← België

Arrest 184647 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.647 Rolnummer: A. 185252/XIV-29788 Zaak: Arrest 184647 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-02 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-29 08:17 Fiche Arrest nr 184.647 van 24 juni 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.647 van 24 juni 2008 in de zaak A. 185.252/XIV-29.788. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 53 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 20 september 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van 17 augustus 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, IVde Kamer, waarbij hem de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1352 van 9 oktober 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 april 2008; XIV-29.788-1/17 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die verschijnt in persoon, van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché S. BOTTU, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de procedure. Overwegende dat volgens de verzoekende partij de memorie van antwoord, opgesteld in naam van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uit de debatten moet worden geweerd daar deze inzake noch de verwerende noch de tussenkomende partij is en evenmin gemachtigd is om de Minister van Binnenlandse Zaken te vertegenwoordigen; dat wie tegenpartij was voor het rechtscollege ook in het administratief cassatieberoep voor de Raad van State als tegenpartij moet worden opgeroepen; dat, aangezien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de verwerende partij was in het geding voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, hij ook in het administratief cassatieberoep voor de Raad van State terecht als verwerende partij werd aangeduid; dat de exceptie van onontvankelijkheid van de memorie van antwoord bijgevolg niet gegrond is; 2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. XXX, die beweert van Iraakse nationaliteit te zijn, komt op 30 augustus 2004 het Rijk binnen en vraagt op 9 september 2004 om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. XIV-29.788-2/17 2.2. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist op 11 april 2007 dat verzoeker uitgesloten dient te worden van bescherming onder de vluchtelingenconventie en evenmin in aanmerking komt voor het statuut van subsidiaire bescherming. 2.3. Verzoeker tekent op 7 mei 2007 tegen deze weigeringsbeslissing hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 2.4. Het hoger beroep van verzoeker wordt opgeroepen op de zitting van 18 juli 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 2.5. Op deze zitting wordt de raadsman van verzoeker gehoord waarna de debatten worden gesloten en de beslissing in beraad wordt genomen. 2.6. Op 17 augustus 2007 neemt de wnd. voorzitter van de IVde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus aan verzoeker worden geweigerd. Dit arrest rust op volgende redengeving : “1.1. Het feitenrelaas van de bestreden beslissing luidt als volgt: “U verklaart de Irakese nationaliteit te bezitten, een soennitische Arabier te zijn en afkomstig te zijn van Bagdad. Volgens uw verklaringen was u sinds 1984 lid van de Baathpartij en behaalde u de graad van ‘Rafiq’. Na uw middelbare studies sloot u zich in 1991 aan bij de ‘Jihaz al-Amn al-Khas’ (JAK- Speciale Veiligheidsorganisatie), dat geleid werd door (Q.H.). Sindsdien werkte u steeds voor JAK. Al snel werd u benoemd tot assistent van de veiligheidsofficier van afdeling (‘Fouj’) 6 van een andere organisatie, namelijk de ‘al-Haris al-Jamhuri al-Khas’ (HJK - Speciale Republikeinse Garde). Deze HJK-afdeling, onder leiding van (H.M.S.al-N.), was gelegerd in het al-Rashid kamp in Bagdad en had als taak het bewaken van belangrijke wegen, het instaan voor de orde in Bagdad, het uiteenslaan van betogingen, het herstellen van de orde bij voetbalwedstrijden,… Uzelf behoorde niet tot de Fouj maar was verantwoordelijk voor de ‘veiligheid van de Fouj’. Dit hield in dat u als lid van het JAK controle moest uitoefenen over de ongeveer zevenhonderd leden van deze afdeling: ondervragen en bestraffen van deserteurs, schrijven van rapporten over de leden, straffen van leden die hun plicht niet deden, die in nachtclubs in dronken toestand over het regime begonnen te praten, hun functie misbruikten (mensen afpersen, controlepost opzetten, het privé gebruiken van dienstwapens,…), etc. Tevens stond u in voor de ondervraging van burgers die door de ‘fouj’ werden gearresteerd. Na uw ondervragingen werd beslist deze gearresteerden al dan niet door te sturen naar het hoofdkwartier van de JAK. Bij de val van het regime in 2003 werd uw regiment naar Adhemiyya (Bagdad) gestuurd, maar al snel werden jullie uitgeschakeld. U zou zijn XIV-29.788-3/17 ondergedoken bij uw oom en er de situatie hebben afgewacht. Toen u steeds meer berichten ontving dat vroegere Baathleden werden vervolgd zou u zich uiteindelijk genoodzaakt hebben gezien het land te ontvluchten. U zou in België zijn aangekomen op 30.08.2004 en diende een asielaanvraag in op 09.09.2004. Op 12.05.2005 werd uw moeder vermoord door de Badr-brigades en uw twee zussen bevinden zich momenteel in Turkije. Ter staving van uw asielaanvraag legt u volgende documenten voor: nationaliteitsbewijs, identiteitskaart, overlijdensattest van moeder.” 1.2. Verzoeker formuleert geen opmerkingen over deze feitenweergave. 2.1. Verzoeker stelt dat de bestreden beslissing de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen schendt. 2.2. Verweerder stelt dat de algemene motiveringsplicht, vervat in de wet van 29 juli 1991, tot doel heeft ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt volgens verweerder dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent en bovendien in het middel aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt, zodat het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu is bereikt. 2.3. De inroeping van de schending van de motiveringsplicht door verzoeker valt uiteen in twee delen. Aan de formele motiveringsplicht, zoals voorgeschreven in artikel 62 van de voormelde wet van 15 december 1980 en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, is voldaan. Deze formele motiveringsplicht heeft tot doel de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. (R.v.St., X., nr. 167.408, 2 februari 2007; R.v.St., X., nr. 167.852, 15 februari 2007). Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt. Verzoeker voert ook de schending van de materiële motiveringsplicht aan. Hierbij moet worden onderzocht of de feitelijke gegevens juist zijn, of die correct werden beoordeeld en of op grond daarvan niet in onredelijkheid tot een besluit is gekomen. Op grond van de devolutieve werking van het beroep en de volle rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is de materiële motiveringsplicht het voorwerp van deze beslissing. Hiervoor wordt verwezen naar wat volgt. 3.1. De motivering van de bestreden beslissing luidt als volgt: “Rekening houdend met uw profiel, dat door de Commissaris-generaal als geloofwaardig wordt beoordeeld, kan in uwen hoofde een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie niet worden uitgesloten. Niettegenstaande het bestaan van een mogelijks terechte vrees voor vervolging dient in het kader van het onderzoek ten gronde van uw asieldossier te worden nagegaan of u niet valt onder de in artikel 1, F (

  1. a)van de Vluchtelingenconventie en artikel 55/2 van de wet van 15 december 1980 vermelde uitsluitingsgrond. Volgens artikel 1, paragraaf F, lid a van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 zijn de bepalingen van het verdrag immers niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in artikel 7 van het Statuut inzake het Internationale Strafhof (aangenomen te Rome op 17/7/1998). Dit artikel bepaalt dat onder misdaad tegen de menselijkheid een van de volgende XIV-29.788-4/17 handelingen verstaan wordt, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval: “… (
  2. a)moord; (
  3. b)uitroeiing; (
  4. c)slavernij; (
  5. d)deportatie of gedwongen overbrenging van bevolking; (
  6. e)gevangenneming of elke andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met de fundamentele regels van internationaal recht; (
  7. f)marteling; (
  8. g)verkrachting, seksuele slavernij, gedwongen prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie, of elke andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst; (
  9. h)vervolging van een identificeerbare groep of collectiviteit op politieke, raciale gronden of gronden betreffende nationaliteit, op etnische, culturele of godsdienstige gronden of op grond van het geslacht, zoals nader omschreven is in het derde punt, of op andere gronden die algemeen ontoelaatbaar worden geacht krachtens het internationaal recht, in verband met in dit punt bedoelde handelingen of een misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft; (
  10. i)gedwongen verdwijningen; (
  11. j)apartheid; (
  12. k)andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt.” De uitsluitingsclausule betreft niet enkel directe daders van dergelijke misdrijven maar ook medeplichtigen, voor zover deze hebben gehandeld met kennis van de praktijken en geen enkele omstandigheid hen van hun individuele verantwoordelijkheid vrijstelt. Medeplichtigheid (cfr. art 25§3 Statuut van Rome van 17 juli 1998) houdt in dat een art. 1F-misdrijf werd gepleegd –eventueel door iemand anders-, dat de persoon in kwestie hierbij een materiële bijdrage heeft geleverd, met een onmiddellijk effect op het misdrijf en dat hij de bedoeling had dat het misdrijf werd gepleegd. Welnu, de veiligheids- en inlichtingendiensten onder het Baath-regime, met Saddam Hoessein aan het hoofd ervan, hebben zich schuldig gemaakt aan grove schendingen van de mensenrechten. Het is algemeen bekend dat deze diensten op systematische en georganiseerde wijze geweld en foltering toepasten en burgers spoorloos lieten verdwijnen. Deze praktijken worden uitgebreid beschreven in rapporten van Amnesty International, Human Rights Watch, International Federation for Human Rights, diverse VN- publicaties,…. Het is niet aannemelijk dat een betaalde medewerker van de onderscheiden inlichtingen- en veiligheidsdiensten onwetend was over de aard van de activiteiten van deze diensten, aangezien deze met het oog op het zaaien van terreur vrij openlijk verkondigd werden door het regime. Op grond van deze informatie kan er dan ook van worden uitgegaan dat u op de hoogte was van wat er binnen deze dienst gebeurde, hetgeen u overigens niet ontkent: u was er zich van bewust dat onder andere mensen die een staatsgreep trachten te plegen of lid waren van een oppositiebeweging werden mishandeld en gefolterd (TG2 p.14-15). Uit onze informatie, waarvan u een kopie vindt in het administratief dossier, blijkt dat de JAK algemeen bekend stond voor haar betrokkenheid bij ernstige schendingen van de mensenrechten. De JAK was het zenuwcentrum van het veiligheidsnetwerk van het Saddam-regime en bestond uit de meest loyale elementen van de Baath-veiligheidsdiensten. Het takenpakket van de JAK was zeer uitgebreid en hield ondermeer het onderdrukken van alle binnenlandse oppositie tegen het regime in. Wat uzelf betreft verklaart u dat het JAK binnen elke veiligheids- en inlichtingendienst haar mannetjes had om deze diensten te kunnen controleren. Uw taak als JAK-gezant binnen de HJK bestond er voornamelijk uit dat u verantwoordelijk was voor de veiligheid van de ‘fouj’, hetgeen ondermeer inhield dat u instond voor het vervolgen van de leden van de ‘fouj’, het schrijven van rapporten over hen,… U stelt dat uw ‘fouj’ een “vechterseenheid” was, “strijders” (TG2 p.3). XIV-29.788-5/17 Uw afdeling trad echter ook op tegen burgers die de orde verstoorden. U verwijst naar taken als ‘controle van wegen en bruggen’, ‘acties tegen betogers bij niet officiële betogingen’, ‘optreden bij chaotische toestanden en betogingen’ enz. (TG2 p.4). Burgers die tijdens zulke acties door de ‘fouj’ werden opgepakt, werden in principe door u ondervraagd. Nadien stuurde u hen eventueel door naar het hoofdbureau van de JAK. U geeft het voorbeeld van rellen n.a.v. een voetbalwedstrijd, waarbij u de oproerkraaiers verhoorde. “Als dan blijkt dat ze behoren tot een vijandige groep (en de rellen willen misbruiken voor politieke doeleinden), dan neemt het gehoor een andere wending. Als hij niet onmiddellijk bekent, wordt hij fysiek aangepakt. Hij wordt geconfronteerd met de bewijzen, als hij niet bekent wordt hij aangepakt, geslagen, maar volgens de wet.” (TG1 p.14). U wijst erop dat uzelf de mensen slechts aan een eerste verhoor onderwierp, waarbij men ‘niet hard’ mocht slaan. Men mocht mensen slagen in de mate dat de wet het toeliet, waarbij men niet mag vergeten, zo stelt u, dat Irak een derdewereld land is en de folteringen van de Amerikanen “erger zijn dan die van ons regime”. Op p.15 van het eerste gehoor op het Commissariaat-generaal legt u verder uit wat ‘slagen volgens de wet’ volgens u inhield en vertelt u dat jullie slechts een eerste verhoor deden, “wij maken ze klaar voor verdere verhoren, voor het grote verhoor.” In deze dient erop gewezen dat de toenmalige Iraakse Grondwet in artikel 22(
  13. a)het gebruik van foltering inderdaad verbood en artikel 333 van de Strafwet elke ambtenaar die overging tot foltering strafbaar maakte. Amnesty International wijst er evenwel op dat deze wetten dode letter bleven en het gebruik van foltering zondermeer geaccepteerd werd (zie ondermeer: Iraq. Systematic torture of political prisoners, AI, 2001). Mensen die verdacht werden van oppositie werden doorgestuurd naar de JAK waar de verdere verhoren plaatsvonden. “Als er tijdens de verhoren bij ons dingen aan het licht komen, dan worden ze doorverwezen. Ik schrijf dan een rapport en daarna wordt beslist of ze worden doorverwezen. Dit kan als tijdens het gehoor duidelijk werd dat hij de provocatie was van de rellen of als iemand andere doelen heeft met die rellen (bv. als hij dat wil gebruiken voor een oppositiepartij…” (TG2 p.15). Met wat er verder met hen gebeurde “hadden wij niets te maken”, zo zegt u, al wijst u er vergoelijkend op dat daar “niet iedereen wordt mishandeld, als ze bekennen” (TG1 p.15). U zegt ervan op de hoogte te zijn geweest dat er bij de JAK, waar u de arrestanten naartoe stuurde, werd mishandeld. Het systematische karakter van deze mensenrechtenschendingen wordt in allerlei rapporten gedocumenteerd. Andere voorbeelden van burgers die u ondervroeg waren valsemunters, smokkelaars van elektrische generatoren, vervalsers van lidkaarten en briefpapier van HJK. Deze mensen worden na een kort verhoor doorverwezen naar het hoofdbureau van JAK. Op de vraag of ze daar werden mishandeld, antwoordt u: “Dat hangt er van af. Voor zulke belangrijke daden wel. Het vervalsen van munten leidt in principe tot de doodstraf, na een rechtszaak” (TG2 p.19). U geeft hierbij het voorbeeld van iemand van de Fouj die in 1994 op die manier werd geëxecuteerd (na een rechtszaak). Dat u een substantiële bijdrage leverde aan de mishandeling van burgers staat vast: na henzelf te hebben verhoord stuurde u valsemunters, opposanten en ordeverstoorders door naar de centrale dienst van de JAK. Hier werden ze verder ondervraagd, hetgeen gepaard ging met mishandeling. De feiten die gebeurden bij JAK kunnen worden beschreven als misdaden tegen de menselijkheid. Op basis van deze verklaringen en rekening houdend met de beschikbare informatie over deze diensten, moet geconcludeerd worden dat er ernstige aanwijzingen zijn dat u bewust hebt deelgenomen aan of medeverantwoordelijk bent voor misdrijven tegen de menselijkheid zoals bepaald in artikel 7 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal XIV-29.788-6/17 Strafgerechtshof van 17 juli 1998. Het is in dit verband van belang erop te wijzen dat uit uw verklaringen blijkt dat u uit vrije wil en vanuit opportunistische overwegingen besloot zich aan te sluiten bij de JAK. U stelt dat u na uw middelbare studies een diploma had maar dat toetreding tot de JAK u een betere toekomst zou verschaffen (TG1 p.3). Met behulp van uw invloedrijke clan zou u de kans hebben gekregen binnen te geraken bij de JAK (TG1 p.6), hetgeen u beschouwt als één van de hoogste posities die men kan bereiken (TG1 p.13). U kreeg een goed loon, een auto en een appartement. U was in dienst van deze organisatie sinds 1991 tot aan de val van het regime twaalf jaar later, in 2003. Uit geen van uw verklaringen kan afgeleid worden dat u gepoogd heeft geweld te voorkomen. Uit uw motivatie en verklaringen blijkt bovendien dat u zich bewust was van en bovendien sterk kon vereenzelvigen met de activiteiten en werkwijze van de JAK. Wanneer u de vraag wordt gesteld wat u er van vond dat mensen bij JAK werden gefolterd, luidt uw antwoord: “Iedereen die iets doet, mag ook iets verwachten” (TG2 p.16). U voegt er aan toe: “Als er geen maatregelen worden getroffen en niet hard wordt opgetreden tegen Arabieren in ’t algemeen, gebeuren er nog veel ergere dingen. Arabieren volgen enkel instructies en wetten als ze bang zijn, wij zijn onbeschofte mensen” (TG2 p.16). Ook wanneer wordt gepeild naar uw houding ten aanzien van de martelingen en executies waaraan u mogelijks aan de basis heeft gelegen, antwoordt u laconiek: “Ik werkte niet in een voetbalclub! Ik was geen zelfstandige. Ik werkte voor een belangrijke instantie van de regering, ik voerde uit wat ik moest” (TG2 p.20). Evenmin blijkt u geneigd te zijn afstand te nemen van de grove schendingen van de mensenrechten zoals begaan door het Baathregime. Over de gebeurtenissen in Halabja stelt u dat “niemand de waarheid erover weet” (TG2 p.12) en wanneer het gaat over de folterpraktijken van het Saddamregime stelt u: "Wat je ziet over Saddam ging over individuen die poogden de veiligheid van de staat te ondermijnen, de President probeerden te vermoorden of bommen legden” (TG2 p.13). Om bovenvermelde redenen dient u te worden uitgesloten van bescherming onder de Vluchtelingenconventie in de zin van art.1, par. F (
  14. a)van de Conventie van Genève en komt u evenmin in aanmerking voor het statuut van subsidiaire bescherming. De door u aangebrachte documenten kunnen uw identiteit en overlijden van uw moeder aantonen, welke hier niet in twijfel werden getrokken en zijn bijgevolg niet in staat bovenstaande appreciatie in positieve zin om te buigen.” 3.2. Verzoeker stelt dat deze motivering een schending uitmaakt van de artikelen 48/3 tot en met 48/5, 52, 55/2 en 57/6 van de voormelde wet van 15 december 1980 en van artikel 1, F, van de conventie van Genève 28 juli 1951. Verzoeker stelt dat de bewijslast voor de toepassing van de uitsluitingsclausules onder artikel 1, F, van de vluchtelingenconventie rust bij de asielinstanties. Volgens verzoeker is de bewijslast vergelijkbaar met die in het strafrecht en moet aan de asielzoeker het voordeel van de twijfel worden toegekend als hieraan niet is voldaan. De algemene informatie waarover verweerder beschikt en die aan het administratief dossier is toegevoegd is niet voldoende om aan te tonen dat verzoeker of de afdeling waarover hij mee de verantwoordelijkheid droeg bij de mensenrechtenschendingen betrokken was. Volgens verzoeker slaagt verweerder er niet in om zijn medeplichtigheid voldoende aan te tonen. Van medeplichtigheid kan volgens verzoeker maar sprake zijn indien hij kennis had van de praktijken die een misdrijf tegen de menselijkheid uitmaakten en hiervoor individuele verantwoordelijkheid heeft. Verzoeker stelt dat hij wel degelijk op de hoogte was van folterpraktijken en andere mishandelingen binnen het veiligheidsapparaat van het Iraakse regime en van de Baath-partij, XIV-29.788-7/17 maar dat hij geen weet had van handelingen, zoals omschreven in artikel 7 van het statuut van Rome, gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, binnen de afdeling waar hij tewerkgesteld was. Verzoeker beweert dat hij geen individuele verantwoordelijkheid heeft, aangezien hij ten aanzien van de praktijken geen invloed kon uitoefenen en geen substantiële bijdrage kon leveren. 3.3. Verweerder stelt dat de asielprocedure volgens andere regels verloopt dan strafrechtelijke procedures en geen formele bewijzen zoals in het strafrecht vereist. Artikel 1, F, van de Vluchtelingenconventie stelt dat de hoedanigheid van vluchteling kan worden geweigerd indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling dader of medeplichtige is van misdaden tegen de menselijkheid. Er zijn volgens verweerder ernstige redenen om de betrokkenheid bij misdaden tegen de menselijkheid te veronderstellen: - vooreerst blijkt uit de informatie dat de veiligheidsdienst (JAK) waarbij verzoeker was tewerkgesteld betrokken was bij systematische en ernstige schendingen van de mensenrechten, onder andere in het kader van het onderdrukken van alle binnenlandse oppositie; - voorts blijkt verzoeker vrijwillig (uit carrière-overwegingen) tot deze zeer bijzondere dienst te zijn toegetreden en gedurende twaalf jaar dienst nooit een poging te hebben ondernomen om zich aan deze dienst of zijn taken te onttrekken, ondanks het feit dat hij op de hoogte was van de folterpraktijken binnen de JAK; - verder blijkt uit verzoekers verklaringen dat hij een betekenisvolle functie had binnen de JAK, dat hij er de macht had om te beslissen over het lot van de ondervraagden en het doorsturen van personen naar een hoger niveau; - nog blijkt uit verzoekers verklaringen dat hij herhaaldelijk persoonlijk burgers (vb. gearresteerde betogers) heeft ondervraagd, dat tijdens deze verhoren mensen werden geslagen en dat hij vermoedelijke opposanten heeft doorgestuurd naar andere afdelingen van de JAK- veiligheidsdienst ondanks het feit dat hij op de hoogte was van de (ernstige) mishandelpraktijken binnen deze afdelingen; - tenslotte blijkt uit verzoekers verklaringen op geen enkele wijze dat hij gepoogd heeft het gebruik van geweld tegen burgers te verijdelen en dat hij zelfs nu nauwelijks afstand neemt van de folterpraktijken door laconiek te verklaren dat hij “niet voor een voetbalclub maar voor een belangrijke overheidsdienst werkte en uitvoerde wat hij moest”, door over de folterpraktijken te stellen dat “wie iets doet, ook iets mag verwachten” en door over de gebeurtenissen in het Koerdische dorp Halabja enkel te verklaren dat “niemand de waarheid erover weet”. Er zijn volgens verweerder ernstige redenen om aan te nemen dat verzoeker een substantiële bijdrage heeft geleverd aan mishandeling van burgers en minstens medeplichtig is aan misdaden tegen de menselijkheid zoals bepaald in artikel 7 van het Statuut van Rome van 17 juli 1998 van het Internationaal Strafgerechtshof. Uit het administratief dossier blijkt duidelijk dat verzoeker op de hoogte was van de wanpraktijken van de JAK-veiligheidsdienst en van de mishandeling en foltering op grote schaal van burgers. Uit verzoekers verklaringen blijkt dat hij burgers heeft ondervraagd en geslagen en dat hij besliste over het doorsturen van vermoedelijke opposanten naar andere afdelingen van de JAK veiligheidsdienst ondanks het feit dat hij op de hoogte was van de folterpraktijken binnen deze afdeling. Hij heeft volgens verweerder aldus een materiële bijdrage geleverd bij het plegen van misdrijven tegen de menselijkheid. Verzoeker is uit vrije wil toegetreden tot de JAK en heeft op geen enkel moment afstand genomen van de activiteiten en praktijken van de JAK. XIV-29.788-8/17 3.4. Verzoeker motiveert niet op welke manier de artikelen 48/3 tot en met 48/5, 52 en 57/6 van de voormelde wet van 15 december 1980 zijn geschonden, bijgevolg is het middel gepuurd uit de beweerde schending van “de artikelen 48/3 tot en met 48/5, 52 en 57/6” van de voormelde wet van 15 december 1980, onontvankelijk. De verklaringen van de kandidaat-vluchteling kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84). De verklaringen moeten plausibel zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten. De bewijslast berust in beginsel bij de kandidaatvluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas en bij het ontbreken van dergelijke elementen, hiervoor een aannemelijke verklaring dient te geven. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 54). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet niet bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn (R.v.St., X., nr. 43.027,19 mei 1993) en het is niet de taak van de Raad zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (R.v.St., X., nr. 136.692, 26 oktober 2004). Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker gedetailleerd informatie kan geven over Bagdad, over de Iraakse veiligheidsdienst en over zijn opleiding en activiteiten binnen deze veiligheidsdienst (administratief dossier, stukken 7 en 19). Hij zette zijn relaas op een coherente en geloofwaardige manier uiteen. De Commissaris-generaal oordeelde aldus terecht dat verzoeker de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in artikel 1, A

(2), van de Conventie van Genève van 28 juli 1951. Te dezen is het echter aangewezen te onderzoeken of verzoeker, gezien zijn lidmaatschap van de veiligheidsdienst niet valt onder artikel 55/2 van de voormelde wet van 15 december 1980, juncto artikel 1, F
(1), van de Conventie van Genève van 28 juli 1951. Luidens deze artikelen wordt een vreemdeling uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer hij wetens en willens heeft aangezet tot of anderszins deelgenomen aan een misdrijf tegen de menselijkheid, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot dit misdrijf in het leven te roepen. In casu kan worden verwezen naar artikel 7 van het Statuut van Rome van 17 juli 1998 inzake het Internationaal Strafhof, dat omschrijft wat onder misdrijven tegen de menselijkheid dient te worden verstaan. Opdat er daadwerkelijk sprake kan zijn van misdrijven tegen de menselijkheid moeten de handelingen deel uitmaken van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking krachtens artikel 7 van het Statuut van Rome van 17 juli 1998 inzake het Internationaal Strafhof. Uit de informatie in het administratief dossier en uit diverse publieke mensenrechtenverslagen en internationale rapporten blijkt dat het Iraakse regime onder Saddam zich met behulp van de veiligheidsdiensten schuldig maakte aan een stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking (administratief dossier, stuk 20; U.S. Department of State, Country Report on Human Rights Practices, 2002- Iraq, www.refworld.org; Amnesty International, Iraq: Respecting International Humanitarian Law- Background Information, 25 maart 2003, www.refworld.org; International Crisis Group, Iraq Backgrounder: What Lies Beneath, 1 oktober 2002, www.refworld.org). Zowel uit verzoekers verklaringen als uit de algemene informatie, die werd opgenomen in het administratief dossier, blijkt dat de veiligheidsdienst waarbij verzoeker was tewerkgesteld betrokken was bij systematische en XIV-29.788-9/17 ernstige schendingen van de mensenrechten (administratief dossier, stuk 4; stuk 20). Deze schendingen, met name de willekeurige arrestaties en martelpraktijken, dienen te worden gekwalificeerd als misdrijf tegen de menselijkheid in de zin van artikel 7 van het Statuut van Rome van 17 juli 1998 inzake het Internationaal Strafhof. Opdat er van deelneming aan zulk misdrijf sprake kan zijn, moet de vreemdeling individuele verantwoordelijkheid treffen, hetgeen inhoudt dat hij een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het misdrijf, wetende dat zijn handelen het misdrijf vergemakkelijkte (UNHCR, Guidelines on international Protection: Application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating tot the Status of Refugees, 2003, p.6). Verzoeker verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat hij bewust koos om naar de speciale veiligheidsdienst te gaan, aangezien dit voor hem een betere toekomst vormde (administratief dossier, stuk 7, p.3). Hij verklaarde dat hij behoorde tot het centrale deel van de “Jihaz Amn Al Khass” (JAK) en dat hij verantwoordelijk was voor het vervolgen van de leden van de Fouj en voor het straffen van mensen die hun plichten niet deden (administratief dossier, stuk 7, p. 10). Verzoeker moest persoonlijk de mensen ondervragen die een overtreding hadden begaan, was daarbij lijfelijk aanwezig, schreef hierover een rapport en gaf aanbevelingen (administratief dossier, stuk 7, p. 12, 14). Hoewel verzoeker steeds ontkende dat er bij hem in de dienst folteringen plaatsvonden, geeft hij wel toe dat deze plaatsvonden in het kamp waarnaar hij mensen stuurde en kan hij een gedetailleerde omschrijving geven van de mishandelingen die daar plaatsvonden (administratief dossier, stuk 4, p. 11, 17). Verzoeker verklaart dat hij kennis had van het feit dat mensen die bijvoorbeeld een poging hadden gedaan om de president te vermoorden, die iemand van de regering hadden gedood, die een staatsgreep probeerden te organiseren of die lid waren van een oppositiebeweging werden mishandeld en gefolterd en dat “men zo een bekentenis krijgt”. Hij voegt daaraan toe dat als er tijdens de verhoren bij zijn dienst iets aan het licht kwam, de betrokken personen werden doorverwezen, nadat hij een rapport erover had geschreven en geeft hierbij uitdrukkelijk het voorbeeld van iemand die rellen organiseerde met als doel deze te gebruiken voor een oppositiepartij (administratief dossier, stuk 4, p. 15). Verzoeker verklaart dat valsemunters door hem werden verhoord en doorgestuurd naar de hoofdinstantie van de JAK-veiligheidsdienst. Hij geeft toe dat deze personen daar, afhankelijk van de daden die ze hadden begaan, werden mishandeld (administratief dossier, stuk 4, p. 19). In het verzoekschrift bevestigt verzoeker nogmaals dat hij mede verantwoordelijkheid droeg over zijn afdeling en dat hij wel degelijk op de hoogte was van de folterpraktijken en andere mishandelingen binnen het veiligheidsapparaat van het Iraakse regime en de Baathpartij (rechtsplegingsdossier, stuk 1, p. 4 en 6). Uit dit alles blijkt aldus dat verzoeker wel degelijk met kennis van zaken een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de misdrijven tegen de menselijkheid die door de Iraakse veiligheidsdienst werden begaan ten tijde van het regime van Saddam. Dit alles klemt des te meer, daar uit verzoekers verklaringen blijkt dat hij bewust heeft deelgenomen aan en zich sterk vereenzelvigde met de activiteiten van de JAK-veiligheidsdienst. Zo verklaarde hij dat niemand de waarheid weet over wat er gebeurde te Halabja, dat de situatie volgens zijn geweten nu erger is en dat er nu meer wordt gefolterd dan vroeger (administratief dossier, stuk 4, p. 12). Hij geeft toe dat mensen op hun dienst werden geslagen om hen onder druk te zetten (administratief dossier, stuk 4, p. 13-14). Op de vraag “En als die eventueel werden gefolterd, wat vond u daarvan?” antwoordt verzoeker laconiek dat “iedereen die iets doet, iets terug mag verwachten” en dat “Arabieren instructies en wetten enkel volgen als ze bang zijn, zodat als er niet hard wordt opgetreden, er nog ergere dingen XIV-29.788-10/17 gebeuren” (administratief dossier, stuk 4, p. 16). Op de vraag of hij nooit heeft gedacht dat het te ver ging dat er wellicht mensen werden gemarteld en geëxecuteerd nadat hij ze had ondervraagd, gerapporteerd en doorverwezen, antwoordde verzoeker: “Ik werkte niet in een voetbalclub. (…)Ik werkte voor een belangrijke instantie van de regering. Ik voerde uit wat ik moest. (…)Ik werkte bij de regering. Als de regering fout doet, moet ik meedoen” (administratief dossier, stuk 4, p. 20-21). Op de vraag of hij er geen probleem mee had dat er in het JAK veel mensen werden gefolterd die hij had doorgestuurd, antwoordde verzoeker als volgt: “(…)De wet moet toegepast worden. Als ik zelf iets fout doe zal de wet op mij toegepast worden. Ik ben gewoon lid van een grote organisatie” (administratief dossier, stuk 4, p. 22). Het voorafgaande in acht genomen, dient verzoeker te worden uitgesloten van de vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 55/2 van de voormelde wet van 15 december 1980, juncto artikel 1, F
(1), van de Conventie van Genève van 28 juli
  1. 4.
  2. Volgens verzoeker schendt de bestreden beslissing artikel 55/4 van de voormelde wet van 15 december 1980 en de artikelen 4 tot en met 10 van de Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft en de inhoud van deze verleende bescherming. Hij stelt dat hij in aanmerking komt voor het subsidiair beschermingsstatuut op basis van zijn verklaringen in het kader van zijn asielprocedure. 4.
  3. Verweerder verwijst naar artikel 55/4 van de voormelde wet van 15 december 1980, dat bepaalt dat een vreemdeling wordt uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus indien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij een misdrijf heeft gepleegd of anderszins heeft deelgenomen aan dit soort misdrijf. 4.
  4. In zoverre de schending van de artikelen 4 tot en met 10 van de Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van deze verleende bescherming, wordt aangevoerd dient te worden vastgesteld dat richtlijnen geen directe werking hebben. Een richtlijn kan wel directe werking hebben in de Belgische rechtsorde wanneer de omzettingstermijn voor de betrokken richtlijn is verstreken en indien zij duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen bevat die geen verdere substantiële interne uitvoeringsmaatregel door de communautaire of nationale overheden behoeven om het gewild effect op nuttige wijze te bereiken. De omzettingstermijn van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van deze verleende bescherming, verstreek blijkens artikel 38 van voormelde richtlijn op 10 oktober 2006, datum waarop deze ook effectief in Belgisch recht werd omgezet. Artikel 55/4, §1, a), van de voormelde wet van 15 december 1980 bepaalt dat een vreemdeling wordt uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven. Luidens het laatste lid van artikel 55/4 is deze bepaling tevens van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan zulke misdrijven. Aangezien verzoeker heeft deelgenomen aan de misdrijven tegen de menselijkheid die door de JAK-veiligheidsdiensten werden begaan, dient hij te worden uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus.”. XIV-29.788-11/17
  5. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
  6. Overwegende dat in het eerste middel, afgeleid uit de schending van de algemene motiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 1 F a) van de vluchtelingenconventie en van de artikelen 39/65, 55/2 en 55/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (vreemdelingenwet), verzoeker laat gelden dat in de bestreden beslissing niet afdoende wordt aangetoond dat er “ernstige aanwijzingen” zijn dat hij een substantiële bijdrage heeft geleverd aan onmenselijke handelingen die deel uitmaken van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, wetende dat zijn handelen het misdrijf vergemakkelijkte, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich beperkt tot het verwijzen naar algemene informatie over Irak, waaruit blijkt dat “het Iraakse regime onder Saddam zich met behulp van de veiligheidsdiensten schuldig maakte aan een stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking”, dat het feit dat hij deel uitmaakte van het veiligheidsapparaat onder Saddams regime echter geen voldoende bewijs is voor zijn “substantiële bijdrage” en “individuele verantwoordelijkheid”, dat hoewel hij steeds heeft toegegeven kennis te hebben van mishandelingen binnen de veiligheidsdiensten, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenmin afdoende aantoont dat hij “wist dat zijn handelen het misdrijf vergemakkelijkte” noch dat zijn daden enige positieve of negatieve invloed hadden op “handelingen die deel uitmaken van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking”; 3.1.
  7. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de wet van 29 juli 1991 niet van toepassing is op de beslissingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die als administratief rechtscollege jurisdictionele beslissingen uitspreekt, dat de Raad van State als administratieve cassatierechter zich niet in de plaats mag stellen van de feitenrechter wanneer deze zijn eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent, dat het arrest omstandig uiteenzet waarom verzoeker wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus en subsidiaire beschermingsstatus; 3.1.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat de niet- toepasselijkheid van de wet van 29 juli 1991 geen afbreuk doet aan de in het middel aangehaalde rechtsbeginselen en artikelen van de vreemdelingenwet die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opleggen zijn arresten met redenen te omkleden, dat indien het eerste middel zou aansturen op een louter feitelijke beoordeling, de Raad het cassatieberoep niet toelaatbaar had verklaard, hetgeen hij niet heeft gedaan; XIV-29.788-12/17 3.1.
  9. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van een administratief rechtscollege zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat uit de samenvatting van het middel voldoende blijkt dat dit niet kan verengd worden tot een kritiek op de feitelijke beoordeling van de zaak door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat verzoeker in wezen een motiveringsgebrek aanvoert, met name dat niet afdoende wordt uiteengezet waarom er ernstige aanwijzingen zijn dat hij “een substantiële bijdrage heeft geleverd aan onmenselijke handelingen (...) wetende dat zijn handelen het misdrijf vergemakkelijkte”; dat een beschikking van toelaatbaarheid geenszins verhindert een cassatiemiddel later onontvankelijk te verklaren omdat het gericht blijkt te zijn tegen de feitelijke beoordeling van de zaak; dat de vaststelling van de toelaatbaarheid immers enkel voorlopig is en loopt niet vooruit op de verdere afhandeling van het beroep (Parl. St. Kamer 2005-06, nr. 2479/001, DOC 51, memorie van toelichting, p. 42); dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker laat gelden, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet beperkt tot een verwijzing naar algemene informatie in verband met de veiligheidsdiensten van Saddam en tot zijn lidmaatschap van dit veiligheidsapparaat, maar terdege nader wordt ingegaan op zijn individuele verantwoordelijkheid voor misdrijven tegen de menselijkheid; dat terzake inzonderheid wordt overwogen: “Verzoeker verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat hij bewust koos om naar de speciale veiligheidsdienst te gaan, aangezien dit voor hem een betere toekomst vormde (administratief dossier, stuk 7, p.3). Hij verklaarde dat hij behoorde tot het centrale deel van de “Jihaz Amn Al Khass” (JAK) en dat hij verantwoordelijk was voor het vervolgen van de leden van de Fouj en voor het straffen van mensen die hun plichten niet deden (administratief dossier, stuk 7, p. 10). Verzoeker moest persoonlijk de mensen ondervragen die een overtreding hadden begaan, was daarbij lijfelijk aanwezig, schreef hierover een rapport en gaf aanbevelingen (administratief dossier, stuk 7, p. 12, 14). Hoewel verzoeker steeds ontkende dat er bij hem in de dienst folteringen plaatsvonden, geeft hij wel toe dat deze plaatsvonden in het kamp waarnaar hij mensen stuurde en kan hij een gedetailleerde omschrijving geven van de mishandelingen die daar plaatsvonden (administratief dossier, stuk 4, p. 11, 17). Verzoeker verklaart dat hij kennis had van het feit dat mensen die bijvoorbeeld een poging hadden gedaan om de president te vermoorden, die iemand van de regering hadden gedood, die een staatsgreep probeerden te organiseren of die lid waren van een oppositiebeweging werden mishandeld en gefolterd en dat “men zo een bekentenis krijgt”. Hij voegt daaraan toe dat als er tijdens de verhoren bij zijn dienst iets aan het licht kwam, de betrokken personen werden doorverwezen, nadat hij een rapport erover had geschreven en geeft hierbij uitdrukkelijk het voorbeeld van iemand die rellen organiseerde met als doel deze te gebruiken voor een oppositiepartij (administratief dossier, stuk 4, p. 15). Verzoeker verklaart dat valsemunters door hem werden verhoord en doorgestuurd naar de hoofdinstantie van de JAK-veiligheidsdienst. Hij geeft toe dat deze personen daar, afhankelijk van de daden die ze hadden begaan, werden mishandeld (administratief dossier, stuk 4, p. 19). In het verzoekschrift bevestigt verzoeker nogmaals dat hij mede verantwoordelijkheid droeg over zijn afdeling en dat hij wel degelijk op de hoogte was van de folterpraktijken en andere mishandelingen binnen het veiligheidsapparaat van het Iraakse regime en de Baathpartij (rechtsplegingsdossier, stuk 1, p. 4 en 6). Uit dit alles blijkt aldus dat verzoeker wel degelijk met kennis van XIV-29.788-13/17 zaken een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de misdrijven tegen de menselijkheid die door de Iraakse veiligheidsdienst werden begaan ten tijde van het regime van Saddam.”; dat uit de aldus door hem vastgestelde omstandigheden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wettig heeft kunnen besluiten dat verzoeker wel degelijk met kennis van zaken een substantiële bijdrage heeft geleverd aan misdrijven tegen de menselijkheid die door de Iraakse veiligheidsdienst werden begaan ten tijde van het regime van Saddam; dat het eerste middel in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3.2.
  10. Overwegende dat in het tweede middel, afgeleid uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van artikel 39/76 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980, verzoeker laat gelden dat wordt verwezen naar rapporten van het US Department of State, van Amnesty International en van de International Crisis Group welke voorheen door geen van de partijen in de asielprocedure waren aangehaald, noch door de Dienst Vreemdelingenwet noch door het Commissariaat-generaal, noch door hemzelf, dat deze rapporten niet voldoen aan de voorwaarde zoals bepaald in artikel 39/76, § 1, van de vreemdelingenwet (ze zijn niet opgenomen in het inleidende verzoekschrift, ze dateren van 2002-2003 en konden dus al vroeger ingeroepen worden en bovendien zijn ze niet aangebracht door één der partijen in het geding) en bijgevolg vallen buiten de onderzoeksbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en dan ook niet aangewend hadden mogen worden ter motivering van de bestreden beslissing; 3.2.
  11. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het middel feitelijke grondslag mist daar ze reeds landeninformatie had aangebracht, dat uit de antwoordendocumenten van Cedoca duidelijk blijkt dat een beroep gedaan werd op deze drie rapporten en nog tal van andere mensenrechtenrapporten, dat een rechter zijn beslissing steeds kan steunen op inlichtingen vervat in voor iedereen toegankelijke informatie zonder deze vooraf bij het dossier te moeten voegen, dat het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen onderzoeksbevoegdheid meer heeft niet wegneemt dat de feitelijke elementen door de rechter getoetst kunnen worden aan bronnen van algemene bekendheid; 3.2.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij beweert, zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen beroep heeft gedaan op de drie genoemde rapporten noch worden ze vermeld of aangehaald in de antwoorddocumenten van Cedoca waarop de bestreden beslissing gebaseerd was en die zich in het administratief dossier bevinden, dat de feitelijke elementen XIV-29.788-14/17 die de partijen aanbrengen door de rechter kunnen getoetst worden, maar dat het de rechter in vreemdelingenzaken niet toegestaan is zelf dit onderzoek te voeren; 3.2.
  13. Overwegende dat de vaststelling dat het Iraakse regime onder Saddam zich met behulp van de veiligheidsdiensten schuldig maakte aan een stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking zowel rust op “de informatie in het administratief dossier”, met name stuk 20, als op “diverse publieke mensenrechtenverslagen en internationale rapporten”, met name : U.S. Department of State, Country Report on Human Right Practices, 2002, Iraq, www.refworld.org. Amnesty International, Iraq : Respecting International Humanitarian Law - Background Information, 25 maart 2003, www.refworld.org. en International Crisis Group, Iraq Backgrounder : Wat Lies Beneath, 1oktober 2002, www.refworld.org.; dat de betreffende vaststelling al voldoende steun vindt in stuk 20 van het administratief dossier, waarin uitgebreid de stelselmatige mensenrechtenschendingen door de veiligheidsdiensten van Saddam aan bod komen; dat er dan ook ten overvloede wordt gesteund op de in het middel aangehaalde rapporten; dat zelfs indien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte zou hebben verwezen naar deze rapporten deze onrechtmatigheid op zich nog niet vermag te leiden tot de verbreking van het aangevochten arrest; dat het tweede middel derhalve niet ontvankelijk is; 3.3.
  14. Overwegende dat in het derde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 2, 3 en 15 EVRM, verzoeker laat gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen door zijn vrees voor vervolging als gegrond te beoordelen erkent dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst mogelijke inbreuken op het recht op leven en het verbod van onmenselijke of vernederende behandeling of straf mag vrezen, maar nalaat te voorzien in enige vorm van bescherming tegen de mogelijke gevolgen van zijn uitsluiting uit het vluchtelingenstatuut en het subsidiaire beschermingsstatuut; 3.3.
  15. Overwegende dat in het derde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 2, 3 en 15 EVRM, verzoeker laat gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen door zijn vrees voor vervolging als gegrond te beoordelen erkent dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst mogelijke inbreuken op het recht op leven en het verbod van onmenselijke of vernederende behandeling of straf mag vrezen, maar nalaat te voorzien in enige vorm van bescherming tegen de mogelijke gevolgen van zijn uitsluiting uit het vluchtelingenstatuut en het subsidiaire beschermingsstatuut; dat de verwerende partij antwoordt dat het louter declaratief karakter van de bevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dit wil zeggen het al dan niet erkennen van de hoedanigheid van vluchteling zonder een verwijderingsmaatregel te nemen, niet toelaat XIV-29.788-15/17 terzake tot een beoordeling over te gaan, dat de aangevochten weigeringsbeslissing geen maatregel tot terugleiding betreft en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich derhalve niet over deze problematiek dient uit te spreken; 3.3.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat het onbetwistbare juridisch logische gevolg van de bestreden beslissing het afleveren is van een bevel om het land te verlaten, dat de bestreden beslissing de juridische grondslag van de te vrezen repatriëring is; 3.3.
  17. Overwegende dat artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet voorziet in de uitsluiting van de subsidiaire beschermingsstatus omwille van, onder meer, het plegen van misdrijven tegen de menselijkheid; dat, mede gelet op de bespreking van het eerste middel, de verzoekende partij er niet in slaagt de onwettigheid van deze uitsluiting aan te tonen; dat met betrekking tot de verenigbaarheid van de uitsluitingsgronden met artikel 3 van het E.V.R.M., voormelde verdragsbepaling de overheid er niet toe verplicht de vluchtelingenstatus dan wel de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen; dat in casu de vraag naar de verenigbaarheid met artikel 3 van het E.V.R.M. zich pas zal stellen naar aanleiding van het nemen van een verwijderingsmaatregel jegens verzoeker; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  18. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  19. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-29.788-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig juni tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.788-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.647 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.