id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 juni 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.756 Rolnummer: A. 186234/VII-37113 Zaak: Arrest 184756 - Milieuvergunningen - 26/06/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-07-11 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:18 Fiche Arrest nr 184.756 van 26 juni 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : heropening debatten Inwilliging tussenkomst Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 184.756 van 26 juni 2008 in de zaak A. 186.234/VII-37.113. In zake : 1. de NV VASTGOED NOORD, 2. Hans DE NEEF, die woonplaats kiezen bij advocaat K. ROELANDT, kantoor houdende te BRUSSEL, Charles Madouxlaan 13-15 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. tussenkomende partij : de NV CHRISTEYNS, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te HOEILAART, de Quirinilaan 2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de NV VASTGOED NOORD en Hans DE NEEF op 26 november 2007 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 20 september 2007 waarbij het beroep ingediend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 1 februari 2007, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV CHRISTEYNS om een bedrijf voor de productie van zeep en detergenten, gelegen aan de Afrikalaan 85 en 182 te Gent, verder te exploiteren, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-37.113-1/7 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement); Gelet op de beschikking van 8 februari 2008, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 13 maart 2008; gelet op het feit dat deze terechtzitting werd uitgesteld tot 24 april 2008 en dat zulks met op 12 maart 2008 aangetekend verzonden brieven aan de partijen ter kennis werd gebracht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. ROELANDT, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaten M. DENYS en B. VANDENBERGHE en van de voorzitter van de raad van bestuur P. BOSTOEN, die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat de NV CHRISTEYNS met een verzoekschrift van 24 december 2007 vraagt om in de debatten tussen te komen; dat, aangezien zij de begunstigde is van de bestreden beslissing, en mede gelet op het zeer summier onderzoek op grond van artikel 93 van het algemeen procedurereglement, haar verzoek kan worden ingewilligd; VII-37.113-2/7 2. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.1. De tussenkomende partij exploiteert sinds 1946 een bedrijf voor de productie van zeep en detergenten aan de Afrikalaan te Gent, in gebouwen aan weerszijden van die straat. De exploitaties aan de westkant (nummer 85, perceel nr. 729/
- y)en de oostkant (nummer 182, perceel nr. 718/
- p)zijn afzonderlijk vergund. Het bedrijf is een "lage-drempel Sevesobedrijf". 2.2. De eerste verzoekende partij is eigenaar van een voormalig industriegebouw genaamd ACEC-NOORD. Dit staat, vanuit de inrichting van de tussenkomende partij gezien, westelijk, aan de overzijde van het Handelsdok. Tweede verzoeker is de gedelegeerd bestuurder van de eerste verzoekende partij. Het gebouw ligt in een gebied waar het stadsbestuur van de stad Gent een groot stadsvernieuwingsproject plant. Daartoe is een Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan opgemaakt, genaamd "RUP 134 ACEC" van 28 juni 2005. 2.3. In hetzelfde project is ook voorzien dat er een brug wordt gebouwd over het Handelsdok, waardoor het deel van de stadsring dat thans westelijk naast het Handelsdok loopt zou worden verlegd naar de oostkant. Het is in dat verband de bedoeling om een gedeelte van het bedrijfsterrein van de tussenkomende partij aan de westkant van de Afrikalaan te onteigenen. De twee ministeriële besluiten van 2 april 2004 met betrekking tot dit voornemen worden door de tussenkomende partij voor de Raad van State met een annulatieberoep bestreden in de zaken A. 153.241/X-11.950 en A. 154.534/X- 12.013. 2.4. De thans bestreden beslissing wordt ook bestreden door de stad GENT in de zaak A. 185.985/VII-37.102. 2.5. Op 21 augustus 2006 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de hernieuwing en verandering van de aflopende vergunningen, die voortaan in één vergunning zouden worden gebundeld. VII-37.113-3/7 De gebouwen aan de westzijde zouden worden afgebroken en vervangen door een nieuw distributiecentrum; er worden twee percelen toegevoegd (nummers 729/r en 729/z). Deze percelen liggen volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone in industriegebied. Het perceel aan de oostzijde ligt volgens het hetzelfde gewestplan in woongebied, en volgens het bijzonder plan van aanleg "Afrikalaan" in een zone met als hoofdbestemming kleine en middelgrote ondernemingen, dienstverlenende bedrijven en commerciële bedrijven, en als nevenbestemming wonen. Alle productieactiviteiten worden samengebracht op dit perceel. De vergunningsaanvraag behelst ook een verhoging van de productie, waardoor het bedrijf een "hoge-drempel Sevesobedrijf" wordt. 2.6. Op 1 februari 2007 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning. 2.7. De eerste verzoekende partij tekent administratief beroep aan. 2.8. De Vlaamse Milieumaatschappij, de afdeling Milieuvergunningen en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseren gunstig. De afdeling Stedenbouwkundig Beleid en Onroerend Erfgoedbeleid adviseert aanvankelijk ongunstig, maar wijzigt dat advies later naar een voorwaardelijk gunstig advies. 2.9. Op 20 september 2007 wordt de bestreden beslissing genomen: het beroep van de eerste verzoekende partij wordt ongegrond verklaard en de verleende vergunning wordt bevestigd; 3. De procedure 3.1. Overwegende dat de tussenkomende partij, nadat het auditoraats- verslag, opgesteld op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State, haar was overgemaakt, op 6 maart 2008 een "verzoekschrift tot tussenkomst procedure korte debatten" toestuurt; dat dergelijk stuk niet is voorzien in de onderhavige procedure zodat het uit de debatten wordt geweerd; dat ook de daarop gevolgde briefwisseling en de stukken neergelegd ter zitting hetzelfde lot moeten ondergaan; VII-37.113-4/7 3.2. Overwegende dat de tussenkomende partij ter zitting hoofdzake- lijk betoogt dat de verzoekende partijen geen belang hebben, omdat het onrechtma- tig is, en dat zij deze exceptie reeds heeft opgeworpen in haar inleidend verzoek- schrift tot tussenkomst; dat zij uiteenzet dat het vermeende nadeel van de verzoeken- de partijen dat zij als belang inroepen niet het gevolg is van de bestreden beslissing, maar van de plaatselijke planologische indeling, dat, wanneer de verzoekende partijen de gronden hebben verworven, zij rekening dienden te houden met de omstandigheid dat die gronden paalden aan een vergund bedrijf, dat de verzoekende partijen zich ten onrechte steunen op "RUP 134 ACEC"; dat de tussenkomende partij in dat verband redeneert dat haar bedrijf een Seveso-bedrijf is en dat artikel 12 van de richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (hierna : Seveso II richtlijn) aan de lidstaten oplegt om tussen "de onder deze richtlijn vallende inrichtingen enerzijds en woongebieden, door het publiek bezochte gebouwen en gebieden, (...), en waardevolle of bijzonder kwetsbare natuurgebieden anderzijds" op lange termijn voldoende afstand te laten bestaan, dat die richtlijn geïmplementeerd diende te zijn alvorens het "RUP 134 ACEC" tot stand kwam, dat het "RUP 134 ACEC" geen rekening houdt met de Seveso II richtlijn, dat de verzoekende partijen als eigenaars van de naburige percelen rekening moesten houden met die richtlijn en zich bijgevolg niet kunnen beroepen op het "RUP 134 ACEC" dat strijdt met de Seveso II richtlijn; dat de verzoekende partijen bijgevolg - steeds volgens de tussenkomende partij - het rechtens vereiste belang ontberen om de bestreden beslissing aan te vechten; dat de tussenkomende partij aan de Raad van State ook expliciet vraagt om met betrekking tot de toepassing van artikel 12 van voornoemde Seveso II richtlijn een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie te Luxemburg in de volgende bewoordingen : "Wordt artikel 12 van de Richtlijn 96/82/EG (Seveso II) en artikel 5 en 249, derde lid van het E.G.-Verdrag geschonden indien de overheid van een Lid- Staat, nadat de omzettingstermijn is verstreken en de richtlijn gedeeltelijk werd omgezet in het nationale recht, bij het opmaken van een nieuwe ruimtelijke planning een industriezone voor een groot deel omvormt tot woonzone en geen enkele rekening houdt tijdens de opmaak van de nieuwe ruimtelijke planning met de aanwezigheid van een Seveso bedrijf op 135 m van de herbestemde zone - aanwezigheid waarmee na de volledige omzetting van de richtlijn in het nationale recht rekening dient te worden gehouden bij de opmaak van een nieuwe ruimtelijke planning - alhoewel ze op de hoogte was van het bestaan van het Seveso-bedrijf"; 3.3. Overwegende dat de tussenkomende partij aldus het belang van de verzoekende partijen betwist, onder meer op grond van een door haar als niet met VII-37.113-5/7 de Seveso II richtlijn overeenstemmend, en derhalve onwettig bestempeld, ruimtelijk uitvoeringsplan; dat zij hiervoor verwijst naar Europese regelgeving en de Raad van State verzoekt om de hiervoor geciteerde vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie te Luxemburg; dat het bestaan van een belang bij het voeren van een procedure voor de Raad van State primordiaal is; dat het belang immers onmiddellijk betrokken is bij de ontvankelijkheid van zowel de vordering tot schorsing als het beroep tot nietigverklaring van een verzoekende partij; dat het onderzoek naar het bestaan van een belang voorafgaat aan het onderzoek naar de ernst of de gegrondheid van de aangevoerde middelen; dat, indien een verwerende of tussenkomende partij het belang van een verzoekende partij ontzegt en hieromtrent zelf aandringt op een bevraging bij een internationale rechterlijke instantie, terwijl de aangevoerde exceptie niet onredelijk lijkt, een verder tegenspre- kelijk debat over die kwestie noodzakelijk voorkomt om alle partijen de gelegenheid te geven zich uit te spreken; dat er in dezen bijgevolg reden is om de procedure volgens de gewone rechtspleging verder te zetten, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de NV CHRISTEYNS wordt ingewilligd. Artikel 2. De debatten worden heropend. Artikel 3. De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging. Artikel 4. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het onderzoek van de vordering tot schorsing. VII-37.113-6/7 Artikel 5. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig juni tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.113-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.756 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.907 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.213.336 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.218.943 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div