← België

Arrest 184606 - Wapens - 24/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.606 Rolnummer: A. 158746/XII-4341 Zaak: Arrest 184606 - Wapens - 24/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-07 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:17 Fiche Arrest nr 184.606 van 24 juni 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.606 van 24 juni 2008 in de zaak A. 158.746/XII-

  1. In zake : Daniël VAN LOOY, die woonplaats kiest bij advocaat K. Rommens, kantoor houdende te Antwerpen, Stoopstraat 1 bussen 6 en 9 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Daniël Van Looy op 28 december 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 oktober 2004 waarbij de gouverneur van de provincie Antwerpen weigert hem een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen te verlenen en van het besluit van 25 oktober 2004 waarbij de gouverneur van de provincie Antwerpen zijn vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen intrekt; Gelet op het arrest nr. 143.157 van 15 april 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 19 mei 2005 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de beschikking van 17 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-4341-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 17 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Vandaele, die loco advocaat K. Rommens verschijnt voor de verzoekende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  2. Op 27 februari 1997 beslist de gouverneur van de provincie Antwerpen verzoeker geen vergunning te verlenen tot het dragen van een verweervuurwapen Springfield kaliber .45 ACP, waarvoor hij op 22 januari 1996 een vergunning kreeg tot het voorhanden hebben ervan. Het besluit steunt op de volgende motivering : “Gelet op het ongunstig advies d.d. 7 januari 1997 van de procureur des Konings van Antwerpen, waaruit blijkt dat verzoeker reeds herhaaldelijk correctioneel werd veroordeeld wegens diverse en zware vermogensdelicten en het onwettig dragen van een vuurwapen; Overwegende dat gelet op zijn strafrechtelijk verleden kan worden verondersteld dat hij een gevaar betekent voor de openbare orde en veiligheid; Overwegende dat de persoonlijkheid van betrokkene de uitreiking van de vergunning in de weg staat; Overwegende dat het behoud van de openbare orde en veiligheid dient te primeren”. Op 28 februari 1997 beslist de gouverneur van de provincie Antwerpen zelfs verzoekers vergunning tot het voorhanden hebben van het verweervuurwapen in te trekken. Het besluit steunt op de volgende motivering : XII-4341-2/7 “Gelet op het ongunstig advies d.d. 22 januari 1997 van de procureur des Konings van Antwerpen, die van mening is dat de vergunning moet worden ingetrokken; Overwegende dat betrokkene reeds herhaaldelijk correctioneel werd veroordeeld wegens diverse en zware vermogensdelicten en het onwettig dragen van een vuurwapen; Overwegende dat de mentale ingesteldheid en persoonlijkheid van de heer Van Looy van die aard zijn dat het bezit van een vuurwapen in zijnen hoofde een reëel gevaar betekent; Overwegende dat de openbare orde en veiligheid de intrekking van de vergunning vereisen”. Bij arrest nr. 133.653 van 8 juli 2004 worden voormelde beslissingen door de Raad van State nietigverklaard. Over de beslissing waarbij de vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen wordt geweigerd, overweegt de Raad van State ondermeer : “Overwegende dat niet betwist is dat verzoeker met betrekking tot die veroordelingen bij arrest van 5 oktober 1995 van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen herstel in eer en rechten heeft gekregen; Overwegende dat dit herstel in eer en rechten niet tot gevolg heeft dat het de verwerende partij a priori verboden zou zijn bij de uitoefening van de bevoegdheid die haar in het kader van wapenwetgeving is opgedragen, hoe dan ook nog rekening te houden met de feiten die tot de veroordelingen hebben geleid; dat het dan echter wel duidelijk moet zijn dat het op die feiten, en niet op de veroordelingen is dat de overheid zich heeft gebaseerd; dat bovendien, om zich rechtmatig op die feiten te kunnen steunen, de overheid geacht moet kunnen worden er een voldoende precieze en concrete kennis van te hebben, wat normaal niet het geval is indien haar kennis beperkt blijkt tot de abstracte strafrechtelijke omschrijvingen ervan; dat tevens de overheid met genoegzame zorgvuldigheid moet hebben nagegaan of de feiten, niettegenstaande het tijdsverloop sindsdien en het herstel in eer en rechten met betrekking tot de betreffende veroordelingen, nog altijd nuttig betrokken kunnen worden bij de beoordeling waarvoor zij staat; dat een en ander in principe op afdoende wijze in de formele motivering van de bestreden beslissing gereflecteerd moet worden; dat zulks te dezen hoegenaamd niet het geval is; Overwegende dat het middel gegrond is; dat, volledigheidshalve, uit de hieronder uitgesproken vernietiging niet volgt dat de overheid thans verplicht is de gevraagde vergunning uit te reiken; dat echter, zo zij zich voor een nieuwe weigering zou willen steunen op de feiten waarvoor verzoeker destijds is veroordeeld geworden, zij dit overeenkomstig de in aanmerking genomen vernietigingsgrond duidelijk in de nieuwe beslissing moet doen kennen, evenals dat zij van die feiten een deugdelijk beeld heeft en waarom de bewuste feiten spijts het herstel in eer en rechten nog steeds relevant zijn”. XII-4341-3/7 Met betrekking tot de beslissing waarbij verzoekers vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen wordt ingetrokken, wordt het volgende overwogen : “Overwegende dat, mede gelet op het advies van 22 januari 1997 van de procureur des konings dat niet meer is dan een verwijzing naar zijn advies van 7 januari 1997, de intrekkingsbeslissing op dezelfde gegevens is gebaseerd als het hiervoor besproken weigeringsbesluit; dat om de hoger aangehaalde redenen het middel ook met betrekking tot de intrekkingsbeslissing gegrond is; dat er overigens reden is te dezen des te meer veeleisend te zijn ten aanzien van de formele motivering waar immers de veroordelingen waarop de intrekking steunt reeds op het moment waarop de ingetrokken vergunning werd verléénd, meer dan tien jaar oud waren”. Nadat de procureur des Konings te Antwerpen bij brief van 13 oktober 2004 opnieuw advies heeft gegeven aan de gouverneur van de provincie Antwerpen, beslist deze laatste op 25 en 28 oktober 2004 om verzoekers vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen in te trekken, respectievelijk zijn aanvraag voor een vergunning tot het dragen van een verweervuurwapen niet in te willigen. Beide besluiten worden als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de heer Van Looy in de loop der jaren veroordelingen opliep wegens ernstige feiten (zware diefstal en poging daartoe, aanranding van de eerbaarheid met bedreiging, het dragen van een revolver zonder wettige reden, opzettelijke brandstichting); Overwegende dat deze feiten inderdaad van geruime tijd geleden dateren en betrokkene ondertussen eerherstel bekwam; Overwegende [dat] hij recentelijk evenwel een minnelijke schikking weigerde inzake alcoholintoxicatie en hij eveneens het voorwerp uitmaakte van een klacht wegens bedreigingen, feit dat zonder gevolg werd gerangschikt; Overwegende dat de Procureur meent dat hieruit duidelijk blijkt dat de heer Van Looy een gedrag vertoont dat niet verenigbaar is met wapenbezit; Overwegende dat het tijdsverloop na een zware correctionele veroordeling slechts relativerend werkt indien er sindsdien geen gerechtelijke feiten meer zijn vastgesteld; Overwegende dat dit in casu niet het geval is”. De grond van de zaak
  3. In een vierde middel voert verzoeker de schending van de materiële motiveringsplicht aan wat de nieuwe feiten betreft die de gouverneur van de provincie Antwerpen in zijn besluitvorming heeft betrokken. Inzake de bewering dat hij een minnelijke schikking inzake alcoholintoxicatie zou hebben geweigerd, argumenteert verzoeker dat er een medische verklaring was voor de positieve ademtest en legt hij documenten voor waaruit blijkt dat hij de minnelijke schikking XII-4341-4/7 binnen de vooropgestelde termijn van één maand heeft betaald. Aangaande de klacht wegens bedreigingen stelt verzoeker dat hij met de heer R., die tegen hem klacht wegens bedreigingen heeft neergelegd, in een burgerlijk geschil was verwikkeld. Nadat verzoeker werd gehoord, werd die klacht onmiddellijk geseponeerd. Verzoeker besluit dat de gouverneur zich wat de “gerechtelijke feiten” betreft, gesteund heeft op een onjuiste voorstelling van de werkelijkheid.
  4. In de memorie van antwoord betoogt verwerende partij dat de bestreden besluiten steunen op het besturen van een voertuig onder invloed op 23 november 2002 en het bedreigen van de heer R.. Deze feiten getuigen van de vereiste precisie, objectiviteit en coherentie. Wat het besturen van een voertuig onder invloed betreft, bevestigt het verzoekschrift de in de bestreden besluiten geformuleerde feitelijke toedracht. Uit het besluit van de procureur des Konings om de klacht van de heer R. te seponeren volgt geenszins dat het feit van de bedreiging niet zou bestaan. Aangezien de bestreden besluiten steunen op correcte feitelijke motieven, is aan de materiële motiveringsplicht voldaan.
  5. Overeenkomstig het beginsel van de materiële motiveringsplicht moeten er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven bestaan, wat onder meer inhoudt dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De bestreden besluiten steunen op de vaststelling dat met de feiten waarvoor verzoeker veroordeeld werd toch rekening mag worden gehouden ondanks het tijdsverloop en het herstel in eer en rechten, omdat ondertussen nieuwe “gerechtelijke feiten” zijn vastgesteld, namelijk dat “hij recentelijk [...] een minnelijke schikking weigerde inzake alcoholintoxicatie en hij eveneens het voorwerp uitmaakte van een klacht wegens bedreigingen, feit dat zonder gevolg werd gerangschikt”. Uit de door verzoeker voorgelegde stukken blijkt evenwel dat hij de voorgestelde minnelijke schikking heeft betaald. Ook in het advies van de procureurs des Konings is geen sprake van het weigeren van een minnelijke schikking. Verzoeker stelt bijgevolg terecht dat de feiten in de bestreden besluiten onjuist zijn weergegeven. XII-4341-5/7 Wat de klacht wegens bedreigingen betreft, is het zo dat verzoeker steeds heeft ontkend dat hij zich aan bedreigingen schuldig heeft gemaakt. Van dat gegeven wordt in het advies van de procureur des Konings geen melding gemaakt. Uit dat advies blijkt evenmin dat werd vastgesteld dat de tegen verzoeker ingediende klacht gegrond of zelfs maar ernstig was. Ook de gouverneur van de provincie Antwerpen beperkt zich tot de vermelding dat verzoeker het voorwerp uitmaakte van een klacht wegens bedreigingen. Het loutere feit dat tegen verzoeker een klacht wegens bedreigingen werd ingediend volstaat evenwel niet om zomaar aan te nemen dat hij zich aan dergelijke feiten schuldig heeft gemaakt.
  6. De bestreden besluiten blijken derhalve niet op met vereiste zorgvuldigheid vastgestelde, werkelijke bestaande concrete feiten te berusten. Het vierde middel is gegrond. XII-4341-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  7. Vernietigd worden het besluit van 25 oktober 2004 waarbij de gouverneur van de provincie Antwerpen de vergunning van Daniël Van Looy tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen intrekt, en het besluit van 28 oktober 2004 waarbij de gouverneur van de provincie Antwerpen weigert zijn aanvraag tot het dragen van een verweervuurwapen in te willigen. Artikel
  8. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4341-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.606 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.143.157 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.