id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.754 Rolnummer: A. 160475/VII-33615 Zaak: Arrest 184754 - Milieuvergunningen - 26/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-11 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:18 Fiche Arrest nr 184.754 van 26 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.754 van 26 juni 2008 in de zaak A. 160.475/VII-33.615. In zake : Jo SMOLDERS, die woonplaats kiest bij advocaat F. VAN DER VEKEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Desguinlei 6 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. tussenkomende partij : de NV MAFRANS, die woonplaats kiest bij advocaat A. VLEMINCKX, kantoor houdende te LEUVEN, Vital Decosterstraat 46, bus 6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jo SMOLDERS op 1 maart 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 13 december 2004 waarbij, na een proeftermijn, aan de NV MAFRANS definitieve vergunning wordt verleend voor de uitbreiding van een drukkerij, gelegen aan de Grote Baan 276 te Haacht; Gelet op het arrest nr. 147.044 van 30 juni 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door verzoeker; VII-33.615-1/13 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 22 september 2005; Gelet op de beschikking van 26 september 2005 die de tussenkomst van de NV MAFRANS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 mei 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. VAN DER VEKEN die verschijnt voor verzoeker, van advocaat N. DE CLERCQ die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij en van advocaat A. VLEMINCKX die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De tussenkomende partij exploiteert sinds 1995 een drukkerij aan de Grote Baan te Haacht. De drukkerij is gespecialiseerd in het bedrukken en vervaardigen van verpakkingsmaterialen voor allerhande voedingsmiddelen (zoals boter, kazen, margarine, frituurvetten, chocolade,...). Tijdens het productieproces VII-33.615-2/13 worden inkten en lijmen gebruikt die oplosmiddelen bevatten. Die oplosmiddelen kunnen, wanneer ze in de lucht terechtkomen, geurhinder veroorzaken in de onmiddellijke omgeving van de inrichting. De drukkerij ligt in een klein industriegebied dat nagenoeg volledig wordt ingenomen door de bedrijfsgebouwen. Het industriegebied is omringd door een verkavelde woonzone met een dertigtal woningen. De woning van verzoeker is gelegen aan de Neerstraat 181, aan de achterzijde van de drukkerij. 1.2. Voorliggend geschil gaat terug tot de milieuvergunningsaanvraag die de tussenkomende partij op 19 september 1996 heeft ingediend voor de uitbreiding van de bestaande drukkerij met : - een verhoging van het vergund vermogen van rubriek 11.1. tot 250 kW; - een verhoging van het vergund vermogen van rubriek 11.2. tot 13 kW; - de vervanging van een transformator met een nominaal vermogen van 300 kVA door een transformator met een nominaal vermogen van 400 kVA; - de toevoeging van een regeneratieve thermische oxidator voor de behandeling van de afgezogen afvalgassen om de geurhinder te voorkomen met een geïnstalleerd vermogen van de afzuiginstallatie en de oxidator van 23 kW. In essentie beoogt de exploitant met die aanvraag een vergunning te verkrijgen voor de ingebruikneming van een nieuwe Amber drukflexomachine, waardoor het aantal drukmachines van drie op vier wordt gebracht, en een nieuwe tweede cacheermachine, dit is een machine voor het aanbrengen van een paraffinelaag op de verpakkingsmaterialen. Naast de uitbreiding van de productiecapaciteit van de drukkerij, heeft een ander deel van de aanvraag betrekking op de toevoeging aan de inrichting van een "regeneratieve thermische oxidator". De oxidator is een installatie die de afvalgassen die ontstaan tijdens het productieproces behandelt, vooraleer die gassen via een schouw in de lucht worden uitgestoten. De verplichting om dergelijk systeem voor de behandeling van de afvalgassen te installeren gaat eigenlijk terug tot de basisvergunning van 15 februari 1996. Van die basisvergunning maakt immers een bijzondere exploitatievoorwaarde deel uit die voorschrijft dat "de afvoer van geoxideerde solventen moet worden verzekerd". 1.3. De gevraagde vergunning wordt bij besluit van 30 januari 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verleend voor een proeftermijn van twee jaar. Er wordt een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd die erop neerkomen dat om de zes maanden emissiemetingen moeten worden uitgevoerd. VII-33.615-3/13 1.4. Tegen voornoemde vergunningsbeslissing worden verscheidene beroepen ingesteld bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling. Die beroepen zijn afkomstig van omwonenden, van de gemeente Haacht en van de exploitant zelf die zich in het bijzonder kant tegen de verplichting van zesmaandelijkse emissiemetingen. 1.5. Met een besluit van 24 juli 1997 bevestigt de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling het beroepen besluit, met dien verstande dat de in eerste aanleg verleende proefvergunning voor twee jaar wordt aangevuld met een aantal nieuwe bijzondere voorwaarden. Zeer bondig samengevat worden van de exploitant een drietal zaken verlangd tijdens de proefperiode : (
- a)in totaal vier emissiemetingen laten uitvoeren (één meting om de zes maanden); (
- b)een buffertank of "een gelijkwaardig systeem" installeren; (
- c)een studie laten uitvoeren over het al dan niet voldoende zijn van de capaciteit van de geïnstalleerde thermische naverbrander. 1.6. Verzoeker heeft tegen voormeld besluit van 24 juli 1997 bij de Raad van State een annulatieberoep en een vordering tot schorsing ingesteld. De vordering tot schorsing wordt verworpen bij arrest nr. 72.610 van 19 maart 1998. Bij arrest nr. 126.937 van 8 januari 2004 wordt op grond van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedure-reglement) de afstand van het geding vastgesteld. Hetzelfde besluit werd eveneens aangevochten door de gemeente Haacht. Ook in deze zaak wordt de afstand van het geding vastgesteld op grond van het voormelde artikel 14quater van het algemeen procedurereglement. 1.7. Met een besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 20 januari 1999 wordt, na een proeftermijn, de milieuvergunning definitief verleend voor een termijn die samenvalt met de eindtermijn van de basisvergunning (met name tot 11 september 2015). Door dat besluit wordt ook de uitvoering van een nieuwe meting van de emissies opgelegd. Tevens moet de naverbrandingsinstallatie technisch worden doorgelicht door een erkend deskundige. 1.8. Verzoeker heeft ook tegen de definitieve vergunning van 20 januari 1999 bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing ingesteld. Bij arrest nr. 81.473 van 29 juni 1999 wordt VII-33.615-4/13 de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bevolen. Vervolgens wordt die beslissing vernietigd bij arrest nr. 93.320 van 15 februari 2001. 1.9. Ingevolge voormeld vernietigingsarrest wordt de procedure hernomen : (
- a)op 10 april 2001 stelt de afdeling Milieu-inspectie, overeenkomstig artikel 40, § 2, 1/, a), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), een nieuw evaluatieverslag op. De conclusie van dat verslag luidt als volgt : "Het bedrijf Mafrans fungeert heden als een klasse 2 - inrichting. Desalniettemin heeft de afdeling Milieu-inspectie, al dan niet na klacht, een aantal waarnemingen verricht, waaruit bleek dat er geen milieuhinder kon vastgesteld worden. Een en ander werd bevestigd door de continue waarnemingen van de VMM, wier rapport ter beoordeling aan de afdeling Preventieve en Sociale gezondheidszorg werd over(ge)legd"; (
- b)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen deelt op 2 mei 2001 mee dat zij haar vroegere adviezen handhaaft en dat zij "geen bezwaar heeft tegen de omzetting van de op proef verleende vergunning naar een definitieve vergunning"; (
- c)op 11 mei 2001 adviseert de afdeling Milieuvergunningen de gevraagde milieuvergunning definitief te verlenen; (
- d)door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 21 mei 2001 eveneens voorgesteld om de op proef verleende vergunning om te zetten in een definitieve milieuvergunning voor een termijn die samenvalt met de geldigheidsduur van de basisvergunning. 1.10. Op 13 december 2004 verleent de verwerende partij opnieuw een definitieve vergunning aan de tussenkomende partij voor de uitbreiding van haar inrichting. Dit is het thans bestreden besluit, waarvan de motivering als volgt luidt : "Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat de betrokken inrichting een bestaande drukkerij is waarvoor de regularisatie werd aangevraagd voor de uitbreiding door verhoging van het vergund vermogen en door toevoeging van een regeneratieve thermische oxidator voor de behandeling van afvalgassen; Overwegende dat bij besluit van de bestendige deputatie van 30 januari 1997 slechts een proefvergunning voor twee jaar werd verleend; dat hierbij de plaatsing van een thermische naverbrandingsinstallatie werd opgelegd teneinde VII-33.615-5/13 de geurhinder te bestrijden; dat tevens als bijzondere voorwaarden een zesmaandelijkse meting van alle parameters van artikel 5.11.0.5 van titel II van het Vlarem, het uitvoeren van een emissiemeetprogramma in de eerste helft van april 1997, het omvatten van de opstartfase van de drukpersen in de meetperiode en het verplicht doorsturen van de resultaten van deze meetcampagnes aan de afdeling Milieu-inspectie en aan de Vlaamse Milieumaatschappij werden opgelegd; Overwegende dat in beroep bij ministerieel besluit van 24 juli 1997 volgende bijzondere voorwaarden werden toegevoegd: • een buffertank dient te worden geplaatst om de piekemissies van organische stoffen bij het overschakelen af te vlakken. Deze installatie dient operationeel te zijn uiterlijk op 1 november 1997. Een gelijkwaardig systeem is enkel toegelaten mits het goedgekeurd wordt door de afdeling Milieu- vergunningen; • het tweede emissiemeetprogramma, opgelegd conform artikel 1 en 2 tegen uiterlijk oktober 1997, dient in afwijking van artikel 1 en 2 te worden uitgevoerd uiterlijk 1 maand na het volledig operationeel zijn van deze buffertank. De emissiemetingen moeten voor wat de emissie van organische stoffen betreft, een beeld geven van zowel de ogenblikkelijke als de gemiddelde emissies; • een erkend milieudeskundige in de discipline lucht dient in een rapport vast te stellen welke afgasdebieten worden geproduceerd door de op de thermische naverbrandingsinstallatie aangesloten machines. Op basis van de specificaties van deze naverbrander wordt daarna vastgesteld of deze naverbrander voldoende capaciteit heeft om deze stromen met het opgegeven rendement te behandelen. Dit verslag wordt overgemaakt aan de afdeling Milieuvergunningen tegen 1 januari 1998; Overwegende dat de Raad van State in zijn arrest nr. 93.320 van 15 februari 2001 de vernietiging van het ministerieel besluit van 20 januari 1999 steunt op zijn beoordeling dat het bewuste besluit, mede in het licht van de er in opgelegde bijzondere voorwaarden, laat uitschijnen dat het voorwerp van de proefvergunning niet opgelost is; dat dit immers niet kan ondervangen worden door via bijzondere voorwaarden een nieuw onderzoek naar de werking van de naverbranding op te leggen; Overwegende dat de exploitant oorspronkelijk geen buffertank heeft geplaatst, maar koos voor een alternatief systeem; dat dit bestaat uit een venturi-systeem met elektrisch gestuurde kleppen waarbij bij het omschakelen van de kamers van de verbrandingsinstallatie de piekconcentraties in de schouw verdund worden vooraleer ze deze verlaten; dat dit systeem op 3 juli 1998 door de afdeling Milieuvergunningen goedgekeurd werd; dat bij ministerieel besluit van 3 augustus 1999 werd opgelegd toch een buffertank te plaatsen tegen uiterlijk 1 oktober 1999; dat deze buffertank de piekemissies opvangt waarna de gassen terug in de naverbrander worden geleid; dat deze tank op 7 september 1999 werd geïnstalleerd; Overwegende dat inmiddels de resultaten van een recenter meetprogramma bekend zijn; dat deze metingen werden uitgevoerd door de NV SGS EcoCare op 7 en 8 oktober 1999; dat tijdens deze metingen alle mogelijke scenario's van suboptimale omstandigheden doorlopen werden zoals opgelegd in het besluit van 3 augustus 1999; dat door de NV SGS EcoCare een verslag werd op(ge)maakt waaruit blijkt dat de metingen een realistisch beeld geven van de werking van de drukkerij; dat zowel de realistisch voorkomende schommelingen in de belasting, de maximale en minimale belasting, als de start- en stopprocedures erin werden opgenomen; dat de gemiddelde emissies voldoen aan de emissienorm; dat er geen piekemissies meer terug te vinden zijn; dat er één tijdelijke verhoging van de emissies gedurende 30 minuten werd vastgesteld die echter niet tot een overschrijding van de norm heeft geleid; dat VII-33.615-6/13 tevens werd vastgesteld dat bij uitvallen van de naverbrander de ventilatie stil wordt gelegd; dat de schoorsteen zodanig werd verhoogd en vernauwd dat de pluimstijging als goed kan beoordeeld worden; Overwegende dat op vraag van de afdeling Milieu-inspectie door de Vlaamse Milieumaatschappij een meetcampagne van de luchtkwaliteit in de omgevingslucht rondom de inrichting werd doorgevoerd in de periode van 2 december 1999 tot 28 februari 2000; dat uit het verslag van deze meetcampagne het volgende blijkt: • de meest specifieke component voor deze omgeving is ethylacetaat. De daggemiddelde concentraties zijn doorgaans hoger dan op andere plaatsen in Vlaanderen; • de toetsing van de gemeten concentraties aan de geurdrempel voor ethylacetaat is moeilijk omdat enerzijds de piekconcentraties die voor geurhinder kunnen zorgen afgevlakt worden in de gemeten daggemiddelden en anderzijds omdat de geurdrempels die in de literatuur vermeld worden, een zeer grote spreiding vertonen; • niettegenstaande deze opmerking kan uit deze metingen toch afgeleid worden dat tijdens de meetperiode de concentratie van ethylacetaat éénmaal de waarnemingsdrempel heeft overschreden; • de gemiddelde concentraties van de andere gemeten vluchtige organische stoffen zijn vergelijkbaar met deze op andere locaties in Vlaanderen; • in de loop van de maanden december 1999 en januari en februari 2000 werd de site in Haacht een tiental maal bezocht. Op deze tijdstippen werd bij het sensorisch afscannen van de omgeving rond het bedrijf geen geur waargenomen; Overwegende dat de vastgestelde overschrijding van de geurwaarneming (200 åg/m³) een geschatte waarde is waarbij wordt aangenomen dat er piekconcentraties kunnen voorkomen die een factor 10 hoger liggen dan de gemeten waarde (37,4 åg/m³); dat de drempel voor geurherkenning (600 åg/m³) niet werd overschreden en dat tevens dient opgemerkt dat deze verhoogde waarde werd gemeten op een zondag wanneer er in het bedrijf volgens de exploitant niet werd gewerkt; Overwegende dat, refererend naar de eerder geciteerde vernietigingsmotieven van de Raad van State, gesteld kan worden dat nu wel de nodige gegevens ter beschikking zijn; dat ingevolge een wijziging van titel II van het VLAREM bedoelde metingen nu opgelegd zijn onder voorwaarden; Overwegende dat aan het besluit van 24 juli 1997 volgende voorwaarden werden toegevoegd: • een buffertank of gelijkwaardig systeem om de piekemissies af te vlakken; • een tweede emissieprogramma uit te voeren uiterlijk 1 maand na het installeren van de buffertank; • een rapport van een milieudeskundige erkend in de discipline lucht inzake de capaciteit van de naverbrander; dat de exploitant intussen zowel een gelijkwaardig systeem als een buffertank heeft geplaatst en de metingen heeft uitgevoerd volgens het hierna vermelde besluit; Overwegende dat het besluit van 3 augustus 2000 als bijzondere voorwaarden oplegt een buffertank te plaatsen en gedurende 2 dagen een TOC- meting uit te voeren; dat deze tank inmiddels is geplaatst en de metingen uitgevoerd zijn; dat de exploitant derhalve reeds aan deze voorwaarden heeft voldaan; Overwegende dat de voornaamste elementen uit het verslag van de afdeling Milieu-inspectie van 10 april 2001 als volgt kunnen samengevat worden: • in de periode van 20 januari 1999 tot nu (10 april 2001) zijn er zes klachten bij de afdeling Milieu-inspectie binnengekomen; dat in het totaal door de VII-33.615-7/13 afdeling Milieu-inspectie 25 onderzoeken ter plaatse werden ingesteld; dat geen ervan iets noemenswaardigs heeft opgeleverd; • de afdeling Milieu-inspectie heeft op verzoek van de Vlaamse minister voor Leefmilieu en Landbouw de Vlaamse Milieumaatschappij verzocht een onderzoek in te stellen naar de vluchtige stoffen die voor eventueel geurhinder zouden kunnen verantwoordelijk zijn. De resultaten van deze metingen worden in het verslag besproken; • er wordt nog gewacht op een verslag van de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg; • de afdeling Milieu-inspectie heeft een aantal waarnemingen verricht waaruit bleek dat er geen milieuhinder kon worden vastgesteld, hetgeen bevestigd wordt door de waarnemingen van de Vlaamse Milieumaatschappij; Overwegende dat op 28 maart 2002 door deskundigen van LOVAP vzw in opdracht van (de afdeling) Milieu-inspectie nogmaals metingen uitgevoerd werden van de emissies van de naverbrander; dat de resultaten van deze metingen geen overschrijdingen van de emissienormen aantoonden; Overwegende dat op 10 juli 2001 het Besluit van de Vlaamse regering van 20 april 2001 tot wijziging van Vlarem in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werd; dat met dit wijzigingsbesluit: - vooreerst in de indelingslijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM een nieuwe rubriek 59 werd ingevoegd in de Vlarem-indelingslijst die luidt als volgt: '59. Activiteiten die gebruikmaken van organische oplosmiddelen'; - verder in titel II van het VLAREM overeenkomstige sectorale milieuvoorwaarden onder het nieuwe hoofdstuk 5.59 werden ingevoegd; dat deze sectorale milieuvoorwaarden van toepassing zijn voor deze bestaande inrichting met naverbrander van solventen; - dat dit bedrijf valt onder voormelde nieuwe subrubriek 59.1.3.1, 2/ aangezien het gaat om installaties voor flexografie en het bedrijf in een mail van 20 september 2004 stelde een jaarlijks oplosmiddelenverbruik van 56,5 ton te hebben; dat deze mededeling kan beschouwd worden als een samenvatting van de oplosmiddelenboekhouding zoals bedoeld in bijlage 5.59.3 van titel II van het Vlarem; - dat conform het erratum van het voormelde wijzigingsbesluit van 20 april 2001, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 september 2001, artikel 16, §1 bepaalt dat: 'Voor de op het ogenblik van de inwerkingtreding van hoofdstuk I, afdeling II en hoofdstuk II, afdeling III van dit besluit in bedrijf gestelde inrichting die onder de toepassing valt van de bij dit besluit toegevoegde rubriek 59, moet geen milieuvergunningsaanvraag overeenkomstig artikel 38, § 1 van titel I van VLAREM worden ingediend, wanneer diezelfde inrichting reeds vergunningsplichtig was op basis van de indelingslijst die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van dit besluit. In dat geval blijft de lopende vergunning onverminderd geldig'; dat dit inhoudt dat het betrokken bedrijf van rechtswege als hiervoor vergund is te beschouwen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde vergunning te verlenen voor een termijn verstrijkend op 11 september 2015"; 2. De gegrondheid VII-33.615-8/13 2.1. Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij in het tweede onderdeel van het middel stelt dat de vergunningverlenende overheid bij het verlenen van een definitieve vergunning na afloop van een proefperiode, de resultaten van de proefperiode voldoende moet evalueren en op basis van die resultaten de definitieve beslissing voldoende moet motiveren; dat hij van oordeel is dat de in het bestreden besluit opgegeven motieven de toekenning van de milieuvergunning niet kunnen schragen, aangezien ze behoudens de summiere formulering ook geenszins recent zijn, dat de exploitatie van het betrokken bedrijf van meet af aan de oorzaak is geweest van klachten van de omwonenden, dat in het verleden de exploitant herhaaldelijk heeft bewezen zich niet aan de milieurechtelijke verplichtingen te houden, dat er niet alleen bijkomende milieuvergunningsvoorwaarden door verschillende overheden werden opgelegd, maar dat de exploitant in 1999 en 2001 nog strafrechtelijk werd veroordeeld wegens inbreuken op de Vlaamse milieuregelgeving, dat de in het bestreden besluit vermelde gunstige adviezen dateren van 2001, dat het meest recente document waarop de beslissing steunt dateert van 28 maart 2002, dat de adviezen bovendien zonder meer werden opgesomd zonder de redenen van het gunstig advies te vermelden, dat de Raad van State oordeelde dat een beslissing niet voldoende is gemotiveerd wanneer alleen de conclusie van het advies en niet tevens de concrete gegevens of argumenten, die de adviserende instantie tot deze conclusie hebben gebracht, worden meegedeeld in de uiteindelijke beslissing, zeker wanneer de bestuurde van deze adviezen geen kennis heeft kunnen nemen, dat het bestreden besluit de formele motiveringsplicht miskent, dat mocht er sprake zijn geweest van een definitieve vergunning na een vergunning op proef, Vlarem I in een "ver(der)" reikende motiveringsplicht voorziet, dat, indien de resultaten van de proefperiode niet of onvoldoende werden geëvalueerd, de Raad van State aanvaardt dat er een schending van de formele motivering voorhanden is, dat het bestreden besluit geenszins aantoont in welke mate de vergunningverlenende overheid binnen de termijn van de laatste twee jaar proefondervindelijk zou hebben kunnen nagaan welke hinder de tussenkomende partij precies veroorzaakt en wat de weerslag is van die hinder op de mens en het leefmilieu, inzonderheid de omwonenden; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij, omtrent het tweede onderdeel, in haar memorie van antwoord aanvoert dat zij na het vernietigingsarrest van de Raad van State nr. 93.320 van 15 februari 2001 is overgegaan tot VII-33.615-9/13 rechtsherstel, rekening houdend met de motieven die ten grondslag lagen aan het vernietigingsarrest, dat in het bijzonder werd nagegaan welke de concrete hinder is ten gevolge van de exploitatie, dat na het tussengekomen schorsingsarrest van de Raad van State, de afdeling Milieu-inspectie 25 onderzoeken ter plaatse heeft ingesteld, dat die onderzoeken geen noemenswaardige resultaten opleverden, dat de Vlaamse Milieumaatschappij tussen december 1999 en eind februari 2000 metingen heeft uitgevoerd naar vluchtige organische stoffen die eventueel geurhinder zouden kunnen veroorzaken, dat bij dat onderzoek geen milieuhinder werd vastgesteld, dat de exploitant inmiddels een venturi-systeem en een buffertank heeft geïnstalleerd waardoor alleszins het probleem van de zogenaamde pieklozingen is opgelost, dat in het bestreden besluit wordt gewezen op al deze "nieuwe elementen", dat op grond van die elementen de milieuvergunning definitief werd verleend; 2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, wat betreft het tweede onderdeel van het eerste middel, repliceert dat te dezen de proeftermijn in 1999 verstreek, dat de toenmalige definitieve beslissing door de Raad van State werd vernietigd omdat er onvoldoende aanwijzingen waren dat de vergunningverlenende overheid de resultaten van de proefperiode ernstig en voldoende had beoordeeld, dat men thans nog steeds meent op grond van dezelfde uitgangspunten, aangevuld met gegevens welke op 28 maart 2002 als meest recente worden gekwalificeerd, tot de definitieve vergunning te kunnen overgaan, dat de definitieve vergunning bijgevolg wordt afgeleverd vijf jaar nadat de proefperiode werd beëindigd en zonder dat in de laatste twee jaren een onderzoek werd gedaan; dat hij ten slotte verwijst naar een opmerking in het auditoraatsverslag van 31 mei 2005 in het kader van de voorafgaandelijke schorsingsprocedure; 2.4. Overwegende dat het bestreden besluit een definitieve uitspraak betreft over een vergunningsaanvraag nadat die in eerste instantie werd verleend voor een proeftermijn van twee jaar; dat een proefvergunning tot doel heeft de vergunningverlenende overheid toe te laten om proefondervindelijk na te gaan welke weerslag een hinderlijke inrichting heeft op de omgeving en het leefmilieu, zodat die overheid met kennis van zaken kan oordelen of een "definitieve" vergunning kan worden verleend; dat het vanzelfsprekend is dat de overheid bij het nemen van de "definitieve" beslissing rekening moet houden met de vaststellingen die tijdens de proefperiode werden gedaan, zoniet zou de proefvergunning zinloos zijn geweest; dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar een evaluatieverslag van de afdeling Milieu-inspectie van 10 april 2001, het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van 2 mei 2001, het advies van de afdeling VII-33.615-10/13 Milieuvergunningen van 11 mei 2001 en het advies van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 21 mei 2001; dat in de motivering van het bestreden besluit tevens wordt verwezen naar de resultaten van een meetprogramma dat op 7 en 8 oktober 1999 werd uitgevoerd door de NV SGS ECOCARE, naar een meetcampagne die de Vlaamse Milieumaatschappij heeft uitgevoerd in de periode van 2 december 1999 tot 28 februari 2000 om de luchtkwaliteit in de omgeving van de inrichting na te gaan en naar metingen van de emissies van de naverbrander, die op 28 maart 2002 werden uitgevoerd door deskundigen van de VZW LOVAP; dat de verwerende partij op grond van voormelde adviezen en uitgevoerde metingen van oordeel is dat de vergunning definitief kan worden verleend omdat de emissies van de inrichting geen onaanvaardbare hinder voor de omwonenden zouden teweegbrengen; Overwegende dat de afdeling Milieu-inspectie op 10 april 2001 een evaluatieverslag heeft opgesteld waarin aandacht wordt besteed aan de metingen van vluchtige organische stoffen die de Vlaamse Milieumaatschappij in de omgeving van het bedrijf heeft uitgevoerd; dat in dat evaluatieverslag, in aansluiting op de vaststelling dat de daggemiddelde concentraties van ethylacetaat in de omgeving van de inrichting "doorgaans hoger (zijn) dan op andere plaatsen in Vlaanderen", sprake is van een vraag om advies aan de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg "met betrekking tot de conclusies van het rapport in kwestie, voor wat betreft de gezondheid van de omwonenden"; dat op die vraag geen antwoord is gegeven; dat in het bestreden besluit wordt vastgesteld dat "er (...) nog (wordt) gewacht op een verslag van de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg"; dat het feit dat niet verder werd aangedrongen op het advies van de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg getuigt van onbehoorlijk bestuur, gelet op het ruime tijdsverloop tussen het evaluatieverslag van de afdeling Milieu-inspectie en de datum waarop het thans bestreden besluit is genomen; dat de motiveringsverplichting is geschonden aangezien de verwerende partij dergelijk aspect niet bij haar definitieve beoordeling heeft betrokken; dat de verwerende partij haar beslissing mede steunt op de resultaten van een "recenter" meetprogramma dat de NV SGS ECOCARE heeft uitgevoerd op 7 en 8 oktober 1999; dat met betrekking tot de problematiek van de piekemissies wordt overwogen dat "er geen piekemissies meer terug te vinden zijn", terwijl verder toch sprake is van "één tijdelijke verhoging van de emissies gedurende 30 minuten"; dat het onduidelijk is hoe de globale afwezigheid van piekemissies in dit onderzoek zich verhoudt tot de metingen die later werden uitgevoerd door de VZW LOVAP waarin wel sprake is van concentratiepieken; dat, wat de rookgasmetingen die op 28 maart 2002 werden VII-33.615-11/13 uitgevoerd door de VZW LOVAP betreft, wordt vastgesteld dat geen van de adviesverlenende instanties zich over de resultaten van die metingen heeft kunnen uitspreken, terwijl artikel 53bis, § 2, 1/, a), van Vlarem I een bijzondere rol toekent aan de met het toezicht belaste ambtenaren die een evaluatieverslag moeten opmaken dat als basis dient voor de beoordeling van de proefperiode; dat de motivering van het bestreden besluit daarenboven zeer beknopt is over de resultaten van bedoelde rookgasmetingen door te overwegen dat "de resultaten van deze metingen geen overschrijdingen van de emissienormen aantoonden"; dat de metingen van de VZW LOVAP het bestaan van concentratiepieken bevestigen bij overschakeling van de ene naar de andere verbrandingskamer van de thermische naverbrander; dat het bestreden besluit geen enkele aandacht besteedt aan de vraag of die regelmatig terugkerende piekemissies al dan niet aanvaardbaar zijn vanuit milieuhygiënisch oogpunt; dat wordt vastgesteld dat de motivering van het bestreden besluit in wezen bestaat uit de samenvatting van de resultaten van diverse emissiemetingen die werden uitgevoerd door verschillende deskundigen over een periode van ongeveer drie jaar; dat, ten aanzien van de problematiek van de zogenaamde piekemissies, de resultaten van die studies, die niet geheel eenduidig zijn, niet tegen elkaar worden afgezet; dat meer in het bijzonder de verwerende partij in gebreke blijft een eigen afdoende beoordeling te geven van de hinderlijkheid van de vastgestelde emissies, rekening houdend met alle concrete gegevens van de zaak, inzonderheid met de ligging van de inrichting temidden een woongebied; dat het tweede onderdeel van het eerste middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 13 december 2004 waarbij, na een proeftermijn, aan de NV MAFRANS definitieve vergunning wordt verleend voor de uitbreiding van een drukkerij, gelegen aan de Grote Baan 276 te Haacht. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-33.615-12/13 Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-33.615-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.754 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.044 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div