← België

Arrest 184753 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 26/06/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.753 Rolnummer: A. 111462/VII-24887 Zaak: Arrest 184753 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 26/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-11 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:18 Fiche Arrest nr 184.753 van 26 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.753 van 26 juni 2008 in de zaak A. 111.462/VII-24.

  1. In zake : de NV TER MOLST, die woonplaats kiest bij advocaten X. D'HULST en D. VAN DE SIJPE, kantoor houdende te KORTRIJK, Doorniksewijk 66 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VANDEPUT, kantoor houdende te HASSELT, Kol. Dusartplein 34, bus 1 --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV TER MOLST op 12 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van zes afzonderlijke beslissingen van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 30 juli 2001 waarbij telkens een kadastraal perceel wordt aangewezen als historisch verontreinig- de grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. Het betreft de kadastrale percelen : S Oostrozebeke, sectie B, perceelnummer166/B2; S Oostrozebeke, sectie B, perceelnummer166/C2; S Oostrozebeke, sectie B, perceelnummer166/D2; S Oostrozebeke, sectie B, perceelnummer166/E2; S Oostrozebeke, sectie B, perceelnummer 648/P; S Oostrozebeke, sectie B, perceelnummer 664/K; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKE- RE; VII-24.887-1/15 Gelet op de beschikking van 21 september 2006 die de neerleg- ging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 19 maart 2008 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 30 april 2008; gelet op het feit dat deze terechtzitting werd uitgesteld tot 29 mei 2008 en dat zulks met op 23 april 2008 aangetekend verzonden brieven aan de partijen ter kennis werd gebracht; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEWEIRDT die, loco advocaat X. D'HULST verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat G. DAMIAANS die, loco advocaat M. VANDEPUT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De kadastrale percelen die het voorwerp uitmaken van de bestreden besluiten zijn alle eigendom van de verzoekende partij. De percelen, geëxploiteerd door de verzoekende partij, zijn gelegen aan de Molstenstraat 42 te Oostrozebeke. De percelen, geëxploiteerd door de NV MONKS INTERNATIONAL en de NV OOSTROTEX, zijn gelegen langs de Holebeekstraat 8 te Oostrozebeke. In de inleiding van het verslag van het oriënterend bodemonder- zoek wordt het volgende gesteld : "(...) VII-24.887-2/15 Doel van het onderzoek is het nagaan van een eventuele bodem- en/of grondwaterverontreiniging. Het terrein is voor een gedeelte opgevoerd met cellenbeton. In het onderzoek wordt ook het effect nagegaan van de cellenbe- ton op de bodem en het grondwater in de omgeving. Dit onderzoek werd ambtshalve uitgevoerd (opgelegd door AMINAL naar aanleiding van een klacht omtrent het gebruik van cellenbeton). Het kan doorgaan als een oriënterend bodemonderzoek om het historisch karakter van een eventuele verontreiniging aan te tonen". De totale oppervlakte van de onderzochte terreinen bedraagt 5 ha 43 a 16 ca. Bij de besluiten van het oriënterend bodemonderzoek wordt het volgende gesteld : "(...) Een verder beschrijvend onderzoek is noodzakelijk op de volgende percelen aangezien er ernstige aanwijzingen zijn dat de historische verontreiniging een ernstige bedreiging vormt voor de omgeving: - nr. 166d2 - nr. 664k. Een verder beschrijvend onderzoek is niet noodzakelijk op hieronder vermelde percelen aangezien er geen ernstige aanwijzingen zijn dat de historische verontreiniging een ernstige bedreiging vormt voor de omgeving: - nr. 171d - nr. 648p - nr. 663a. Op de volgende percelen kon praktisch niet geboord worden wegens de aanwezigheid van cellenbeton. Een verder beschrijvend onderzoek op deze percelen moet niet uitgevoerd worden: - nr. 166b2 - nr. 166c2 - nr. 166e2 (...)". Bij deze besluiten staan evenwel ook de volgende handgeschreven mededelingen : - perceel nr. 171d "grondwater nt onderzocht ÷voldoet nt"; - perceel nr. 648p "verontreiniging op grens van naburig perceel"; - perceel nr. 663a "ok"; - bij de percelen nrs. 166b2, 166c2 en 166e2: "÷peilbuizen in onmiddellijke omgeving geven verontreiniging". 1.
  4. Op grond van dit oriënterend bodemonderzoek formuleert de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (hierna : OVAM) voor elk van de betrokken percelen aan de verwerende partij een voorstel tot aanwijzing als historisch verontreinigde grond. 1.
  5. Op grond van deze voorstellen heeft de verwerende partij de VII-24.887-3/15 betrokken percelen als historisch verontreinigde gronden aangewezen. Dit zijn de thans bestreden besluiten;
  6. De ontvankelijkheid 2.
  7. Het belang 2.1.
  8. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord in essentie stelt dat de bestreden besluiten geen rechtsgevolgen hebben die een onmiddellijk nadeel kunnen berokkenen aan de verzoekende partij, dat het zuivere declaratieve rechtshandelingen betreft ter uitvoering van artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (hierna : bodemsane- ringsdecreet) waarbij enkel gronden worden geïdentificeerd zonder zelfstandige verplichting om tot sanering over te gaan; dat de verwerende partij van oordeel is dat het beroep om die redenen onontvankelijk is; 2.1.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat men niet zomaar kan stellen dat de aanwijzingen van de Vlaamse regering, bij toepassing van artikel 30, § 2, van het bodemsaneringsde- creet, van historisch verontreinigde gronden waar sanering moet plaatsvinden, een louter declaratief karakter hebben, dat deze aanwijzingen immers stellen dat er een ernstige aanwijzing is dat de verontreiniging die is geconstateerd een ernstige bedreiging zou vormen voor mens en milieu, dat dit oordeel moet kunnen worden aangevochten door de belanghebbenden, dat de Raad van State reeds eerder heeft beslist - weliswaar kennelijk onder de wetgeving zoals ze van toepassing was voor de wijziging van het bodemsaneringsdecreet door het decreet van 26 mei 1998 - dat de aanwijzing van historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden geen louter declaratief karakter heeft, dat er onder meer werd overwogen dat dergelijk aanwijzingsbesluit op individuele wijze een element van de rechtspositie van de eigenaar wijzigt en dat de wetsterminologie erop duidt dat de regering de mogelijkheid heeft er anders over te oordelen dan OVAM, die het voorstel doet; dat zij voorts van oordeel is dat men ook niet zomaar kan stellen dat er slechts een belang in hoofde van de saneringsplichtige zou zijn vanaf het moment dat hij door OVAM wordt aangemaand bij toepassing van artikel 31 van het bodemsaneringsdecreet, dat daartegen ook kan worden geageerd, doch kennelijk slechts door aan te voeren dat men "onschuldig bezitter" zou zijn, dus blijkbaar niet meer met het argument dat er geen ernstige aanwijzingen voor een ernstige bedreiging zijn, dat de administratieve beslissing die op dit laatste betrekking heeft, VII-24.887-4/15 dan immers reeds zou zijn genomen, dat zij op zich al de ernstige aanwijzingen en de juistheid van de motivering daaromtrent betwist, zodat er wel degelijk een belang is om zich hiertegen in rechte te voorzien, onafgezien van het feit of ze eventueel "onschuldig bezitter" kan zijn; 2.1.
  10. Overwegende dat de beslissing van de verwerende partij waarbij zij een perceel aanwijst als historisch verontreinigde grond waarop een sanering moet plaatsvinden, een administratieve rechtshandeling met een individuele strekking uitmaakt die de juridische positie van de verzoekende partij wijzigt; dat de exceptie wordt verworpen; 2.
  11. De tijdigheid 2.2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij aan de Raad van State heeft gevraagd na te gaan of het beroep wel tijdig werd ingediend; 2.2.
  13. Overwegende dat de bestreden beslissingen op respectievelijk 10 en 13 augustus 2001 aan de verzoekende partij met een ter post aangetekende brief zijn verzonden; dat 10 augustus 2001 een vrijdag was, zodat de verzoekende partij ten vroegste op maandag 13 augustus 2001 van de inhoud van de brief van 10 augustus 2001 kennis kan genomen hebben; dat het beroep derhalve tijdig is ingesteld;
  14. De gegrondheid 3.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van artikel 30 van het bodemsaneringsdecreet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij uiteenzet dat in elk van de bestreden besluiten de verwerende partij verwijst naar de motivering in de voorstellen tot aanwijzing die OVAM aan de verwerende partij heeft gericht, dat zij zelf geen eigen zelfstandige beoordeling geeft over de ernst van de aanwijzingen die er op zouden wijzen dat de verontreiniging op de zes percelen een ernstige bedreiging inhoudt, dat de verwerende partij de motivering van OVAM gewoon overneemt, dat OVAM overigens zelf in die voorstellen al even stereotiep heeft beweerd dat de volgens artikel 30, § 1, van het bodemsaneringsdecreet vereiste ernstige aanwijzingen voorhanden zijn, dat zij met algemene stijlclausules heeft geargumenteerd, zoals een VII-24.887-5/15 verwijzing naar de kenmerken van de bodem, de aard en concentraties van de aangetroffen verontreinigende stoffen, de verspreiding ervan, de functies van de bodem en het gevaar op blootstelling; dat de verzoekende partij hierbij opmerkt dat deze algemene criteria eigenlijk criteria zijn die het bodemsaneringsdecreet vaststelt voor de beoordeling van de ernstige bedreiging, dat de bestreden besluiten blijkbaar dezelfde criteria voor de beoordeling van de ernst van de aanwijzing voor een ernstige bedreiging hanteren, dat noch in de aanwijzingsbeslissingen, noch in de voorstellen van OVAM op grond waarvan tot de aanwijzingen is beslist, enige concrete beoordeling van de ernst van de aanwijzingen is gebeurd, dat het enige specifieke document waarnaar wordt verwezen in de voorstellen van OVAM, het oriënterend bodemonderzoek van de NV ENVIROTOX van 18 juli 1997 is, dat de beslissingsbevoegde overheid had moeten aangeven op grond van welke specifieke omstandigheden zij voor elk van die percelen tot dat oordeel komt, dat dit in geen enkel geval is gebeurd; dat de verzoekende partij ten slotte stelt dat de motivering niet afdoende is in de zin van de motiveringswet en in de zin van de materiële motiveringsplicht, dat de afweging in die zin ook onzorgvuldig is gebeurd, dat, hoewel er per perceel als "bijlage" bij de voorstellen tot aanwijzing vanwege OVAM een opsomming is gegeven van de aangetroffen stoffen, dit onvoldoende is, dat zij hieruit niet kan opmaken hoe de overheid precies heeft geoordeeld, dat de wetgeving nochtans stelt dat de ernst van de aanwijzingen moet worden beoordeeld op een concrete, individuele manier; 3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord vooreerst de motivering van de bestreden besluiten en vervolgens de motivering van de voorstellen van OVAM van 24 juli 2001 citeert; dat zij voorts stelt dat zij perfect de reden van aanwijzing als historisch verontreinigde grond kan afleiden uit de beslissing, met name dat OVAM op basis van een oriënterend bodemonderzoek tot de conclusie komt dat er ernstige aanwijzingen zijn dat de grond is aangetast door een historische verontreiniging die een ernstige bedreiging vormt, dat het voor zich spreekt dat zij niet alle rapporten of onderzoeken van elk perceel moet meedelen of moet vermelden in haar beslissingen, dat in de bijlagen die mede werden betekend aan de verzoekende partij de aard en de concentratie van de stoffen en organismen die aanleiding geven tot ernstige aanwijzingen voor een historische verontreiniging die een ernstige bedreiging vormt, in concreto werden opgesomd, dat zowel de juridische grond - artikel 30 van het bodemsaneringsde- creet - als de feitelijke grond - het voorstel van OVAM met de gedetailleerde bijlagen van het in concreto-onderzoek per perceel - worden vermeld in de bestreden besluiten, dat er te dezen werd geoordeeld aan de hand van een in concreto VII-24.887-6/15 vastgestelde manifeste overschrijding van de saneringsnormen, dat deze overschrij- dingen als bijlage bij de besluiten werden medegedeeld aan de verzoekende partij, dat er dan ook geen sprake is van een stijlformulering in de bestreden besluiten; dat de verwerende partij voorts stelt dat het onderzoek van de NV ENVIROTOX heeft aangetoond dat het bedrijfsterrein verontreinigd is met onder meer "trichloorethaan, dichlooretheen, minerale olie, nikkel, zink, benzo(a)pyreen, indeno(123cd)pyreen en PAK's", dat OVAM van oordeel is dat er op grond van voormeld oriënterend bodemonderzoek ernstige aanwijzingen zijn dat de betrokken percelen zijn aangetast door een historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt, dat dit, gezien de resultaten ervan, volstaat; 3.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord repliceert dat een overschrijding van de bodemsaneringsnormen geen criterium is dat op zich volstaat om aan te nemen dat er ernstige aanwijzingen zijn voor een ernstige bedreiging, dat bij historische verontreiniging steeds een in concreto individuele beoordeling, aan de hand van meerdere feitelijke elementen, per perceel moet plaatsgrijpen dat veel meer inhoudt dan alleen een beoordeling op grond van de bodemsaneringsnormen, dat, luidens de verwerende partij zelf, de aanwijzingsbesluiten en de voorstellen van OVAM zich in elk geval hebben beperkt tot de vaststelling van dat laatste, dat de motivering daarom precies in rechte faalt; dat de verzoekende partij voorts betoogt dat de wil van de decreetgever er initieel in bestond dat de beoordeling van de "ernstige bedreiging" bij historische verontreiniging op een gediversifieerde en genuanceerde wijze zou geschieden en in elk geval verschillend van het juridisch regime bij nieuwe verontreiniging, waar louter wordt geoordeeld aan de hand van de normen, dat niets erop duidt dat de bedoeling van de decreetgever erin bestond dat het thans, bij de beoordeling van de "ernstige aanwijzingen", plots zou volstaan om gewoon op de bodemsaneringsnor- men beroep te doen, dat er ook in de gewijzigde tekst van artikel 30, §1, van het bodemsaneringsdecreet nog steeds wordt verwezen naar het criterium "ernstige bedreiging", dat dit een genuanceerde beoordeling vereist, waarbij een verwijzing naar de normen niet volstaat; dat de verzoekende partij ten slotte vaststelt dat er ook nu in de argumentatie van de verwerende partij onzorgvuldigheid vervat zit, dat de verwerende partij in de memorie van antwoord beweert dat "het bedrijfsterrein" vervuild is met allerhande zware metalen en stoffen, terwijl men uit het oriënterend bodemonderzoek per perceel tot een veel genuanceerder beeld komt, dat de zogenaamde B-waarden alvast niet zijn overschreden voor "de percelen 166d2, 648p en slechts voor één parameter op perceel 664k", dat voor "de percelen 166e2, 166c2 of 166b2" in het onderzoek zelfs geen mededeling terzake valt te bespeuren van VII-24.887-7/15 enige vastgestelde verontreiniging, dat de verwerende partij evenwel kennelijk de mening is toegedaan dat er ernstige aanwijzingen zijn, ook voor deze percelen; 3.
  18. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat het de uitdrukkelijke wil van de decreetgever was om voor historische bodemverontreinigingen een ander beoordelingskader inzake de saneringsplicht te scheppen dan voor nieuwe bodemverontreiniging; dat zij volgende passage uit de memorie van toelichting van het bodemsaneringsdecreet citeert : "Het juridische regime van de historische bodemverontreiniging wijkt in verschillende opzichten af van dat van de 'nieuwe' bodemverontreiniging die tot stand is gekomen na de inwerkingtreding van het decreet. In het algemeen wordt ervan uitgegaan dat 'nieuwe' bodemverontreiniging steeds moet behandeld worden. Tot bodemsanering moet worden overgegaan indien de bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt (...). De omvang van de historische bodemverontreiniging daarentegen, maakt het naar de opvattingen van de Vlaamse regering evenwel niet mogelijk haar aan even strenge regels te onderwerpen"; dat zij voorts aanvoert dat artikel 7, §2, van het bodemsaneringsdecreet bepaalt dat voor nieuwe bodemverontreiniging tot bodemsanering wordt overgegaan indien de bodemverontreiniging de bodemsaneringsnormen overschrijdt, dat wanneer men aanvaardt dat ook inzake historische bodemverontreiniging, bij de toepassing van artikel 30 van het bodemsaneringsdecreet, de overschrijding van diverse sanerings- normen moeilijk anders zou kunnen worden begrepen dan een ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging, dit gewoon neerkomt op het hanteren van hetzelfde beoordelingskader, dat dit niet aan de bedoeling van de decreetgever beantwoordt, dat voor de perceelnummers 166/D2 en 664/K in het oriënterend bodemonderzoek ook enkele andere feitelijke overwegingen staan, maar dat die nergens door de verwerende partij of door OVAM in hun aanwijzingsbesluiten zijn betrokken of werden afgewogen tegen de in dat onderzoek aanwezige andere elementen die mogelijk tegen het bestaan van een "ernstige aanwijzing" kunnen pleiten, dat een afweging op basis van iets anders dan de overschrijding van sommige bodemsane- ringsnormen niet is geschied; 3.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie opmerkt dat wanneer door omstandigheden eigen aan een perceel, er niet op dat perceel zelf kan worden geboord, de enige technische mogelijkheid waarover de overheid beschikt erin bestaat dat peilbuizen worden geboord in de omgeving en dat de situatie vervolgens wordt beoordeeld door extrapolatie, dat dit een technisch- wetenschappelijke aanvaardbare beoordelingswijze is met zekere conclusie, dat in VII-24.887-8/15 het andere geval, al te gemakkelijk zou worden gesteld dat er, doordat er niet kan worden geboord, er ook geen bewijs zou kunnen bestaan van ernstige aanwijzing of bedreiging terwijl de realiteit ter plaatse anders zou duiden, dat de verwijzing naar de resultaten in peilbuizen in de onmiddellijke nabijheid van het pand dan ook wel degelijk als voldoende motivering moet worden aanzien; dat zij voorts stelt dat het verslag van OVAM, onderdeel van het bestreden besluit, degelijk werd gemotiveerd door de verwijzing naar de bijlage aan dit verslag met de uitdrukkelijke hoofding : "Aard en concentratie van de stoffen en organismen die aanleiding geven tot ernstige aanwijzingen voor een historische verontreiniging die een ernstige bedreiging vormt", dat deze hoofding op zich reeds een motivering is, aangezien zij een verwijzing inhoudt naar de vaststelling ter plaatse en de aard en de inhoud van de vaststelling; dat de verwerende partij ten slotte verwijst naar de motivering in het advies van OVAM; 3.
  20. Overwegende dat de zes bestreden besluiten volgens eenzelfde stramien zijn opgebouwd; dat er wordt verwezen naar het voorstel van OVAM tot aanwijzing, dat als bijlage bij elk van de bestreden besluiten is gevoegd; dat OVAM zich op zijn beurt heeft gebaseerd op de bevindingen van het oriënterend bodemon- derzoek uitgevoerd door de NV ENVIROTOX; dat de zes bestreden besluiten evenwel niet identiek zijn, zodat ze elk afzonderlijk moeten worden beoordeeld; dat alvorens de bestreden besluiten elk afzonderlijk te beoordelen, erop wordt gewezen dat de betrokken percelen worden aangewezen als historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden omdat de vastgestelde verontreiniging een ernstige bedreiging vormt in de zin van artikel 30, §1, van het bodemsaneringsde- creet; dat voornoemd artikel 30 als volgt luidt : "Art.
  21. §
  22. Op gronden met historische bodemverontreiniging wordt bodem- sanering uitgevoerd indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontrei- niging een ernstige bedreiging vormt. §
  23. De Vlaamse regering wijst op voorstel van OVAM die historisch verontrei- nigde gronden aan, waar bodemsanering moet plaatsvinden. §
  24. Indien het beschrijvend bodemonderzoek aantoont dat de bodemverontrei- niging een ernstige bedreiging vormt, wordt een bodemsaneringsproject opgesteld en worden bodemsaneringswerken uitgevoerd"; dat uit deze bepaling volgt dat de sanering van historisch verontreinigde gronden slechts verplicht is indien twee voorwaarden zijn vervuld : dat de grond als historisch verontreinigd moet worden aangewezen indien er ernstige aanwijzingen zijn dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt, en dat er moet VII-24.887-9/15 worden gesaneerd indien het beschrijvend bodemonderzoek aantoont dat de bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt; 3.6.
  25. Het eerste bestreden besluit: perceelnummer 166/B2 Overwegende dat het eerste bestreden besluit in zijn motivering verwijst naar het voorstel van OVAM, dat op zijn beurt is gebaseerd op het oriënterend bodemonderzoek van de NV ENVIROTOX; dat in de motivering van het voorstel van OVAM concluderend het volgende wordt gesteld : "Gelet op de kenmerken van de bodem van de betreffende gronden, de aard en de concentraties van de aangetroffen verontreinigende stoffen, de versprei- ding ervan, de functies die de bodem van de betreffende gronden vervult en het gevaar op blootstelling aan de verontreinigende stoffen, zoals hierboven uiteengezet, is de OVAM van oordeel dat er (...) ernstige aanwijzingen zijn dat de vastgestelde bodemverontreiniging een ernstige bedreiging vormt"; dat met betrekking tot dit perceel op geen enkele wijze blijkt welke de "ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging" zijn die de aanwijzing van dit perceel als historisch verontreinigde grond zou kunnen verantwoorden; dat ook de bijlage bij het voorstel van OVAM waaruit de overschrijding van twee normen voor het grondwater blijkt, op zich geen verantwoording biedt voor "ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging"; dat hieruit hooguit kan worden afgeleid dat er een verontreiniging van het grondwater is; dat dit overigens niet evident is, aangezien er op het betrokken perceel zelf geen peilingen zijn gebeurd; dat noch in het bestreden besluit, noch in het voorstel van OVAM wordt verduidelijkt op grond van welke gegevens wordt geoordeeld dat er "ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging" zijn; dat de formele motiveringsplicht is geschonden; dat het middel daarenboven ook gegrond is in de mate dat de schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd, aangezien uit geen enkel gegeven van het administratief dossier blijkt waarop de beslissing steunt om te besluiten dat er "ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging" zijn; 3.6.
  26. Het tweede bestreden besluit: perceelnummer 166/C2 Overwegende dat het tweede bestreden besluit "mutatis mutandis" identiek is aan het eerste bestreden besluit, zodat kan worden volstaan met de verwijzing naar hetgeen hiervoor is gesteld inzake het eerste bestreden besluit; dat VII-24.887-10/15 het enig middel gegrond is in de mate dat de schending van de formele en materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd; VII-24.887-11/15 3.6.
  27. Het derde bestreden besluit: perceelnummer 166/D2 Overwegende dat het derde bestreden besluit in zijn motivering verwijst naar het voorstel van OVAM, dat op zijn beurt is gebaseerd op het oriënterend bodemonderzoek van de NV ENVIROTOX; dat de verzoekende partij kennis had van dit onderzoek aangezien het in haar opdracht werd uitgevoerd; dat met betrekking tot dit perceel in het besluit van het oriënterend bodemonderzoek op pagina 27 expliciet wordt gesteld dat een verder beschrijvend onderzoek noodzake- lijk is aangezien er ernstige aanwijzingen zijn dat de historische verontreiniging een ernstige bedreiging vormt voor de omgeving; dat verder uit de bevindingen van dit onderzoek blijkt dat, wat de bodem betreft, de B-waarde, dit is de saneringsnorm, voor geen enkele parameter wordt overschreden, maar dat, wat het grondwater betreft, de overschrijding van meerdere saneringsnormen wordt vastgesteld; dat voorts nog wordt gesteld dat verder onderzoek noodzakelijk is in de zone rond peilbuizen 4 en 5 wegens de hoge concentraties trichloorethaan en de nabijheid van een boerderij; dat, hoewel de "ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging" zoals die blijken uit het oriënterend bodemonderzoek niet expliciet zijn overgeno- men, het bestreden besluit wel naar dit onderzoek verwijst en dat het aan de verzoekende partij bekend was; dat aan de doelstelling van de formele motiverings- plicht, met name de bestuurde in kennis stellen van de feitelijke en juridische overwegingen waarop de beslissing steunt, bijgevolg geen afbreuk wordt gedaan; Overwegende dat, hoewel de saneringsnormen zijn uitgevaardigd voor nieuwe verontreinigingen, niet valt in te zien waarom deze normen, wanneer ze zijn overschreden bij een historische verontreiniging, niet minstens als een ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging kunnen worden beschouwd, aangezien deze normen juist bepalen vanaf welke graad van verontreiniging er moet worden gesaneerd, en bijgevolg vanaf welke graad van verontreiniging de ernstige bedreiging vaststaat; dat het oriënterend bodemonderzoek zich evenwel niet beperkt tot de loutere vaststelling van de overschrijding van de normen; dat het ook wijst op de hoge concentraties trichloorethaan en de nabijheid van een boerderij, zodat concreet blijkt waarop de "ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging" betrekking hebben; dat het besluit de formele en materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel niet schendt; dat het middel niet gegrond is voor het perceelnummer 166/D2; VII-24.887-12/15 3.6.
  28. Het vierde bestreden besluit: perceelnummer 166/E2 Overwegende dat het vierde bestreden besluit "mutatis mutandis" identiek is aan het eerste bestreden besluit, zodat kan worden volstaan met de verwijzing naar hetgeen hiervoor is gesteld inzake het eerste bestreden besluit; dat het enig middel gegrond is in de mate dat de schending van de formele en materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd; 3.6.
  29. Het vijfde bestreden besluit: perceelnummer 648/P Overwegende dat het vijfde bestreden besluit "mutatis mutandis" identiek is aan het eerste bestreden besluit, zodat kan worden volstaan met de verwijzing naar hetgeen hiervoor is gesteld inzake het eerste bestreden besluit; dat het enig middel gegrond is in de mate dat de schending van de formele en materiële motiveringsplicht wordt aangevoerd; 3.6.
  30. Het zesde bestreden besluit: perceelnummer 664/K Overwegende dat het zesde bestreden besluit in zijn motivering verwijst naar het voorstel van OVAM, dat op zijn beurt is gebaseerd op het oriënterend bodemonderzoek van de NV ENVIROTOX; dat de verzoekende partij kennis had van dit onderzoek aangezien het in haar opdracht werd uitgevoerd; dat met betrekking tot dit perceel in het besluit van het oriënterend bodemonderzoek expliciet wordt gesteld dat een verder beschrijvend onderzoek noodzakelijk is aangezien er ernstige aanwijzingen zijn dat de historische verontreiniging een ernstige bedreiging vormt voor de omgeving; dat verder uit de bevindingen van dit onderzoek blijkt dat, wat de bodem betreft, de B-waarde van de PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen)-componenten, benzo(a)pyreen en indeno(123cd)pyreen in bodemstaal 10c wordt overschreden, en dat, wat het grondwater betreft, een overschrijding van de B-waarde voor minerale olie bij peilbuis 10 wordt vastgesteld; dat verder nog wordt gesteld dat de aanwezige olie- en PAK-verontreiniging aan de straatkant is gelegen en dat omwille van de nabijheid van woonhuizen in zuidwestelijke richting, wat tevens de richting van het grondwater is, en de hoge olieconcentratie in het grondwater van peilbuis 10, hier verder onderzoek is aangewezen omdat er ernstige aanwijzingen zijn dat de historische verontreiniging een ernstige bedreiging voor de omgeving vormt; dat, hoewel de "ernstige aanwijzingen van een ernstige bedreiging" zoals die blijken uit het oriënterend bodemonderzoek niet expliciet zijn overgenomen, het bestreden VII-24.887-13/15 besluit wel naar dit onderzoek verwijst en dat het aan de verzoekende partij bekend was; dat aan de doelstelling van de formele motiveringsplicht, met name de bestuurde in kennis stellen van de feitelijke en juridische overwegingen waarop de beslissing steunt, bijgevolg geen afbreuk wordt gedaan; Overwegende dat, hoewel de saneringsnormen zijn uitgevaardigd voor nieuwe verontreinigingen, niet valt in te zien waarom deze normen, wanneer ze zijn overschreden bij een historische verontreiniging, niet minstens als een ernstige aanwijzing van een ernstige bedreiging kunnen worden beschouwd, aangezien deze normen juist bepalen vanaf welke graad van verontreiniging er moet worden gesaneerd, en bijgevolg vanaf welke graad van verontreiniging de ernstige bedreiging vaststaat; dat het oriënterend bodemonderzoek zich evenwel niet beperkt tot de loutere vaststelling van de overschrijding van de normen; dat het ook wijst op de olie- en PAK-verontreiniging en de nabijheid van woonhuizen in zuidwestelijke richting, wat tevens de richting van de grondwaterstroming is; dat het besluit de formele en materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel niet schendt; dat het middel niet gegrond is voor het perceelnummer 664/K, BESLUIT: Artikel
  31. Vernietigd worden de beslissingen van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 30 juli 2001 waarbij de kadastrale percelen : S Oostrozebeke, sectie B, perceelnummer166/B2, S Oostrozebeke, sectie B, perceelnummer166/C2, S Oostrozebeke, sectie B, perceelnummer166/E2 en S Oostrozebeke, sectie B, perceelnummer 648/P worden aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. Artikel
  32. Het beroep wordt voor het overige verworpen. VII-24.887-14/15 Artikel
  33. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde beslissingen. Artikel
  34. Een derde van de kosten van het beroep, bepaald op 57,84 euro, komt ten laste van de verzoekende partij. Twee derden van de kosten van het beroep, bepaald op 115,69 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-24.887-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.753 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.