← België

Arrest 184608 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 24/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.608 Rolnummer: A. 131000/XII-3735 Zaak: Arrest 184608 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 24/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-02 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:17 Fiche Arrest nr 184.608 van 24 juni 2008 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.608 van 24 juni 2008 in de zaak A. 131.000/XII-

  1. In zake : Marc DE BONT, die woonplaats kiest bij advocaten J. Leysen en K. Loontjens, kantoor houdende te Kortrijk, Koning Albertstraat 24 bus 1 tegen : de GEMEENTE LONDERZEEL, die woonplaats kiest bij advocaat P. Peeters, kantoor houdende te Brussel, Terhulpsesteenweg 177 bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc De Bont op 24 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van zijn ongunstige evaluatie van 30 juni 2002, alsook van de beslissing van 21 oktober 2002 van het college van burgemeester en schepenen van Londerzeel waarbij het ongunstig evaluatieverslag wordt gehandhaafd en zijn beroep daartegen wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 15 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van het geding van verzoeker en de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 januari 2008; XII-3735-1/14 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Loontjens, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. Vandaele, die loco advocaat P. Peeters verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  3. Verzoeker is sinds 1 januari 1990 beroepsbrandweerman bij de gewestelijke gemengde brandweerdienst van Londerzeel. Hij is vast benoemd en heeft de graad van korporaal. Hij is tevens vakbondsafgevaardigde. Op 31 maart 2002 wordt verzoekers functioneren sinds 1 juli 2000 geëvalueerd door zijn eerste beoordelaar, eerste sergeant Lamberts-Van Assche. De globale evaluatie is “voldoende” en wordt “dus” gunstig genoemd. Op 23 april 2002 beslist de gemeenteraad van Londerzeel verzoeker de tuchtstraf van inhouding van wedde gedurende een maand op te leggen en dit op grond van volgende tekortkomingen aan zijn beroepsplichten : “- onwil, weerspannigheid en ongehoorzaamheid tijdens het afnemen van het theoretisch examen van ladderbedienaar op 7 september 2001 om 9u30; - het niet in staat zijn de ladderwagen met merk IVECO MAGIRUS type DLK 23 - 12 VARIO GL CC (nummerplaat DBH 227, bouwjaar 2000, in dienst sinds 1 juli 2000)) te bedienen”. Deze tuchtmaatregel wordt op 17 juli 2002 door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken goedgekeurd. XII-3735-2/14 Op 30 juni 2002 wordt verzoekers functioneren sinds 1 april 2002 door zijn nieuwe eerste beoordelaar geëvalueerd, eerste sergeant De Maeyer. De globale evaluatie is opnieuw “voldoende” en “dus” gunstig. Dezelfde dag stelt de officier-dienstchef, verzoekers tweede beoordelaar, samen met voornoemde eerste beoordelaars een evaluatieverslag op over verzoekers functioneren gedurende de volledige evaluatieperiode, van 1 juli 2000 tot en met 30 juni
  4. De globale evaluatie is “onvoldoende” en wordt “dus” ongunstig genoemd. De motivering luidt : “Medewerker gebruikt op een onvoldoende wijze zijn ervaring en technische basisvaardigheden ten voordele van de dienst. Medewerker voert niet alle opgelegde taken met de nodige nauwkeurigheid uit. Medewerker controleert niet op regelmatige wijze de brandweerwagen (wagen 11) die hem is toegewezen. Medewerker betoonde onwil t.o.v. de korpsleiding naar aanleiding van de organisatie van de functionele opleiding tot ladderbedienaar. Medewerker weigerde aanvankelijk om het schriftelijk examen over de ladderwagen af te leggen. Medewerker diende een tweede kans te krijgen om de noodzakelijke praktische vaardigheden m.b.t. de bediening van het brandweermaterieel (in dit geval de ladderwagen) aan te leren. Medewerker schikt zich niet steeds naar de korpsorders”. Het evaluatieverslag wordt door de officier-dienstchef en eerste sergeant De Maeyer voor akkoord ondertekend. Verzoeker ondertekent het op 21 juli 2002 voor ontvangst. Dit is de eerste bestreden beslissing. Met een brief van 31 juli 2002 dient verzoeker ertegen beroep in bij het college van burgemeester en schepenen van Londerzeel. Op 26 augustus 2002 beslist het college van burgemeester en schepenen dat het beroep ontvankelijk is. Verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, wordt op 14 oktober 2002 door het college van burgemeester en schepenen gehoord. Ook zijn drie beoordelaars worden gehoord. Van deze verhoren worden processen-verbaal opgesteld. Op 21 oktober 2002 dag neemt het college van burgemeester en schepenen de tweede bestreden beslissing. Dit besluit steunt, benevens op de vermelding van de procedurele voorgaanden, op volgende motieven : “Overwegende dat de evaluatie betrekking heeft op de periode van 01.07.2000 tot en met 30.06.2002; Overwegende dat een evaluatieverslag het eindresultaat is van de evaluatie door twee beoordelaars; XII-3735-3/14 Overwegende dat in het geval voor het personeel van de brandweer, de ploegoverste als eerste beoordelaar functioneert en de brandweercommandant- dienstchef als tweede beoordelaar is aangewezen, conform de bepalingen van het goedgekeurd administratief statuut voor administratief-, technisch-, en brandweerpersoneel; Overwegende dat in het geval van de heer Marc De Bont er een wisseling is geweest in de functie van ploegoverste, dat eerste sergeant Luce-Anne Lamberts-Van Assche ploegoverste is geweest van brandweerkorporaal Marc De Bont van 01.07.2000 tot en met 31.03.2002 en eerste sergeant Geert De Maeyer ploegoverste is van brandweerkorporaal Marc De Bont voor de periode van 01.04.2002 tot op heden en het derhalve aangewezen was dat de ploegoversten, elk voor hun beoordelingsperiode, een evaluatieverslag hebben opgemaakt; Overwegende dat de tussenevaluatieverslagen, opgemaakt door de ploegoversten, eerste sergeant Luce-Anne Lamberts-Van Assche en eerste sergeant Geert De Maeyer, gunstig zijn; Overwegende dat het tussenevaluatieverslag van Luce-Anne Lamberts-Van Assche betrekking heeft op de periode van 01.07.2000 tot 31.03.2002 en voornamelijk werd toegespitst op de beoordeling van uitgevoerde opdrachten en taken, opgelegd door de ploegoverste; Overwegende dat het tussenevaluatieverslag van Geert De Maeyer betrekking heeft op de relatief korte beoordelingsperiode van 01.04.2002 tot 30.06.2002 en eveneens was toegespitst op de loutere beoordeling van de uitgevoerde opdrachten en taken, opgelegd door de ploegoverste; Overwegende dat deze laatste tussenevaluatie betrekking heeft op een periode van minder dan 6 maanden naar analogie van artikel 67 § 2 van het administratief statuut eigenlijk niet in overweging zou mogen genomen worden; Overwegende dat de beoordeling van de brandweercommandant-dienstchef betrekking heeft op het functioneren van de heer Marc De Bont binnen de brandweerdienst en de functiebeschrijving en taakomschrijving die wordt opgelegd aan het personeelslid; Overwegende dat de brandweercommandant-dienstchef de enige beoordelaar is, die de ganse evaluatieperiode ononderbroken en continu heeft opgevolgd; Overwegende dat het niet-volgen van een functionele opleiding tot ladderbedienaar en het niet kunnen bedienen van de ladderwagen, wat uiteindelijk geleid heeft tot het inleiden en het uitspreken van een tuchtstraf met inhouding van wedde gedurende 1 maand, als bezwaarlijk element werd opgenomen in het evaluatieverslag en volgens meester Lahousse, raadsman van de heer Marc De Bont, niet kan en mag aangehaald worden als een beoordelingselement omdat een personeelslid geen tweemaal voor eenzelfde feit kan gesanctioneerd worden; Overwegende dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de evaluatie van betrokkene en de tuchtprocedure; dat de evaluatie betrekking heeft op het functioneren van betrokkene over een lange periode terwijl een tuchtprocedure betrekking heeft op concrete, individuele tekortkomingen; dat gunstige evaluaties dan ook niet impliceren dat geen tuchtsanctie zou kunnen worden opgelegd voor duidelijk vastgestelde tekortkomingen; Overwegende dat het opleggen van een tuchtstraf eveneens tot doel heeft gehad dat de heer Marc De Bont verplicht werd om toch de functionele opleiding te gaan volgen voor ladderbedienaar en verplicht werd voor een externe jury te bewijzen dat hij daadwerkelijk de ladderwagen kan bedienen; Overwegende dat het opleggen van een tuchtstraf en het beoordelen of het evalueren van een personeelslid als afzonderlijke en aparte elementen moeten beschouwd worden, die los staan van elkaar daar het opleggen van een tuchtstraf betrekking heeft op feiten die niet ouder zijn dan 6 maanden en XII-3735-4/14 rechtstreeks verband houden met een welbepaalde inbreuk of vastgesteld feit en een evaluatie betrekking heeft op een veel langere periode en rekening houdt met de algemene houding en ingesteldheid van het personeelslid; Overwegende dat het negatief evaluatieverslag fundamenteel gebaseerd is op drie belangrijke elementen, met name :
  5. de onwil om functionele opleiding en vorming te willen volgen buiten de diensturen, ondanks verschillende aanmaningen en mondelinge en schriftelijke verwittigingen en dit voor het instellen van de tuchtprocedure. Dit blijkt duidelijk uit de brief d.d. 23.05.2001 en het verslag van de bestuursvergadering van 08.05.2001 en het verhoor van de brandweercommandant op maandag 14.10.
  6. het onvoldoende aanwezig zijn op oefeningen en vergaderingen. Dit blijkt uit de aanwezigheidslijst van 2001, het verslag van 08.05.2001 van de bestuursvergadering en het verslag van het functioneringsgesprek van 19.
  7. het onvoldoende en ongrondig onderhoud en interventie-controle van de hem toegewezen interventiewagens. Dit blijkt uit het controleverslag 2001, opgemaakt door de brandweerdienst, de dienstmededeling van 02.04.2002 van de brandweercommandant aan de heer Marc De Bont, het interventieverslag van 26.07.2001, opgemaakt door de heer Pascal De Lombaert en de heer Geert Van Den Broeck en het verslag van het functioneringsgesprek van 19.04.2002 Overwegende dat de argumentatie van meester Lahousse, raadsman van beroepsbrandweerkorporaal Marc De Bont met betrekking tot de interne afrekening die zich afspeelt tussen de heer Marc De Bont en de brandweercommandant omwille van zijn militant zijn als vakbondsafgevaardigde, kan weerlegd worden omdat in het evaluatieverslag hier nergens sprake van is en dit volgens interne bevraging ook niet het geval is. Overwegende dat ook Minister Paul Van Grembergen, bevoegd voor Binnenlandse Aangelegenheden, in zijn ministerieel besluit van 17 juli 2002 m.b.t. het voornoemde tuchtdossier tot dezelfde slotsom is gekomen en vastgesteld heeft dat in het tuchtdossier, niet blijkt dat de tuchtsanctie een afrekening zou zijn voor het militant gedrag van betrokkene als vakbondsafgevaardigde; Overwegende dat, zoals blijkt uit de brieven van het voltallige statutaire brandweerpersoneel die werden overhandigd aan de gemeentesecretaris op maandag 21.10.2002, het brandweerpersoneel zich distantieert van het optreden, de houding en de uitspraken van de vakbondsafgevaardigden tijdens de hoorzitting op 14.10.2002 en met klem ontkennen dat er bepaalde personen zouden ‘gezocht’ worden”. Afstand Ter terechtzitting verklaart verzoeker afstand te doen van het beroep in zoverre het de eerste bestreden beslissing betreft. Er is reden daarvan akte te nemen. De ontvankelijkheid XII-3735-5/14
  8. Een eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid, in de memorie van antwoord, is gericht tegen het eerste bestreden besluit. Gelet op de afstand van het beroep terzake, moet de exceptie geacht worden zonder voorwerp te zijn.
  9. In een tweede exceptie doet verwerende partij gelden dat verzoeker niet over het wettelijk vereiste belang beschikt omdat de ongunstige evaluatie hem geen nadeel berokkent. Een ongunstige periodieke evaluatie geeft immers geen aanleiding tot het beëindigen van het ambt van brandweerman en krachtens het personeelsstatuut zijn er ook geen repercussies op verzoekers functionele loopbaan. Verzoeker bereikt pas in 2008 de dienstanciënniteit die hem toelaat een volgende stap in zijn functionele loopbaan te zetten, voordien dient hij nog minstens tweemaal te worden geëvalueerd zodat hij alsnog tijdig een gunstige evaluatie kan verkrijgen. Momenteel zijn ook zijn kansen op bevordering niet afgenomen. Om tot sergeant te worden bevorderd heeft verzoeker weliswaar een gunstige evaluatie nodig, doch binnen de brandweerdienst van Londerzeel is geen betrekking van sergeant vacant, verzoeker is evenmin geslaagd voor examens of opgenomen in wervingsreserves. Hij heeft tot de volgende bevorderingsgelegenheid nog voldoende mogelijkheden om zijn gedrag aan te passen en een gunstige evaluatie te verkrijgen. In de laatste memorie betoogt verwerende partij bijkomend dat verzoeker op 30 juni 2004 een gunstige evaluatie kreeg. Sinds de bestreden beslissingen werden genomen, heeft er zich voor verzoeker slechts één mogelijkheid voor bevordering en voor de daarmee samenhangende verhoging van weddeschaal aangediend. Met ingang van 1 juli 2005 werd immers de functie van beroepssergeant vacant verklaard. Er werd een bevorderingsexamen georganiseerd en verzoeker werd derde gerangschikt in de wervingsreserve. Zoals blijkt uit de feiten, heeft de bestreden ongunstige evaluatie geen rechtsgevolgen gehad. Wat een eventueel moreel nadeel betreft, is het zo dat het inherent is aan elk evaluatiesysteem dat een kandidaat ongunstig kan worden geëvalueerd. Voor zover, zoals te dezen het geval is, ten aanzien van de geëvalueerde geen sprake is van verdachtmakingen, afkeuring of minachting, kan hieruit evenwel geen moreel belang worden afgeleid.
  10. De Raad van State valt niet bij dat te dezen verzoeker zonder elk actueel moreel belang zou zijn. Naar blijkt, is hij een niet van strijdlust gespeende vakbondsafgevaardigde die zijn kritiek op wat er naar zijn oordeel in de dienst beter XII-3735-6/14 kan, kennelijk niet spaarde. Aangenomen mag worden dat de bestreden ongunstige evaluatie waarbij hij dan zelf wegens tekortkomingen wordt bekritiseerd, hem bijzonderlijk moreel gegriefd heeft, en namelijk zodanig dat een vernietiging van de ongunstige evaluatie geacht kan worden nog altijd zijn belangen te dienen. Bovendien stelt de Raad van State vast dat, blijkens artikel 78 van het personeelsstatuut, de evaluatieverslagen, het beroep tegen de evaluatie en de beslissing na beroep, in een individueel evaluatiedossier worden opgenomen. Bij gebrek aan nader inzicht in het gebruik dat van dit evaluatiedossier, en de stukken ervan, in de toekomst al dan niet mag worden gemaakt, is het niet uit te sluiten dat de bestreden beslissing van 21 oktober 2002 verzoeker nog op enigerlei wijze parten speelt. Dit is een bijkomende reden om hem niet het vereiste actueel belang te ontzeggen. De tweede exceptie is niet gegrond. De grond van de zaak Standpunt van partijen
  11. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Het college van burgemeester en schepenen moet zijn discretionaire bevoegdheid uitoefenen met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur en moet zijn beslissingen afwegen aan de hand van werkelijk bestaande feiten waarvan het zich een duidelijke voorstelling heeft kunnen vormen, die de genomen beslissing naar recht en redelijkheid kunnen dragen. In het derde onderdeel van het middel uit verzoeker kritiek op de drie elementen waarop het tweede bestreden besluit steunt, namelijk zijn onwil buiten de diensturen functionele opleiding en vorming te volgen, zijn onvoldoende aanwezigheid op oefeningen en vergaderingen en het ontoereikende onderhoud en de onvoldoende interventiecontrole van de hem toegewezen dienstwagen. Er bestaat een wanverhouding tussen voormelde elementen en het eraan verbonden gevolg. Voor het eerste element werd hij reeds tuchtrechtelijk gestraft, intussen heeft hij de vereiste opleiding gevolgd en is hij ervoor geslaagd. Het gerezen geschil dient bijgevolg als afgesloten te worden beschouwd en kan in geen geval van XII-3735-7/14 doorslaggevend belang zijn bij een evaluatie die betrekking heeft op een periode van meer dan twee jaar. Voorts bevat het personeelsstatuut geen objectieve criteria voor het meten van de aanwezigheid van personeelsleden op oefeningen en vergaderingen buiten de diensturen. Hij heeft steeds betwist onvoldoende aanwezig te zijn geweest. Verwerende partij steunt ten onrechte op de aanwezigheidslijst van het jaar 2001, die geen rekening houdt met het feit dat hij soms gewettigd afwezig was wegens verlof, ziekte of werkzaamheden als vakbondsafgevaardigde. Ten slotte betoogt hij dat de hem toegewezen interventiewagen één van de meest gebruikte is bij dringende interventies. Gedurende de volledige evaluatieperiode werd slechts één verslag opgesteld wegens een gebrek aan interventiecontrole. Dit toont aan dat hij het onderhoud en de interventiecontrole wel degelijk nauwgezet uitvoert.
  12. In de memorie van antwoord stelt verwerende partij dat verzoeker ten onrechte probeert om de drie elementen “die samen de doorslag hebben [ge]geven om de ongunstige evaluatie te behouden”, te minimaliseren en dat het bestreden besluit van 21 oktober 2002 niet buiten verhouding staat tot de ernst van de vaststellingen op grond waarvan het werd genomen. Verzoeker heeft lange tijd geweigerd de opleiding tot ladderbediener te volgen zodat hij gedurende het grootste gedeelte van de evaluatieperiode niet in staat was alle toestellen te bedienen. Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat hij de graad van korporaal bekleedt en in die hoedanigheid van leidinggever een voorbeeldfunctie dient te vervullen. De structurele weigering was van die aard dat zij met de tuchtstraf van inhouding van wedde gedurende één maand werd gesanctioneerd. Gelet op artikel 76 van het personeelsstatuut, dat stelt dat de evaluatie een toetsing inhoudt van de waarde, de geschiktheid, de inzet, de prestaties, de competentie en de verdiensten van het personeelslid aan de functiebeschrijving van zijn ambt, is het niet onredelijk bij de evaluatie de onwil tot bijscholing in aanmerking te nemen. Dit is een zwaarwichtig element dat op zich en in combinatie met de andere vaststellingen een ongunstige evaluatie verantwoordt. Verzoekers onvoldoende aanwezigheid op oefeningen en vergaderingen kan worden gestaafd aan de hand van volgende objectieve gegevens: - de aanwezigheidslijst van 2001 in combinatie met de verloffiches en de aanwezigheidsgemiddelden van de andere leden van het brandweerkorps; - het verslag van de bestuursvergadering van 8 mei 2001; - de uitleg van kapitein Luc Brugghemans tijdens de hoorzitting. XII-3735-8/14 Uit het overzicht van de aan- en afwezigheden in 2001 blijkt dat verzoekers absenteïsmecijfer voor interventies buiten de werkuren telkens het tweede hoogste is van het beroepspersoneel. Het aantal interventies van verzoeker tijdens de werkuren ligt onder het gemiddelde aantal interventies van het beroepspersoneel. Het systematisch afwezig blijven op vergaderingen en oefeningen heeft een negatieve invloed op de goede werking van de brandweerdienst en op de sfeer binnen het brandweerkorps. Dit is een zwaarwichtig element dat op zich en in combinatie met de andere vaststellingen een ongunstige evaluatie verantwoordt. Het onvoldoende en niet-grondig onderhoud (met inbegrip van de interventiecontroles) van de hem toegewezen interventiewagens is geen eenmalig feit. Dit blijkt uit: - het controleverslag 2001; - de dienstmededeling van 2 april 2002 van kapitein Luc Brugghemans aan verzoeker; - het interventieverslag van 26 juli 2001, opgemaakt door Pascal Lombaert en Geert Van Den Broeck; - het verslag van het functioneringsgesprek van 19 april
  13. Het onderhoud van de wagens is één van de specifieke taken opgenomen in verzoekers takenpakket. Het onbehoorlijk naleven van dit takenpakket is een zwaarwichtig element dat op zich en in combinatie met de andere vaststellingen een ongunstige evaluatie verantwoordt. Uit het voorgaande, besluit verwerende partij, kan niets anders worden afgeleid dan dat het bestreden collegebesluit wordt gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn en dat het middel afgeleid uit de schending van het motiveringsbeginsel faalt naar recht.
  14. In de laatste memorie beklemtoont verwerende partij, met betrekking tot het derde onderdeel van het tweede middel, nog drie elementen. Volgens een eerste is het motief met betrekking tot de onvoldoende aanwezigheid slechts één van de drie motieven die de collegebeslissing dragen en wordt die beslissing al voldoende geschraagd door het zwaarwichtige karakter van de twee andere motieven. XII-3735-9/14 Ten tweede heeft er “wel degelijk” een debat over de afwezigheden plaatsgehad tijdens de openbare zitting, en is de problematiek uitvoerig aangekaart geworden in een verslag van 8 mei 2001 van de bestuursvergadering en een verslag van 19 april 2004 van het functioneringsgesprek, waarnaar de collegebeslissing verwijst. Een derde element betreft het feit dat de argumentatie van verzoeker met betrekking tot het wettig karakter van de afwezigheden “geenszins pertinent [is] geweest” bij het nemen van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen. Het betrokken motief van de collegebeslissing “heeft immers betrekking op ‘de onvoldoende aanwezigheid’ van verzoeker, ongeacht het al dan niet gewettigd karakter van de afwezigheid. Met andere woorden, het eventueel gewettigde karakter van verzoekers aanwezigheid [lees : afwezigheid] heeft geen invloed op de tweede bestreden beslissing”. Uiteengezet wordt dat de dienst buiten de werkuren “inherent deel uitmaakt van de functie van brandweer”, dat in principe een aanwezigheid van 100 % vereist is, dat van de brandweerlieden alleszins wordt verwacht dat zij 50 % van de gemiddelde aanwezigheid behalen, en dat er anders over oordelen ertoe leidt dat de brandweerdienst totaal onwerkzaam wordt. Beoordeling
  15. Met zijn beslissing van 21 oktober 2002 handhaaft en aanvaardt het college van burgemeester en schepenen ongewijzigd het oorspronkelijke negatief evaluatieverslag dat “fundamenteel gebaseerd is op drie belangrijke elementen”. De beslissing van het college van burgemeester en schepenen maakt geen onderscheid qua belangrijkheid tussen de drie elementen. Evenmin kan uit de beslissing worden opgemaakt dat ook reeds tot de handhaving van het initiële ongunstige evaluatieverslag zou zijn besloten op grond van één of twee van de elementen. Bijgevallen mag dus worden dat, zoals verwerende partij naast randnummer 22 in de memorie van antwoord schrijft, de drie elementen “samen de doorslag hebben [ge]geven om de ongunstige evaluatie te behouden”.
  16. Het tweede van de drie voormelde belangrijke elementen wordt als volgt omschreven: “het onvoldoende aanwezig zijn op oefeningen en vergaderingen. Dit blijkt uit de aanwezigheidslijst van 2001, het verslag van 08.05.2001 van de bestuursvergadering en het verslag van het functioneringsgesprek XII-3735-10/14 van 19.04.2002”. Het gaat om de afwezigheid bij oefeningen en vergaderingen buiten de diensturen. Terzake deed verzoeker voor het college van burgemeester en schepenen gelden dat hij meermaals wettig afwezig is geweest wegens ziekte, verlof en vakbondsactiviteiten en dat daarmee geen rekening werd gehouden. Ter staving heeft hij zijn verloffiches van de jaren 2000, 2001 en 2002 neergelegd. Het bestreden besluit is daar evenwel niet op ingegaan. Het heeft uit “de aanwezigheidslijst van 2001, het verslag van 08.05.2001 van de bestuursvergadering en het verslag van het functioneringsgesprek van 19.04.2002” afgeleid dat verzoeker onvoldoende aanwezig was op oefeningen en vergaderingen, maar noch uit voormelde documenten, noch uit enig ander stuk van het administratief dossier blijkt dat rekening werd gehouden met het gewettigd karakter van sommige afwezigheden van verzoeker. Het college van burgemeester en schepenen heeft verzoekers argumentatie met betrekking tot het gewettigd karakter van zijn afwezigheden op generlei wijze in zijn beoordeling betrokken. Nochtans kan uit de door verzoeker neergelegde “verloffiches” worden afgeleid dat hij tijdens het jaar 2001 van medio februari tot eind april afwezig is geweest wegens ziekte en dat ook voor de overige maanden verscheidene van zijn afwezigheden door verloven worden verklaard.
  17. Tevergeefs tracht verwerende partij in de laatste memorie nog de conclusie af te wenden dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen op een onvoldoende vastgestelde en vaststaande grondslag berust. Verwerende partij mag thans, post factum, wel schrijven dat de twee andere motieven dan de onvoldoende afwezigheid “redelijkerwijze reeds voldoende” zijn om de ongunstige evaluatie te verantwoorden, uit niets blijkt dat daar al ten tijde van de bestreden beslissing van 21 oktober 2002 zo over gedacht werd. Het argument doet dan ook niet terzake. Wat de Raad van State ter beoordeling staat is wat de verwerende partij op 21 oktober 2002 gedaan hééft, niet wat zij, naar a posteriori beweerd wordt, had kúnnen doen. Dat de onvoldoende aanwezigheid van verzoeker in verslagen van 8 mei 2001 en 19 april 2002, evenals tijdens de hoorzitting van 14 oktober 2002, ter sprake werd gebracht, is één zaak. Een andere is dat noch die verslagen, noch het XII-3735-11/14 relaas van de hoorzitting, laten begrijpen waarom zonder meer wordt voorbijgegaan aan de argumentatie van verzoeker dat zijn afwezigheden gerechtvaardigd worden door vakbondsactiviteiten of ziekte. Pas voor het eerst in de laatste memorie doet verwerende partij gelden dat deze argumentatie niet “pertinent” is omdat het motief van de onvoldoende afwezigheid louter betrekking heeft op “‘de onvoldoende aanwezig- heid’ van verzoeker, ongeacht het al dan niet gewettigd karakter van de afwezigheid”. Het is een zienswijze waarvan uit niets blijkt dat hij bij het nemen van het collegebesluit van 21 oktober 2002 heeft meegespeeld en eraan ten grondslag ligt. Bovendien kan hij hoe dan ook niet overtuigen. De Raad van State ziet niet in dat, en op welke grond, bij de evaluatie een afwezigheid in rekening mag worden gebracht als een ongunstig gegeven, ook al zou zij, per hypothese, gewettigd zijn. Welk doel de aanwezigheid ook dient, als voor de afwezigheid een geldig excuus bestaat, dan gaat het niet op haar aan de betrokkene ten kwade te duiden.
  18. De slotsom uit het voorgaande is dat de collegebeslissing van 21 oktober 2002 niet op voldoende deugdelijke motieven steunt. Het middel is in de besproken mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  19. De afstand wordt vastgesteld van het beroep in zoverre het gericht is tegen de ongunstige evaluatie van 30 juni 2002 van Marc De Bont. Artikel
  20. Vernietigd wordt de beslissing van 21 oktober 2002 van het college van burgemeester en schepenen van Londerzeel waarbij het ongunstig evaluatieverslag van Marc De Bont wordt gehandhaafd en zijn beroep daartegen wordt verworpen. Artikel
  21. XII-3735-12/14 De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verwerende partij. XII-3735-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3735-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.608 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.