← België

Arrest 184631 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 24/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.631 Rolnummer: A. 183837/XIV-29508 Zaak: Arrest 184631 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 24/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-02 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:17 Fiche Arrest nr 184.631 van 24 juni 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.631 van 24 juni 2008 in de zaak A. 183.837/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. BUYSSE, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 4 juni 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 29 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij het beroep tot hervorming van de beslissing van 13 september 2006 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling wordt verworpen; Gelet op de beschikking nr. 860 van 25 juni 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 9 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 maart 2008; XIV-29.508-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. BUYSSE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Kr. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX komt op 31 maart 2006 België binnen en vraagt op dezelfde dag om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 13 september 2006 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 29 september 2006 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Op de zitting van 7 maart 2007 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat S. BUYSSE, gehoord. 1.
  7. Op 29 maart 2007 neemt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep tot hervorming van de beslissing van 13 september 2006 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling wordt verworpen. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “
  8. Over de feitelijke gegevens van de zaak De feiten zoals vastgesteld in de bestreden beslissing worden niet betwist.
  9. Over de ontvankelijkheid van het beroep XIV-29.508-2/7 2.
  10. De verwerende partij roept een exceptie van onontvankelijkheid in omdat de voorliggende vordering het wettelijk vereiste belang ontbeert. De verwerende partij wijst erop dat de verzoekende partij getracht heeft de Belgische asielinstanties op intentionele wijze te misleiden door een vorige asielaanvraag te verzwijgen. 2.
  11. De verzoekende partij werpt de schending van het motiveringsbeginsel op nu de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissing niet is nagegaan waarom zij de waarheid verzwegen heeft over een eerdere asielaanvraag. De verzoekende partij stipt in haar verzoekschrift aan dat zij dit gegeven verzwegen heeft onder meer uit angst om teruggestuurd te worden en bevestigt dit ter terechtzitting. Zij benadrukt dat dit niets met de geloofwaardigheid van haar asielrelaas te maken heeft zodat de Commissaris-generaal ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen geloof gehecht kan worden aan haar verklaringen en vluchtmotieven. 2.
  12. Overeenkomstig artikel 235, §2, laatste lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en artikel 39/56, eerste lid, van de voormelde wet van 15 september 1980 kan een vreemdeling bij de Commissie een beroep instellen tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wanneer hij doet blijken van een benadeling of een belang. 2.
  13. Uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 15 september 2006 blijkt dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is dat de procedure van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zo veel als mogelijk aansluit bij die welke geldt voor de Raad van State. Dienvolgens kan voor de interpretatie van de verschillende begrippen en rechtsfiguren worden teruggegrepen naar die welke thans bij de Raad van State wordt aangewend (Gedr. St. Kamer, 2005-2006, nr. 51 2479/001, p. 116-117). 2.
  14. Volgens vaststaande rechtspraak van de Raad van State moet het belang persoonlijk, rechtstreeks, actueel, en geoorloofd zijn (R.v.St., nr.148.037, 4 augustus 2005). 2.
  15. Overeenkomstig het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” (R.v.St., nr. 116.620, 28 februari 2003; R.v.St., nr. 99.520, 5 oktober 2001; R.v.St., nr. 98.827, 12 september 2001) kan geen gunstig gevolg gegeven worden aan het beroep van een vreemdeling wanneer deze de Belgische autoriteiten bewust misleidt door te verzwijgen dat hij reeds eerder een asielaanvraag heeft ingediend. 2.
  16. Uit het administratief dossier blijkt dat de vingerafdrukken van de verzoekende partij, na vergelijking volgens het “Printrak”-systeem, overeenstemmen met de vingerafdrukken van XXX en dat verzoekende partij aldus reeds eerder asiel heeft aangevraagd onder een andere identiteit. Uit zowel het gehoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken als bij het Commissariaat-generaal blijkt dat de verzoekende partij uitdrukkelijk ontkende al eerder asiel te hebben aangevraagd (gehoorverslag van 12 april 2006, p. 5, gehoorverslag van 17 mei 2006, p. 2 en vragenlijst van 26 juni 2006, p. 10). Het gegeven dat verzoekende partij een eerdere asielaanvraag heeft ingediend in België is een pertinent gegeven, waarvan de Commissaris-generaal in alle redelijkheid kan stellen dat het “bewust verzwijgen” ervan de geloofwaardigheid volkomen ondermijnt (R.v.St., nr. 116.620, 28 februari 2003). De door verzoeker ingeroepen reden om te liegen, namelijk de angst om te worden teruggestuurd, kan niet als aanvaardbare verschoningsgrond voor zijn bedrieglijke handelwijze worden aangezien. 2.
  17. Uit het algemeen rechtsbeginsel van openbare orde “Fraus omnia corrumpit” (R.v.St., nr. 77.188, 25 november 1998) volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens ontstentenis van het wettelijk vereiste rechtmatig belang (R.v.St., nr. 116.540, 27 februari 2003, R.v.St., nr. 122.616, 9 september 2003). De exceptie wordt derhalve aanvaard. BESLUIT: Enig artikel. Het beroep wordt verworpen.”. XIV-29.508-3/7
  18. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord het volgende aanvoert omtrent het gebrek aan belang: “II. Niet-ontvankelijkheid van de vordering Verweerder stelt vast dat uit de bij het administratief dossier gevoegde stukken blijkt dat verzoeker, onder een andere identiteit, namelijk als XXX, op 5 juli 2005 reeds eerder asiel heeft aangevraagd in België. In dit dossier nam de Dienst Vreemdelingenzaken op 1 december 2005 een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten na een terugnameakkoord van Polen dat verantwoordelijk was voor de asielaanvraag van verzoeker aangezien hij in Polen asiel had aangevraagd op 30 december
  20. Van geen van deze aanvragen maakte verzoeker tijdens zijn huidige asielprocedure onder de naam XXX melding. Verzoeker verklaarde immers uitdrukkelijk dat zijn asielaanvraag van 31 maart 2006 zijn eerste asielaanvraag is in België en dat hij nooit eerder asiel aanvroeg in een ander land (p. 5 vraag 16 en p. 13 vraag 41 gehoorverslag DVZ; p. 2 gehoorverslag CGVS 17/5/6; p. 10 vragenlijst 26/6/6). Verweerder stelt dat, overeenkomstig het "fraus omnia corrumpit"- beginsel, geen gunstig gevolg kan worden verleend aan een beroep waarbij de verzoekende partij de overheid bij het nemen van de beslissing bewust heeft pogen te misleiden (R.v.St., nr. 82.924 van 18 oktober 1999; R.v.St., nr. 82.925 van 18 oktober 1999; R.v.St., nr. 89.451 van 31 augustus 2000; R.v.St., nr. 91.452 van 7 december 2000). De voorliggende vordering is dus onontvankelijk wegens ontstentenis van het wettelijk vereiste belang.”; 2.
  21. Overwegende dat verzoeker repliceert: “II MET BETREKKING TOT DE ONTVANKELIJKHEID Dat door verweerder het de aangehaalde bepalingen de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de zorgvuldigheidsverplichting geschonden wordt, wanneer hij verzoeker een beslissing laat geworden zonder eerst een grondig onderzoek in te stellen naar het asielrelaas van verzoeker. Schending van het artikel 1,A

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van het artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting. Dat de Commissariaat - Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen in bestreden beslissing het artikel 1,A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer hij geen rekening houdt met de door verzoeker neergelegde vragenlijst en geen grondig onderzoek instelt naar verzoekers vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie, bij een terugkeer van verzoeker naar zijn land. Dat de motivatie in de bestreden beslissing evenwel niet afdoende is. Dat in eerste instantie door eerste verweerder wordt nagelaten met alle door verzoekers aangebrachte essentiële elementen in overweging te nemen, waardoor de beslissing niet XIV-29.508-4/7 alleen onvoldoende gemotiveerd is, maar waar bovendien de zorgvuldigheidsverplichting geschonden wordt. «Dat de akte zelf moet motiveren waarom de door de vreemdeling ingeroepen argumenten ter staving van zijn of haar verzoek niet werden aanvaard. » (...) Dat door verweerder geen rekening werd gehouden met de argumenten vervat in het dossier. Dat in de bestreden beslissing door de Commissariaat - Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen nergens wordt gemotiveerd waarom argumenten vervat in het dossier niet werden weerhouden. Dat door de Commissariaat - Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen in bestreden beslissing voormelde argumenten niet aangehaald evenmin weerlegd werden. Dat de bestreden beslissing derhalve niet afdoende gemotiveerd is en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer deze nalaat te antwoorden op de argumenten . Dat verzoeker dienaangaande wil verwijzen naar de rechtsleer die stelt dat "de rechtscolleges alle opgeworpen middelen dienen te behandelen en uit de redengeving van hun beslissing moet blijken dat de door de diverse argumenten van partijen gestaafde middelen onderzocht zijn (...)” . Dat de Raad van State ondermeer in zijn arrest nr. 73.179 dd. 22 april 1998 uitdrukkelijk stelde dat ook de toenmalige Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verplicht is te antwoorden op de middelen vervat in de beroepsakte en op de stukken die regelmatig zijn ingediend (...). Dat derhalve ook een andere instantie zoals Commissariaat - Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatslozen vluchtelingen gehouden is alle argumenten en middelen van verzoekster te weerleggen. Dat in casu dit niet het geval is. Dat tenslotte door eerste verweerder zelf geen enkel grondig onderzoek werd doorgevoerd naar de mogelijke vervolging van verzoeker, in de zin van de Vluchtelingenconventie, bij een terugkeer naar zijn land. Dat het leven en de vrijheid van verzoeker bij een terugkeer naar Tsjetjenië in gevaar”; 2.
  1. Overwegende, wat de ontvankelijkheid betreft, dat het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” er niet aan in de weg staat dat een vreemdeling, wiens asielaanvraag bedrieglijk is bevonden, over het vereiste belang beschikt om die beslissing met een administratief cassatieberoep bij de Raad van State aan te vechten, tenzij zou blijken dat het beroep tot nietigverklaring zelf door bedrog is aangetast; dat de ongegrondheid van het beroep niet volstaat om dat beroep als niet ontvankelijk omwille van het voornoemd algemeen rechtsbeginsel te beschouwen; dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk is;
  2. Onderzoek van het beroep. 3.
  3. Overwegende dat artikel 14, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State bepaalt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie.”; XIV-29.508-5/7 -dat deze bepaling nodig werd geacht gezien de beperkte tijd waarover de Raad van State beschikt om over toelaatbaar verklaarde cassatieberoepen uitspraak te doen, en de voorrang welke bijgevolg aan de behandeling van deze beroepen moet worden gegeven; dat de kamer bij wie dergelijk beroep aanhangig is daarover immers uitspraak dient te doen binnen zes maanden na de beschikking over de toelaatbaarheid (artikel 20, § 4 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State); dat, gelet op deze vrij korte termijn in de memorie van wederantwoord de argumentatie moet worden samengevat die ter vernietiging van de aangevochten beslissing wordt aangebracht zodat de organen van de Raad van State hieraan geen tijd meer hoeven te besteden; dat alleen al aan de hand van dit processtuk het duidelijk moet zijn welke de precieze argumentatie van de verzoekende partij is; dat dit inhoudt dat de aangevoerde cassatiemiddelen er minstens summier, doch volledig in worden opgenomen; dat het in cassatiezaken dus niet voldoende is dat men door het indienen van een memorie van wederantwoord blijk geeft van zijn volgehouden belangstelling om de vernietiging van de aangevochten beslissing na te streven; dat bovendien in dit stuk de cassatiemiddelen moeten worden samengevat; dat de Raad van State uitspraak doet op basis van de samenvattende memorie met andere woorden van de argumentatie zoals deze door de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord is samengevat; dat over een middel dat niet (meer) in deze samenvatting is opgenomen geen uitspraak dient te worden gedaan; dat het dan ook niet volstaat te verwijzen naar het inleidend verzoekschrift of naar de hierin opgenomen uiteenzetting van de middelen; dat evenmin men zich ertoe mag beperken de argumentatie van de verwerende partij te weerleggen of te ontkrachten; dat de memorie van wederantwoord, wat het in het inleidend verzoekschrift ingediende eerste middel betreft, niet aan het bepaalde in artikel 14, derde lid, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 beantwoordt, zodat ervan uit dient te worden gegaan dat verzoeker het eerste middel niet handhaaft; dat, wat het tweede middel betreft, verzoeker in zijn memorie van wederantwoord de argumentatie van de verwerende partij bekritiseert en de jure een totaal nieuw middel ontwikkelt, zonder evenwel de argumentatie ter verbreking van de bestreden beslissing, ontwikkeld in het tweede middel van het inleidend verzoekschrift, te hernemen, noch samen te vatten; dat de verzoekende partij dan ook geen ontvankelijk rechtsmiddel heeft aangevoerd, XIV-29.508-6/7 BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.508-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.631 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.