← België

Arrest 184752 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 26/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.752 Rolnummer: A. 110367/VII-24608 Zaak: Arrest 184752 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 26/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-10 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:18 Fiche Arrest nr 184.752 van 26 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.752 van 26 juni 2008 in de zaak A. 110.367/VII-24.608. In zake : Filip DEFORCHE, die woonplaats kiest bij advocaat L. OCKIER, kantoor houdende te KORTRIJK, Katteputstraat 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Filip DEFORCHE op 17 september 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 17 juli 2001 waarbij het beroep ingesteld door verzoeker tegen de beslissing van de Openbare Afvalstoffenmaat- schappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) van 20 april 2001, houdende beslissing dat het eindrapport beschrijvend bodemonderzoek AUTO ROGER in faling, Noordkaai 31 te Izegem conform wordt verklaard met de bepalingen van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op de beschikking van 21 september 2006 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-24.608-1/15 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 maart 2008 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 30 april 2008; gelet op het feit dat deze terechtzitting werd uitgesteld tot 29 mei 2008 en dat zulks met op 23 april 2008 aangetekend verzonden brieven aan de partijen ter kennis werd gebracht; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. MESSELIER die, loco advocaat L. OCKIER verschijnt voor verzoeker, en van advocaat N. DE CLERCQ die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker is eigenaar van een perceel grond met magazijn, gelegen aan de Noordkaai 31 te Izegem. Hij heeft dit perceel van zijn vader gekocht op 29 augustus 1996. Op 1 september 1996 wordt het onroerend goed in huur gegeven aan de BVBA AUTO ROGER, een autohandel die ook autowrakken opslaat. De site werd voorheen verhuurd aan de NV IAB, die er tevens een autohandel had en er autowrakken opsloeg. 1.2. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel van Kortrijk van 29 oktober 1999 wordt de BVBA AUTO ROGER failliet verklaard en wordt een curator aangesteld. 1.3. Op 6 juni 2000 stuurt verzoeker het standaardmeldingsformulier voor overdracht van het perceel naar de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (hierna : OVAM). Omdat op de site een risicoactiviteit, zoals VII-24.608-2/15 bepaald in artikel 3, §1, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsaneringsdecreet), plaatsvond, wordt in bijlage ook meteen het oriënterend bodemonderzoek, opgesteld door de NV GEOSAN, toegevoegd. In het algemeen besluit van dat onderzoek wordt het volgende gesteld : "Er is een ernstige aanwijzing dat de gemengde bodemverontreiniging ter hoogte van boring 13 met benzo(a)pyreen en minerale olie de bodemsaneringsnorm overschrijdt of dreigt te overschrijden". 1.4. Op 25 juli 2000 meldt OVAM aan verzoeker dat op basis van het oriënterend bodemonderzoek geen definitieve uitspraak kan worden gedaan over de ernst van de bodemverontreiniging. OVAM maant, op grond van artikel 38, §1, van het bodemsaneringsdecreet verzoeker aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. In deze brief wordt er ook op gewezen dat indien verzoeker meent aan de voorwaarden van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet te voldoen, hij overeenkomstig artikel 38, §3, van het bodemsaneringsdecreet zijn gemotiveerd standpunt binnen de dertig dagen aan OVAM moet kenbaar maken. 1.5. Verzoeker beroept zich op dat ogenblik niet op het statuut van onschuldig bezitter, overeenkomstig artikel 10 van het bodemsaneringdecreet, maar verzoekt de NV GEOSAN een voorstel van beschrijvend bodemonderzoek op te stellen. De NV GEOSAN stuurt op 28 september 2000 dit voorstel naar OVAM. Op 12 oktober 2000 meldt OVAM aan verzoeker dat het voorstel van beschrijvend bodemonderzoek, mits een bijkomende voorwaarde, conform aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet wordt verklaard. 1.6. Op 20 april 2001 meldt OVAM aan verzoeker dat zij het eindverslag van het beschrijvend bodemonderzoek op 8 maart 2001 in goede orde heeft ontvangen. In deze brief wordt op grond van het eindverslag onder meer het volgende gesteld : "De oorzaak van de verontreiniging is terug te vinden in de opslag van autowrakken. De verontreiniging wordt als gemengd beschouwd, aangezien de opslag van autowrakken sinds 1993 op het terrein plaatsvond". Het beschrijvend bodemonderzoek wordt vervolgens conform verklaard aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet en er wordt melding gemaakt van de mogelijkheid om tegen deze beslissing beroep aan te tekenen. In de brief wordt ook nog gesteld dat de voorgenomen overdracht van het perceel op grond van artikel 38, § 3, van het bodemsaneringsdecreet niet kan plaatsvinden vooraleer de overdrager : VII-24.608-3/15 VII-24.608-4/15 "

  1. a)een bodemsaneringsproject heeft opgesteld dat ontvankelijk en volledig is;
  2. b)jegens OVAM de verbintenis heeft aangegaan de bodemsaneringswerken uit te voeren; en
  3. c)financiële zekerheden heeft gesteld overeenkomstig artikel 29". In dezelfde brief wordt melding gemaakt van de voorgenomen overdracht door de curator van de failliet verklaarde BVBA AUTO ROGER. Deze heeft op 11 december 2000 de standaardmeldingsformulieren voor overdracht, beëindigen van handelshuur en sluiting van de exploitatie aan OVAM overgemaakt. Als antwoord stuurt OVAM op 19 december 2000 twee afzonderlijke brieven naar de curator. In de eerste brief meldt OVAM aan de curator dat op basis van het oriënterend bodemonderzoek geen definitieve uitspraak kan worden gedaan over de ernst van de bodemverontreiniging en maant zij, op grond van artikel 38, § 1, van het bodemsaneringsdecreet, de curator aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. In deze brief wordt er tevens op gewezen dat indien de curator meent aan de voorwaarden van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet te voldoen, hij dan overeenkomstig artikel 38, § 3, van het bodemsaneringsdecreet zijn gemotiveerd standpunt binnen dertig dagen aan OVAM moet kenbaar maken. Deze brief is identiek aan de brief die op 25 juli 2000 aan verzoeker werd overgemaakt (zie pt. 1.4). In de tweede brief meldt OVAM aan de curator dat het voorstel van beschrijvend bodemonderzoek (zie pt. 1.5.) conform wordt verklaard. 1.7. Verzoeker stelt op 18 mei 2001 beroep in tegen de beslissing van OVAM van 20 april 2001 tot conformverklaring van het beschrijvend bodemonder- zoek "in zoverre het ondergetekende als saneringsplichtige aanziet". In het kader van de beroepsprocedure, adviseert de afdeling Milieuvergunningen het beroep ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen. 1.8. Op 17 juli 2001 verklaart de verwerende partij het beroep ongegrond. Dit is het thans bestreden besluit waarvan de motivering als volgt luidt : "Overwegende dat het bodemsaneringsdossier, de bezwaren en argumenten van de beroepindiener als volgt kunnen beoordeeld worden; Overwegende dat op 28 februari 2000 door de heer Filip Deforche, eigenaar van het terrein te 8870 Izegem, Noordkaai 31, kadastraal afdeling 5, sectie A, perceelnummer 0451 F2, opdracht werd gegeven aan de NV Geosan tot het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek in het kader van een overd- racht; dat dit resulteerde in het verslag 'Oriënterend Bodemonderzoek Auto Roger', Rapportnummer GO00.2013 van 29 mei 2000; VII-24.608-5/15 Overwegende dat op 06 juni 2000 door de heer Filip Deforche melding werd gemaakt aan de OVAM van de bedoeling om tot overdracht over te gaan van de grond gelegen Noordkaai 31 te 8870 Izegem (Kachtem); dat bij deze melding een verslag van een oriënterend bodemonderzoek 'Oriënterend bodemonderzoek Auto Roger, Noordkaai 31 te 8870 Izegem - GO00.2013' werd gevoegd, opgesteld op 29 mei 2000 door de NV Geosan; Overwegende dat de OVAM bij schrijven BOA-S\O-KVDW-00\404471 van 25 juli 2000 gericht aan de heer Filip Deforche als reactie op de melding van 06 juni 2000 meedeelt dat er op grond van het oriënterend bodemonderzoek, 'Oriënterend bodemonderzoek Auto Roger, Noordkaai 31 te 8870 Izegem - GO00.2013' opgesteld op 29 mei 2000 door de NV Geosan ernstige aanwijzin- gen zijn dat het kadastrale perceel Izegem, afdeling 5, sectie A, perceelnummer 0451 F2 aangetast is door een gemengde bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden; dat op basis van het voorgelegde verslag geen definitieve uitspraak kan gedaan worden over de ernst van de verontreiniging; dat de OVAM op grond van artikel 38, § 1 van het bodemsaneringsdecreet betrokkene aanmaant tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek en stelt dat de voorgenomen overdracht voorlopig niet kan plaatsvinden; Overwegende dat de NV Geosan in opdracht van de heer Filip Deforche bij brief van 27 september 2000 aan de OVAM een voorstel voor beschrijvend bodemonderzoek voor de locatie Noordkaai 31 te 8870 Izegem met kenmerk GB00.2310 overmaakt; Overwegende dat de OVAM bij schrijven BOA-S\O-KVDW-00\407736 van 12 oktober 2000 gericht aan de heer Filip Deforche meedeelt dat het voorstel van beschrijvend bodemonderzoek voor de locatie Noordkaai 31 te 8870 Izegem, met kenmerk GB00.2310, opgesteld door de NV Geosan op 27 september 2000 conform beschouwd wordt met de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet mits inachtname van enkele voorwaarden; Overwegende dat Mr. Vincent Bonte als curator van de BVBA Auto Roger in faling bij schrijven van 07 december 2000 aan de OVAM de ingevulde standaardformulieren voor overdracht (beëindigen handelshuur) en voor stopzetting overmaakt voor het bedrijfsterrein van Auto Roger, Noordkaai 31 te 8870 Izegem; dat hij de studie 'Oriënterend bodemonderzoek Auto Roger, Noordkaai 31 te 8870 Izegem - GO00.2013', opgesteld op 29 mei 2000 door de NV Geosan, in bijlage voegt; Overwegende dat de OVAM bij schrijven BOA-S\O-KVDW-00\410140 van 19 december 2000 gericht aan Mr. Vincent Bonte, curator van de BVBA Auto Roger, meedeelt dat er op grond van het oriënterend bodemonderzoek 'Oriënterend bodemonderzoek Auto Roger, Noordkaai 31 te 8870 Izegem - GO00.2013', opgesteld op 29 mei 2000 door de NV Geosan, ernstige aanwij- zingen zijn dat het het kadastrale perceel Izegem, afdeling 5, sectie A, perceelnummer 0451 F2, aangetast is door een gemengde bodemverontreiniging die de bodemsaneringsnormen overschrijdt of dreigt te overschrijden; dat op basis van het voorgelegde verslag geen definitieve uitspraak kan gedaan worden over de ernst van de verontreiniging; dat de OVAM op grond van artikel 38, §1 van het bodemsaneringsdecreet betrokkene aanmaant tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek en stelt dat de voorgenomen overdracht voorlopig niet kan plaatsvinden; Overwegende dat de OVAM eveneens een schrijven BOA-S\O-KVDW- 00\410217 van 19 december 2000 richt aan Mr. Vincent Bonte, curator van de BVBA Auto Roger, met betrekking tot een voorstel van beschrijvend bodemonderzoek opgesteld door de NV Geosan op 27 september 2000, dat inhoudelijk en tekstueel identiek is aan hun brief BOA-S\O-KVDW-00\407736 van 12 oktober 2000 gericht aan de heer Filip Deforche waarin de OVAM meedeelt dat het voorstel van beschrijvend bodemonderzoek voor de locatie VII-24.608-6/15 Noordkaai 31 te 8870 Izegem, met kenmerk GB00.2310, opgesteld door de NV Geosan op 27 september 2000, conform beschouwd wordt met de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet mits inachtname van enkele voorwaarden; Overwegende dat de OVAM bij schrijven BOA-S\O-KVDW-01 \402664 van 20 april 2001 gericht aan de heer Filip Deforche het eindverslag beschrij- vend bodemonderzoek 'Beschrijvend bodemonderzoek Auto Roger in faling, Noordkaai 31, 8870 Izegem - GB00.2310', opgesteld door de erkende bodemsaneringsdeskundige NV Geosan op 27 februari 2001, in opdracht van de heer Filip Deforche, conform verklaart aan de bepalingen van het bodemsa- neringsdecreet; dat de OVAM tevens de bevindingen van de bodemsanerings- deskundige aanhaalt; dat deze er samengevat op neerkomen dat de verontreini- ging veroorzaakt is door de opslag van autowrakken sinds 1993 en dus een gemengde verontreiniging is; dat de bodemverontreiniging met minerale olie en benzo(a)pyreen horizontaal en verticaal afgeperkt zijn; dat voor de afperking van de verontreiniging met PAK's de minerale olie als gidsstof kan gebruikt worden; dat uit de risico-evaluatie blijkt dat een humaan- en verspreidingsrisico aanwezig is en sanering noodzakelijk; dat de OVAM verder ook verwijst naar de melding van overdracht van de heer Filip Deforche van 06 juni 2000 en de melding van overdracht/sluiting van Mr. Vincent Bonte van 07 december 2000, ontvangen op 11 december 2000 voor het perceel Izegem, afdeling 5, sectie A, perceelnummer 0451 F2; dat de OVAM gemengde bodemverontreiniging vaststelt die de bodemsaneringsnormen overschrijdt op de kadastrale percelen Izegem, afdeling 5, sectie A, perceelnummers 0451 F2, 0451 G2 en Openbaar domein; dat de OVAM tenslotte stelt dat op grond van artikel 38, § 2 van het bodemsaneringsdecreet de overdracht niet kan plaatsvinden vooraleer de overdrager een ontvankelijk en volledig bodemsaneringsproject heeft opgesteld, jegens de OVAM de verbintenis heeft aangegaan de bodemsaneringswerken uit te voeren, en financiële zekerheden heeft gesteld overeenkomstig artikel 29; Overwegende dat het beroep van de heer Filip Deforche zich richt tegen de beslissing van de OVAM van 20 april 2001 met kenmerk BOA-S\O-KVDW-01\402664 tot conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek; dat betrokkene zijn beroep enkel richt tegen het feit dat hij als overdrager aanzien wordt als saneringsplichtige; Overwegende dat in het beroepschrift geen enkel argument aangehaald wordt dat betrekking heeft op de vereisten en bepalingen van het bodemsane- ringsdecreet die betrekking hebben op de conformiteit van het beschrijvend bodemonderzoek, in het bijzonder de bepalingen van de artikelen 12, 13 en 14 van het bodemsaneringsdecreet; Overwegende dat beroeper de inhoud, de samenstelling en de conclusies van het beschrijvend bodemonderzoek 'Beschrijvend bodemonderzoek Auto Roger in faling, Noordkaai 31, 8870 Izegem - GB00.2310',opgesteld door de erkende bodemsaneringsdeskundige NV Geosan op 27 februari 2001, op geen enkel moment in vraag stelt of tegenspreekt; dat hij evenmin elementen aanbrengt waaruit zou moeten blijken dat het beschrijvend bodemonderzoek niet beantwoordt aan de bepalingen van het bodemsaneringsdecreet ter zake; dat hij bijgevolg geen argumenten aanbrengt waaruit zou moeten blijken dat de conformverklaring door de OVAM onterecht is; Overwegende dat toetsing van het beschrijvend bodemonderzoek aan de toepasselijke bepalingen van het bodemsaneringsdecreet geen elementen opleveren die een conformverklaring in de weg staan; Overwegende dat op die basis reeds voldoende elementen aanwezig zijn om de beslissing van de OVAM van 20 april 2001 houdende conform verklaren van het beschrijvend bodemonderzoek 'Beschrijvend bodemonderzoek Auto Roger in faling, Noordkaai 31, 8870 Izegem - GB00.2310', opgesteld door de erkende bodemsaneringsdeskundige NV Geosan op 27 februari 2001, bij te treden; VII-24.608-7/15 Overwegende dat zelfs zou kunnen geconcludeerd worden dat het beroep zonder voorwerp is aangezien het zich niet richt tegen de beslissing op zich; dat het beroep zich evenwel richt tegen de vermelding van enkele wettelijke bepalingen met betrekking tot de overdracht van gronden waardoor de overdrager zich aangeduid ziet als saneringsplichtige; dat het wenselijk is op deze argumenten in te gaan; Overwegende dat beroeper zich enkel richt tegen het feit dat hij in zijn hoedanigheid van overdrager als saneringsplichtige wordt aanzien; dat de volledige argumentatie kan samengevat worden tot het feit dat beroeper sinds de aankoop op 29 augustus 1996 de terreinen niet zelf gebruikt of geëxploiteerd heeft en dat er sinds 1993 ononderbroken een handelshuurovereenkomst heeft plaatsgevonden respectievelijk afgesloten met de NV IAB en daarna met de BVBA Auto Roger die er beiden activiteiten hebben uitgeoefend die voorko- men op de lijst van inrichtingen die bodemverontreiniging kunnen veroorzaken en die meldings- of vergunningsplichtig waren krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; dat om die reden op basis van de bepalingen van artikel 10, § 1,
  4. a)beroeper meent niet saneringsplichtig te zijn; Overwegende dat artikel 38, § 2 van het bodemsaneringsdecreet stelt dat 'Indien uit het beschrijvend bodemonderzoek of uit het register der verontrei- nigde gronden blijkt dat de bodemsaneringsnormen overschreden zijn, kan de overdracht niet plaatsvinden voor de overdrager:
  5. a)een bodemsaneringsproject heeft opgesteld dat ontvankelijk en volledig is;
  6. b)jegens OVAM de verbintenis heeft aangegaan de bodemsaneringswerken uit te voeren; en
  7. c)financiële zekerheden heeft gesteld overeenkomstig artikel 29; Zolang er geen bodemsaneringsnormen vastgesteld zijn, zijn de bepalingen van de vorige paragrafen van overeenkomstige toepassing indien de bodemver- ontreiniging een ernstige bedreiging vormt'; dat uit dit artikel duidelijk blijkt dat er een saneringsverplichting rust op de overdrager; Overwegende dat artikel 38, §3 van het bodemsaneringsdecreet stelt dat 'De overdrager is niet verplicht om op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek in te gaan, indien hij aantoont dat hij conform de bepalingen van artikel 10 niet verplicht is tot bodemsanering over te gaan. De overdrager...'; dat uit het dossier nergens blijkt dat beroeper gebruik gemaakt heeft van deze mogelijkheid om in het kader van de aanmaning tot uitvoeren van het beschrijvend bodemonderzoek aan te tonen dat hij conform de bepalingen van artikel 10 niet verplicht is tot bodemsanering over te gaan; Overwegende dat beroeper zich pas van de bepalingen van artikel 10 bedient in de procedurestap van het bodemsaneringsproject waar dit niet meer expliciet voorzien is; dat evenwel kan aangenomen worden dat verweerder zich in elke procedurestap van alle rechtmatige middelen kan bedienen om zich te verdedigen; dat hij zich beroept op artikel 10, § 1
  8. a)om te stellen dat hij niet als saneringsplichtig kan aanzien worden; Overwegende dat artikel 10, §1 van het bodemsaneringsdecreet stelt 'De verplichting om in de gevallen bedoeld in artikel 7, §2 en artikel 7, §5 op eigen kosten tot bodemsanering over te gaan, rust op de volgende personen:
  9. a)indien op de grond waar de verontreiniging tot stand kwam een inrichting gevestigd is of een activiteit uitgeoefend wordt die vergunnings- of meldings- plichtig is krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergun- ning, op de exploitant zoals bedoeld in dat decreet;
  10. b)in de andere gevallen, op de eigenaar van de grond waar de verontreiniging tot stand kwam, zolang deze niet heeft aangetoond dat een andere persoon voor eigen rekening de feitelijke controle over deze grond heeft. Levert ...'; Overwegende dat de heer Filip Deforche, de beroeper, een melding van overdracht gedaan heeft bij de OVAM op 06 juni 2000; dat de handelshuur- overeenkomst heeft plaatsgevonden tot op het ogenblik dat de BVBA Auto VII-24.608-8/15 Roger failliet werd verklaard door de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk bij vonnis van 22 november 1999; dat hieruit volgt dat op het ogenblik van de melding van overdracht er geen vergunningsplichtige inrichting meer gevestigd was op de grond sinds een periode van ruim zes maanden; Overwegende dat conform artikel 10, § 1
  11. a)van het bodemsaneringsdecreet de verplichting om tot bodemsanering over te gaan rust op de exploitant van de meldings- of vergunningsplichtige inrichting die gevestigd is op de grond waar de verontreiniging tot stand kwam; dat dit veronderstelt dat er op het ogenblik, in dit geval op het moment van de melding van de bedoeling om tot overdracht over te gaan, zijnde 06 juni 2000, een dergelijke inrichting gevestigd is; dat dit hier niet het geval is aangezien er sinds 22 november 1999, datum van de faillietverklaring van de BVBA Auto Roger, geen meldings- of vergunnings- plichtige inrichting meer gevestigd is op de grond; dat dus niet voldaan is aan de bepalingen van artikel 10, §1
  12. a)van het bodemsaneringsdecreet; Overwegende dat in de gevallen waar op de grond geen inrichting gevestigd is of een activiteit uitgeoefend wordt die vergunnings- of meldingsplichtig is krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de verplichting om tot bodemsanering over te gaan conform de bepalingen van artikel 10, § 1
  13. b)bij de eigenaar van de grond ligt; dat de laatste meldings- of vergunningsplichtige inrichting op de grond gevestigd was tot 22 november 1999; dat sindsdien geen dergelijke inrichting meer op de grond gevestigd is; dat bijgevolg op 06 juni 2000, datum van de melding van de bedoeling om tot overdracht over te gaan, de verplichting om tot bodemsanering over te gaan uitdrukkelijk bij de eigenaar van de grond ligt; Overwegende dat beroeper duidelijk voorbijgaat aan de bepalingen van artikel 10, § 1
  14. a)en
  15. b)van het bodemsaneringsdecreet die betrekking hebben op de actuele situatie, hier de toestand op het ogenblik van de melding van de bedoeling om tot overdracht over te gaan; dat de argumentatie van beroeper dan ook niet kan bijgetreden worden en hij wel degelijk als saneringsplichtig kan beschouwd worden conform artikel 10, §1
  16. b)van het bodemsaneringsdecreet; dat deze vermelding in de conformverklaring van de OVAM van 20 april 2001 van het beschrijvend bodemonderzoek dan ook niet als onjuist kan bestempeld worden; Overwegende dat beroeper, de heer Filip Deforche, geen enkel argument aanbrengt dat noch de conformiteitsverklaring op zich noch elementen van de inhoud van de conformiteitsverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek op enige wijze aantast; dat er bijgevolg geen redenen zijn om afbreuk te doen aan de conformiteitsverklaring van 20 april 2001 van de OVAM"; 2. De grond 2.1. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van artikel 10, § 1, van het bodemsaneringsdecreet samen met artikel 44 van het bodemsaneringsdecreet; dat hij voornoemde artikelen citeert en stelt dat het duidelijk is dat, bij het samenlezen van voornoemde artikelen, het aan de stopzetten- de exploitant is om de sanering op zich te nemen, dat de curator van de BVBA AUTO ROGER in faling de overeenkomstige melding heeft gedaan, dat het bestreden besluit "ten onrechte (...) de duidelijke bedoeling van de wetgever (negeert), met name dat diegene die een dergelijke exploitatie voerde de sanerings- plichtige is, met uitsluiting van de eigenaar", dat het bestreden besluit veronderstelt VII-24.608-9/15 dat door de faling er onmiddellijk een einde aan de exploitatie zou zijn gekomen en de grond terug in de feitelijke macht van verzoeker zou zijn gekomen, dat "de wetgeving inzake handelshuurovereenkomsten (...) evenmin in(houdt) dat de huurovereenkomst ipso facto zou komen te vervallen door de faling van de huurder", dat deze overweging niet eens relevant is, aangezien artikel 44 van het bodemsane- ringsdecreet stipuleert dat bij stopzetting en/of sluiting de exploitant saneringsplich- tig is; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord vooreerst stelt dat verzoeker aankondigde een overdracht van de site te doen, dat dienvolgens de bepalingen omtrent "overdracht van gronden" van toepassing zijn, met name de artikelen 36 tot en met 43 van het bodemsaneringsde- creet, dat uit artikel 38 blijkt dat in principe de overdrager, in casu verzoeker, moet instaan voor de bodemsanering, dat uit het derde lid van datzelfde artikel 38 blijkt dat de overdrager niet verplicht is om op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek in te gaan indien hij aantoont dat hij conform de bepalingen van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet niet verplicht is om tot bodemsanering over te gaan, dat verzoeker geheel vrijwillig en zonder daartegen beroep aan te tekenen is ingegaan op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek, dat het dan ook hoogst verwonderlijk is dat verzoeker, wanneer hij wordt aangemaand om een bodemsaneringsproject op te stellen, meent dat hij "onschuldig bezitter" zou zijn, dat het verzoek om als "onschuldig bezitter" te worden erkend, laattijdig is; dat de verwerende partij vervolgens van oordeel is dat, mocht worden aangenomen dat het "onschuldig eigenaarschap" nog kan worden aangevraagd na de aanmaning tot het uitvoeren van een bodemsaneringsproject, dan nog het verzoek van verzoeker niet gegrond is; dat, om dit te staven, de verwerende partij het eerste lid van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet en enkele definities uit artikel 2 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning citeert; dat zij voorts stelt dat artikel 10, §1, van het bodemsaneringsdecreet het duidelijk over een exploitant van een inrichting heeft, dat uit de aangehaalde definities blijkt dat een exploitant een natuurlijke persoon of een rechtspersoon is die een inrichting exploiteert, dit is een inrichting gebruikt, of algemener, een inrichting in stand houdt, dat de BVBA AUTO ROGER krachtens een vonnis van de rechtbank van koophandel van Kortrijk op 29 oktober 1999 failliet is verklaard, en dus niet zoals verzoeker beweert op 22 november 1999, dat verzoeker op 5 juni 2000, hetzij negen maanden na het faillissement, aan OVAM zijn voornemen om de site over te dragen meldde, dat het duidelijk is dat op het ogenblik dat hij zijn voornemen om de site over te dragen aan OVAM overmaakte, VII-24.608-10/15 er op de site geen exploitatie meer was van een inrichting aangezien er immers geen garage meer werd geëxploiteerd, gebruikt of uitgebaat; dat de verwerende partij ten slotte stelt dat verzoeker er niet in slaagt het in artikel 38, § 3, van het bodemsane- ringsdecreet beschreven tegenbewijs te leveren, dat hij immers niet aantoont dat er op het moment dat hij het voornemen van overdracht uitte, een andere natuurlijke of rechtspersoon op de site een vergunnings -of meldingsplichtige inrichting uitbaatte, dat, anders dan verzoeker blijkt te geloven, er niet moet worden aangetoond dat er nog een vergunningsplichtige inrichting op de site aanwezig is, dat artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet immers vereist dat de inrichting nog wordt geëxploiteerd, hetgeen zonder twijfel niet langer het geval was; 2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord vooreerst artikel 46, §1, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 citeert; dat hij stelt dat in het vonnis van faillietverklaring van 22 oktober 1999 niets werd bepaald met betrekking tot de handelshuurovereenkomst, dat de curatoren impliciet de handelshuurovereenkomst verderzetten, zodat de handelshuurovereenkomst overeenkomstig een bepaling van de overeenkomst of de wet moest worden beëindigd, dat dit wordt gestaafd, ten eerste, door het feit dat de grond pas begin 2000 werd ontruimd, daar waar het faillissement werd uitgesproken op 22 oktober 1999 en, ten tweede, door het feit dat de curator van de in faling verklaarde BVBA AUTO ROGER, OVAM op 7 december 2000 de ingevulde standaardformulieren voor overdracht toestuurde met als bijlage het oriënterend bodemonderzoek van de NV GEOSAN; dat verzoeker van oordeel is dat pas op dat moment werd overwogen om de handelshuurovereenkomst te beëindigen; dat hij voorts stelt dat uit het voorgaande blijkt dat de handelshuurovereenkomst niet alleen was blijven bestaan na het faillissement, maar bovendien nog bestond op het ogenblik van de melding van de bedoeling om tot overdracht over te gaan op 6 juni 2000, moment waarop door verzoeker aan OVAM melding werd gemaakt van het oriënterend bodemonder- zoek, dat de overweging in het bestreden besluit "dat de heer Filip Deforche, de beroeper, een melding van overdracht gedaan heeft bij de OVAM op 06 juni 2000; dat de handelshuurovereenkomst heeft plaatsgevonden tot op het ogenblik dat de BVBA Auto Roger failliet werd verklaard door de Rechtbank van Koophandel te Kortrijk bij vonnis van 22 november 1999; dat hieruit volgt dat op het ogenblik van de melding van overdracht er geen vergunningsplichtige inrichting meer gevestigd was op de grond sinds een periode van ruim zes maanden" niet overeenstemt met de werkelijkheid, dat alleen al op grond van artikel 10 van het bodemsaneringsde- creet moet worden besloten dat niet verzoeker, maar wel de BVBA AUTO ROGER de saneringsplichtige is, dat, bij het samenlezen van de artikelen 10 en 44 van het VII-24.608-11/15 bodemsaneringsdecreet, het "duidelijk" is dat het aan de stopzettende exploitant is om de sanering op zich te nemen; 2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie ook nog stelt dat noch artikel 10, § 1, noch artikel 10, § 2, van het bodemsaneringsdecreet voorziet in een termijn binnen dewelke de persoon - aangewezen als diegene die op eigen kosten tot bodemsanering zou moeten overgaan - het bewijs moet aanbrengen dat hij aan alle in artikel 10, § 2, van het bodemsaneringsdecreet voorziene voorwaarden voldoet, teneinde geen bodemsanering op eigen kosten te hoeven doorvoeren, dat, aangezien de administratieve procedure ten aanzien van OVAM, en in graad van beroep ten overstaan van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw, er op gericht is om te bepalen wie als uiteindelijke saneringsplichtige moet worden beschouwd, het logisch is dat de natuurlijke of rechtspersonen die het risico lopen als uiteindelijke saneringsplichtige te worden aangeduid, gedurende de loop van deze procedure hun bezwaren en argumenten dienaangaande, onder meer geënt op artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet, naar voor kunnen brengen; dat verzoeker voorts aanvoert dat de vervaltermijn, zoals voorzien in artikel 38, § 1, van het bodemsaneringsdecreet, enkel betrekking heeft op het uitvoeren van een beschrij- vend bodemonderzoek, waarbij hij aan de aanmaning terzake heeft voldaan, dat, zelfs al zou het beschrijvend bodemonderzoek onderdeel uitmaken van de bodemsaneringsverrichtingen, de draagwijdte van de verplichting voortvloeiende uit artikel 38, § 1, van het bodemsaneringsdecreet niet verder kan gaan dan deze die uitdrukkelijk is voorzien, met name een aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek, dat de bepaling van wie als uiteindelijke sanerings- plichtige moet worden aanzien overeenkomstig artikel 10, § 1, van het bodemsane- ringsdecreet los staat van artikel 38, § 1, van het bodemsaneringsdecreet, dat het enige wat aan verzoeker zou kunnen worden verweten, het feit is dat hij, naar aanleiding van de aanmaning om tot een beschrijvend bodemonderzoek over te gaan, zich niet op artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet heeft beroepen, teneinde niet tot dergelijk beschrijvend bodemonderzoek te hoeven overgaan, dat met het verlopen van de termijn voorzien in artikel 38 van het bodemsaneringsdecreet evenwel geenszins de verplichting in hoofde van de administratie is opgeheven om in functie van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet te bepalen wie in de voorliggende aangelegenheid als uiteindelijke saneringsplichtige moet worden aanzien, dat verzoeker wel degelijk over een belang beschikt om het bestreden besluit te horen vernietigen, "aangezien de bepaling van de uiteindelijke saneringsplichtige in het licht van artikel 10 (van het bodemsaneringsdecreet) losstaat van de vervaltermijn voorzien in artikel 38 § 2, derde lid (van het bodemsaneringsdecreet)"; VII-24.608-12/15 2.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie stelt dat verzoeker zich tevergeefs beroept op het feit dat het bestreden besluit, ondanks de vervaltermijn, ook is ingegaan op de argumentatie inzake onschuldig bezit, dat dit hoogstens een discussie over wenselijkheid en niet over wettelijkheid zou kunnen zijn, dat verzoeker ten onrechte uitgaat van de veronderstelling dat de ganse administratieve procedure erop gericht is om te bepalen wie als uiteindelijke saneringsplichtige moet worden beschouwd, dat vanuit die optiek verzoeker oordeelt dat het logisch is dat ook gedurende de ganse procedure de saneringsplicht kan worden bestreden, dat ten laatste binnen de dertig dagen na de aanmaning tot opstelling van een beschrijvend bodemonderzoek de saneringsplicht kan worden bestreden, dat daarna de bodemsaneringsprocedure zich uitsluitend nog toespitst op de vaststelling, aard en omvang van de bodemverontreiniging en de wijzen waarop deze kan worden gesaneerd; dat de verwerende partij ten slotte aanvoert dat de looptijd van de handelshuurovereenkomst irrelevant is, dat er in het bestreden besluit terecht werd geoordeeld dat naar aanleiding van het faillissementsvonnis kon worden verondersteld dat er op dat moment geen exploitatie meer was; 2.6. Overwegende dat verzoeker bij aangetekend schrijven van 25 juli 2000 door OVAM werd aangemaand een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren; dat in deze brief het volgende wordt vermeld : "Indien u meent aan de voorwaarden bedoeld bij artikel 10 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering te voldoen, dient U overeenkomstig artikel 38, §3 van het bodemsaneringsdecreet binnen de dertig dagen na ontvangst van deze aanmaning, op straffe van verval, uw gemotiveerd standpunt bij aangetekend schrijven aan de OVAM kenbaar te maken. Bij ontstentenis hiervan zal de OVAM ervan uitgaan dat u zal ingaan op de aanmaning om tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek over te gaan"; dat verzoeker geen gemotiveerd standpunt aan OVAM overmaakt binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanmaning waarbij hij zich beroept op de voorwaarden van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet, maar dat hij een voorstel van beschrijvend bodemonderzoek laat opmaken dat ter conformverklaring aan OVAM wordt overgemaakt; Overwegende dat artikel 38, § 3, tweede lid, van het bodemsane- ringsdecreet expliciet stelt dat het gemotiveerd standpunt dat men aan een van de voorwaarden van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet voldoet, op straffe van verval, binnen dertig dagen na ontvangst van de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek moet worden meegedeeld; dat deze vereiste ook werd VII-24.608-13/15 vermeld in de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek; dat verzoeker dus niet onwetend was van de gevolgen van de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek; dat luidens artikel 2, 12/, van het bodemsaneringsdecreet, het beschrijvend bodemonderzoek deel uitmaakt van de bodemsanering; dat verzoeker op dat ogenblik kennis had van alle elementen die de toepassing van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet zouden kunnen verant- woorden, maar niettemin heeft nagelaten zich op die bepaling te beroepen, niettegenstaande de duidelijke vermelding van de vervaltermijn van dertig dagen in de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek; dat verzoeker het bijgevolg aan zichzelf heeft te wijten dat hij zich niet meer op de toepassing van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet kan beroepen; Overwegende dat uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij van oordeel is dat het beroep gericht is tegen de conform- verklaring van het beschrijvend bodemonderzoek, maar dat het beroep geen argumenten inzake de onwettigheid van deze conformverklaring bevat en er dus geen reden is om het beroep in te willigen, en dat zelfs geconcludeerd zou kunnen worden dat het beroep zonder voorwerp is; dat de motivering zich evenwel niet beperkt tot die vaststellingen, maar vermeldt dat het beroep er eigenlijk op is gericht te horen verklaren dat beroeper niet saneringsplichtig is op grond van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet; dat in de motivering nadien wordt uiteengezet waarom de verwerende partij van oordeel is dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van voornoemd artikel; dat op die manier de verwerende partij de draagwijdte van artikel 38, § 3, tweede lid, van het bodemsaneringsdecreet miskent, inzonderheid wat de vervaltermijn betreft; dat het de verwerende partij immers niet toekomt een vervaltermijn naast zich neer te leggen en alsnog na het verstrijken van die termijn een uitspraak te doen over de vraag of verzoeker al dan niet aan de voorwaarden van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet voldoet; dat de vraag of de verwerende partij in het bestreden besluit al dan niet terecht heeft geoordeeld dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 10 van het bodemsaneringsdecreet, derhalve niet relevant is; dat verzoeker er bovendien geen belang bij heeft het bestreden besluit op grond van deze miskenning te horen vernietigen, aangezien een nieuwe beslissing zal moeten vaststellen dat de vervaltermijn van artikel 38, § 3, tweede lid, van het bodemsaneringsdecreet is verstreken; dat het enig middel niet gegrond is, VII-24.608-14/15 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-24.608-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.752 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.