id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.750 Rolnummer: Zaak: Arrest 184750 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 25/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-06-27 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:18 Fiche Arrest nr 184.750 van 25 juni 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.750 van 25 juni 2008 in de zaken A. 181.393/XIV-28.664 181.394/XIV-28.
- In zake : XXX, die beide woonplaats kiezen bij Advocaat M.-C. SCOUFLAIRE, kantoor houdende te 4000 LUIK, Place verte 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie-en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 28 februari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 17 januari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking nr. 350 van 16 maart 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat Rivon MOUSSA, van Iraakse nationaliteit, op 28 februari 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 17 januari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij zijn beroep tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hem als vluchteling te erkennen, onontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking nr. 351 van 16 maart 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; XIV-28.664-1/11 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikkingen van 5 september 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2007; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M.-C. SCOUFLAIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de procedure. Overwegende dat de broers XXX in twee verschillende beroepen de nietigverklaring vragen van de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 17 januari 2007 waarbij hun beroep tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onontvankelijk worden bevonden; dat beide beslissingen op dezelfde rechtsgrond berusten en tegen beide beslissingen in de beide verzoekschriften hetzelfde rechtsmiddel naar voren wordt gebracht; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten; XIV-28.664-2/11
- Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- XXX, beide van Iraakse nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 12 mei 2005 en hebben zich op 13 mei 2005 vluchteling verklaard. Op 13 juli 2005 wordt hun het verblijf geweigerd door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken. 2.
- Op 19 augustus 2006 worden de aanvragen om erkenning als vluchteling geweigerd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Verzoekers stellen tegen deze beslissingen een beroep in bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op 26 september
- Deze beroepen werden in het Frans opgesteld. 2.
- Op de zitting van 17 januari 2007 worden verzoekers door de Tweede Nederlandse Kamer gehoord. 2.
- Op 17 januari 2007 neemt de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissingen, die als volgt luiden: Wat XXX betreft: “(...) De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, 2de Nederlandse kamer, Gelet op het Internationaal Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, en het Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1969; Gelet op hoofdstuk II van titel II van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1987 en 18 juli 1991, bij het koninklijk besluit van 13 juli 1992, bij de wetten van 6 mei 1993, 10 juli 1996, 15 juli 1996, 9 maart 1998, 22 december 2003, 16 maart 2005, 15 september 2006 en 27 december 2006; Gelet op artikel 235, §l, tweede lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistin- gen; Gelet op het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 september 1996 en 10 november 2005; Gelet op de machtiging verleend door de voorzitter van de 2de Nederlandse kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 10 mei 2005; Gelet op de aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling ingediend op 13 mei 2005; XIV-28.664-3/11 Gelet op de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 september 2006 (CG/05/14115); Gelet op het verzoekschrift ingediend op 26 september 2006; Gelet op de oproeping van appellant op 17 november 2006 voor de zitting van 17 januari 2007; Gehoord appellant en advocaat M. DUPONT loco advocaat J. BERTEN; Overwegende dat luidens artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2005, beroepen bij de Commissie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is opgesteld in de taal van de procedure die werd bepaald overeenk- omstig artikel 51/4 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het verzoekschrift niet naar keuze in het Nederlands of in het Frans mag worden opgesteld (Verslag aan de Koning, B.S., 14 december 2005, 53693); Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat met toepassing van voormeld artikel 51/4 het Nederlands als taal van de procedure werd bepaald; dat het voorliggen- de verzoekschrift werd opgesteld in het Frans en derhalve niet aan de voormelde substantiële vereiste voldoet; dat de Commissie haar bevoegdheid zou overschrijden mocht zij het beroep toch ten gronde behandelen, OM DEZE REDENEN : verklaart het beroep onontvankelijk. (...).”. Wat XXX betreft: “(...) De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, 2de Nederlandse kamer, Gelet op het Internationaal Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, en het Protocol van New-York van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, goedgekeurd bij wet van 27 februari 1969; Gelet op hoofdstuk II van titel II van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1987 en 18 juli 1991, bij het koninklijk besluit van 13 juli 1992, bij de wetten van 6 mei 1993, 10 juli 1996, 15 juli 1996, 9 maart 1998, 22 december 2003, 16 maart 2005, 15 september 2006 en 27 december 2006; Gelet op artikel 235, §l, tweede lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistin- gen; Gelet op het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 september 1996 en 10 november 2005; Gelet op de machtiging verleend door de voorzitter van de 2de Nederlandse kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 10 mei 2005; Gelet op de aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling ingediend op 13 mei 2005; Gelet op de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 september 2006 (CG/05/14117); Gelet op het verzoekschrift ingediend op 26 september 2006; Gelet op de oproeping van appellant op 17 november 2006 voor de zitting van 17 januari 2007; Gehoord appellant en advocaat M. DUPONT loco advocaat J. BERTEN; XIV-28.664-4/11 Overwegende dat luidens artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2005, beroepen bij de Commissie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is opgesteld in de taal van de procedure die werd bepaald overeenk- omstig artikel 51/4 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het verzoekschrift niet naar keuze in het Nederlands of in het Frans mag worden opgesteld (Verslag aan de Koning, B.S., 14 december 2005, 53693); Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat met toepassing van voormeld artikel 51/4 het Nederlands als taal van de procedure werd bepaald; dat het voorliggen- de verzoekschrift werd opgesteld in het Frans en derhalve niet aan de voormelde substantiële vereiste voldoet; dat de Commissie haar bevoegdheid zou overschrijden mocht zij het beroep toch ten gronde behandelen, OM DEZE REDENEN : verklaart het beroep onontvankelijk. (...).”.
- Over de gegrondheid van de beroepen. 3.
- Overwegende dat in de beide beroepen verzoekers als enig middel aanvoeren: “- schending van het Verdrag van Genève d.d. 28 juli 195 1, onder meer het artikel l; - schending van de Vreemdelingenwet d.d. 15 december 1980, onder meer het artikel 57/22; - schending van de Belgische Grondwet, onder meer het artikel 149; - schending van het Europese Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, onder meer het artikel 6; - schending van het algemene beginsel van de rechten van verdediging; - schending van het beginsel van de proportionaliteit; - schending van het algemene beginsel van behoorlijk bestuur en machtsoverschrij- ding. Bestreden beslissing: Hier is de redenering van de bestreden beslissing: "Overwegende dat luidens artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2005, beroepen bij de Commissie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is opgesteld in de taal van de procedure die werd bepaald overeenkomstig artikel 51/4 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; dat het verzoekschrift niet naar keuze in het Nederlands of in het Frans mag worden opgesteld; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat met toepassing van voormeld artikel 51/4 het Nederlands als taal van de procedure werd bepaald; dat het voorliggende verzoekschrift werd opgesteld in het Frans en derhalve niet aan de voormelde substantiële vereiste voldoet; dat de Commissie haar bevoegdheid zou overschrijden mocht zij het beroep ten gronde behandelen;" Eerste deel De bestreden beslissing verklaart het beroep van verzoekende onontvankelijk omwille van de niet naleving van een formaliteit dat zij als "substantieel” beschouwt; XIV-28.664-5/11 Verzoeker heeft zijn beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen met een in het Frans opgesteld verzoekschrift ingediend terwijl dit laatste in het Nederlands, taal van de procedure, zou hebben moeten opgesteld worden; Terwijl noch het artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna de wet), noch het artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2005 (hierna het koninklijk besluit), bepalen dat de door deze artikels uitgevaardigde regels substantieel zijn; Voormelde artikels, noch enige andere bepaling van de wet of van het koninklijk besluit voorzien in sancties ingeval van niet naleving van de regels met betrekking tot de taal van de procedure; Wanneer een bepaling niet uitdrukkelijk bedingt dat een formaliteit van substantiële aard is, past het dat naar de rechtspaak wordt verwezen; Bij arrest d.d. 26 april 2006 heeft het Hof van Cassatie beoordeeld dat inzake asielprocedures de regels met betrekking tot de taal van de procedure niet van substantiële aard zijn, noch door de nietigheid gesanctioneerd zijn ( zie stuk 5); Deze zaak betrof de schending door een beslissing van vasthouding in een welbepaalde plaats, gesitueerd in het grensgebied uit hoofde van artikel 74-5, § 1, 2/ van de wet van 15 december 1980, van artikel 51-4, §1, lid 2 van dezelfde wet dat bepaalt dat de taal van het onderzoek van de verklaring van de kandidaat politiek-vluchteling tevens de taal van de eventuele daaropvolgende beslissingen tot verwijdering van het grondgebied moet zijn; In voormelde zaak was de beslissing in het Frans genomen terwijl de taal van de procedure het Nederlands was; Het hof van Cassatie heeft echter beoordeeld dat de niet naleving van het artikel 51-4, § 1, lid 2 de nietigheid van de beslissing niet meebrengt; Het Hof redeneert immers als volgt: "Uit die bepaling volgt evenwel niet dat het niet- gebruik van die taal in de vrijheidsbenemende maatregel de nietigheid van die maatregel meebrengt”; Het Hof is bijgevolg van mening dat er geen nietigheid kan verklaard worden als de wet de nietigheid niet uitdrukkelijk bedingt. In de bewuste zaak meent het Hof dat de substantiële of door de nietigheid gesanctio- neerde vereisten nageleefd zijn en de beslissing is in overeenstemming met de wet; In casu kan men analoog redeneren. Inderdaad, noch het artikel 51-4 van de wet, noch het artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 bedingen uitdrukkelijk dat de naleving van de taal van de procedure bij het opstellen van het beroep een substantiële of door de nietigheid gesanctioneerde vereiste is; Als de niet naleving door de overheid van de regels met betrekking tot de taal van de procedure inzake asielprocedures de nietigheid van de maatregelen niet meebrengt, dient het zeker het geval te zijn voor de rechtzoekende wat zijn procedureakten betreft; Verzoeker verwijst bovendien naar de beschikking nr. 161 van 26 januari 2007 van de Raad van State die het verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend op 12 januari 2007 door de heer XXX toelaatbaar verklaart (kenmerk: A.180.211, zie stuk 6). Dit verzoekschrift strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen d.d. 6 december 2006 die het beroep van de verzoeker onontvankelijk heeft verklaard omdat het in het Nederlands (in plaats van in het Frans) opgestelde verzoekschrift niet voldeed aan een door de wettelijke bepalingen voorgeschreven substantiële vereiste; Uit het voorgaande blijkt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het beroep van verzoeker als ontvankelijk zou hebben moeten beschouwen; Dienvolgens dient de door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitgesproken beslissing om voormelde redenen nietig verklaard te worden. Tweede deel XIV-28.664-6/11 Het beginsel van goede trouw en handelen als een goed huisvader is geschonden aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchteling nooit aan verzoeker gevraagd heeft een vertaling van het bewuste verzoekschrift naar het Nederlands te bezorgen; Verweerder heeft dus niet aan verzoeker de gelegenheid gegeven om de onregelmatig- heid te dekken; Bij arrest d.d. 25 juli 2001 beoordeelde de Raad van State dat "een inbreuk op het bonus pater familias-principe vereist niet noodzakelijk kwade trouw" (R.v.ST. nr. 97.954); De Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen moet zorgvuldig en redelijk te werk gaan. Deze zorgvuldigheidsplicht houdt in dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen. De voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenre- dig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In casu, de voor verzoeker nadelige gevolgen van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van onontvankelijkheid van diens beroep en de inbreuk dat deze beslissing meebrengt op het recht van verzoeker op een grondig onderzoek van zijn asielaanvraag in het kader van de procedure ten gronde bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zijn onevenredig in verhouding tot de met het besluit van de Vaste Beroepscommissie te dienen doelen. Om deze redenen dient de door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen uitgesproken beslissing nietig verklaard te worden.”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij telkens antwoordt: “Verzoeker beroept zich in zijn enig middel op een vermeenden schending van: - art. 1 van het Verdrag van Genève, - art. 57/22 van de vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, - art. 149 van de Grondwet, - art. 6 EVRM, - de rechten van verdediging, - het proportionaliteitsbeginsel, - de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tevens beroept verzoeker zich op machtsoverschrijding. Ter ondersteuning laat de verzoekende partij gelden dat de het art. 51/4 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 en het art. 3 van het KB dd. 19.05.1993 niet voorzien dat de naleving van de taal van de procedure een substantiële of door nietigheid gesanctioneerde vereiste is. De verwerende partij laat vooreerst gelden dat de verzoekende partij in gebreke blijft om uiteen te zetten waarom zij bepaalde van de door haar aangevoerde rechtsregels nu juist geschonden acht, hetgeen volstaat om tot de onontvankelijkheid te besluiten. Inderdaad laat de verzoekende partij na aan te geven waarom de in casu bestreden beslissing volgende rechtsregels zou miskennen: - art. 1 van het Verdrag van Genève, - art. 57/22 van de vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, - art. 149 van de Grondwet, Vervolgens, en in zoverre de verzoekende partij een schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, herinnert de verwerende partij er aan dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een administratief rechtscollege is, belast met, weze het administratieve, rechtspraak en niet met actief bestuur, zodat laatstvermeld beginselen te haren opzichte geen toepassing kunnen vinden. Tot slot laat de verwerende partij gelden dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen geheel terecht besliste om het bij haar ingestelde beroep tegen de beslissing dd. 19.09.2006 van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de XIV-28.664-7/11 Staatlozen onontvankelijk te verklaren, nu het verzoekschrift was opgesteld in de Franse taal. Immers, het art. 3 van KB dd. 19.05.1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - zoals gewijzigd bij KB dd. 10.11.205 tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 19.05.1993 - voorziet uitdrukkelijk: "De beroepen bedoeld in artikel 57/11, paragraaf l, eerste lid, van de wet, worden bij de Commissie ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is opgesteld in de taal van de procedure die werd bepaald overeenkomstig artikel 51/4 van de wet, ofwel door de vreemdeling of zijn advocaat, ofwel door de Minister of zijn gemachtigde ondertekend." Terwijl het Nederlands is bepaald als taal van de procedure. Mede gelet op het gegeven dat de artt. 860 en 867 Ger. W. niet van toepassing zijn op de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen - en deze bepalingen evenmin beginselen zijn die aan alle rechtshandelingen gemeen zijn - kan de verzoekende partij niet ernstig betwisten dat het gebruik van de voorgeschreven taal een substantiële ontvankelijkheidsvoorwaarde is van de aan het administratief rechtscollege gerichte beroepsakte. Terwijl geen enkele wettelijke bepaling voorziet dat de vreemdeling voor het indienen van het verzoekschrift de vrije keuze van taal heeft. Verzoekers beschouwingen kunnen aan het voorgaande geen afbreuk doen. Het middel kan niet worden aangenomen.”; 3.
- Overwegende dat in de memories van wederantwoord de verzoekers hun middel uit de verzoekschriften herhalen, met uitzondering van de beweerde schendingen van: het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, onder meer het artikel 1; de Vreemdelingenwet, onder meer artikel 57/22 en van de Belgische Grondwet, onder meer artikel 149; 3.4.
- Overwegende dat, gelet op artikel 14 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State, de verzoekende partij bij een cassatieberoep een samenvattende memorie van wederantwoord moet indienen, dat dit inhoudt dat de schendingen die in de verzoekschriften werden naar voren gebracht doch niet werden herhaald in de memories van wederantwoord, niet langer kunnen worden beschouwd als aangevoerd ter vernietiging van de bestreden beslissingen; dat dit met name geldt voor de schendingen van het Vluchtelingenverdrag, van de Vreemdelingenwet en van de Grondwet; dat artikel 6 van het E.V.R.M. in deze niet toepasselijk is aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen uitspraak doet over burgerlijke rechten, noch over de gegrondheid van een strafvervolging; dat de verzoekende partijen de schending aanvoeren van de regels van behoorlijk bestuur, met name het beginsel van de goede trouw, het handelen als een goede huisvader, het zorgvuldigheids- beginsel en het redelijkheidsbeginsel; dat, zoals uit de benaming van de aangevoerde geschonden geachte principes blijkt deze zich richten tot “het bestuur”; dat in casu de bestreden beslissingen evenwel werden genomen door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; XIV-28.664-8/11 3.4.2.
- Overwegende dat blijkens de motivering van de aangevochten beslissingen verzoekers aanvragen worden verworpen omdat de verzoekschriften die zij hebben ingediend bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in het Frans waren opgesteld, terwijl dit luidens artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelin- gen, zoals gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 november 2005, in de proceduretaal zoals vastgesteld met toepassing van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, in casu het Nederlands, dienden te worden opgesteld en deze verzoekschriften, niet naar keuze in het Nederlands of het Frans mogen worden opgesteld, waardoor ze niet beantwoor- den aan een substantiële vereiste; 3.4.2.
- Overwegende ambtshalve, dat artikel 51/4, § 3 van de voormelde wet van 15 december 1980 overeenkomstig hetwelk, in de eventuele daaropvolgende procedure onder andere voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de taal wordt gebruikt die door de overheid is bepaald bij het begin van de asielaanvraag, in casu het Nederlands, alleen betrekking heeft op het taalgebruik van de overheid en niet op de taal waarin de beroepsakte ingediend door de vreemdeling of zijn advocaat moet zijn gesteld; dat een beroepsakte ingediend in een andere landstaal dan deze van de procedure rechtsgeldig is, aangezien beperkingen op de vrijheid van taalgebruik van particulieren restrictief dienen te worden geïnterpreteerd; dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 tot regeling van de werking en de rechtspleging voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 10 november 2005, dat bepaalt dat de beroepen bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen worden ingesteld door middel van een verzoekschrift dat is opgesteld in de taal van de procedure bepaald overeenkomstig artikel 51/4 van de wet niet in overeenstemming is met § 3 van voormeld artikel 51/4 dat, zoals gesteld, de vrijheid van taalgebruik door de vreemdeling onverkort laat; dat dit strijdt met artikel 30 van de Grondwet dat bepaalt dat het taalgebruik voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken geregeld wordt door de wet; dat de Vaste Beroeps- commissie voor vluchtelingen derhalve, bij toepassing van artikel 159 van de Grondwet, voormeld artikel 3 van het koninklijk besluit van 19 mei 1993 terzijde had moeten schuiven; dat het middel in die mate gegrond is, XIV-28.664-9/11 BESLUIT: Artikel
- De zaken nrs. A. 181.393/XIV-28.664 en 181.394/XIV-28.667 worden gevoegd. Artikel
- Verbroken worden de beslissingen van 17 januari 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij verzoekers beroepen tegen de weigering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om hen als vluchteling te erkennen, onontvankelijk worden verklaard. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de verbroken beslissing. Artikel
- De zaken worden verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-28.664-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig juni tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-28.664-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.750 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.