id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.748 Rolnummer: A. 182668/XIV-29232 Zaak: Arrest 184748 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 25/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-27 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:18 Fiche Arrest nr 184.748 van 25 juni 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.748 van 25 juni 2008 in de zaak A. 182.668/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M.-C. SCOUFLAIRE, kantoor houdende te 4000 LUIK, Place verte 13 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 23 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 22 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking nr. 561 van 14 mei 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.232-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. THIJSEN die, loco Advocaat M.-C. SCOUFLAIRE verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché R. LARNO, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Iraakse nationaliteit, is in België binnengekomen op 20 september 2005 en heeft zich op 21 september 2005 vluchteling verklaard. Op 6 oktober 2005 wordt hem het verblijf geweigerd door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken. Verzoeker gaat tegen deze beslissing in dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die op 17 mei 2006 beslist dat verder onderzoek noodzakelijk is. 1.
- Op 2 juni 2006 wordt de aanvraag om erkenning als vluchteling geweigerd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Verzoeker stelt tegen deze beslissing een beroep in bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op 14 juni 2006, door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ontvangen op 15 juni
- Dit beroep wordt in het Frans opgesteld. 1.
- Op de zitting van 16 maart 2007 wordt verzoeker door de Eerste Nederlandse Kamer gehoord. 1.
- Op 22 maart 2007 neemt de Eerste Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, die als volgt luidt: “(...) DE GEMACHTIGDE BIJZITTER VAN DE 1ste NEDERLANDSE KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 14 juni 2006 heeft ingediend om de hervorming te vorderen van de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling van 2 juni 2006, aan de verzoekende partij verzonden op 7 juni
- XIV-29.232-2/8 Gelet op de beschikking van 28 februari 2007 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 16 maart
- Gehoord het verslag van gemachtigde bijzitter W. MULS. Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij en van attaché E. DEWIL, die verschijnt voor de verwerende partij. Gelet op artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2005, bepaalt dat het verzoekschrift wordt opgesteld in de taal van de procedure die werd bepaald overeenkomstig voormeld artikel 51/
- Het verzoekschrift mag niet naar keuze in het Nederlands of in het Frans worden opgesteld (Verslag aan de Koning, B.S., 14 december 2005, 53693). Uit het administratief dossier blijkt dat met toepassing van voormeld artikel 51/4 het Nederlands als taal van de procedure werd bepaald (zie bijlage 26 van 21 september 2005). Het verzoekschrift ingediend op 14 juni 2006 werd echter opgesteld in het Frans zodat het niet aan de voormelde substantiële vereiste voldoet. Het beroep moet aldus als onontvankelijk worden afgewezen. BESLUIT: Enig artikel. Het beroep wordt verworpen. (...).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als middelen aanvoert: “VII MIDDELEN - schending van het Verdrag van Genève d.d. 28 juli 1951, onder meer het artikel 1; - schending van de Vreemdelingenwet d.d. 15 december 1980, onder meer het artikel 57/22; - schending van de Belgische Grondwet, onder meer het artikel 149; - schending van het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, onder meer het artikel 6; - schending van het algemene beginsel van de rechten van verdediging; - schending van het beginsel van de proportionaliteit; - schending van het algemene beginsel van behoorlijk bestuur en machtsoverschrij- ding. Bestreden beslissing: Hier is de redenering van de bestreden beslissing: "Gelet op artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2005, bepaalt dat het verzoekschrift wordt opgesteld in de taal van de procedure die werd bepaald overeenkomstig voormeld artikel 51/
- Het verzoekschrift mag niet naar keuze in het Nederlands of in het Frans worden opgesteld. Uit het administratief dossier blijkt dat met toepassing van voormeld artikel 51/4 het Nederlands als taal van de procedure werd bepaald. Het verzoekschrift ingediend op 14 juni 2006 werd echter opgesteld in het Frans zodat het niet aan de voormelde XIV-29.232-3/8 substantiële vereiste voldoet. Het beroep moet aldus als onontvankelijk worden afgewezen." Eerste deel De bestreden beslissing verklaart het beroep van verzoekende (partij) onontvankelijk omwille van de niet naleving van een formaliteit dat zij als "substantieel" beschouwt; Verzoeker heeft zijn beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen met een in het Frans opgesteld verzoekschrift ingediend terwijl dit laatste in het Nederlands, taal van de procedure, zou hebben moeten opgesteld worden; Terwijl noch het artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna de wet), noch het artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2005 (hierna het koninklijk besluit), bepalen dat de door deze artikels uitgevaardigde regels substantieel zijn; Voormelde artikels, noch enige andere bepaling van de wet of van het koninklijk besluit voorzien in sancties ingeval van niet naleving van de regels met betrekking tot de taal van de procedure; Wanneer een bepaling niet uitdrukkelijk bedingt dat een formaliteit van substantiële aard is, past het dat naar de rechtspaak wordt verwezen; Bij arrest d.d. 26 april 2006 heeft het Hof van Cassatie beoordeeld dat inzake asielprocedures de regels met betrekking tot de taal van de procedure niet van substantiële aard zijn, noch door de nietigheid gesanctioneerd zijn (zie stuk 5); Deze zaak betrof de schending door een beslissing van vasthouding in een welbepaalde plaats, gesitueerd in het grensgebied uit hoofde van artikel 74-5, §1, 2/ van de wet van 15 december 1980, van artikel 51-4, §1, lid 2 van dezelfde wet dat bepaalt dat de taal van het onderzoek van de verklaring van de kandidaat politiek-vluchteling tevens de taal van de eventuele daaropvolgende beslissingen tot verwijdering van het grondgebied moet zijn; In voormelde zaak was de beslissing in het Frans genomen terwijl de taal van de procedure het Nederlands was; Het hof van Cassatie heeft echter beoordeeld dat de niet naleving van het artikel 51-4, § 1, lid 2 de nietigheid van de beslissing niet meebrengt; Het Hof redeneert immers als volgt: "Uit die bepaling volgt evenwel niet dat het niet- gebruik van die taal in de vrijheidsbenemende maatregel de nietigheid van die maatregel meebrengt”; Het Hof is bijgevolg van mening dat er geen nietigheid kan verklaard worden als de wet de nietigheid niet uitdrukkelijk bedingt. In de bewuste zaak meent het Hof dat de substantiële of door de nietigheid gesanctio- neerde vereisten nageleefd zijn en de beslissing is in overeenstemming met de wet; In casu kan men analoog redeneren. Inderdaad, noch het artikel 51-4 van de wet, noch het artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 bedingen uitdrukkelijk dat de naleving van de taal van de procedure bij het opstellen van het beroep een substantiële of door de nietigheid gesanctioneerde vereiste is; Als de niet naleving door de overheid van de regels met betrekking tot de taal van de procedure inzake asielprocedures de nietigheid van de maatregelen niet meebrengt, dient het zeker het geval te zijn voor de rechtzoekende wat zijn procedureakten betreft; Verzoeker verwijst bovendien naar de beschikking nr. 161 van 26 januari 2007 van de Raad van State die het verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend op 12 januari 2007 door XXX toelaatbaar verklaart (kenmerk: A. 180.211, zie stuk 6). Dit verzoekschrift strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen d.d. 6 december 2006 die het beroep van de verzoeker onontvankelijk heeft verklaard omdat het in het Nederlands (in plaats van in het Frans) opgestelde verzoekschrift niet voldeed aan een door de wettelijke bepalingen voorgeschreven substantiële vereiste; XIV-29.232-4/8 Uit het voorgaande blijkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het beroep van verzoeker als ontvankelijk zou hebben moeten beschouwen; Dienvolgens dient de door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitgesproken beslissing om voormelde redenen nietig verklaard te worden. Tweede deel Het beginsel van goede trouw en handelen als een goed huisvader is geschonden aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchteling nooit aan verzoeker gevraagd heeft een vertaling van het bewuste verzoekschrift naar het Nederlands te bezorgen; Verweerder heeft dus niet aan verzoeker de gelegenheid gegeven om de onregelmatig- heid te dekken; Bij arrest d.d. 25 juli 2001 beoordeelde de Raad van State dat "een inbreuk op het bonus pater familias-principe vereist niet noodzakelijk kwade trouw" (R.v.ST. nr. 97.954); De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen moet zorgvuldig en redelijk te werk gaan. Deze zorgvuldigheidsplicht houdt in dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen. De voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenre- dig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In casu, de voor verzoeker nadelige gevolgen van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van onontvankelijkheid van diens beroep en de inbreuk dat deze beslissing meebrengt op het recht van verzoeker op een grondig onderzoek van zijn asielaanvraag in het kader van de procedure ten gronde bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zijn onevenredig in verhouding tot de met het besluit van de Vaste Beroepscommissie te dienen doelen. Om deze redenen dient de door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitgesproken beslissing nietig verklaard te worden.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “II. Onderzoek van de middelen 2.1 Verzoeker werpt de schending op van artikel 1 van de Vluchtelingenconventie, artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet, artikel 149 van de Grondwet, artikel 6 EVRM, algemene beginselen van behoorlijk bestuur en machtsoverschrijding, rechten van verdediging, het beginsel van proportionalitieit. 2.1.1 Verweerder merkt vooreerst op wat betreft de opgeworpen schending van de artikel 1 van de Vluchtelingenconventie, artikel 57/22 van Vreemdelingenwet, artikel 149 van de grondwet dat verzoeker dit niet heeft uitgewerkt in zijn middel. Nergens toont verzoeker in concreto aan op welke manier de bestreden beslissing deze wetsbepalingen zou hebben geschonden. 2.1.2 Dat verweerder opmerkt dat de beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op de Vaste Beroepscommissie dat een administratief rechtscollege is. 2.1.3 Dat verweerder verwijst naar artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet en artikel 3 van het KB van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd door artikel 2 van KB van 10 november 2005, bepaalt dat het verzoekschrift wordt opgesteld in de taal die werd bepaald overeenkomstig voormeld in artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet. In casu werd werd het Nederlands als proceduretaal bepaald zodat de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen correct oordeelde dat verzoekschrift opgesteld in het Frans onontvankelijk is. Verzoeker kon zijn verzoekschrift niet opstellen in de taal naar zijn keuze zoals hij meent. Het middel is ongegrond.”; XIV-29.232-5/8 2.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker zijn middel uit het verzoekschrift herhaalt, met uitzondering van de beweerde schending van: het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, onder meer artikel 1; de Vreemdelingenwet, onder meer artikel 57/22 en van de Belgische Grondwet, onder meer artikel 149; 2.4.
- Overwegende dat, gelet op artikel 14 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State, de verzoekende partij bij een cassatieberoep een samenvattende memorie van wederantwoord moet indienen; dat dit inhoudt dat de schendingen die in het verzoekschrift werden naar voren gebracht, doch niet worden herhaald in de memorie van wederantwoord, niet langer kunnen worden beschouwd als aangevoerd ter vernietiging van de bestreden beslissing; dat dit met name geldt voor de schendingen van het Vluchtelingenverdrag, van de Vreemdelin- genwet en van de Grondwet; dat artikel 6 van het E.V.R.M. in deze niet toepasselijk is aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen uitspraak doet over burgerlijke rechten, noch over de gegrondheid van een strafvervolging; dat verzoeker de schending aanvoert van de regels van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van de goede trouw, het handelen als een goede huisvader, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; dat, zoals uit de benaming van de aangevoerde geschonden geachte principes blijkt deze zich richten tot “het bestuur”; dat in casu de bestreden beslissing evenwel werd genomen door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; 2.4.2.
- Overwegende dat blijkens de motivering van de aangevochten beslissing verzoekers aanvraag wordt verworpen omdat het verzoekschrift dat hij heeft ingediend bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in het Frans was opgesteld, terwijl dit luidens artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2005, in de proceduretaal zoals vastgesteld met toepassing van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, in casu het Nederlands, diende te geschieden en dit verzoekschrift, niet naar keuze in het Nederlands of het Frans mag worden opgesteld, waardoor het niet beantwoordt aan een substantiële vereiste; 2.4.2.
- Overwegende ambtshalve, dat artikel 51/4, § 3 van de voormelde wet van 15 december 1980 overeenkomstig hetwelk, in de eventuele daaropvolgende procedure onder andere voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de taal wordt gebruikt die door de overheid is bepaald bij het begin van de asielaanvraag, in casu het Nederlands, alleen XIV-29.232-6/8 betrekking heeft op het taalgebruik van de overheid en niet op de taal waarin de beroepsakte ingediend door de vreemdeling of zijn advocaat moet zijn gesteld; dat een beroepsakte ingediend in een andere landstaal dan deze van de procedure rechtsgeldig is, aangezien beperkingen op de vrijheid van taalgebruik van particulieren restrictief dienen te worden geïnterpreteerd; dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 november 2005, dat bepaalt dat de beroepen bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen worden ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is opgesteld in de taal van de procedure bepaald overeenkomstig artikel 51/4 van de wet niet in overeenstemming is met § 3 van voormeld artikel 51/4 dat, zoals gesteld, de vrijheid van taalgebruik door de vreemdeling onverkort laat; dat dit strijdt met artikel 30 van de Grondwet dat bepaalt dat het taalgebruik voor handelingen van het openbaar gezag en van gerechtszaken geregeld wordt door de wet; dat de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen derhalve, bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet, voormeld artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 terzijde had moeten schuiven; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Verbroken wordt de beslissing van 22 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij verzoekers beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de verbroken beslissing. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-29.232-7/8 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig juni tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.232-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.748 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.