 van 7 februari 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 20 maart 2002 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; X-10.496-1/7 Gelet op de beschikking van 8 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 april 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 30 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten De feiten werden omstandig uiteengezet in het voormelde arrest nr. 103.356 van 7 februari
- De ontvankelijkheid van het beroep 2.
- Het bestreden besluit betreft de weigering van een regularisatie- vergunning. Krachtens artikel 159, eerste lid van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna het Stedenbouwdecreet), zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring, kon een regularisatievergunning slechts worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2 van het Stedenbouwdecreet. Het blijkt niet dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid van het Stedenbouwdecreet opgelegde voorwaarde was voldaan. Aldus moest de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning X-10.496-2/7 weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin van het Stedenbouwdecreet zich ertegen verzette dat de regularisatie- vergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag. De verzoekende partij had derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang bij de vernietiging van het bestreden besluit. Aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, heeft de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft. De verzoekende partij stelt echter enerzijds dat het te dezen om een niet vergunningsplichtige bestemmingswijziging gaat en anderzijds dat de verwerende partij ten onrechte de procedure van het vergelijk op haar aanvraag heeft toegepast. Het is derhalve aangewezen eerst de al dan niet gegrondheid van het tweede, vierde en vijfde middel te onderzoeken. De gegrondheid van de hiervoor ambtshalve opgeworpen exceptie is bijgevolg verbonden met het antwoord op deze middelen. 2.2.
- Het tweede middel is afgeleid uit de schending van “artikel 44 § 1 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, van artikel 78 van het decreet van 28 juni 1984 houdende aanvulling van de wet van 29 maart 1962, artikel 99, § 1, 6/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen vergunningsplichtige functiewijziging nodig is en van art. 2 B.W., van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het vertrouwensbeginsel en met toepassing van art. 159 van de Grondwet en van de verworven rechten die voortvloeien uit een erkende, niet vergunningsplichtige bestemmingswijziging”. De verzoekende partij betoogt dat “de minister in het bestreden besluit impliciet maar zeker oordeelt dat het gebruik van de sportinfrastructuur een vergunningsplichtige gebruikswijziging uitmaakt, waarvoor geen vergunning gevraagd is” en dat te dezen de gebruikswijziging dateert “van voor de inwerkingtreding van het decreet van 28 juni 1984” zodat “er geen aparte vergunning voor bestemmingswijzigingen nodig was”. X-10.496-3/7 2.2.
- De verwerende partij repliceert dat de bestreden beslissing geenszins gesteund is op het niet vergund zijn van een bestemmingswijziging maar op andere gronden. En voorts stelt zij dat de verzoekende partij niet ernstig kan voorhouden dat de aanleg van twee overdekte tennisterreinen en zes buitenterreinen, de uitbreiding van het clubhuis en het oprichten van een terrasmuur niet vergunningsplichtig zou zijn. 2.2.
- De verzoekende partij dupliceert dat alle gebruikswijzigingen van voor de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 niet vergunningsplichtig waren en dat uit haar aanvraag niet kan worden afgeleid dat een vergunning vereist was “voor de aanleg van twee overdekte tennisterreinen en zes buitenterreinen, de uitbreiding van het clubhuis en het oprichten van een terrasmuur”. 2.2.
- Het -door de verzoekende partij niet betwiste- voorwerp van de door haar ingediende regularisatieaanvraag strekt volgens de gegevens van de aanvraag zelf “tot de regularisatie van het aanleggen en uitbreiden van bestaande sportinfrastructuur”, meer bepaald de aanleg van “twee overdekte tennisterreinen met telkens een oppervlakte van ongeveer 17,30 meter op 35,30 meter (...) overdekt door een koepelloods met een maximale hoogte van 7 meter” en van “zes open tennisterreinen, waarvan er drie zijn gelegen vóór de overdekte terreinen, twee erachter en één achter de bestaande dienstgebouwen, (...) met gemalen baksteen en omgeven (...) door een draadafsluiting”, voorts “een uitbreiding van het bestaande clubhuis aan de rechterzijgevel” met “een oppervlakte van 6 meter op 3,27 meter (...) bedekt met een lessenaarsdak met een hoogte van 2,50 meter tot 3,70 meter (...) als uitbreiding van de keukenberging” en de verlenging van “een terrasmuur (...) met 9 meter op een hoogte van 2,40 meter”. Het bestreden besluit weigert de regularisatie van deze werken waarvan niet betwist wordt dat deze vergunningsplichtig zijn, en niet van een “gebruikswijziging”. Het tweede middel mist feitelijke grondslag. 2.3.
- Het vierde middel wordt genomen uit de schending van artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de artikelen 158, 159, 193, § 2 en 193, § 6, tweede lid van het Stedenbouwdecreet en van het gelijkheidsbeginsel, uit machtsoverschrijding en met toepassing van artikel 159 van de grondwet. De verzoekster betoogt dat “de minister (ten onrechte) oordeelt dat de aanvraag niet kan ingewilligd worden omwille van X-10.496-4/7 een weigering van vergelijk d.d. 26 maart 2001” omdat de bouwaanvraag door het college van burgemeester en schepenen werd ontvangen op 29 juli 1998 zodat “in de geest van artikel 193 § 2 van het decreet van 18 mei 1999 (...) de ‘nog lopende procedure’ diende verdergezet te worden conform de desbetreffende oude bepalingen”, meer bepaald “de bepalingen van artikel 42-53 van het Coördinatiedecreet”, dit wil zeggen “zonder de tussenkomst of het bindend advies of een beslissing van de stedenbouwkundige inspecteur”. Met de weigering tot vergelijk van 26 maart 2001 kan bij toepassing van artikel 159 van de grondwet geen rekening worden gehouden zodat het weigeringsmotief dat op die weigering van vergelijk is gesteund onwettig is. 2.3.
- De verwerende partij repliceert dat het om een overtollig motief gaat, dat de verzoekende partij zich niet kan steunen op de bepalingen van artikel 193, § 2 van het Stedenbouwdecreet die enkel betrekking hebben op de procedureregels voor stedenbouwkundige vergunnings- en verkavelingsaanvragen, dat nergens wordt gesteld dat de artikelen 158 en 159 van het Stedenbouwdecreet slechts zouden gelden voor nieuwe aanvragen en niet voor lopende (regularisatie)aanvragen en dat het “afhankelijk maken (van de regularisatie- vergunning) van een voorafgaandelijk vergelijk (...) niets te maken (heeft) met de procedureregels van de aanvraag”. 2.3.
- De verzoekende partij dupliceert dat zij “een belang (heeft) om een middel tegen deze overtollige motieven in te roepen” en dat de artikelen 158 en 159 van het Stedenbouwdecreet “ook procedureregels” zijn. 2.4.
- Het vijfde middel is afgeleid uit de artikelen 158, 159, 193, §§ 1 en 2 van het Stedenbouwdecreet. De verzoekende partij betoogt dat “de nieuwe procedure met betrekking tot transactie en regularisatie (...) onverkort werd toegepast” terwijl “de nieuwe procedure inzake vergunningsaanvragen (...) nog niet in casu kon en kan worden toegepast”. 2.4.
- De verwerende partij repliceert dat de arikelen 158 en 159 van het stedenbouwdecreet directe werking hebben, dat de minister “de bepalingen dient toe te passen die gelden op het ogenblik van de uitspraak” en dat het een bijkomend motief betreft. X-10.496-5/7 2.4.
- De verzoekende partij dupliceert dat artikel 193 van het Stedenbouwdecreet voorziet dat de artikelen 158 en 159 “buiten werking (worden ge)laten”. 2.
- Het door de verzoekende partij aangehaalde artikel 193, §§ 1 en 2 van het Stedenbouwdecreet biedt geen steun voor het door haar in het vierde en vijfde middel ontwikkelde standpunt. Artikel 193 van het Stedenbouwdecreet is als overgangsbepaling niet meer dan een aanduiding van de te volgen vergunnings- procedure naargelang de gemeente al dan niet voldoet aan de voorwaarden voorgeschreven in artikel 193, §1 met name de behandeling van de aanvraag overeenkomstig de artikelen 106 tot en met 126 van het Stedenbouwdecreet, dan wel overeenkomstig de opgesomde artikelen van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- De artikelen 158 en 159 van het Stedenbouwdecreet beogen daarentegen een koppeling tussen deze met toepassing van artikel 193, §2 van het Stedenbouwdecreet bepaalde vergunningsprocedure enerzijds en het vergelijk anderzijds. Derhalve verhindert artikel 193 van het Stedenbouwdecreet geenszins de toepassing van de artikelen 158 en 159 van het Stedenbouwdecreet. Voorts treedt luidens artikel 204 van het Stedenbouwdecreet “dit decreet in werking op 1 mei 2000, met uitzondering van de artikelen 165 en 166, die in werking treden op de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad en met uitzondering van artikelen 87 tot 91, die in werking treden op 1 januari 2004”. Bijgevolg zijn de artikelen 158 en 159 van het Stedenbouwdecreet onvoorwaardelijk op 1 mei 2000 in werking getreden en zijn ze hiertoe niet afhankelijk van het artikel 193 van het Stedenbouwdecreet. Luidens artikel 159, eerste lid van het Stedenbouwdecreet, zoals het van toepassing was op het ogenblik van het indienen van het beroep, kon een regularisatievergunning enkel worden verleend nadat het in artikel 158, §2 van het Stedenbouwdecreet bedoelde certificaat is opgesteld. Dit certificaat kan pas worden opgesteld nadat de stedenbouwkundige inspecteur een vergelijk heeft getroffen met de verzoekende partij. Te dezen wordt niet betwist dat dergelijk vergelijk niet kan worden voorgelegd. Het vierde en het vijfde middel zijn niet gegrond. 2.
- Met het ongegrond bevinden van het tweede, het vierde en het vijfde middel is meteen ook de ambtshalve opgeworpen exceptie van niet- ontvankelijkheid ten aanzien van de bestreden beslissing gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. X-10.496-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.496-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.533 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.103.356 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div