← België

Arrest 184534 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.534 Rolnummer: A. 108456/X-10492 Zaak: Arrest 184534 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:16 Fiche Arrest nr 184.534 van 24 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.534 van 24 juni 2008 in de zaak A. 108.456/X-10.492. In zake : Roger VERBRUGGE, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEFREYNE, kantoor houdende te 8870 IZEGEM, Gentsestraat 25 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat 10. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roger VERBRUGGE op 4 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 juni 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, houdende inwilliging van het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 18 mei 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij hem de vergunning werd verleend voor het bouwen van een appartementsgebouw aan de Korenmarkt 5 te Izegem, kadastraal bekend sectie A, nr. 98/e; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 4 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoeker; X-10.492-1/8 Gelet op de beschikking van 22 april 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 30 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEFREYNE, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat Y. FRANCOIS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1. Op 27 oktober 1999 dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Izegem een aanvraag in voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het “bouwen van een appartementsgebouw” op het perceel aan de Korenmarkt 5 te Izegem. 2. Het perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan Roeselare-Tielt, gelegen in een woongebied. Het is tevens gesitueerd in een bij koninklijk besluit van 2 februari 1981 beschermd stadsgezicht. 3. Ter gelegenheid van het openbaar onderzoek worden vijf bezwaarschriften ingediend. Bij besluit van 11 januari 2000 treedt het college van burgemeester en schepenen de bezwaren bij: “Overwegende dat het ontworpen volume te bezwarend is voor de aanpalende woning rechts en de goede aanleg van de plaats in het gedrang wordt gebracht door de niet vlakke achtergevel; dat het gevelzicht zoveel mogelijk moet behouden blijven gelet op het harmonisch geheel met de woning rechts”. X-10.492-2/8 4. Op 1 december 1999 brengt de cel Monumenten en Landschappen ongunstig advies uit in volgende bewoordingen: “Overwegende: - dat betrokken, te slopen pand (waar overigens in onderhavig dossier geen informatie is terug te vinden) deel uitmaakt van een 19e eeuwse eenheidsbebouwing met het aanpalende pand (‘la Couronne d’Or’); - onze brieven dd. 01.03.1999, 26.03.1999 en 18.05.1999 aan de ontwerpers waaruit blijkt dat het bestaande gabariet niet wordt aangehouden, de bestaande gevelopbouw niet wordt gerespecteerd, er geen binding is met de aanpalende gevels, er geen continuïteit is in materiaal- en kleurgebruik en aan essentiële opmerkingen zoals het verwijderen van de dakuitbouwen geen gevolg is gegeven”. 5. Het college van burgemeester en schepenen weigert bij besluit van 11 januari 2000 de bouwvergunning te verlenen. 6. Het administratief beroep van de verzoeker tegen dit weigeringsbesluit, waarbij “grieven” worden geformuleerd tegen het voormelde advies van de cel Monumenten en Landschappen, wordt door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen bij besluit 18 mei 2000 ingewilligd. Aan de verzoeker wordt bijgevolg de gevraagde bouwvergunning verleend. 7. Tegen dit laatste besluit stelt de gemachtigde ambtenaar administratief beroep in bij de minister. Deze argumenteert dat de bestendige deputatie geen rekening houdt met het ongunstig advies van de cel Monumenten en Landschappen. 8. Een hoorzitting heeft in het kader van dit administratief beroep plaats op 23 oktober 2000 en vormt voor de behandelende ambtenaar aanleiding tot het vragen van een bijkomend advies van de afdeling Monumenten en Landschappen. Deze verleent een ongunstig advies op 30 maart 2001. 9. Bij het bestreden ministerieel besluit van 19 juni 2001 wordt het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd en het beroepen besluit van de bestendige deputatie van 18 mei 2000 bijgevolg vernietigd. X-10.492-3/8 2. De ontvankelijkheid 2.1. De verwerende partij betoogt dat de verzoeker geen voordeel kan halen uit een eventuele vernietiging van het bestreden besluit en dat derhalve zijn beroep onontvankelijk is bij gebrek aan belang. Het voorwerp van het annulatieberoep is enkel het bestreden ministerieel besluit en niet het bindend advies van de cel of afdeling Monumenten en Landschappen van 1 december 1999 en van 30 maart 2001. Bij een gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit zou de minister opnieuw “hetzelfde negatief besluit moeten nemen” omdat hij “gebonden is door de definitieve bindende adviezen”. 2.2. De verzoeker repliceert dat “het advies van Monumenten en landschappen (...) en de op basis ervan genomen administratieve beslissing (de bestreden beslissing) te beschouwen zijn als complexe rechtshandelingen, zodat verzoeker enerzijds de vernietiging kan bekomen van de bestreden handeling om reden van een onwettigheid van het uitgebrachte advies, en dat de annulatie kan uitgebreid worden anderzijds tot het uitgebrachte advies, zelfs ambtshalve”. De verzoeker “breidt voor zover als nodig zijn vordering uit tot deze adviezen”. 2.3. Het feit dat het negatief advies van het bestuur voor monumenten en landschappen gebeurlijk voor de Raad van State afzonderlijk zou kunnen worden aangevochten, neemt niet weg dat het een voorbereidend karakter heeft ten opzichte van de bestreden beslissing en derhalve ermee samen een complexe administratieve rechtshandeling vormt, waarvan het resultaat, meer bepaald de weigering door de minister van de bouwvergunning, vernietigd kan worden op grond van de eventuele onregelmatigheid van één van de samenstellende handelingen. Het niet afzonderlijk bestrijden van het bedoelde advies brengt derhalve niet de onontvankelijkheid van het beroep tegen de bestreden beslissing mee. Er is dan ook geen aanleiding om in te gaan op de voorwaardelijke uitbreiding van het beroep van de verzoeker. 3. De gegrondheid 3.1.1. In het eerste middel werpt de verzoeker de “inbreuk op de motiveringsverplichting (wet op de formele motiveringsverplichting)” op. Hij betoogt dat het bestreden besluit “enkel en alleen gemotiveerd wordt door het ongunstig - bindend - advies van de afdeling Monumenten en landschappen”, dat “dit advies onwettig is”, “namelijk contradictorisch met het door dezelfde dienst X-10.492-4/8 uitgebracht pre-advies” van 18 mei 1999 waarin deze zijn “gevelvoorstel” en voorstel van gabariet niet en zijn voorstel van “de plint” wel ongunstig heeft onthaald en dat hij zijn “uiteindelijk ingediende aanvraag, aan deze laatste opmerking van de adviserende overheid heeft aangepast”. Voorts betoogt hij dat “de adviserende overheid (...) gehouden (

  1. is)tot een eenheid van standpunt en er (...) overeenstemming (moet) zijn tussen de pré-adviezen en het eigenlijk advies”, dat zij “niet (kan) terugkomen op haar aldus ingenomen standpunt”, dat “door uiteindelijk toch ongunstig te adviseren (...) zij teruggekomen (
  2. is)op haar standpunt uit voormeld schrijven” en zijn “gerechtigd vertrouwen (...), alsdat zijn aan deze opmerkingen aangepaste ontwerp vergunbaar was, en zou gevolgd worden door een gunstig advies van de afdeling Monumenten en Landschappen”, (
  3. is)geschonden”. De verzoeker stelt nog dat het advies van 30 maart 2001 “verkeerd” is enerzijds “waar deze stelt dat de functionele hiërarchie niet gerespecteerd werd, omdat de bouwdiepte van het appartementsgebouw deze volgt van de uitbreiding op het stadhuis” terwijl “het geplande ontwerp wel degelijk ook ter rechterzijde aansluit bij de bouwdiepte van de aanpalende woning” en anderzijds “waar het categorisch vermeldt ‘dat het bestaande gabariet niet wordt aangehouden, de bestaande gevelopbouw niet wordt gerespecteerd, er geen binding is met de aanpalende gevels, er geen continuïteit is in materiaal en kleurgebruik en aan essentiële opmerkingen geen gevolg is gegeven”. 3.1.2. De verwerende partij repliceert dat het middel niet ontvankelijk is omdat de kritiek “niet slaat op het bestreden besluit zelf, doch op de definitieve en niet bestreden adviezen”, dat de afdeling Monumenten en Landschappen “steeds een consequent standpunt (heeft) ingenomen” terwijl “het ingediende project niet tegemoet komt aan de opmerkingen van de adviesverlenende overheid”, dat “nimmer (...) een formeel akkoord zonder voorbehouden (werd) gegeven”. 3.1.3. De verzoeker dupliceert dat “uit de briefwisseling tussen (...) verzoeker en de dienst Monumenten en Landschappen, blijkt (...) dat deze laatste dienst niet steeds een consequent standpunt heeft ingenomen”, dat “aan de hand van de stukken kan nagegaan worden” dat hij “zijn ontwerp (...) aan de opmerkingen van de dienst Monumenten Landschappen” heeft aangepast. 3.1.4. Om dezelfde redenen vermeld in randnummer 2.3 is het middel dat de onwettigheid inroept van het bindend advies dat voorafgaat aan het bestreden besluit, ontvankelijk. X-10.492-5/8 3.1.5. De verzoeker laat na de stukken voor te leggen tot bewijs dat hij zijn ontwerp, in tegenstelling tot wat wordt gesteld in het bestreden besluit, wel heeft aangepast aan al de voorafgaande opmerkingen op zijn voorontwerpen van de afdeling Monumenten en Landschappen. Bovendien blijkt uit de gegevens van het dossier niet dat de voormelde afdeling heeft toegezegd, daargelaten de wettelijke mogelijkheid daartoe, dat zij de door de verzoeker geambieerde bouwvergunning in elk geval gunstig zou adviseren, laat staan dat de minister zou hebben toegezegd om die vergunning in elk geval te verlenen. In zoverre het middel de schending inroept van het vertrouwensbeginsel, is het niet gegrond. 3.1.6. Uit het schrijven van 18 mei 1999 blijkt dat de cel Monumenten en Landschappen over het nieuwe voorontwerp van de verzoeker van oordeel was dat “het aangepaste gevelvoorstel (...) tot de mogelijke oplossingen (behoort) die tegemoet komen aan de opmerkingen aan ons vorig schrijven, dat over het “nieuwe gabariet” dat “min of meer (
  4. is)aangepast aan dat van het aanpalende gebouw rechts (...) een profieldoorsnede duidelijkheid (dient) te verschaffen omtrent de integratie ervan (cfr. dakhelling en nokhoogte)” en dat “uit esthetisch oogpunt (...) het wenselijk (blijft) de plint in blauwe hardsteen op te trekken tot op de hoogte van de plinten van de aanpalende gevels”. In tegenstelling tot wat de verzoeker voorhoudt werd zijn voorstel van gevel en gabariet in dat schrijven van de cel Monumenten en Landschappen niet zonder meer gunstig onthaald. Nu de verzoeker zelf voorhoudt dat hij zijn voorstellen, behalve zijn voorstel van plint in blauwe hardsteen, niet heeft aangepast in zijn aangevraagd ontwerp, is het middel ongegrond in zoverre het tegenstrijdige motieven aanvoert. 3.1.7. De verzoeker brengt geen concrete argumenten aan ter weerlegging van de vaststelling in het bestreden besluit, gesteund op concreet gemotiveerde adviezen uitgebracht door de bevoegde administratie, dat de bouwdiepte van het appartementsgebouw deze volgt van de uitbreiding op het stadhuis en niet deze van het aanpalende gebouw rechts waardoor de functionele hiërarchie niet is gerespecteerd, dat het gabariet van de aanpalende woning rechts niet wordt gerespecteerd, en dat geen gevolg is gegeven in de bouwaanvraag aan de opmerkingen van de cel Monumenten en Landschappen over de dakuitbouwen, de gevelopbouw en het materiaalgebruik. Het middel is ongegrond in zoverre het de schending van de motiveringsverplichting inroept op grond van foutieve feitelijke beoordelingen. X-10.492-6/8 3.2.1. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996. De verzoeker betoogt dat hij weliswaar op zijn verzoek werd gehoord door de bevoegde minister doch “voordat de adviserende overheid nogmaals om advies werd gevraagd” en dat hij “niet (
  5. is)kunnen gehoord worden over dit laatste advies, dat bindend is en de beslissing motiverend schraagt”. 3.2.2. De verwerende partij repliceert dat de minister “geen recht (spreekt), doch (...) een beslissing (neemt) (...) zodat er in geen geval sprake kan zijn van een rechtsgeding (...) en het hoorrecht (...) niet van toepassing” is, dat de verzoeker “zijn visie (heeft) kunnen mededelen” en “dat in het bijkomend advies van 30.03.2001 geen nieuwe elementen naar voren gebracht worden”. 3.2.3. De verzoeker dupliceert dat hij “niet op een dienstige wijze gehoord (...) is” en dat de in het bijkomend advies gevoerde “repliek van de dienst Monumenten en Landschappen op de argumenten van verzoeker, zeker een nieuw element vormt, waarover deze niet gehoord is”. 3.2.4. Het bedoelde bijkomend advies van 30 maart 2001 van de afdeling Monumenten en Landschappen blijkt geen nieuwe gegevens of elementen te bevatten in vergelijking met het advies over de bedoelde aanvraag van de verzoeker, dat door dezelfde afdeling werd verleend op 1 december 1999. De verzoeker betwist niet dat hij op de hoorzitting van 23 oktober 2000 op de hoogte was van dit laatste advies. Derhalve werd de verzoeker gehoord over alle gegevens die de verwerende partij bij de beoordeling van de aanvraag heeft betrokken. De verwerende partij kan in die omstandigheden op goede gronden oordelen dat zij de verzoeker niet nogmaals de gelegenheid moest geven om gehoord te worden. Het tweede middel is in al zijn onderdelen ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. X-10.492-7/8 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.492-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.534 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.