id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.751 Rolnummer: A. 105913/VII-23930 Zaak: Arrest 184751 - Milieuvergunningen - 26/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-14 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:18 Fiche Arrest nr 184.751 van 26 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.751 van 26 juni 2008 in de zaak A. 105.913/VII-23.930. In zake : Godelieve VAN WAES, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F tegen : de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Godelieve VAN WAES op 13 juni 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 12 april 2001 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins van 11 oktober 2000, houdende weigering van de milieuvergunning aan verzoekster voor het exploiteren van een landbouwbe- drijf, gelegen aan de Mandeweg 21a te Sint-Laureins, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 16 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 24 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2008; VII-23.930-1/15 Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. MALFAIT die, loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor verzoekster, en van bestuurssecretaris-jurist Ch. WILLE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 3 april 1997 wordt voor de landbouwinrichting, gelegen aan de Mandeweg 21a te Sint-Laureins, een exploitatievergunning verkregen voor een termijn eindigend op 3 april 2017 voor 100 zeugen, 30 opfokzeugen, 50 runderen en 540 m³ opslag van dierlijke mest. Voor de mestbankaangifte van 1997 worden voor de voornoemde inrichting nog vijftien runderen aangegeven. Volgens de mestbankaangiftes van de aanslagjaren 1997, 1998, 1999 en 2000 worden op de inrichting geen dieren meer gehouden. De exploitant van de voornoemde inrichting, Geert CALLE- WAERT, stopt zijn activiteiten en verkoopt in juli 1999 de inrichting aan de dochter en schoonzoon van verzoekster. De nieuwe eigenaars verhuren de inrichting aan verzoekster. Bij de verkoop verwijst de notaris, Christian VANHYFTE, naar de voornoemde vergunning. 1.2. Op 8 maart 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins de aktename voor de melding van overname door verzoekster van voornoemde inrichting. 1.3. Op 26 juni 2000 dient verzoekster voor voornoemde inrichting een milieuvergunningsaanvraag in met als voorwerp het hernieuwen van de (door VII-23.930-2/15 leegstand vervallen) vergunning voor een bestaande inrichting en het veranderen van de inrichting door onder andere : - uitbreiding van het vroeger aantal vergunde runderen van 50 tot 120 stuks; - uitbreiding van de mestopslag door de aanleg van een (ommuurde) mestvaalt van 850 m³; - inkrimping van de voorheen vergunde mestproductie van 2.190 kg. P2O5 tot 1.680 kg. P2O5. Op 25 september 2000 verleent de Vlaamse Landmaatschappij (hierna: VLM) een ongunstig advies. In dit advies wordt onder meer het volgende gesteld : "Uitgaande van de Mestbankaangifte van deze inrichting, (...), kan gesteld worden dat minstens gedurende 3 opeenvolgende jaren geen varkens en runderen werden gehouden op deze inrichting". 1.4. Op 11 oktober 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins de gevraagde vergunning. 1.5. Op 10 november 2000 tekent verzoekster administratief beroep aan tegen voornoemde beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins. In dat kader worden adviezen uitgebracht : (
- a)op 20 december 2000 adviseert de afdeling Milieuvergunningen de beroepen beslissing te bevestigen; (
- b)op 4 januari 2001 adviseert de VLM ongunstig; (
- c)op 17 januari 2001 adviseert de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM) gunstig; (
- d)op 30 januari 2001 adviseert de provinciale milieudeskundige de beroepen beslissing te bevestigen. 1.6. Op 5 februari 2001 stuurt notaris Christian VANHYFTE volgende brief aan de Provinciale Milieuvergunningscommissie : "In verband met de problematiek betreffende de milieuvergunningsaanvraag van mevrouw Godelieve Van Waes te Sint Laureins, voor het bedrijf gelegen te Sint-Laureins (Sint-Jan-in-Eremo), Mandeweg, bekend te kadaster sectie C nummers 20/r en 20/s, groot volgens kadaster 92a 64ca, kan ik U bevestigen dat bij een plaatsbezoek door mij en mijn bediende op het terrein zelf, eind 1998, samen met de verkopers, en nogmaals begin 1999, duidelijk is gebleken dat daar ter plaatse wel degelijk recent dieren geplaatst geweest waren, gelet op de daar aanwezige verse mestlaag, welke zich nog in de kweekstallen bevond en VII-23.930-3/15 waarvan de verkopers trouwens ter plaatse verklaard hadden dat deze mestlaag afkomstig was van de door hen daar geplaatste dieren. Dit kon daar ter plaatse duidelijk gecontroleerd worden. Bovendien was er op het bedrijf bij ons plaatsbezoek nog een overschot aan stro aanwezig, welke voorraad gediend had bij het kweken van de daar geplaatste dieren. Uit de toestand ter plaatse bleek dus wel duidelijk dat op dit terrein nog recent dieren gekweekt waren". 1.7. In een nota voor de zitting van de Provinciale Milieuvergunnings- commissie van 6 februari 2001 voert verzoekster het volgende aan : "Omstandigheden : gedwongen verkoop door de bankier van vorige exploitant, nl. Geert Callewaert, Maggerrozen 4, Beernem met advies van geldige vergunning door de verkopende notaris. Callewaert exploiteert op zijn woonadres te Beernem een 2e bedrijf uit met rundvee. (...) Reden van de aankoop : - de woning van aanvraagster Mevr. Van Waes is vlak naast het bedrijf gelegen en haar huiskavel is aanpalend aan de hoeve. - bedrijf is aangekocht door dochter van aanvraagster die wist dat haar ouders zeer graag dit bedrijf zouden hebben (vader is hartpatiënt en zijn hobby is rundvee). - wegens faillissement hadden haar ouders hun vroeger rundveebedrijf moeten verkopen. - de notaris was overtuigd van de volle geldigheid van de milieuvergunning op grond van de aanwezigheid van recente mest in de stallen en de verklaring terzake van de verkopers. - dit wordt bevestigd door volgende brieven van de notaris aan de kandi- daat-koper : deze 2 brieven (van 30/05/2000 en 5/02/2001) zijn als bijlage hierbijgevoegd. - mevr. Van Waes, moeder van de nieuwe eigenares, had er tot kort vóór de verkoop dieren (runderen en varkens) gezien op het bedrijf Toelichting bij de gang van zaken : - aan de kopers kan niet verweten worden dat zij zich niet voldoende zouden ingelicht hebben over de vergunningstoestand van dit bedrijf. - de wetgeving terzake laat de dienstdoende notaris echter niet toe om van de Mestbank sluitende informatie te bekomen over de vergunningstoestand van een bedrijf. - de verkoper, Geert Callewaert, was niet echt bereid tot medewerking toen de meldingsformulieren van overname mede door hem moesten ondertekend worden. Enkel na herhaald aandringen van de notaris was Callewaert bereid om te tekenen. - de verkoper, Callewaert dus, verkeerde in geldnood en had er dus alle belang bij dat zijn bedrijf bij de verkoop zo veel mogelijk geld opbracht . Het was dus van kapitaal belang dat zijn bedrijf te Sint-Laureins kon verkocht worden mét een geldige vergunning, dus tijdig en vooraleer er 2 jaar leegstand was. - vermoedelijk omdat zijn dieren op dit bedrijf vroeger reeds al eens in beslag genomen waren en verkocht door een schuldeiser, had hij geen dieren meer aangegeven bij de Mestbank op dit bedrijf alhoewel er wel degelijk nog dieren aanwezig waren, waarvan aanvraagster Van Waes getuige was, vermits ze pal naast het bedrijf woont en er wegens de hogere ligging van haar woning een goede inkijk op heeft. VII-23.930-4/15 - exploitant en verkoper Geert Callewaert had op zijn ander bedrijf te Beernem ook dieren en hij heeft er een deel van overgebracht naar zijn 2e bedrijf in Sint-Laureins, zodat die zouden ontsnappen aan een eventuele inbeslagname door de schuldeisers. Die vrees is steeds gebleven omdat er nog steeds schulden waren ten bewijze waarvan uiteindelijk het bedrijf zelf te Sint-Laureins onder de hamer moest ! - dat de notaris pas nà de verkoop een brief gericht heeft aan de Mestbank over de vergunningstoestand is dan bijkomstig, vermits die enkel en alleen getoetst wordt aan de mestbankaangiften die niet meer of niet minder dan de éénzijdige en niet-tegensprekelijke bewering zijn van de vroegere exploitant, Geert Callewaert, die zoals reeds gezegd bang was voor een nieuwe inbeslagname van zijn veestapel door zijn schuldeisers. - Bedoelde mestbankaangiften heeft Callewaert zelf weerlegd door zijn verklaring aan de notaris. De ingediende Mestbankaangiften zijn dus op zijn minst ONBETROUWBAAR ! Conclusie : - er waren én volgens aanvraagster én volgens de verkoper én volgens de vaststellingen ter plaatse van de notaris tot kort voor de verkoping in juli 99 dieren aanwezig op het bedrijf zodat er zeker geen 2 jaar leegstand was en de vergunning dus niet vervallen is. - Er was hoogstens een verlaagde veebezetting, maar er zijn in dit geval voldoende bedrijfseigen redenen die dit verklaren waardoor de vergunning intakt blijft. - ofwel is de notaris, die een zelfstandig ambtenaar is nota bene en er toe gehouden is de wet correct toe te passen, in dit geval zwaar in de fout gegaan wat onvergeeflijk zou zijn. - ofwel heeft de notaris correct gehandeld en was hij wel degelijk van oordeel dat de verleende milieuvergunning nog INTEGRAAL geldig was, dit op basis van het plaatsbezoek en van de verklaringen van de verkopers". 1.8. Op 6 februari 2001 adviseert de Provinciale Milieuvergunnings- commissie, na verzoekster te hebben gehoord, de beroepen beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins te bevestigen en de vergunning te weigeren. 1.9. Op 12 april 2001 wordt het bestreden besluit genomen. In dit besluit wordt onder meer het volgende overwogen : "Overwegende dat volgens de mestbankaangiftes van de aanslagjaren 1997, 1998, 1999 en 2000 op de inrichting geen dieren werden gehouden (cfr. advies VLM van 04-01-2001); Overwegende dat voor de mestbankaangifte van 1997 er nog 15 runderen werden aangegeven, d.w.z. dat er tot einde 1996 nog dieren werden gehouden op het bedrijf; dat de varkensstapel reeds voordien zou verwijderd zijn op de inrichting; Overwegende dat op basis van artikel 46 van Vlarem I en de omzendbrief van 19-12-1996 van minister Kelchtermans hieruit volgt dat de vergunning volledig vervallen is omdat er gedurende meer dan 2 jaar (zelfs bijna 4 jaar in dit geval) geen dieren werden gehouden op de inrichting ; dat gelet op het voorafgaande de vergunde mestproductie 0 kg P2O5 en 0 kg N/jaar bedraagt; VII-23.930-5/15 Overwegende dat de gewenste vergunde mestproductie 1.680 kg P2O5 en 5.080 kg N (...) afkomstig (
- is)van 80 runderen jonger dan 1 jaar en 40 runderen van 1 tot 2 jaar; dat gezien er een stijging is van de vergunde mestproductie niet wordt voldaan aan art. 33ter §1/,3/ van het Mestdecreet; Overwegende dat de Vlaamse minister van leefmilieu en landbouw recent bij de provinciale overheden heeft aangedrongen op een streng vergunningenbeleid voor de realisatie van het mestbeleid dat de Vlaamse regering heeft ontwikkeld ten einde de Europese Nitraatrichtlijn 91/676 te kunnen halen; dat bijgevolg de billijkheidsredenen die in het verleden werden weerhouden voor het verlenen van milieuvergunningen aan veeteeltinrichtingen, voortaan niet meer in aanmerking kunnen genomen worden bij de beoordeling van soortgelijke dossiers; Overwegende dat de vaste mest momenteel nog wordt opgeslagen op de blote grond, met een mogelijke bodem- en grondwaterverontreiniging als gevolg; Overwegende dat de inrichting rekening houdend met haar kenmerken en omvang, en rekening houdend met de ligging ten overstaan van gebieden die hindergevoelig zijn, een te grote negatieve impact zou hebben op mens en leefmilieu; Overwegende dat de inrichting milieuhygiënisch niet verenigbaar is met de omgeving; dat de milieuvergunning dient geweigerd te worden"; 2. Ten gronde 2.1.1. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 17 en 28 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), van de artikelen 30, § 1, 5/, en 46 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van het proportionaliteits-, het redelijkheids- en het continuïteitsbeginsel, wegens het ontbreken van de rechtens vereiste juiste feitelijke en juridische grondslag en wegens machtsoverschrijding, doordat het bestreden besluit de vergunning van 3 april 1997 vervallen verklaart, om reden dat gedurende minstens twee jaar geen dieren werden gehouden op de inrichting, en doordat deze redenering in essentie is gebaseerd op de mestbankaangiftes van 1997, 1998, 1999 en 2000 volgens dewelke er geen dieren zouden zijn opgegeven, en onder verwijzing naar de omzendbrief van 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan (hierna: omzendbrief van 19 december 1996); dat zij stelt dat het bestreden besluit haar argumentatie tot bewijs van het tegendeel niet eens onderzoekt, doch zich beperkt tot het vaststellen dat de mestbankaangiftes voor minstens twee opeenvolgen- de jaren geen dieren opgaven, dat artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet en artikel 46 van Vlarem I als criterium voor het verval, de werkelijke niet-exploitatie van de inrichting hanteren en nergens voorzien dat de mestbankaangiftes een VII-23.930-6/15 vermoeden "iuris et de iure" scheppen van de werkelijke bezetting van de inrichting, dat een omzendbrief dergelijk wettelijk vermoeden "iuris et de iure" niet in het leven kan roepen, zodat de verwerende partij de andere feitelijke elementen eveneens had moeten beoordelen, dat uit de omstandigheden van de zaak juist blijkt dat de vorige uitbater wel eens zou kunnen hebben gemeend er belang bij te hebben dat de door hem gehouden dieren niet zouden worden opgegeven, teneinde beslag door zijn schuldeisers te voorkomen, waardoor de mestbankaangiftes wel een twijfelachtige bron van informatie blijken, zodat de verwerende partij minstens had moeten nagaan welke de overige feitelijke elementen van de zaak waren die wijzen op het aantal dieren dat ter plaatse werd gehouden in de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999, dat uit de vaststellingen van verzoekster en van notaris Christian VANHYFTE, gedaan vóór de verkoop in juli 1999, bleek dat er ter plaatse effectief dieren werden gehouden, dat deze notaris begin september 1998 heeft vastgesteld dat ter plaatse een grote hoeveelheid stromest moest worden verwijderd van de kweekstallen, wat wijst op een recent gebruik door dieren, dat in ieder geval in het jaar 1997 nog minstens vijftien runderen werden gehouden op het bedrijf volgens de aangifte bij de Mestbank, zoals blijkt uit de tabel bij het advies van de VLM van 17 augustus 2000, dat verzoekster vlak na de verkoop in juli 1999 dieren in het bedrijf liet onderbrengen, op aanraden van de notaris om elk verval van de vergunning tegen te gaan, dat het bestreden besluit zelf vaststelt dat "er momenteel een 80-tal runderen in de bestaande rundveestal worden gehouden (de stal is verhuurd aan een veehandelaar uit Kaprijke)", dat er derhalve dieren zijn gehouden in 1997 en in 1999, en naar alle waarschijnlijkheid eveneens in 1998, zodat er zeker geen sprake is van twee jaar niet- exploitatie van de inrichting in de zin van artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet en artikel 46 van Vlarem I; dat verzoekster voorts van oordeel is dat de overweging van de verwerende partij dat de milieuvergunning voor de uitbating is vervallen, is gebaseerd op een totaal foutief uitgangspunt dat geenszins strookt met de werkelijk- heid, dat zij immers in de loop van de vergunningsprocedure voldoende concrete gegevens heeft verstrekt aan de vergunningverlenende overheid waaruit blijkt dat de milieuvergunning voor het aangekochte bedrijf geenszins was vervallen, dat het bestreden besluit er derhalve ten onrechte van uitgaat dat de vergunning was vervallen en dat om deze reden een nieuwe vergunning moest worden aangevraagd, dat in de mate dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat de milieuvergunning voor het houden van 50 runderen zou zijn vervallen, dit de aangehaalde rechtsbepalingen schendt, nu de weigeringsmotieven van het bestreden besluit niet zijn gebaseerd op correcte feiten en de rechtens vereiste grondslag ontberen, dat uit het voorgaande blijkt dat de verwerende partij aldus zonder enige rechtsgrond een onevenredige beslissing heeft genomen door thans te stellen dat voortaan geen dieren meer mogen VII-23.930-7/15 worden gehouden op het bedrijf, dat deze handelswijze duidelijk is ingegeven door de noodzaak om in de komende jaren te komen tot een substantiële vermindering van de mestproductie in Vlaanderen, dat het bestreden besluit duidelijk niet de geëigende weg is om zulks te doen, en zelfs afbreuk doet aan de rechtszekerheid "door via een slinkse omweg bepaalde doelstellingen te willen realiseren", dat "het bestreden besluit dan ook om die reden is aangetast door machtsoverschrijding"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat het bestreden besluit omstandig de historiek van het bedrijf weergeeft, dat daaruit blijkt dat de vorige exploitant over een vergunning beschikte voor de exploitatie van 50 runderen, 100 zeugen, 30 opfokzeugen en 540 m3 mestopslag, voor een termijn van twintig jaar, dat door slechte kweekresultaten en financiële problemen de vorige exploitant sedert enkele jaren is gestopt met het houden van dieren en dat het bedrijf te koop werd gesteld, dat de dochter van verzoekster het bedrijf heeft gekocht, dat tijdens de verkoop de notaris heeft medegedeeld dat er een vergunning voor het bedrijf was, bestaande uit 50 runderen, 30 opfokzeugen, 100 zeugen en 540 m3 mestopslag, dat dit ook bleek uit een notariële aankondiging van de verkoop in een plaatselijk blad, dat na de verkoop de notaris aan de nieuwe eigenaars heeft aangeraden om zo snel mogelijk dieren op het bedrijf te brengen, om te vermijden dat de vergunning zou vervallen wegens langdurige leegstand, dat daags na de verkoop de notaris een schrijven heeft gericht aan de Mestbank met de vraag naar de huidige vergunningstoestand van het bedrijf, dat uit het antwoord van de Mestbank blijkt dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de vergunning is vervallen, dat in een brief van 30 mei 2000 de notaris aan de nieuwe eigenaars bevestigt dat de vergunning werd afgeleverd door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen en dat de verkopers mondeling hebben verklaard dat er dieren werden gekweekt en de vergunning geldig was, dat de notaris echter niet de nieuwe gegevens overgemaakt door de VLM vermeldt, dat door verzoekster een melding van overname werd ingediend bij het college van burge- meester en schepenen van de gemeente Sint-Laureins, dat op basis van ongunstige adviezen voor de dieren, de melding van overname werd geweigerd, dat om alsnog de dieren vergund te krijgen een nieuwe vergunningsaanvraag werd ingediend, dat zij uit het voorgaande afleidde dat verzoekster zeer waarschijnlijk werd misleid door de gegevens die door de notaris werden verstrekt, dat zij hiervoor wel begrip kon opbrengen maar dat dit niet wegneemt dat uit de gegevens van de VLM blijkt dat de inrichting gedurende minstens twee jaar niet werd geëxploiteerd, dat er geen enkel document werd voorgelegd dat het tegendeel bewees, dat er enkel de beweringen van VII-23.930-8/15 verzoekster waren, dat zij derhalve terecht kon vaststellen dat de vergunning voor de inrichting was vervallen; 2.1.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat nergens in de milieuwetgeving is voorzien dat mestbankaangiftes een vermoeden "juris et de jure" scheppen met betrekking tot de werkelijke bezetting van een inrichting, dat in hoofde van de verwerende partij niet zomaar kan worden vermoed dat de inhoud van de mestbankaangiftes strookt met de werkelijke bezetting op het bedrijf, dat deze mestbankaangiftes dan ook niet als enige beoordelingsbasis kunnen worden gehanteerd om te besluiten of de eerder verleende vergunning is vervallen of niet, en om de aangevraagde vergunning te verlenen dan wel te weigeren, dat door zich uitsluitend en alleen op de mestbankaangiftes van de vorige eigenaar te baseren en de inhoud van deze documenten als onomstotelijk bewijs te hanteren van het verval van de milieuvergunning, de verwerende partij een parallel mestbeleid voert buiten het geëigende wettelijke kader, dat haar geen enkele bepaling bekend is die voorschrijft dat de mestbankaangiftes gelden als bewijs van de werkelijke bezetting op een inrichting, dat de conclusie dan ook moet zijn dat het provinciebe- stuur in het raam van de beroepsprocedure niet van haar kon verlangen dat zij bewijzen aanleverde voor de werkelijke bezetting van het bedrijf, terwijl ook de verwerende partij zelf niet over sluitende bewijzen beschikte die het tegendeel bewijzen van wat zij beweerde; 2.1.4. Overwegende dat artikel 28, § 1, van het milieuvergunningsdecreet het volgende bepaalt : "De vergunning vervalt van rechtswege wanneer zij betrekking heeft op een inrichting : (...) 3/ die gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd"; dat artikel 46 van Vlarem I bepaalt : "De in artikel 5 bedoelde milieuvergunning vervalt van rechtswege voor de inrichting die of voor het gedeelte van de inrichting dat : (...) 3/ gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd"; dat de verwerende partij het gegeven dat gedurende vier jaar geen mestproductie van de vergunde dieren bij de Mestbank werd aangegeven, kan beschouwen als een ernstige aanwijzing dat een inrichting niet meer wordt geëxploiteerd; dat verzoekster deze ernstige aanwijzing tracht te weerleggen met verklaringen over wat zich op het terrein heeft afgespeeld in de "verdachte periode" van 1997 tot 2000; dat verzoekster VII-23.930-9/15 zich vooreerst beroept op een verklaring van de notaris waarin deze op grond van twee plaatsbezoeken "eind 1998 (...) en (...) begin 1999" bevestigt dat op het terrein nog recent dieren werden gekweekt, gelet op de aanwezigheid van een "verse mestlaag" en een "overschot aan stro" in de stallen; dat verzoekster daarnaast zelf verklaart dat zij als aanpalende buur met inkijk op het bewuste terrein heeft gezien dat er in die periode dieren werden gehouden; dat deze verklaringen vaag zijn; dat noch in haar verzoekschrift, noch in de administratieve procedure verzoekster enig gegeven heeft verstrekt over het aantal dieren dat zij op het terrein zou hebben gezien; dat in een vergunning voor het exploiteren van stallen, het aantal dieren waarvoor de vergunning geldt nochtans een essentieel element is; dat de notaris niet verklaart dat hij dieren op het terrein heeft gezien maar verwijst naar een "verse mestlaag" en een "overschot aan stro" in de stallen; dat de aanwezigheid hiervan niet gelijk staat met het exploiteren van stallen voor 100 zeugen, 30 opfokzeugen en 50 runderen; dat de verwerende partij de in het middel aangehaalde regels en beginselen niet heeft geschonden door de door verzoekster aangehaalde verklaringen te doen wijken voor de vaststelling dat gedurende vier jaar in de aangifte bij de Mestbank een bezetting van 0 dieren werd opgegeven; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van "de verworven rechten", van artikel 33ter van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet), van artikel 17 van het milieuvergunnings- decreet, van artikel 30, § 1, 5/, van Vlarem I, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel wegens het ontbreken van de rechtens vereiste juiste feitelijke en juridische grondslag, doordat het bestreden besluit oordeelt dat de aanvraag onvermijdelijk leidt tot een stijging van de vergunde mestproductie, terwijl uit de ontwikkelde argumentatie van het eerste middel blijkt dat de milieuvergunning niet was vervallen, en derhalve de vergunde mestproductie evenmin was vervallen, dat na vergelijking van de vergunde en de aangevraagde mestproductie blijkt dat de mestproductie zou inkrimpen in plaats van toenemen, dat aldus de "stand-still-regeling" vervat in artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet te dezen geen toepassing vindt, aangezien met de aanvraag een vermindering van de vergunde mestproductie wordt beoogd, dat verzoekster ter gelegenheid van de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie op 6 februari 2001 een nota heeft neergelegd waaruit blijkt dat er op het bedrijf geen sprake was van een periode van ononderbroken leegstand van de stallen gedurende twee jaar en de lopende vergunning dus niet was vervallen, dat uit de bewoordingen van het bestreden besluit ontegensprekelijk valt af te leiden dat de nota van VII-23.930-10/15 verzoekster niet in overweging is genomen, nu op geen enkele wijze de hierin vervatte argumenten worden weerlegd, dat zodoende nergens uit het bestreden besluit blijkt dat de door verzoekster in de loop van de procedure aangevoerde argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken, dat de vergunningverlenende overheid in het kader van haar motiveringsplicht niet vermag voorbij te gaan aan stukken waarnaar op de hoorzitting bij de behandeling van het beroep uitdrukkelijk wordt verwezen, en minstens moet motiveren waarom aan deze stukken wordt voorbijgegaan, dat zij in het bestreden besluit derhalve geen enkele juiste en afdoende redengeving terugvindt waarom haar aanvraag als een aanvraag voor een nieuwe inrichting zou moeten worden beschouwd; dat verzoekster voorts stelt dat deze verplichting in hoofde van het bestuur te dezen des te meer gold, nu verzoekster in haar nota zeer gedetailleerd had aangetoond waarom de aan de inrichting verbonden milieuvergunning als niet-vervallen moet worden beschouwd, dat de verwerende partij zulks duidelijk niet heeft overwogen en, ondanks het feit dat uit de feitelijke gegevens van de zaak duidelijk kon worden afgeleid dat de verdere uitbating van het bedrijf voor verzoekster van levensbelang is, op geen enkel ogenblik met verzoekster contact heeft opgenomen om op deze wijze een binnen de bestaande reglementering kaderende oplossing te zoeken, dat de verwerende partij nochtans de plicht heeft om het dossier met de vereiste zorgvuldigheid te onderzoeken, en deze plicht er in welbepaalde omstandigheden in kan bestaan de aanvraag met "een zekere soepelheid" en "met zin voor de werkelijkheid" te behandelen, en desgevallend "voeling te zoeken" met de aanvrager om een bevredigende oplossing te vinden; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat zij terecht mocht vaststellen dat de vergunning voor de inrichting was vervallen, dat verzoekster in haar nota die werd voorgelegd op de zitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie het tegendeel beweerde, maar dit niet aan de hand van documenten kon bewijzen, dat zij er zich van bewust is dat, indien verzoekster juiste informatie had gekregen van de notaris, de verkoop waarschijnlijk niet zou zijn doorgegaan of er op zijn minst een veel lager bod zou zijn uitgebracht, dat zij evenwel niet kon voorbijgaan aan het feit dat alles er op wijst dat er geen dieren werden gehouden gedurende twee jaar, dat krachtens artikel 46 van Vlarem I en de omzendbrief van 19 december 1996 zij derhalve niet anders kon dan besluiten dat de vergunning was vervallen en dat er geen vergunde mestproductie meer was; 2.2.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord vooreerst verwijst naar hetgeen reeds naar aanleiding van het eerste middel werd uiteengezet; dat zij stelt dat het bestreden besluit uitsluitend is gefundeerd op het VII-23.930-11/15 advies van de VLM, waaruit blijkt dat de inrichting geen vergunde mestproductie heeft en de vergunningsaanvraag een stijging van de vergunde mestproductie beoogt, dat de verwijzing naar het advies van de VLM de weigering niet kan schragen, gezien ook de VLM niet over sluitende bewijzen maar enkel over "ernstige aanwijzingen" beschikte dat de voorgaande milieuvergunning was vervallen, dat de verwerende partij zich niet kan vergenoegen met een eenvoudige verwijzing naar een doorslagge- vend advies, zeker niet indien ook dit advies slechts is gestoeld op "ernstige aanwijzingen", dat, aangezien de VLM niet over sluitende bewijzen aangaande het verval van de milieuvergunningen beschikte, het aan het bestuur toekwam op gemotiveerde wijze uiteen te zetten waarom zij genoegen nam met "ernstige aanwijzingen" in het nadeel van verzoekster, dat zij zich niet kon beperken tot een loutere overname van of een verwijzing naar het doorslaggevende advies van de VLM, dat de omzendbrief van 19 december 1996 sowieso niet als basis kon dienen voor de weigering wegens het ontbreken van enige rechtskracht; 2.2.4. Overwegende dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffende- creet ten tijde van het bestreden besluit als volgt luidde : "§ 1. Met betrekking tot de exploitatie van landbouw- en veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels : 1/ (...) tot en met 31 december 2004; (...)
- c)kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, geen milieuvergun- ning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie te berekenen volgens artikel 33bis, §2 van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting voortvloeiende uit ruilverkavelingen, landinrichting, natuurinrichting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrichting"; dat deze bepaling ertoe strekt een algemene vergunningsstop voor veeteeltinrichtingen in te stellen, afgezien van de hernieuwing en de verplaatsing van lopende vergunningen; dat de verwerende partij in het bestreden besluit oordeelde dat de vergunning voor de inrichting van 3 april 1997 is vervallen; dat het inwilligen van verzoeksters aanvraag derhalve een verhoging van de vergunde mestproductie tot gevolg zou hebben; dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet dat niet toestaat en ter zake geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid voor de vergunningverlenende overheid openlaat; dat het tweede middel niet gegrond is; VII-23.930-12/15 2.3.1. Overwegende dat verzoekster in het derde middel de schending aanvoert van artikel 28 van het milieuvergunningsdecreet, van artikel 46 van Vlarem I, van artikel 33ter van het meststoffendecreet, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het gelijkheidsbeginsel, doordat het bestreden besluit stelt dat "de billijkheidsredenen die in het verleden werden weerhouden voor het verlenen van milieuvergunningen aan veeteeltinrichtingen, voortaan niet meer in aanmerking kunnen genomen worden bij de beoordeling van soortgelijke dossiers", terwijl de verwerende partij aldus zelf erkent nieuwe aanvragen te discrimineren ten aanzien van vroegere aanvragen in de beoordeling van de dossiers, in het licht van artikel 33ter, § 1,1/, c), van het meststoffendecreet en terwijl verzoekster dan ook enkel kan besluiten dat haar aanvraag niet op voet van gelijkheid met andere gelijkaardige aanvragen is behandeld; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat het een foute redenering is dat de aanvraag van verzoekster niet op voet van gelijkheid is behandeld met andere gelijkaardige aanvragen, dat het feit dat de minister heeft aangedrongen op een strikte interpretatie en toepassing van de milieuwetgeving niet aan de verwerende partij kan worden verweten, dat zij alle gelijkaardige aanvragen op eenzelfde manier en met dezelfde strenge toepassing van de wetgeving behandelt, dat de bewering dat het feit dat nieuwe aanvragen gediscrimineerd zouden worden ten aanzien van de oude, omdat de wet nu strenger moet worden toegepast, een schending van het gelijkheidsbeginsel zou inhouden, zou betekenen dat bij iedere wetswijziging en iedere nieuwe omzendbrief het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden omdat de aanvragen die erna worden behandeld anders moeten worden beoordeeld, dat dit niet het geval kan zijn; 2.3.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord stelt dat zij in het beroep tot nietigverklaring niet de schending van het gelijkheidsbeginsel heeft ingeroepen omwille van de verstrenging van de mestwetgeving, maar wel omwille van de strengere toepassing ervan door de verschillende besturen, dat het bestreden besluit zelf stelt dat in het verleden, los van het feit of in het verleden de wetgeving strenger of soepeler was, "billijkheidsredenen" werden weerhouden, terwijl deze billijkheidsredenen thans niet meer in aanmerking kunnen worden genomen voor soortgelijke dossiers, dat het bestreden besluit zelf abstractie maakt van de bestaande wetgeving en de strengheid of soepelheid ervan, en louter en alleen stelt dat omwille van het aandringen van de minister op een streng vergunningenbeleid, billijkheidsredenen vroeger wel in aanmerking werden genomen en nu niet meer, dat een dergelijk beleid, waarbij men VII-23.930-13/15 van de ene dag op de andere besluit geen billijkheidsredenen meer in aanmerking te nemen, ontegensprekelijk een discriminatie inhoudt tussen de verschillende vergunningsaanvragers, temeer daar het bestuur zelf stelt dat het om soortgelijke dossiers gaat; 2.3.4. Overwegende dat eenmaal de verwerende partij had vastgesteld dat de vergunning voor de inrichting van 3 april 1997 was vervallen, zij niet anders kon dan de aanvraag weigeren; dat het derde middel bijgevolg kritiek voert op een overtollig motief; dat, daarenboven, aanspraak op de gelijke toepassing van de wet nooit mag neerkomen op aanspraak op gelijkheid in een erkende onwettige toepassing van de wet; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-23.930-14/15 VII-23.930-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.751 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div