← België

Arrest 184749 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 25/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.749 Rolnummer: A. 182189/XIV-29047 Zaak: Arrest 184749 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 25/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-27 Raadplegingen: 187 - laatst gezien 2026-07-01 05:51 Fiche Arrest nr 184.749 van 25 juni 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.749 van 25 juni 2008 in de zaak A. 182.189/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R.-M. SUKENNIK, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Florencestraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie-en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Syrische nationaliteit, op 26 maart 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 22 februari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking nr. 459 van 23 april 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 5 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.047-1/10 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VANHOLLEBEKE die, loco Advocaat R.-M. SUKENNIK verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Syrische nationaliteit, is in België binnengekomen op 25 januari 2006 en heeft zich op 26 januari 2006 vluchteling verklaard. Op 3 maart 2006 wordt hem het verblijf geweigerd door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken. Verzoeker gaat tegen deze beslissing in dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die op 14 april 2006 beslist dat verder onderzoek noodzakelijk is. Op 12 juli 2006 wordt de aanvraag om erkenning als vluchteling geweigerd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. 1.
  4. Verzoeker stelt tegen deze beslissing een beroep in bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op 1 augustus 2006, door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ontvangen op 3 augustus
  5. Dit beroep wordt in het Frans opgesteld. 1.
  6. Op de zitting van 22 november 2006 wordt verzoeker door de Tweede Nederlandse Kamer gehoord. Hij is vergezeld door zijn raadsman Mr. M. Ghijs, die optreedt loco Mr. M.-R. Sukennik en die Nederlandstalige conclusies heeft neergelegd, waarin, onder meer, op de taalproblematiek wordt ingegaan. 1.
  7. Op 22 februari 2007 neemt de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, die als volgt luidt: “(...) De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, 2de Nederlandse kamer, Gelet op het Internationaal Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, en het XIV-29.047-2/10 Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1969; Gelet op hoofdstuk II van titel II van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1987 en 18 juli 1991, bij het koninklijk besluit van 13 juli 19 92, bij de wetten van 6 mei 1993, 10 juli 1996, 15 juli 1996, 9 maart 1998, 22 december 2003, 16 maart 2005, 15 september 2006 en 27 december 2006; Gelet op artikel 235, § 1, tweede lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistin- gen; Gelet op het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 september 1996 en 10 november 2005; Gelet op de machtiging verleend door de voorzitter van de 2de Nederlandse kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 10 mei 2005; Gelet op de aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling ingediend op 26 januari 2006; Gelet op de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 juli 2006 (CG/06/10527); Gelet op het verzoekschrift ingediend op 1 augustus 2006; Gelet op de oproeping van appellant op 24 oktober 2006 voor de zitting van 22 november 2006; Gehoord appellant en advocaat M. GHIJS loco R.-M. SUKENNIK; Overwegende dat appellant in bijkomende conclusies ter zitting neergelegd verzoekt het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen luidende als volgt: "Schenkt (sic) het artikel 5114 van de wet van 15 december 1980, alleen of samen met het artikel 3 van het Koninklijk besluit van 19 mei 1993 gelezen, de bepalingen van de artikel 10 en 11 van de Grondwet, eventueel samen met het artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, de artikelen 9, 10 en 15 van de Europese Richtlijn 2004/83/CE van 29 april 2004 en het artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gelezen, doordat de het kandidatenvluchte- lingen verschillend worden behandeld, zonder objectieve en redelijke redeneringen, op basis van het feit dat zij wel of niet hun beroep voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen hebben ingediend in de taal van de procedure, de schenking (sic) van de taal van de procedure hebbende als gevolg dat het beroep nietig of onontvankelijk wordt verklaard."; Dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet enkel kunnen geschonden zijn in zoverre de betwiste bepalingen een verschil in behandeling instellen tussen verschillende kandidaatvluchtelingen; dat artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 stelt dat: "§
  8. Het onderzoek van de in de artikelen bedoelde verklaring geschiedt in het Nederlands of het Frans. De taal van het onderzoek is tevens de taal van de beslissing waartoe het aanleiding geeft alsmede die van eventuele daaropvolgende beslissingen tot verwijdering van het grondgebied. §
  9. De vreemdeling bedoeld in de artikelen 50 of 51, dient onherroepelijk aan te geven of hij bij het onderzoek van de in vorige paragraaf de hulp van een tolk nodig heeft. Indien de vreemdeling niet verklaart de hulp van een tolk te verlangen, kan hij volgens dezelfde regels het Nederlands of het Frans kiezen als taal van het onderzoek. Indien de vreemdeling geen van die talen heeft gekozen of verklaard heeft de hulp van een tolk te verlangen, bepaalt de Minister of zijn gemachtigde de taal van het onderzoek, in functie van de noodwendigheden van de diensten en instanties. Tegen die beslissing kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld. §
  10. In de eventuele daaropvolgende procedures voor de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, voor de Vaste Beroepscommissié en voor de Raad van State wordt de taal gebruikt die overeenkomstig paragraaf 2 is gekozen of bepaald. Paragraaf 1, tweede lid, is van toepassing."; XIV-29.047-3/10 Dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993, gewijzigd door het koninklijk besluit van 10 november 2005 stelt dat de beroepen bedoeld in artikel 57/11 §. 1, 1/ lid van de vreemdelingenwet dienen te worden ingesteld door middel van een verzoek- schrift dat is opgesteld in de taal van de procedure die werd bepaald overeenkomstig artikel 51/4 van de wet; Dat in casu appellant verzocht om een tolk Arabisch ten gevolge waarvan werd beslist dat de taal van de procedure het Nederlands is; Dat voor eenieder die onder de bepalingen van artikel 51/4 valt dezelfde behandeling geldt; dat meer bepaald de verzoekschriften verplicht worden opgesteld in de taal van de procedure en de sanctie bij niet-naleving voor eenieder dezelfde is; dat indien er een verschillende behandeling is zoals aangevoerd door appellant in zijn bijkomende conclusies, deze voortvloeit uit de terzake voorziene wettelijke bepalingen zodat er niet kan aangevoerd worden dat het een ongelijke behandeling betreft; dat ten aanzien van hen die een verzoekschrift indienden dat niet beantwoordt aan de wettelijke vereisten of dat meer bepaald niet werd opgesteld in de taal van de procedure, eenzelfde sanctie wordt voorzien, namelijk de onontvankelijkheid van het beroep; Dat luidens artikel 26, par. 2, lid 3, 3/ van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 de Commissie meent dat artikel 51/4 van de vreemdelingenwet de artikelen 10 en 11 van de grondwet klaarblijkelijk niet schendt; Overwegende dat luidens artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2005, beroepen bij de Commissie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is opgesteld in de taal van de procedure die werd bepaald overeenk- omstig artikel 51/4 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het verzoekschrift niet naar keuze in het Nederlands of in het Frans mag worden opgesteld (Verslag aan de Koning, B.S., 14 december 2005, 53693); Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat met toepassing van voormeld artikel 51/4 het Nederlands als taal van de procedure werd bepaald; dat het voorliggen- de verzoekschrift werd opgesteld in het Frans en derhalve niet aan de voormelde substantiële vereiste voldoet; dat de Commissie haar bevoegdheid zou overschrijden mocht zij het beroep toch ten gronde behandelen; OM DEZE REDENEN : verklaart het beroep onontvankelijk. (...)”.
  11. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  12. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “MIDDEL HOUDENDE: ! de schending van de Conventie van Genève van 28 juli 1951, meer bepaald artikel 1; ! de schending van de Europese richtlijn 2004/83/CE van 29 april 2004 betreffende de minimumnormen mbt de voorwaarden die de onderdanen van derde landen of de staatslozen dienen te vervullen om het statuut van vluchteling te kunnen inroepen of de personen die, om andere redenen, behoefte hebben aan een internationale bescherming, en mbt de inhoud van deze statuten, namelijk in haar artikels 4, 9, 10, 12, 15 et 19; ! de schending van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, meer bepaald artikel 57/22; XIV-29.047-4/10 ! de schending van de wet van 15 december 1980, zoals gewijzigde door de wet van 15 september 2006, meer bepaald artikel 48/4; ! de schending van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en oprichting van een Raad voor vreemdelingenbetwistingen, meer bepaald artikel 235; ! de schending van artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek de schending van artikel 149 van de Grondwet; ! de schending van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van mens en de fundamentele vrijheden, meer bepaald de artikels 3 en 6; ! de schending van de algemene beginselen van de tegensprekelijkheid en van de rechten van verdediging; ! de manifeste beoordelingsfout; ! de fout, de tegenstrijdigheid en het gebrek in de overwegingen en motivering; DOORDAT de bestreden beslissing besluit tot de onontvankelijkheid van het beroep op basis van artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 19 mei 1993 dat de procedure vastlegt voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen evenals haar werking, zoals gewijzigd door het Koninklijk besluit van 10 november 2005 en artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 ; Dat de bestreden beslissing gesteund wordt op de omstandigheid dat verzoeker zijn verzoekschrift heeft ingediend in de Franse taal, terwijl het Nederlands als taal van de procedure is vastgesteld; TERWIJL geen enkele van de bepalingen waarnaar de bestreden beslissing verwijst inhoudt dat deze formaliteiten voorgeschreven zijn op straf van nietigheid; Dat het vaststaand is dat een oorzaak voor nietigheid van een procedureakte formeel moet voorzien zijn door de wet, krachtens het principe « pas de nullité sans texte » (geen nietigheid zonder tekst), principe dat meer bepaald bekrachtigd wordt door artikel 860 van het Gerechtelijk Wetboek; Dat het Hof van Cassatie voor recht heeft gezegd dat« Krachtens artikel 51-4, § 1er , alinea 2, van de kwestieuze wet, de taal van het onderzoek van de verklaring van de kandidaat-politieke vluchteling dezelfde is als die van de beslissing waartoe het aanleiding geeft, evenals die van de eventuele daaropvolgende beslissingen van verwijdering van het grondgebied. Uit deze bepaling volgt nochtans niet dat het feit de kwestieuze taal niet gebruikt wordt in de vrijheidsberovende maatregel de nietigheid van deze maatregel meebrengt. Vanuit dit oogpunt faalt het argument eveneens in rechte. De substantiële of op straf van nietigheid voorgeschreven vormen zijn nageleefd en de beslissing is conform aan de wet.» (Cass, 26 april 2006, P.06.0417.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060426.16/1) ; Dat hieruit volgt dat het niet naleven van de taal van de procedure zoals vastgesteld bij artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 door het Hof van Cassatie niet beschouwd wordt als een substantiële of op straf van nietigheid voorgeschreven vorm; Dat tot de nietigheid of onontvankelijkheid van de akte, van welke aard ook, dus niet mag besloten worden om de enige reden dat de taal van de procedure niet zou geëerbiedigd zijn; Dat de Vaste beroepscommissie voor de vluchtelingen zich dus als regelmatig gevat had moeten beschouwen door het door verzoeker ingestelde beroep of dit beroep niet mocht verwerpen met als enig motief het niet naleven van de taal van de procedure; Dat hieruit volgt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet naar voldoening van recht haar weigering verantwoordt om te oordelen over de vraag van verzoeker tot erkenning als vluchteling en over zijn vraag tot subsidiaire bescherming; Dat de motivatie van de bestreden beslissing leidt tot een grond tot uitsluiting van het statuut van vluchteling die niet voorzien is noch door de wet, noch door de internationa- le verdragen en conventies die België binden; Dat de bestreden beslissing in rechte faalt; dat in een gelijkaardige zaak Uw Raad reeds in de gelegenheid was de toelaatbaarheid te erkennen van een cassatieberoep gericht tegen een dergelijke beslissing van onontvankelijkheid (cf. RvS, beslissing n/ 161 van 26 januari 2007); Dat dienvolgens de bestreden beslissing op die basis dient geannuleerd te worden; XIV-29.047-5/10 Dat in ondergeschikte orde, indien per impossibile Uw Raad zou oordelen dat het middel onvoldoende is om cassatie van de bestreden beslissing te rechtvaardigen, er een prejudiciele vraag zou dienen gesteld te worden aan het Arbitragehof, als volgt: «Schendt het artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 de artikels 10 en 11 van de Grondwet, eventueel gelezen in combinatie met artikel 1 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951, de artikelen 4, 9, 10, 12, 15 et 19 van de Europese richtlijn 2004/83/CE van 29 april 2004 en artikel 3 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat het de nietigheid of onontvankelijkheid van het beroep ingediend bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen rechtvaardigt, zonder dat nochtans dergelijke sanctie voorzien is en daardoor een verschillende behandeling inhoudt, zonder objectieve of redelijke gronden, van kandidaat vluchtelingen naargelang ze een beroep hebben ingesteld bij voormelde Commissie al dan niet in de taal van de procedure, waardoor het niet eerbiedigen van de taal van de procedure de kandidaat van de mogelijkheid berooft om als vluchteling erkend te worden of zich het subsidiar beschermingsstatuut te doen toekennen, waardoor hij de facto wordt uitgesloten van het voordeel van de Conventie van Genève en van de Europese richtlijn 2004/83/CE voormeld, met het risico dat hij onderworpen zou worden aan behandelingen strijdig met artikel 3 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.»; OM DEZE REDENEN, En alle andere later te laten gelden, desgevallend in de loop van de procedure, zelfs ambtshalve, Verzoekt verzoeker u, Dames, Heren, akte te verlenen van huidig verzoek en erop rechtdoende: - De bestreden beslissing te vernietigen, meer bepaald de beslissing uitgesproken op 22 februari 2007 door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, ter kennis gebracht per aangetekende brief dd. 28 februari 2007; - In ondergeschikte orde, en alvorens verder recht te doen aan het Arbitragehof volgende vraag te stellen: « Schendt het artikel 5 1 /4 van de wet van 15 december 1980 de artikels 10 en 11 van de Grondwet, eventueel gelezen in combinatie met artikel 1 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951, de artikelen 4, 9, 10, 12, 15 et 19 van de Europese richtlijn 2004/83/CE van 29 april 2004 en artikel 3 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, doordat het de nietigheid of onontvankelijkheid van het beroep ingediend bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen rechtvaardig zonder dat nochtans dergelijke sanctie voorzien is en daardoor een verschillende behandeling inhoudt, zonder objectieve of redelijke gronden, van kandidaat vluchtelingen naargelang ze een beroep hebben ingesteld bij voormelde Commissie al dan niet in de taal van de procedure, waardoor het niet eerbiedigen van de taal van de procedure de kandidaat van de mogelijkheid berooft om als vluchteling erkend te worden of zich het subsidiar beschermingsstatuut te doen toekennen, waardoor hij de facto wordt uitgesloten van het voordeel van de Conventie van Genève en van de Europese richtlijn 2004/83/CE voormeld, met het risico dat hij onderworpen zou worden aan behandelingen strijdig met artikel 3 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.»;”; 2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “In het enige middel werpt verzoeker de schending op van tal van rechtsregelen, waarvan het merendeel niet nader wordt toegelicht. Terwijl verzoeker ter ondersteuning van het middel poneert dat in casu ten onrechte werd beslist om het beroep onontvankelijk te verklaren. XIV-29.047-6/10 De verwerende partij laat gelden dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen geheel terecht besliste om het bij haar ingestelde beroep tegen de beslissing dd. 12.06.2006 van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen onontvankelijk te verklaren, nu het verzoekschrift was opgesteld in de Franse taal. Immers, het art. 3 van KB dd. 19.05.1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - zoals gewijzigd bij KB dd. 10.11.2005 tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 19.05.1993 - voorziet uitdrukkelijk: "De beroepen bedoeld in artikel 57/11, paragraaf l, eerste lid, van de wet, worden bij de Commissie ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is opgesteld in de taal van de procedure die werd bepaald overeenkomstig artikel 51/4 van de wet, ofwel door de vreemdeling of zijn advocaat, ofwel door de Minister of zijn gemachtigde ondertekend." Terwijl in casu het Nederlands werd bepaald als taal van de procedure. Mede gelet op het gegeven dat de artt. 860 en 867 Ger. W. niet van toepassing zijn op de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen - en deze bepalingen evenmin beginselen zijn die aan alle rechtshandelingen gemeen zijn - kan de verzoekende partij niet ernstig betwisten dat het gebruik van de voorgeschreven taal een substantiële ontvankelijkheidsvoorwaarde is van de aan het administratief rechtscollege gerichte beroepsakte. Terwijl geen enkele wettelijke bepaling voorziet dat de vreemdeling voor het indienen van het verzoekschrift de vrije keuze van taal heeft. Het gebruik van één der voorgeschreven talen is een voorwaarde voor de onontvan- kelijkheid van de aan een administratief rechtscollege gerichte beroepsakte. Verzoekers beschouwingen kunnen aan het voorgaande geen afbreuk doen. Het middel kan niet worden aangenomen.”; 2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert: “De tegenpartij is van oordeel dat de betwiste beslissing conform is aan het artikel 3 van het KB van 19 mei 1993, zoals gewijzigd door het KB van 10 november 2005, om reden dat de vreemdeling niet beschikt over een vrije taalkeuze in het kader van de asielprocedures; De tegenpartij is eveneens van oordeel dat de artikelen 860 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing zijn in de procedure voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen en dat niet kan aangenomen worden dat deze artikelen rechtsprinci- pes bevatten die toepasselijk zijn in alle gerechtelijke procedures; De tegenpartij oordeelt dan ook dat de verzoeker niet redelijkerwijs in twijfel kan trekken dat het gebruik van de voorgeschreven taal een voorwaarde voor de ontvan- kelijkheid van zijn beroep is; Deze voorwaarde zou een substantiële vormvereiste uitmaken daar de vreemdeling niet over een vrije taalkeuze zou beschikken voor de instelling van zijn beroep; En dat terwijl het Hof van Cassatie, in haar voormeld arrest dd. 26 april 2006, heeft gesteld dat de eerbiediging van de taal voorgeschreven door het artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 geen substantiële vormvereiste is die is voorgeschreven op straffe van nietigheid. Dat indien, per impossibile, zou worden aangenomen dat de artikelen 860 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek niet toepasselijk zijn op de procedure voor het administratie- ve gerecht a quo, desalniettemin dient te worden aangenomen dat ze een algemeen rechtsbeginsel bevatten, waarvan tegenpartij in gebreke blijft het bestaan aan te vechten. Dat, in afwezigheid van enige wettekst die de nietigheid voorziet van de gedinginlei- dende akte voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, de onontvankelijkheid van het beroep, om de enige reden dat de proceduretaal niet werd geëerbiedigd, niet wettelijk kan worden uitgesproken; XIV-29.047-7/10 Dat, door te weigeren de asielaanvraag van de verzoeker te onderzoeken om deze enige reden, het administratieve gerecht de Conventie van Genève van 28 juli 1951 overtreedt alsook de Richtlijn 2004/83/CE van 29 april 2004; Dat, voor het overige, wordt verwezen naar de uiteenzettingen hernomen in het middel.”; 2.4.
  15. Overwegende dat in het middel verzoeker aanvoert dat artikel 1 Conventie van Genève van 28 juli 1951, de artikelen 4, 9, 10, 12, 15 en 19 van de Europese Richtlijn 2004/83/CE, de artikelen 57/22 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), artikel 235 van de Wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen, artikel 860 Gerechtelijk Wetboek, artikel 149 Grondwet, de artikelen 3 en 6 van het E.V.R.M., de algemene beginselen van de tegensprekelijkheid en de rechten van verdedi- ging, worden geschonden doordat het in het Frans ingediende beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, terwijl de proceduretaal Nederlands is, onontvank- elijk wordt verklaard, dat tevens een manifeste beoordelingsfout werd gemaakt en wordt “de fout, de tegenstrijdigheid en het gebrek in de overwegingen en de motivering” aangevoerd; dat, zoals de verwerende partij terecht opwerpt, deze geschonden geachte bepalingen in het middel niet verder worden toegelicht en de verzoekende partij zich in wezen beperkt tot het stellen dat haar in het Frans ingediende beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet onontvankelijk mocht worden verklaard zonder dit verder op de aangehaalde, geschonden geachte bepalingen en beginselen te betrekken; 2.4.2.
  16. Overwegende dat blijkens de motivering van de aangevochten beslissing verzoekers aanvraag wordt verworpen, nadat een prejudiciële vraag werd afgewezen met betrekking tot de grondwettelijkheid van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, omdat zijn verzoekschrift dat hij heeft ingediend bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in het Frans was opgesteld, terwijl dit luidens artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2005, in de proceduretaal zoals vastgesteld met toepassing van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, in casu het Nederlands, diende te worden opgesteld, waardoor het betrokken verzoekschrift niet beantwoordt aan de vermelde wettelijke vereiste en het beroep bijgevolg onontvankelijk is; 2.4.2.
  17. Overwegende ambtshalve, dat artikel 51/4, § 3 van de voormelde wet van 15 december 1980 overeenkomstig hetwelk, in de eventuele daaropvolgende procedure onder andere voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de taal wordt gebruikt die XIV-29.047-8/10 door de overheid is bepaald bij het begin van de asielaanvraag, in casu het Nederlands, alleen betrekking heeft op het taalgebruik van de overheid en niet op de taal waarin de beroepsakte ingediend door de vreemdeling of zijn advocaat moet zijn gesteld; dat een beroepsakte ingediend in een andere landstaal dan deze van de procedure rechtsgeldig is, aangezien beperkingen op de vrijheid van taalgebruik van particulieren restrictief dienen te worden geïnterpreteerd.; dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 november 2005, dat bepaalt dat de beroepen bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen worden ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is opgesteld in de taal van de procedure bepaald overeenkomstig artikel 51/4 van de wet niet in overeenstemming is met § 3 van voormeld artikel 51/4 dat, zoals gesteld, de vrijheid van taalgebruik door de vreemdeling overkort laat; dat dit strijdt met artikel 30 van de Grondwet dat bepaalt dat het taalgebruik voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken geregeld wordt door de wet; dat de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen derhalve, bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet, voormeld artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 terzijde had moeten schuiven; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  18. Verbroken wordt de beslissing van 22 februari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij verzoekers beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard. Artikel
  19. Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de verbroken beslissing. XIV-29.047-9/10 Artikel
  20. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig juni tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.047-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.749 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060426.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.