id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.609 Rolnummer: A. 96443/XII-2798 Zaak: Arrest 184609 - Bevolkingsregister - 24/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-15 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:17 Fiche Arrest nr 184.609 van 24 juni 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bevolkingsregister Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.609 van 24 juni 2008 in de zaak A. 96.443/XII-
- In zake : Richard CLIJSTERS, wonende te Poperinge-Watou, Palingstraat 6 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. tussenkomende partij : Christiane LANENS, die woonplaats kiest bij advocaat S. Battheu, kantoor houdende te Poperinge, Casselstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Richard Clijsters op 13 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 augustus 2000 van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken dat hij op datum van 18 mei 1999 dient te worden ingeschreven in het bevolkingsregister van Poperinge op het adres Abelestationsstraat 76, als een gezin vormend met Christiane Lanens; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 21 februari 2001; Gelet op de beschikking van 28 februari 2001 die de tussenkomst van Christiane Lanens toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van tussenkomende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; XII-2798-1/15 Gelet op de beschikking van 10 maart 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van attaché F. Verduyn, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De gegevens van de zaak
- Verzoeker is sinds 27 juni 1995 als alleenstaande ingeschreven in het bevolkingsregister van Dendermonde, op het adres Broekkantstraat
- Bij brief van 1 april 1999 deelt het stadsbestuur van Dendermonde de directie van de Verkiezingen en van de Bevolking van het ministerie van Binnenlandse Zaken (hierna: de directie) mee dat verzoeker, blijkens een verslag van de wijkagent, niet meer aan te treffen is op voornoemd adres. Hij zou zich bij Christiane Lanens hebben gevestigd op het adres Kapellestraat 44 te Poperinge, doch een vraag aan de stad Poperinge om zijn verblijfstoestand te onderzoeken werd beantwoord met een formulier model 4 (attest van niet-inschrijving) met de vermelding “geen effectieve woonst”. Het stadsbestuur van Dendermonde vraagt de directie het nodige te doen opdat verzoekers inschrijving zou kunnen worden geregulariseerd. Bij brief van 28 april 1999 vraagt de directie de burgemeester van Poperinge een politieonderzoek te laten instellen naar verzoekers verblijf op het XII-2798-2/15 adres van tussenkomende partij en over de bevindingen van dat onderzoek binnen vijftien dagen een omstandig rapport te bezorgen. Het gevraagde rapport wordt bij brief van 25 mei 1999 aan de directie bezorgd. Bevolkingsinspecteur P. Gielis van het ministerie van Binnen- landse Zaken stelt op zijn beurt een onderzoek in, waarover hij op 5 juli 1999 v e r s l a g u i t b r e n g t . De bevolkingsinspecteur neemt ook kennis van voormeld politierapport. Hij besluit dat verzoeker zijn hoofdverblijfplaats niet heeft op het adres Kapellestraat 44 of Palingstraat 6, doch op het adres Abelestationsstraat 56, te Poperinge. Hij stelt voor hem vanaf 18 mei 1999, aanvangsdatum van zijn onderzoek, op dat adres in het bevolkingsregister van Poperinge te laten inschrijven, als niet-verwant in het gezin van tussenkomende partij. Bevolkingsinspecteur W. Steyaert stelt vervolgens een aanvullend onderzoek in naar verzoekers verblijfstoestand te Dendermonde, op het adres Broekkantstraat
- De bevolkingsinspecteur besluit in zijn verslag van 2 augustus 1999 dat verzoeker zijn hoofdverblijf niet heeft op het adres Broekkantstraat 76 te Dendermonde. Hij verwijst “dienvolgens” naar het voorstel dat zijn collega op 5 juli 1999 heeft geformuleerd. Bij aangetekende brieven van 19 januari 2000 deelt de regionaal afgevaardigde van de bevolkingsinspectie verzoeker, tussenkomende partij en de burgemeesters van Dendermonde en Poperinge mee dat uit het bevolkingsonderzoek is gebleken dat verzoeker zijn hoofdverblijfplaats heeft op het adres Abelestationsstraat 56 te Poperinge en dat het de bedoeling is de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken voor te stellen hem vanaf 18 mei 1999 op voornoemd adres, in het gezin van tussenkomende partij, in te schrijven in het bevolkingsregister. Daarnaast wordt vermeld dat opmerkingen of nieuwe gegevens die deze beslissing zouden kunnen wijzigen binnen vijftien dagen schriftelijk moeten worden bezorgd en dat betrokkenen het recht hebben om, na schriftelijke aanvraag, het administratief dossier in te zien en/of te worden gehoord door de ambtenaar die gemachtigd is de beslissing te nemen. Op 21 en 25 januari 2000 neemt verzoeker telefonisch contact op met bevolkingsinspecteur P. Gielis. De bevolkingsinspecteur vraagt bij brief van 25 januari 2000 aan de burgemeester van Poperinge een politieonderzoek te laten XII-2798-3/15 instellen naar verzoekers feitelijke verblijf op de adressen Palingstraat 6 en Abelestationsstraat 56, te Poperinge. Tussenkomende partij antwoordt bij brief van 27 januari 2000 dat zij graag contact zou opnemen met de bevolkingsinspecteur en zij verzoekt hem naar haar huis te komen. Het verslag van 29 februari 2000, van het bijkomende onderzoek van de politie van Poperinge wijst uit dat verzoeker noch in de Palingstraat 6, noch in de Abelestationsstraat 56 wordt aangetroffen. Ook bevolkingsinspecteur P. Gielis stelt nog een onderzoek ter plaatse in. Hij bevestigt in zijn aanvullend verslag van 9 maart 2000 de conclusie van zijn verslag van 5 juli
- Bij brief van 17 maart 2000 vraagt verzoeker de bevolkings- inspecteur het administratief dossier te mogen inzien en te worden gehoord door de gemachtigde ambtenaar. Bij brief van 23 maart 2000 wordt hem door de diensten van de bevolkingsinspectie toegestaan inzage te nemen van het dossier. Hij wordt op 21 juni 2000 door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken gehoord. Op 10 augustus 2000 neemt de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken de bestreden beslissing. Deze beslissing steunt, benevens op het aanhalen van de toepasselijke wetgeving en reglementering, op volgende motieven : “Gelet op het verzoek dd. 1 april 1999 van de stad Dendermonde tot beslechting van de betwisting betreffende de hoofdverblijfplaats van de heer Richard Clijsters, geboren te Luluaburg CGO (Belgisch Congo) op 4 augustus 1958; Overwegende dat uit het onderzoek dd. 18 mei 1999 en 23 juni 1999, 13, 15 en 16 juli 1999, 21, 25 en 26 januari 2000 ter zake (door tussenkomst van de Directie van de Verkiezingen en de Bevolking) is gebleken dat : - de heer Richard Clijsters sedert 27 juni 1995 ingeschreven is in het bevolkingsregister van Dendermonde, Broekkantstraat 76, als alleenstaande; - het stadsbestuur van Dendermonde bij brief dd. 1 april 1999 mededeelt dat, volgens het verslag van wijkagent François Van Keer, de betrokkene niet meer woonachtig is aan de Broekkantstraat 76 te Dendermonde en dat hij zich gevestigd heeft te Poperinge, Kapellestraat 44, bij mevrouw Christiane Lanens; - mevrouw Christiane Lanens en haar twee kinderen Sven en Tobias Lanens op datum van 6 april 1999 ingeschreven werden aan de Abelestationsstraat 56 te Poperinge; - de bevoegde inspecteur tijdens zijn onderzoek op 18 mei 1999 aan de Abelestationsstraat 56 te Poperinge niemand heeft aangetroffen, maar buren bevestigen dat er een man woonachtig is bij mevrouw Lanens; XII-2798-4/15 - de bevoegde inspecteur tijdens zijn onderzoek op 23 juni 1999 aan de Abelestationsstraat 56 te Poperinge mevrouw Christiane Lanens heeft gehoord, die verklaart dat betrokkene aan het werk is op zijn boerderij gelegen aan de Palingstraat 6 te Poperinge/Watou; - de bevoegde inspecteur tijdens zijn onderzoek op 23 juni 1999 aan de Palingstraat 6 te Poperinge betrokkene heeft gehoord, die verklaart dat : • hij begonnen is met de restauratie van de boerderij, hij zich hier vervolgens wil vestigen en er zijn adres nemen; • hij nu voorlopig in een stacaravan op het erf woont; • hij regelmatig verblijft bij zijn vriendin Christiane Lanens aan de Abelestationsstraat 56 te Poperinge, maar hij er zich niet wil laten inschrijven omdat mevrouw Lanens daardoor problemen zou krijgen op sociaal en fiscaal vlak; - de bevoegde inspecteur heeft kunnen vaststellen dat de hoeve niet bewoonbaar is en dat de stacaravan op het erf aldaar weinig tekenen van permanente bewoning vertoont; - het politieverslag van de stad Poperinge dd. 6 mei 1999 bevestigt dat : • betrokkene effectief woonachtig is aan de Abelestationsstraat 56 te Poperinge en zijn post op dit adres toekomt; • betrokkene niet woonachtig is aan de Palingstraat 6 te Poperinge, het pand onbewoonbaar is en er beslist werd om een procedure tot onbewoonbaarverklaring te starten; - de bevoegde inspecteur tijdens zijn onderzoek aan de Broekkantstraat 76 te Dendermonde, waar betrokkene momenteel is ingeschreven, van buren verneemt dat de woning reeds 2 jaar leeg staat en dat de betrokkene hier hoogstens tweemaal per maand komt; - de betrokkene op 21 januari 2000 aan de bevoegde inspecteur verklaart dat: • de woonkamer in de boerderij aan de Palingstraat 6 te Poperinge/Watou is hersteld en hij er zijn adres wil nemen; • hij niet wil ingeschreven worden bij mevrouw Christiane Lanens omdat zij daardoor financiële problemen zou krijgen; - de bevoegde inspecteur tijdens zijn onderzoek op 26 januari 2000 aan de Palingstraat 6 te Poperinge vaststelt dat er aan de afgesloten hoeve weinig is veranderd, dat betrokkene er niet kan aangetroffen worden en dat buren verklaren dat hij daar niet woonachtig is maar wel aan de Abelestationsstraat 56 te Poperinge; - dienvolgens de bevoegde ambtenaar voorstelt de betrokkene op datum van 18 mei 1999, zijnde de aanvangsdatum van het onderzoek, in te schrijven in het bevolkingsregister van Poperinge, Abelestationsstraat 56, als een gezin vormend met mevrouw Christiane Lanens; [...] Overwegende dat de gemeentebesturen van Poperinge en Dendermonde, die bij aangetekende brieven dd. 19 januari 2000 hieromtrent door het departement werden aangeschreven, binnen de gestelde termijn geen opmerkingen hebben meegedeeld; Overwegende dat mevrouw Christiane Lanens, die bij aangetekende brief dd. 19 januari 2000 hieromtrent door het departement werd aangeschreven, in haar brief van 27 januari 2000 geen nieuwe elementen in het dossier heeft aangebracht; Overwegende dat de betrokkene de brief van het departement dd. 19 januari 2000, geadresseerd aan de Abelestationsstraat 56 te Poperinge, niet heeft afgehaald voor ontvangst; dat hij bij brief dd. 24 februari 2000 opnieuw werd aangeschreven aan het adres Broekkantstraat 76 te Dendermonde, en hij bij brief dd. 17 maart 2000 inzage en horing vraagt in zijn administratief dossier; deze inzage plaatsvindt op 11 april 2000; XII-2798-5/15 Overwegende dat de betrokkene tijdens de horing, die plaatsvindt op 21 juni 2000, mededeelt dat : • hij woonachtig is te Poperinge/Watou, Palingstraat 6, maar hij wel veel bij zijn vriendin Chistiane Lanens aan de Abelestationsstraat 56 te Poperinge verblijft omdat de boerderij nog niet volledig bewoonbaar is; • er inmiddels werken zijn uitgevoerd aan de boerderij en een gedeelte ervan nu bewoonbaar is (o.a. badkamer geïnstalleerd); • het centrum van zijn belangen zich te Poperinge/Watou bevindt; Overwegende dat tijdens de horing dd. 21 juni 2000 de heer Richard Clijsters verzocht werd om zoveel mogelijk aanvullende elementen op te sturen die zijn verblijf aan de Palingstraat 6 te Watou zouden kunnen bevestigen, doch hij geen elementen meer heeft aangebracht in het dossier”. De directie betekent deze beslissing bij schrijven van 16 augustus 2000 aan de burgemeesters van Poperinge en Dendermonde. Aan eerstgenoemde wordt meegedeeld dat het stadsbestuur van Poperinge belast is met de onmiddellijke uitvoering van deze beslissing en daarvan kennis moet geven aan verzoeker en aan tussenkomende partij, die beiden een integraal afschrift van de beslissing dienen te ontvangen. Bij aangetekende brieven van 21 augustus 2000 zendt het stadsbestuur van Poperinge verzoeker en tussenkomende partij een bericht van inschrijving van verzoeker op het adres Abelestationsstraat 56 te Poperinge, gedateerd 18 mei 1999, alsook een afschrift van het schrijven van 16 augustus 2000 van de directie, met inbegrip van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken. XII-2798-6/15 II. De grond van de zaak A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voert verzoeker aan dat de artikelen 3 en 8 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (hierna: de wet van 19 juli 1991) werden geschonden. Het stadsbestuur van Poperinge had hem krachtens voormelde wetsbepalingen bij ter post aangetekende brief op de hoogte moeten brengen van de uitvoering van de bestreden beslissing alsook inlichten over de mogelijkheid om een beroep tot nietigverklaring in te stellen bij de Raad van State en de termijn waarbinnen dat beroep kon worden ingediend. Hij heeft “enkel per toeval” de hand kunnen leggen op een bericht van inschrijving van de stad Poperinge, “geantidateerd op 18 mei 1999”, alsook op een afschrift van de brief van 16 augustus 2000 van het ministerie van Binnenlandse Zaken en de daarbij gevoegde beslissing. Het bericht van inschrijving voldoet volgens verzoeker niet aan de wettelijke voorschriften: het vermeldt niets over de uitvoering van de bestreden beslissing, de betekening ervan, de mogelijkheid een beroep tot nietigverklaring in te stellen bij de Raad van State en de termijn waarbinnen dat beroep kan worden ingediend. Bovendien is het geantidateerd, zodat het niet als kennisgeving of betekening dienst kan doen. De bestreden beslissing schendt aldus door de wetgever voorgeschreven “substantiële/op straffe van nietigheid [...] voorgeschreven vormen”.
- In de memorie van antwoord werpt verwerende partij tegen dat zij bij brief van 16 augustus 2000 aan het stadsbestuur van Poperinge heeft gevraagd de bestreden beslissing uit te voeren en haar een uittreksel te bezorgen uit het aangepaste dossier van het Rijksregister. Zij heeft het stadsbestuur er tevens mee belast verzoeker en tussenkomende partij op de hoogte te brengen van de uitvoering van de beslissing en van de mogelijkheid een beroep in te stellen bij de Raad van State. Het bericht van inschrijving is verkeerdelijk gedateerd op 18 mei 1999, doch uit het uittreksel uit het aangepaste dossier van het Rijksregister blijkt dat de bestreden beslissing op 21 augustus 2000 werd uitgevoerd. Het stadsbestuur heeft het bericht van inschrijving bij aangetekende brief van 21 augustus 2000 aan verzoeker bezorgd, samen met een afschrift van de brief van 16 augustus 2000 van XII-2798-7/15 verwerende partij en van de bestreden beslissing. Verzoeker heeft middels het bericht van inschrijving wel degelijk kennis gekregen van de uitvoering van de bestreden beslissing, te meer daar hij terzelfder tijd door het stadsbestuur werd verzocht zich aan te melden voor het vervangen van zijn identiteitskaart. Bovendien heeft verzoeker middels het afschrift van de brief van 16 augustus 2000 van verwerende partij kennis kunnen nemen van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State en de bij het indienen van dat beroep in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat niet verwerende partij, doch de stad Poperinge heeft nagelaten de wettelijke voorwaarden betreffende de kennisgeving van de bestreden beslissing te respecteren en dat de nietigheid waarmee de kennisgeving is behept, tevens de nietigheid van de bestreden beslissing met zich meebrengt. De omstandigheid dat uit het aangepaste dossier van het Rijksregister blijkt dat het stadsbestuur van Poperinge de bestreden beslissing op 21 augustus 2000 heeft uitgevoerd regulariseert geenszins “de antidatering van de kennisgeving van de bestreden beslissing”. Het vermelden van de beroeps-mogelijkheid bij de Raad van State en van de in acht te nemen beroepstermijn en vormvoorschriften in de brief van 16 augustus 2000 van verwerende partij aan de burgemeester van Poperinge volstaat niet omdat het “de kennisgeving op zich” is die deze gegevens dient te bevatten. Beoordeling
- In het eerste middel voert verzoeker aan dat de kennisgeving van de bestreden beslissing door het stadsbestuur van Poperinge niet op de wettelijk voorgeschreven wijze is gebeurd. Daargelaten of de aangevoerde onregelmatigheden gegrond zijn, moet hoe dan ook worden opgeworpen dat uit de artikelen 3 en 8 van de wet van 19 juli 1991 geenszins kan worden afgeleid dat een eventuele onregelmatigheid in de kennisgeving van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of van zijn gemachtigde waarbij de hoofdverblijfplaats van een persoon wordt vastgesteld, leidt tot de nietigheid van deze beslissing. Artikel 3 van de wet van 19 juli 1991 bepaalt wat onder het begrip “hoofdverblijfplaats” moet worden verstaan en voegt eraan toe dat de Koning de aanvullende regels vaststelt voor het bepalen van het hoofdverblijf en het referentieadres. Dit wetsartikel bepaalt niets in verband met de kennisgeving van de XII-2798-8/15 beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of van zijn gemachtigde aan de betrokken personen. Artikel 8, § 2, van de wet van 19 juli 1991 bepaalt in verband met de kennisgeving van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of van zijn gemachtigde : “De behoorlijk met redenen omklede beslissing van de Minister of zijn gemachtigde wordt bij een ter post aangetekende brief betekend aan de betrokken gemeentebesturen. Deze doen ambtshalve de inschrijvingen en afvoeringen die hun worden opgelegd zodra de beslissing hun bekend is. Zij geven onverwijld, bij een ter post aangetekende brief, aan de betrokken personen, aan de Minister of zijn gemachtigde, kennis van de uitvoering van de beslissing. De gemeente die de inschrijving verricht, laat in voorkomend geval de identiteitskaart vervangen of wijzigen van de betrokken persoon, die daartoe wordt verzocht zich bij de bevolkingsdienst van de gemeente aan te melden”. Ook deze bepaling voorziet niet in een sanctie in geval van niet- naleving van de voorgeschreven wijze van kennisgeving.
- Ten overvloede kan erop gewezen worden dat het bericht van inschrijving dat verzoeker van het stadsbestuur van Poperinge heeft ontvangen, voldoende laat blijken dat uitvoering is gegeven aan de bestreden beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken. De omstandigheid dat dit bericht verkeerdelijk is gedateerd op 18 mei 1999 in de plaats van op 21 augustus 2000 impliceert niet dat de beslissing van de gemachtigde van de minister onwettig zou zijn. Bovendien kon verzoeker uit het bijgevoegde afschrift van de brief van 16 augustus 2000 van de directie vernemen dat tegen de beslissing van de gemachtigde van de minister een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State kon worden ingediend en welke de daarbij in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen waren, en hééft verzoeker ook effectief op ontvankelijke wijze een beroep tot nietigverklaring ingediend.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel niet tot nietigverklaring kan leiden. B. Tweede middel Standpunt van de partijen XII-2798-9/15
- In een tweede middel doet verzoeker gelden dat de wet van 19 juli 1991, de artikelen 9 en 16, § 1 en § 3, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (hierna: het koninklijk besluit van 16 juli 1992) en de nummers 11, 65, eerste lid, 72, eerste lid, en 77 van de omzendbrief van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (hierna: de omzendbrief) werden geschonden. Luidens nummer 11 van de omzendbrief is de hoofdverblijfplaats de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft; voor verzoeker is die plaats gelegen op het adres Palingstraat 6 te Poperinge-Watou. Hij ontkent formeel zijn hoofdverblijfplaats te hebben op het adres Abelestationsstraat 56 te Poperinge in het gezin van tussenkomende partij. Sinds het voorjaar van 1999 verblijft hij effectief en gedurende het grootste deel van het jaar in de Palingstraat, in een boerderij die hij heeft verbouwd en bewoonbaar gemaakt. Met de bevindingen van de bevolkingsinspecteur mag geen rekening worden gehouden, aangezien ze geenszins recent en bovendien volstrekt voorbijgestreefd zijn. De bevolkingsinspecteur heeft zich op 26 januari 2000 beperkt tot een inspectie van de buitenzijde van de boerderij en kon de staat van de binnenzijde niet onderzoeken, zo niet had hij kunnen vaststellen dat de boerderij op die datum bewoonbaar was en effectief werd bewoond. De beperktheid van het onderzoek laat niet toe te besluiten dat zijn hoofdverblijfplaats niet in de Palingstraat is gevestigd.
- Verwerende partij antwoordt dat krachtens artikel 3 van de wet van 19 juli 1991, artikel 16 van het koninklijk besluit 16 juli 1992 en nummer 11 van de omzendbrief, het bepalen van de hoofdverblijfplaats van een persoon steunt op een feitelijke situatie. De Raad van State heeft een vaste rechtspraak ontwikkeld over het begrip “hoofdverblijf”. Het begrip “woonplaats” zoals omschreven in artikel 102 van het Burgerlijk Wetboek heeft niet dezelfde inhoud als het begrip “hoofdverblijfplaats”. Artikel 16 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 vermeldt een aantal niet-limitatieve criteria ter bepaling van de hoofdverblijfplaats. Eén van deze criteria betreft het gewone verblijf van de echtgeno(o)t(e) of van andere leden van het huishouden. Uit de verslagen van bevolkingsinspecteur P. Gielis blijkt dat verzoeker samenwoont met zijn vriendin, tussenkomende partij, met wie hij een gezin vormt. Het volstaat niet dat iemand enkel de bedoeling heeft zijn hoofdverblijf op een bepaalde plaats te vestigen om voor het betrokken gemeentebestuur de inschrijving als hoofdverblijfplaats te rechtvaardigen. Verzoekers opvatting over de beperktheid van het onderzoek van de bevolkingsinspecteur op 26 januari 2000 is niet meer dan een subjectieve XII-2798-10/15 appreciatie. De bevolkingsinspecteur heeft op voormelde datum vastgesteld dat er aan de bouwvallige boerderij op het adres Palingstraat 6 weinig was veranderd. Een buurman verklaarde dat verzoeker er niet woonde, doch wel bij een vrouw in de Abelestationsstraat. Eerder die dag bevestigde ook een buurvrouw uit de Abelestationsstraat dat verzoeker daar regelmatig bij tussenkomende partij komt. De bevolkingsinspecteur heeft toen ook nog een bijkomend politieonderzoek bevolen. Uit dit alles blijkt dat het bevolkingsonderzoek degelijk en op een uitvoerige wijze werd uitgevoerd.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het toepassen van de wettelijke criteria slechts tot het besluit kan leiden dat hij geacht moet worden zijn hoofdverblijfplaats op het adres Palingstraat 6 te Poperinge-Watou te hebben. Hij voegt een aantal stukken bij die aan voormeld adres geadresseerd zijn en die volgens hem onweerlegbaar aantonen dat hij enkel en alleen vanuit dat adres deelneemt aan het maatschappelijk verkeer. Hij vestigt in het bijzonder de aandacht op een ontvangstbewijs van 19 oktober 1999 van de post waarbij hij de “definitieve nazending” vraagt van zijn poststukken van de Broekkantstraat 76 te Dendermonde naar de Palingstraat 6 te Watou. Voorts wijst hij op een brief van 23 oktober 2000 van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap luidens dewelke zijn beschermingsaanvraag inzake de woning aan de Palingstraat 6 te Watou nog steeds in behandeling is, wat bewijst dat hij nog steeds de intentie heeft de woning, die reeds bewoonbaar werd gemaakt, verder te renoveren. Ook de facturen met betrekking tot de nutsvoorzieningen bewijzen het daadwerkelijke gebruik van de woning.
- Tussenkomende partij stelt dat zij met verzoeker geen gezin vormt en dat zij samen met haar twee kinderen alleen woont. Zij heeft geen vaste relatie met een man. Zij sluit zich aan bij verzoekers argumentatie. Beoordeling
- Verzoeker stelt in het middel wezenlijk de materiële grondslag van de bestreden beslissing in vraag. Hij betwist dat de verwerende partij uit het bevolkingsonderzoek deugdelijke redenen kon putten om zijn hoofdverblijfplaats aan de Palingstraat 6 te Watou te situeren. XII-2798-11/15
- Krachtens artikel 1, §1, 1/, van de wet van 19 juli 1991 dienen de Belgen te worden ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente waar zij hun hoofdverblijfplaats hebben gevestigd, ongeacht of zij er aanwezig dan wel tijdelijk afwezig zijn. Luidens artikel 3 van voornoemde wet en nummer 11 van de omzendbrief is de hoofdverblijfplaats de plaats waar de leden van een huishouden dat uit verschillende personen is samengesteld gewoonlijk leven, ongeacht of die personen al dan niet door verwantschap zijn verbonden, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft. Artikel 16, §1, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 stelt dat het bepalen van de hoofdverblijfplaats steunt op een feitelijke situatie, namelijk het vaststellen van een effectief verblijf in een gemeente gedurende het grootste deel van het jaar. Het vermeldt exemplatief een aantal “elementen” op grond waarvan de hoofdverblijfplaats kan worden bepaald. Het vaststellen van de hoofdverblijfplaats is derhalve in wezen een feitenkwestie.
- Het komt de Raad van State niet toe in de plaats van verwerende partij verzoekers feitelijke hoofdverblijfplaats vast te stellen. De Raad van State vermag enkel te oordelen of verwerende partij aan de hand van de gegevens van het dossier in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat verzoeker op 18 mei 1999 zijn hoofdverblijfplaats had op het adres Abelestationsstraat 56 te Poperinge in het gezin van tussenkomende partij en niet, zoals hij aanvoert, op het adres Palingstraat 6 te Watou. De gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken is om volgende redenen wel degelijk tot dat besluit kunnen komen : S hoewel verzoeker zijn woning op het adres Broekkantstraat 76 te Dendermonde reeds lange tijd had verlaten, heeft hij bij het stadsbestuur van Poperinge niet spontaan aangifte gedaan van het overbrengen van zijn hoofdverblijfplaats naar de Palingstraat 6; pas nadat het politieonderzoek naar zijn verblijfstoestand een aanvang nam, doet hij een aanvraag tot het verkrijgen van een inschrijving in het bevolkingsregister van Poperinge op bedoeld adres; S buren van de woning op het adres Kapellestraat 44 te Poperinge, waar tussenkomende partij eerder heeft gewoond, en van de woning op het adres Palingstraat 6 verklaren dat verzoeker bij tussenkomende partij verblijft op het adres Abelestationsstraat 56; een buurvrouw van de woning aan de XII-2798-12/15 Abelestationsstraat 56 bevestigt op 26 januari 2000 dat verzoeker bij tussenkomende partij verblijft; S verzoeker verklaart aan de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken dat tussenkomende partij zijn “vaste vriendin” is; hij stelt weliswaar dat zij “nog maar pas een langdurige relatie achter de rug heeft en [...] niet meer afhankelijk wil zijn van een man”, doch anderdeels erkent hij met haar twee kinderen te hebben; de kinderen begroeten hem in het bijzijn van de bevolkingsinspecteur overigens ook als “papa”; na de werkzaamheden aan de boerderij keert hij naar hen terug; S de boerderij op het adres Palingstraat 6 wordt door de politie van Poperinge en de bevolkingsinspecteur in vervallen staat bevonden; de politie verklaart zelfs dat het pand onbewoonbaar is en vraagt de burgemeester de procedure tot onbewoonbaarverklaring te starten; de stacaravan toont volgens de bevolkings- inspecteur weinig tekenen van een normaal huishouden; op 11 mei 1999 hangt verzoeker een briefje aan de brievenbus met de vermelding dat hij kan worden aangetroffen op het adres Abelestationsstraat
- Verzoeker beweert in het middel dat de bevindingen van het bevolkingsonderzoek inmiddels achterhaald zijn en dat het beperkte onderzoek van 26 januari 2000 de ware staat van bewoonbaarheid én bewoning van de boerderij op dat ogenblik niet heeft kunnen achterhalen. Dit standpunt wordt niet bijgevallen. De bevolkingsinspecteur heeft op 26 januari 2000 vastgesteld dat “[a]an de bouwvallige boerderij [...] op het eerste gezicht weinig veranderd [is]”. Ook al is dit slechts een indruk van buitenaf, hij doet minstens vermoeden dat er ook binnen niet veel is gewijzigd. Bovendien verklaart de politie van Poperinge op 29 februari 2000 uitdrukkelijk dat het pand op het adres Palingstraat 6 “bouwvallig en onbewoonbaar” is en dat “[e]r zelfs niet de minste opknappingen bezig [zijn]”. Verzoeker heeft aan de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken geen enkel bewijsstuk voorgelegd van enige kost die hij voor het bewoonbaar maken van de boerderij heeft gedaan. Bovendien heeft de buurman van de woning op het adres Palingstraat 6 op 26 januari 2000 uitdrukkelijk aan de bevolkingsinspecteur verklaard dat verzoeker daar niet woont, doch wel bij een vrouw in de Abelestationsstraat. Dezelfde dag heeft ook een buurvrouw in laatstgenoemde straat aan de bevolkingsinspecteur verklaard dat verzoeker bij tussenkomende partij verblijft. Er is dan ook geen reden om aan te nemen dat de eerdere bevindingen van de bevolkingsinspecteur achterhaald zijn en dat diens onderzoek op 26 januari 2000 te beperkt zou zijn geweest om er een bevestiging van deze bevindingen in te zien. XII-2798-13/15
- Verzoeker verklaart aan de bevolkingsinspecteur dat hij niet bij tussenkomende partij ingeschreven wenst te worden omdat zij anders “problemen [...] op sociaal/fiskaal vlak” of “financiële moeilijkheden” zal krijgen. Het bepalen van de hoofdverblijfplaats van een persoon steunt evenwel op het vaststellen van de werkelijk bestaande feitelijke situatie. Krachtens artikel 16, § 3, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 kan de loutere intentie of wens van betrokkene zijn hoofdverblijfplaats op een bepaalde plaats te vestigen niet volstaan om zijn inschrijving in het bevolkingsregister op die plaats te rechtvaardigen.
- De stukken die verzoeker alsnog bij de memorie van wederantwoord voegt kunnen bezwaarlijk in aanmerking worden genomen bij het beoordelen van de wettigheid van de bestreden beslissing. De Raad van State doet niet het onderzoek van verzoekers verblijfstoestand over, in de plaats van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken. Verzoeker heeft tijdens de tegensprekelijke procedure voor de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken ten volle de mogelijkheid gekregen die stukken over te leggen. Hij werd door voornoemde gemachtigde tijdens de hoorzitting van 21 juni 2000 zelfs uitdrukkelijk uitgenodigd “zoveel mogelijk aanvullende elementen [op te sturen] die zijn verblijf aan de Palingstraat 6 te Watou zouden kunnen bevestigen”, doch heeft daaraan geen gevolg gegeven. Hoe dan ook kan het loutere gegeven dat verzoeker op het adres Palingstraat 6 te Watou poststukken heeft ontvangen, dat een aanvraag tot bescherming van de woning bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in behandeling is en dat op voornoemd adres waterverbruik wordt geregistreerd, gelet op de bevindingen van de bevolkingsinspecteurs en de politie van Poperinge, er niet van overtuigen dat verzoeker op dat adres ook zijn hoofdverblijf heeft.
- Het tweede middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- XII-2798-14/15 De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2798-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.609 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div