id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.730 Rolnummer: A. 108979/X-10539 Zaak: Arrest 184730 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:18 Fiche Arrest nr 184.730 van 25 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.730 van 25 juni 2008 in de zaak A. 108.979/X-10.
- In zake : Patrick BESARD, die woonplaats kiest bij advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te 9100 SINT-NIKLAAS, Vijfstraten 57 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick BESARD op 13 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 mei 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 27 juli 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN waarbij hem de vergunning werd verleend tot het uitbreiden van een bestaand landbouwbedrijf met een pluimveestal aan de Ossestraat te Ronse, kadastraal bekend sectie A, nr. 697/b, en houdende vernietiging van voormelde beslissing van 27 juli 2000; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 25 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; X-10.539-1/7 Gelet op de beschikking van 23 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Ch. BURM, die loco advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 22 september 1999 (datum van het ontvangstbewijs) vraagt de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Ronse een vergunning voor het bouwen van een pluimveestal op een perceel gelegen te Ronse, Ossestraat 3, kadastraal bekend sectie A nr. 697/b. 1.
- Het betrokken perceel ligt volgens het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde in een agrarisch gebied. Het perceel is niet gelegen in een goedgekeurd plan van aanleg en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 1.
- Over de bouwaanvraag wordt een openbaar onderzoek gehouden van 21 september 1999 tot 14 oktober
- Er worden acht bezwaarschriften ingediend. 1.
- Op 20 oktober 2000 geeft de afdeling Land van de Administratie Milieu-, Natuur, Land- en Waterbeheer een gunstig advies over de bouwaanvraag vanuit landbouwkundig oogpunt. X-10.539-2/7 1.
- Op 21 januari 2000 geeft het college van burgemeester en schepenen een ongunstig advies over de bouwaanvraag. In dat advies wordt overwogen dat de uitbating van de geplande pluimveestal een zeer intensieve bedrijvigheid inhoudt en dat de pluimveestal beschouwd moet worden als een niet aan de grond gebonden agrarisch gebouw met een industrieel karakter. Het gaat niet om een uitbreiding van het bestaande bedrijf, aangezien de nieuwe geplande bedrijfsuitbating volledig los staat van het moederbedrijf. 1.
- Op 4 april 2000 brengt de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies uit, waarin wordt overwogen dat het bedrijf zal groeien naar een volwaardig landbouwbedrijf, dat het houden van vleeskippen als een nieuwe bedrijvigheid moet worden beschouwd en dat de geplande pluimveestal bijgevolg een nieuwe vestiging voor intensieve veeteelt is, die niet kan worden opgericht op minder dan 300 m van een woongebied. In het advies worden de ingediende bezwaarschriften als gegrond beschouwd. 1.
- Het college van burgemeester en schepenen weigert op 10 april 2000 de gevraagde vergunning af te leveren. 1.
- Op het op 5 juni 2000 door de verzoeker ingestelde beroep beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de bouwvergunning te verlenen. De bestendige deputatie overweegt in haar beslissing van 27 juli 2000 dat de geplande pluimveestal “mooi aansluit bij de bestaande bedrijfsgebouwen” en niet als een grootschalig industrieel bedrijf kan worden beschouwd, maar wel als een diversificatie en een uitbreiding van het bestaande landbouwbedrijf, zodat de afstandsregels voor woongebied en woonuitbreidingsgebied niet gelden. 1.
- Op het op 31 augustus 2000 door de gemachtigde ambtenaar ingestelde beroep besluit de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media op 15 mei 2001 de beslissing van de bestendige deputatie te vernietigen.
- Ten gronde 2.1.
- De verzoeker leidt het enige middel af uit de schending van artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, van X-10.539-3/7 de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Hij betoogt dat het bestreden besluit uitgaat van de stelling dat de geplande pluimveestal bestemd is voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor industriële veeteelt, waarvoor afstandsregels gelden met betrekking tot woon- en woonuitbreidingsgebied. De verzoeker stelt dat het besluit niet aangeeft waarom de geplande pluimveestal als een gebouw bestemd voor intensieve veeteelt moet worden beschouwd en waarom het niet gaat om een uitbreiding van een bestaand bedrijf. De overweging in het bestreden besluit dat sprake is van een “voorlopig onvoldoende oplosbaar reukhinderprobleem”, wordt door de verzoeker betwist, omdat het geplande systeem van een ingestrooide stal de geurhinder beperkt. Bovendien kan een dergelijk argument niet relevant zijn voor de beoordeling met het oog op een stedenbouwkundige vergunning. 2.1.
- De verwerende partij werpt op dat de geplande pluimveestal gelegen is in agrarisch gebied, waar gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt enkel kunnen worden opgericht op ten minste 300 m van een woongebied en op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, behalve wanneer het zou gaan om een uitbreiding van bestaande bedrijven. De bestaande bedrijfsactiviteiten van rundveeteelt en grote zoogdieren betreft een aan de grond gebonden bedrijf. De pluimveestal moet echter als een niet aan de grond gebonden agrarisch bedrijf met industrieel karakter worden beschouwd, zodat de afstandsregels in acht moeten worden genomen. 2.1.
- De verzoeker antwoordt dat het wel degelijk om een aan de grond gebonden bedrijf gaat, gelet op het gemengd karakter (rund- en pluimvee) en op het feit dat de grond nodig is voor het uitspreiden van de mest. 2.2.
- Het betrokken perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde gelegen in een agrarisch gebied. De geplande pluimveestal bevindt zich op ongeveer 200 m van een woongebied. X-10.539-4/7 Overeenkomstig artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen mogen gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt slechts worden opgericht op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m is niet voorgeschreven in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. In de mate dat het bestreden besluit de bovengenoemde bepaling toepast, kunnen drie onderdelen worden onderscheiden, die elk door de verzoeker worden bestreden, met name
(1)of de voorgenomen activiteiten een nieuwe bedrijvigheid inhouden, dan wel een uitbreiding vormen van het bestaande bedrijf,
(2)of de nieuwe bedrijvigheid een industrieel karakter heeft en/of intensieve veeteelt betreft en
(3)of de nieuwe bedrijvigheid aan de grond gebonden is. Die drie onderdelen worden hierna achtereenvolgens onderzocht. 2.2.
- De verzoeker voert aan dat de uitbating van een pluimveestal voor 15.000 mestkippen geen nieuwe bedrijvigheid betreft, maar enkel een nieuwe activiteit, die beschouwd kan worden als een uitbreiding van het bestaande bedrijf. Het valt evenwel niet in te zien, en de verzoeker toont ook niet aan, hoe het kweken van mestkippen een bedrijvigheid kan zijn die voldoende vergelijkbaar is met de bestaande bedrijvigheid inzake runderveeteelt en grote zoogdieren. Het bestreden besluit vermocht derhalve te concluderen dat het gaat om een nieuwe bedrijvigheid en niet om een uitbreiding van het bestaande bedrijf. 2.2.
- De verzoeker stelt dat het gaat om “een eerder kleinschalige (...) activiteit” die niet kan worden beschouwd als een bedrijvigheid met een industrieel karakter of bestemd voor intensieve veeteelt. Deze stelling valt evenwel moeilijk te rijmen met de grootte van de geplande pluimveestal (50 op 18 m, met een voederlokaal van 5 op 5 m) en het aantal mestkippen (15.000) dat in deze stal zou worden gehouden. Het bestreden besluit vermocht aan de hand van deze feitelijke gegevens te besluiten dat het gaat om een activiteit met een industrieel karakter en om intensieve veeteelt. 2.2.
- Zowel voor agrarische bedrijven met industrieel karakter als voor agrarische bedrijven voor intensieve veeteelt is vereist dat de bedrijvigheid “niet aan de grond gebonden” is. X-10.539-5/7 Uit de Nederlandse tekst van artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 blijkt niet duidelijk of het vereiste van “niet aan de grond gebonden” voor beide soorten bedrijvigheid geldt. Volgens de Franse tekst is dit wel het geval, aangezien daar sprake is van “constructions destinées aux exploitations agricoles non liées au sol, soit à caractère industriel ou soit d’élevage intensif”. Nu de Franse tekst ondubbelzinnig is en de Nederlandse tekst voor twee interpretaties vatbaar, moet de voorkeur uitgaan naar de interpretatie die met beide tekstversies in overeenstemming kan worden gebracht, overeenkomstig artikel 7 van de wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, het opmaken, bekendmaken en inwerkingtreden van wetten en verordeningen, samengelezen met artikel 56, § 1, eerste lid van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
- Het vereiste van “niet aan de grond gebonden” geldt derhalve zowel voor agrarische bedrijven met industrieel karakter als voor agrarische bedrijven voor intensieve veeteelt. De verzoeker werpt op dat het wel degelijk gaat om een aan de grond gebonden bedrijvigheid, gelet op het gemengd karakter (rund- en pluimvee) en op het feit dat de grond nodig is voor het uitspreiden van de mest. De verzoeker toont evenwel niet concreet aan dat de voorgenomen bedrijvigheid, met de grond als productiefactor, in die mate instaat voor de eigen voederwinning dat ze beschouwd zou kunnen worden als een aan de grond gebonden bedrijvigheid. De motivering van het bestreden besluit is dan ook niet gebrekkig in de mate dat wordt vastgesteld dat de bijkomende bedrijvigheid niet grondgebonden is. 2.2.
- Waar in het bestreden besluit sprake is van een “voorlopig onvoldoende oplosbaar reukhinderprobleem”, wordt enkel in algemene bewoordingen verwezen naar de reden waarom de afstandsregels zijn opgenomen in artikel 11.4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, zonder dat daarmee wordt gealludeerd op de concrete situatie van het bedrijf van de verzoeker. De verzoeker bekritiseert aldus een overweging die een inleiding vormt tot de werkelijke motieven die het bestreden besluit schragen en die derhalve hooguit als een overtollig motief kan worden beschouwd. 2.
- Het middel is niet gegrond. X-10.539-6/7 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.539-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.730 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div