id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.731 Rolnummer: A. 89735/X-9397 Zaak: Arrest 184731 - Huisvesting - 25/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:18 Fiche Arrest nr 184.731 van 25 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Huisvesting Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.731 van 25 juni 2008 in de zaak A. 89.735/X-
- In zake :
- Philomena VAN RAEMDONCK,
- Marc VAN RAEMDONCK, die woonplaats kiezen bij advocaat P. RAUTER, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 166 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat W. MULS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Antoine Dansaertstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Philomena VAN RAEMDONCK en Marc VAN RAEMDONCK op 18 februari 2000 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 december 1999 van de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden houdende ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring van de woning gelegen Pastoor Verwilghenplein 6 te Haasdonk; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. DE SOMERE; Gelet op de beschikking van 18 april 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2008; X-9397-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. DE SOMERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partijen zijn respectievelijk vruchtgebruikster en naakte eigenaar van een woning gelegen te Beveren-Haasdonk, Pastoor Verwilghenplein
- 1.
- Op 7 mei 1999 stelt Marc Schelck, controleur bij de administratie ruimtelijke ordening, huisvesting, monumenten en landschappen, afdeling Oost-Vlaanderen, van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, over de betrokken woning een “technisch verslag van het onderzoek van de kwaliteit van woningen” op, waarbij de woning een eindscore van 55 punten behaalt. Op 26 mei 1999 bezorgt de gewestelijk ambtenaar aan de burgemeester van de gemeente Beveren een “advies inzake ongeschiktheid”, met het verzoek een besluit op te maken om het pand ongeschikt te verklaren. 1.
- Tegen het stilzitten van de burgemeester tekent de gewestelijk ambtenaar op 21 september 1999 beroep aan bij de Vlaamse minister, bevoegd voor de huisvesting, overeenkomstig artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 oktober 1998 betreffende de kwaliteitsbewaking, het recht van voorkoop en het sociaal beheersrecht op woningen. 1.
- Op 16 december 1999 neemt de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse aangelegenheden, het besluit waarmee de betrokken woning ongeschikt en onbewoonbaar wordt verklaard. X-9397-2/5
- Ten gronde 2.
- Ambtshalve wordt de bevoegdheid van de steller van het bestreden besluit onderzocht. Overeenkomstig artikel 137 van de Grondwet kunnen het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap en het Parlement van de Franse Gemeenschap en hun regeringen de bevoegdheden uitoefenen van respectievelijk het Vlaamse en het Waalse Gewest, onder de voorwaarden en op de wijze bepaald in een bijzondere wet. Ter uitvoering van die grondwetsbepaling schrijft artikel 1, § 1 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen voor dat het Vlaams Parlement en de Vlaamse regering niet alleen de bevoegdheden van de Vlaamse Gemeenschap, maar ook de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest uitoefenen. De bijzondere wetgever wilde evenwel vermijden dat parlements- en regeringsleden die afkomstig zijn uit het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, zouden kunnen mee beslissen over aangelegenheden van het Vlaamse Gewest. Voor wat betreft de regeringsleden bepaalt artikel 76 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aldus wat volgt: “Wanneer de Vlaamse Regering beraadslaagt over de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoren, heeft elk lid van de Vlaamse Regering dat zijn woonplaats heeft in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, slechts zitting met raadgevende stem”. Uit deze bijzondere wetsbepaling volgt dat het lid van de Vlaamse regering dat zijn woonplaats heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad enkel gemeenschapsbevoegdheden kan uitoefenen en geen gewestbevoegdheden. Overeenkomstig artikel 69 van dezelfde bijzondere wet beraadslaagt de Vlaamse regering weliswaar collegiaal “onverminderd de door haar toegestane delegaties” en luidens artikel 68 regelt zij haar werkwijze, maar die laatste bepaling schrijft eveneens voor dat dit slechts kan geschieden “onverminderd de bepalingen van deze wet”. 2.
- Er wordt niet betwist dat de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden die het bestreden besluit heeft vastgesteld, zijn woonplaats heeft in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Bijgevolg kan hij overeenkomstig artikel 76 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen enkel met raadgevende stem deelnemen aan de beraadslaging over aangelegenheden die, zoals de huisvesting, tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoren. X-9397-3/5 De bestreden beslissing werd genomen zonder dat deze beperking van de bevoegdheden van het lid van de Vlaamse regering dat zijn woonplaats heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad in acht werd genomen. Derhalve moet ambtshalve worden vastgesteld dat de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden niet bevoegd was om het bestreden besluit te nemen. 2.
- De verwerende partij stelt dat het in dezen niet de uitoefening betreft van een discretionaire bevoegdheid. Overeenkomstig het delegatiebesluit van de Vlaamse regering was de betrokken minister als enige bevoegd om een besluit te nemen over het beroep dat wordt aangetekend tegen de beslissing of het stilzitten van de burgemeester. Gegeven het beroep dat door de gewestelijk ambtenaar was aangetekend, had de minister geen andere keuze dan een besluit te nemen. In het andere geval zou men zich in een situatie van totale rechtsonzekerheid bevinden doordat er op dat ogenblik sprake zou zijn geweest van rechtsweigering. 2.
- Overeenkomstig artikel 7, eerste lid, 5° van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, was de betrokken minister bevoegd voor “de huisvesting, zoals vermeld in artikel 6, § 1, IV, van de bijzondere wet”. Dat de bestreden beslissing is genomen in overeenstemming met die bepaling, neemt niet weg dat die bepaling zelf niet mag ingaan tegen de voornoemde bijzondere wetsbepalingen. Het was aan de Vlaamse regering om hetzij collegiaal over deze aangelegenheid te beslissen, waarbij de betrokken minister slechts met raadgevende stem zou deelnemen aan de beraadslaging, hetzij de betrokken bepaling aan te passen zodat het besluit kon worden genomen door een andere minister die niet zijn woonplaats heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Dit laatste is naderhand overigens gebeurd door het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering, dat onder meer de bevoegdheid inzake huisvesting heeft toegewezen aan een ander lid van de Vlaamse Regering. 2.
- Het ambtshalve opgeworpen middel is gegrond. X-9397-4/5 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 16 december 1999 van de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Stedelijk Beleid, Huisvesting en Brusselse Aangelegenheden houdende ongeschikt- en onbewoonbaarverklaring van de woning gelegen Pastoor Verwilghenplein 6 te Haasdonk. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig juni 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9397-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.731 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div